Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5938

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/3825
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/3825 VRWET

inzake: A, wonende te B, eiseres,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1968, bezit de Tunesische

nationaliteit. Zij verblijft sedert 25 juli 1992 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 7 juli 1998 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een

vergunning tot verblijf met als doel:

"verblijf bij Nederlandse partner C en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst". Bij besluit van 11 januari 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen dit

besluit bij bezwaarschrift van 25 januari 1999, aangevuld bij brieven van 10 februari 1999, 12 februari 1999 en 11 maart 1999, bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 2 april 1999 ongegrond verklaard. Het besluit is bij

brief van dezelfde datum aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

2. Bij beroepschrift van 15 april 1999, aangevuld bij brief van 6 augustus 1999, heeft eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiseres verzocht het bestreden besluit van 2 april 1999

te vernietigen en verweerder te veroordelen in de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen en verweerder te veroordelen het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden, voorzover dit niet

ingevolge de wet door de griffier wordt terugbetaald. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 28 juli 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie

ontvangen. In het verweerschrift van 9 november 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 12 november 1999.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 1999.

Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door prof. mr. P. Boeles, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. L.C. Tengeler, ambtenaar bij de Immigratie- en

Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig de echtgenoot van eiseres, de heer C.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiseres is op 25 juli 1992 Nederland ingereisd, in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om werkzaam te zijn als kamermeisje bij

de Tunesische ambassade in 's-Gravenhage. Zij woont, naar haar zeggen, sedert 20 mei 1998 samen met haar Nederlandse partner C, geboren op [...] 1954 (hierna te noemen:

referent). De partner van eiseres werkt als zelfstandige. Zijn eenmanszaak "D" staat sedert 1 januari 1984 ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Sinds 1 oktober 1998 heeft hij een werknemer in dienst.

Op 15 november 1999 zijn eiseres en haar partner in het huwelijk getreden.

3.1. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard dan wel internationale verplichtingen tot toelating nopen. Daartoe voert zij aan dat zij in aanmerking komt voor verblijf bij haar partner. Daarbij beroept zij zich op

hoofdstuk B1/3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994. Eiseres constateert dat in het bestreden besluit ten aanzien van de door referent over zijn inkomen verstrekte gegevens geen enkele inhoudelijke overweging is te vinden.

Verweerder beperkt zich tot het vermelden van formele redenen waarom aan de overgelegde gegevens geen doorslaggevende betekenis zou kunnen worden toegekend. Deze redenen zijn naar de mening van eiseres willekeurig en niet

beslissend. Allereerst moet worden vastgesteld, dat ten aanzien van eenmansbedrijven geen andere informatiebronnen beschikbaar zijn dan de door de ondernemer zelf aan zijn boekhouder verstrekte gegevens. Het afgeven van een

accountantsverklaring is bij dit soort bedrijven niet mogelijk, zoals blijkt uit de overgelegde kopie van een brief van 4 april 1997 van het Koninklijk Nederlands Instituut van registeraccountants. Weliswaar kan de fiscus zo nu en

dan langskomen voor controle, maar ook de Belastingdienst vaart in beginsel op de in de aangifte verstrekte gegevens. Het enkele feit dat een IB-60 verklaring wordt afgegeven levert dan ook ten opzichte van de opgave van de

boekhouder niet veel extra waarborg op. Het is eiseres voorts niet duidelijk op welke gronden verweerder geen genoegen neemt met de overgelegde balans van 1998.

Eiseres is derhalve van mening dat het bestreden besluit strijdig is met zowel de wet als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

3.2. Bij brief van 20 april 1999 aan verweerder heeft eiseres met betrekking tot het inkomen van referent twee definitieve aanslagen overgelegd over de jaren 1996 en 1997, waaruit blijkt dat het door hem in de belastingaangifte

opgegeven belastbaar inkomen als uitgangspunt is geaccepteerd. Voorts heeft zij voorlopige aanslagen over 1999 overgelegd.

3.3. Bij brief van 21 april 1999 aan verweerder heeft eiseres met betrekking tot het inkomen van referent IB-60 verklaringen overgelegd over de jaren 1994 tot 1998. Over het jaar 1998 heeft de Belastingdienst nog geen gegevens

beschikbaar. Voor de andere jaren blijkt het belastbaar inkomen geheel conform de namens referent ingediende aangifte te zijn geaccepteerd.

3.4. Bij brief van 6 augustus 1999 aan de rechtbank heeft eiseres nog een tussentijdse rapportage met betrekking tot de inkomsten uit de eenmanszaak van haar partner gestuurd. Hieruit blijkt dat hij naar verwachting op basis van de

resultaten over het eerste half jaar van 1999 in het gehele jaar gemiddeld een netto-maandinkomen van f 2.600,- zal verdienen.

