Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6172

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-1999
Datum publicatie
20-06-2002
Zaaknummer
AWB 97/12484
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 1999-06-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg. nr. Awb 97/12484 VRWET

Inzake A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. S. B. Kleerekooper, advocaat te Utrecht,

tegen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Th. A. Bijleveld, juridisch medewerker te 's-Gravenhage.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

1. Eiser, geboren op [...] 1968, bezit de Iraakse nationaliteit. Hij verblijft naar eigen zeggen sedert 7 februari 1997 als vreemdeling in de

zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 8 februari 1997 heeft hij verzocht om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

Op deze aanvragen is op 21 april 1997 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen de afwijzing van deze aanvragen een bezwaarschrift ingediend. Naar aanleiding van het bezwaarschrift is eiser op 3 september 1997 door een Ambtelijke

Commissie (AC) gehoord. Verweerder heeft op 17 oktober 1997 het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 14 november 1997 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het

beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 25 maart 1999. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.H. Hekman, zijnde een kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich doen

vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij een Koerd

van Iraakse afkomst is. Eiser heeft verklaard dat hij sinds 1984 lid van de PUK is. Hij heeft zich tot 1988 beziggehouden met het werven van nieuwe leden voor de PUK en het verspreiden van pamfletten. In augustus 1987 is eiser door

de veiligheidsdienst van Kirkuk opgepakt omdat hij studenten had opgeroepen niet deel te nemen aan de militaire opleiding in de zomer. Na veertien dagen detentie, waarin eiser is verhoord en mishandeld, is eiser zonder voorwaarden

vrijgelaten. In 1988 is eiser tijdelijk gestopt met zijn activiteiten voor de PUK, omdat de PUK toen naar Iran is vertrokken. Vanaf 1989 heeft eiser vervolgens zijn militaire dienstplicht vervuld en is eiser in februari 1991

gedeserteerd. Vanaf eind februari 1991 is eiser weer actief geworden voor de PUK. Op 28 maart 1991 is eiser benoemd tot directeur van een administratieve afdeling van het bataljon Brusk. Na in 1993 overgeplaatst te zijn naar het

bureau van organisatie van de PUK heeft eiser zich voornamelijk beziggehouden met het werven van nieuwe leden, het organiseren van vergaderingen en het houden van lezingen over religie en geloof. In mei 1994 heeft eiser zijn

lidmaatschap voor de PUK opgezegd omdat, mede door de strijd tussen de PUK en de KDP, hij er niet meer in geloofde dat de PUK de belangen van de Koerden behartigde.

Reeds in januari 1994 is eiser op de hoogte geraakt van het feit dat zijn naam op een liquidatielijst voorkwam van de Islamitische Beweging.

Op 8 maart 1995 is eiser naar aanleiding van zijn uitspraken op een vergadering van de internationale vrouwendag door Islamieten in elkaar geslagen.

Eiser die als onderwijzer werkzaam is geweest, heeft in 1995 samen met twee collega's een bibliotheek opgericht. Een van de door eiser in de bibliotheek ingebrachte boeken, betrof een boek waarvan de schrijver door Islamieten was

vermoord. Eiser heeft in dit boek een handgeschreven aantekening gevonden waarin vermeld stond dat degene die het boek had meegebracht hetzelfde lot beschoren was als de schrijver van het boek.

Op 2 september 1996, twee dagen nadat het Iraakse leger de stad Arbil hadden ingenomen, heeft eiser van een vriend, C, lid van het Koerdisch Islamitisch Verbond, vernomen dat zijn naam op een liquidatielijst van het Koerdisch

Islamitisch verbond voorkwam. Mede gelet op de eerdere problemen met de Islamieten en het feit dat eiser al eerder op een liquidatielijst is voorgekomen, heeft eiser besloten op 2 september 1996 uit Irak te vluchten.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt.

4. Met betrekking tot de gehandhaafde weigering eiser als vluchteling toe te laten, overweegt de rechtbank als volgt.

5. Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en artikel 15, eerste lid, Vw is van

vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

6. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Irak niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiser zal dus aannemelijk moeten maken dat met

betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

7. Eiser is daarin niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe, dat het relaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is om aannemelijk te achten dat eiser daadwerkelijk de negatieve aandacht van de Iraakse autoriteiten geniet. De

enkele omstandigheid dat eiser activiteiten voor de PUK heeft ontplooid, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat eiser de negatieve aandacht van de Iraakse overheid geniet en derhalve te vrezen heeft

voor vluchtelingrechtelijke vervolging. Hierbij heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat eiser nimmer enige problemen van de zijde van de Iraakse autoriteiten heeft ondervonden, behoudens een detentie van veertien dagen in

augustus 1987 waarna eiser overigens zonder voorwaarden is vrijgelaten. In het gehoor voor de Ambtelijke Commissie op 3 september 1997 heeft eiser verklaard sinds 1987 geen problemen van de zijde van de Iraakse autoriteiten

ondervonden te hebben. Voorts heeft de rechtbank het gegeven in aanmerking genomen dat eiser in mei 1994 zijn lidmaatschap van de PUK heeft opgezegd, zodat niet aannemelijk is dat hij als belangrijk politiek tegenstander wordt

beschouwd.