3.5. In de brief van 12 november 1999 aan de rechtbank heeft eiseres naar aanleiding van het verweerschrift nog het volgende aangevoerd. In hoofdstuk A4/4.3.1 van de Vc 1994 is nergens iets gezegd over de vraag onder welke

omstandigheden gegevens ten aanzien van de draagkracht van zelfstandigen als voldoende objectief kunnen worden aangemerkt en nergens staat ten aanzien van eenmansbedrijven vermeld dat de overgelegde gegevens slechts zullen worden

geloofd als de Belastingdienst de gegevens blijkt te hebben geaccepteerd. Ook in hoofdstuk B12 van de Vc 1994, dat overigens hier niet van toepassing is, staat daarover niets. Eiseres heeft tijdig aangegeven waarom juist het jaar

1998 zo wezenlijk was voor de beoordeling van de inkomsten uit het bedrijf van referent. Nu immers uit de jaarstukken over de periode tot en met 1997 niet kon worden afgeleid, dat referent duurzaam over voldoende inkomsten beschikt,

heeft eiseres gewezen op de gunstige ontwikkelingen die zich in het jaar 1998 hadden voorgedaan en die zich naar verwachting zouden voortzetten in 1999, hetgeen ook blijkt uit de na het besteden besluit verschafte informatie. Zo

heeft zij op 20 april 1999 twee aan referent opgelegde belastingaanslagen over 1996 en 1997 toegezonden en op 21 april 1999 de IB-60 verklaringen over 1994 - 1998. Op 6 augustus 1999 verzond zij naar verweerder een tussentijdse

rapportage met betrekking tot de inkomsten van referent over het eerste halfjaar 1999. Het betreft, voorzover het om de jaren 1998 en 1999 gaat, documenten die zij redelijkerwijs niet eerder hoefde over te leggen. De conclusie is

dat verweerder reeds in de bezwaarfase is geconfronteerd met een relevant en door documenten ondersteund betoog van eiseres, waarop verweerder inhoudelijk diende te reageren. Nu eiseres niet in gebreke is gebleven om aan het in de

Vc gestelde te voldoen, komt naar haar primaire inzicht de vraag naar de inherente

afwijkingsbevoegdheid niet aan de orde. Het geschil betreft immers uitsluitend de wijze waarop - binnen het kader van de geldende beleidsregels - het bewijs van duurzaamheid van de inkomsten van de partner van eiseres moest worden

geleverd. Subsidiair is eiseres van mening dat de door haar aangedragen gegevens relevant waren en dat verweerder had moeten motiveren waarom niet van de beleidsregels werd afgeweken.

4.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor verblijf bij referent, nu referent niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Uitgangspunt van het beleid

is dat, indien degene bij wie verblijf wordt beoogd arbeid als zelfstandige verricht, aan de hand van de nodige financiële

gegevens dient te worden beoordeeld of deze duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. In dit kader dient te worden uitgegaan van de vaststelling van het inkomen door de Belastingdienst. Aan de namens

referent overgelegde gegevens kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend nu deze stukken louter zijn gebaseerd op gegevens door betrokkene zelf verstrekt. Het betreft hier geen door de Belastingdienst vastgestelde aanslag

inkomstenbelasting of een zogenoemde IB-60 verklaring. Weliswaar zijn over de jaren 1995, 1996, 1997 en 1998 kopieën overgelegd van het aangiftebiljet O en de aangifte inkomstenbelasting over de genoemde jaren, maar in geen van deze

gevallen is een aanslag van de Belastingdienst getoond waaruit blijkt wat het belastbaar inkomen van referent is geweest in de respectieve jaren. Evenmin zijn IB-60 verklaringen aanwezig, terwijl in het bezwaarschrift is aangevoerd

dat referent doende was dergelijke verklaringen te verkrijgen. Gesteld noch gebleken is dat referent in de onmogelijkheid verkeerde verklaringen omtrent het belastbaar inkomen te verkrijgen van de Belastingdienst. Dit klemt te meer

daar referent reeds bij brief van 20 augustus 1998 is verzocht dergelijke

inkomensverklaringen te verstrekken. Ook met de overgelegde balans over 1998 kan geen genoegen worden genomen, aangezien deze evenmin een objectieve graadmeter is van het inkomen. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat er

slechts kan worden afgegaan op de gegevens die de Belastingdienst omtrent het belastbaar inkomen heeft verstrekt aangezien juist deze gegevens een objectief beeld geven van de bedrijfsresultaten en het belastbaar inkomen. Niet is

gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat op grond daarvan in het verblijf van eiseres wegens klemmende redenen van humanitaire aard dient te worden berust. De weigering eiseres verblijf toe te staan is niet in strijd met

het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2. In het verweerschrift heeft verweerder hieraan het volgende toegevoegd. Bij een eenmanszaak of zelfstandige zijn de stukken gebaseerd op gegevens die de zelfstandige zelf heeft verstrekt.