Voor zover het relaas toeziet op de vrees voor vluchtelingerechtelijke vervolging door de Islamitische beweging overweegt de rechtbank het volgende. Nog afgezien van het antwoord op de vraag of eiser als gevolg van tegen hem

gerichte activiteiten van de Islamitische beweging kan worden beschouwd als vluchteling in de hier onder rechtsoverweging 5 bedoelde zin, nu onduidelijk is gebleven of eiser de bescherming van de Iraakse autoriteiten kan inroepen,

heeft eiser slechts naar eigen zeggen en van derden vernomen dat hij tot twee maal toe op een liquidatielijst van de Islamitische beweging zou voorkomen en heeft dit op geen enkel andere wijze weten te staven. Voorts bevreemdt het

de rechtbank dat eiser, nu zijn naam sinds eind 1993 op liquidatielijsten van de Islamitische beweging zou voorkomen, behoudens twee incidenten in maart en november 1995 nimmer last van de zijde van de Islamitische beweging heeft

onder vonden. Dit klemt temeer nu eiser tot juli 1996 zonder problemen onderwijs heeft gegeven aan een school waarvan de directeur aanhanger van de Islamitische Beweging zou zijn geweest, hetgeen niet duidt op specifieke negatieve

aandacht van de Islamitische beweging voor zijn persoon.

8. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit zijn weigering eiser toe te laten als vluchteling terecht heeft gehandhaafd.

9. Ingevolge artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan

foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Gelet op rechtsoverweging 7 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van eiser naar Irak strijd oplevert met artikel 3 EVRM.

10. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

11. Namens eiser is aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser is van mening, nu verweerder nagelaten heeft (eerst) te toetsen aan artikel 3 EVRM en eiser direct heeft voorzien van een

voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv), dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Daarbij moet aldus eiser in aanmerking genomen worden dat een vergunning tot verblijf zonder beperkingen op grond van

artikel 3 EVRM een sterkere status oplevert dan de verlening van een vvtv. Eiser is derhalve van mening dat verweerder aan artikel 3 EVRM had dienen te toetsen, alvorens over te gaan tot toetsing aan het vvtv-beleid.

De rechtbank overweegt als volgt. Het is vast beleid - hoofdstuk B7/15.2.2 -van de Vreemdelingecirculaire (Vc) - dat voor alle vreemdelingen die in aanmerking komen voor een vvtv, deze vergunning reeds in eerste aanleg wordt

opgelegd, indien de aanvragen om toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf niet worden ingewilligd.

Eveneens voert verweerder het beleid om bij de oplegging van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf inhoudelijk op de oorspronkelijke aanvragen te beslissen, zodat indien zich een situatie voordoet waarin een vreemdeling bij

terugkeer naar het land van herkomst het reële gevaar loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, een vergunning tot verblijf zonder beperkingen wordt verleend. De vergunning kan worden geweigerd

indien er sprake is van contra-indicaties in de sfeer van de openbare orde.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het algemeen belang, gediend bij het niet toelaten van vreemdelingen die zich schuldig hebben gemaakt aan inbreuken op de openbare orde, zodanig zwaarwegend is dat dit moet prevaleren boven

het belang van de vreemdeling bij toelating.

Gelet op voormeld beleid is de rechtbank van oordeel dat verweerder eerst gemotiveerd aan had artikel 3 EVRM had dienen te toetsen, alvorens over te gaan tot toetsing aan het vvtv-beleid. Verweerder had niet mogen volstaan met de

overweging: "Voor zover betrokkene een beroep doet op artikel 3 EVRM wordt opgemerkt dat betrokkene niet met terugzending wordt bedreigd nu hem een voorwaardelijke vergunning tot verblijf is verleend".

13. Op grond van het hiervoorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen van een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit komt derhalve wegens strijd met artikel 7:12 Awb voor

vernietiging in aanmerking.

14. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om ingevolge artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Gelet op hetgeen in overwegingen 7 en 8 is aangedragen zou verweerder, indien zij

het bestreden besluit wel had voorzien van een deugdelijke motivering met betrekking tot artikel 3 EVRM, niet tot een ander oordeel zijn gekomen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eiser door de handelwijze van verweerder niet

zodanig in zijn belangen is geschaad dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten.

15. Gelet op al het voorgaande is het beroep gegrond.

16. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in

het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1.420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging

is verleend krachtens de Wet op de

rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

17. Op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover het toeziet op de weigering een vergunning tot verblijf te verlenen;

2. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand zullen blijven;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f. 210,-

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mrs. C.E. Dettmeijer-Vermeulen, E. Kouwenhoven en J.M. Reinking en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 1999, in tegenwoordigheid van R. Korving, griffier.

afschrift verzonden op: 16 juli 1999