Uitgangspunt is dat deze gegevens wel objectief verifieerbaar moeten zijn. Hiervoor zijn bescheiden van de Belastingdienst essentieel. Te meer nu uit de overgelegde stukken niet op voorhand duidelijk is dat aan het middelenvereiste

wordt voldaan, gelet op de verliezen die in het verleden geleden zijn, heeft verweerder terecht gesteld geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de door eiseres overgelegde gegevens. Eerst in beroep heeft eiseres een aantal

bescheiden van de Belastingdienst overgelegd. Reeds gelet op het ex-tunc-karakter van deze toetsing kunnen deze stukken niet worden meegenomen. Dit klemt te meer nu deze stukken zijn opgemaakt op een datum na het bestreden besluit,

zodat verweerder hiermee geen rekening heeft kunnen houden. Ten overvloede wenst verweerder nog op te merken dat gelet op de hoogte van de inkomsten van de jaren waarover een IB-60 verklaring is overgelegd nog immer niet is vast

komen te staan dat aan het middelenvereiste wordt voldaan. Het (belastbaar) inkomen van de partner was immers ofwel negatief of nihil. Bovendien heeft eiseres geen bescheiden overgelegd over 1998.

4.3. Ter zitting heeft verweerder nog gesteld dat de "kan"-bepaling neergelegd in hoofdstuk B1/3.2.3.2 van de Vc 1994 aan verweerder ruimte biedt om - hoewel dit niet in het beleid is neergelegd - gegevens te eisen van de

Belastingdienst. Deze uitwerking van het beleid is in de jurisprudentie aanvaard.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat

vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit

internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

Dit beleid is neergelegd in de Vc.

7. Ter toetsing staat of eiseres voldoet aan de criteria die de Vc stelt voor toelating in het kader van het partnerbeleid. Het op dit punt door verweerder gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B1 onder 3 van de Vc 1994. In dit

hoofdstuk is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

8. Aan de partner van een Nederlander kan verblijf hier te lande worden toegestaan in het kader van een bestaande relatie dan wel, vanaf het achttiende levensjaar van beide partners, in het kader van een nieuwe relatie, indien

degene bij wie toelating als gezinslid wordt beoogd duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw, waaronder in casu wordt verstaan een netto inkomen dat tenminste gelijk is aan het

bestaansminimum in de zin van de Algemene bijstandswet, dat wil zeggen ten minste het netto normbedrag voor de desbetreffende categorie echtparen/gezinnen.

De middelen worden als duurzaam beschouwd indien deze voor een periode van nog tenminste één jaar beschikbaar zijn. Ook voor zelfstandigen geldt, dat de duurzaamheid van voldoende middelen aantoonbaar moet zijn.

Dit kan blijken uit een balans, een winst- en verliesrekening en uit maandelijkse opgaven van bedrijfsresultaten, aldus hoofdstuk B1/3.2.3.2 Vc 1994.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de door eiseres overgelegde stukken met betrekking tot het inkomen van haar partner niet kan worden afgeleid of hij duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, nu de

stukken niet afkomstig zijn van de Belastingdienst en derhalve niet objectief verifieerbaar zijn. De rechtbank deelt dit standpunt van verweerder niet en overweegt daartoe het volgende.

10. In het beleid, zoals neergelegd in hoofdstuk B1/3.2.3.2, derde alinea, van de Vc 1994 in verbinding met het in hoofdstuk A4/4.2.1 van de Vc 1994 omschreven middelenvereiste is niet geregeld dat slechts met objectief

verifieerbare gegevens afkomstig van de Belastingdienst kan worden aangetoond dat aan het middelenvereiste wordt voldaan. Ook overigens valt dit niet uit het beleid af te leiden. Verweerder stelt zich weliswaar op het standpunt dat

hij op grond van de "kan"-bepaling neergelegd in hoofdstuk B1/3.2.3.2, derde alinea, van de Vc 1994 ook andere gegevens mag vereisen dan de daar opgesomde gegevens. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de tekst niet blijkt dat

slechts gegevens van de Belastingdienst toereikend zouden zijn, in afwijking van de vermelding in B1/3.2.3.2 van de Vc 1994 dat de duurzaamheid van de middelen kan blijken uit een balans, een winst- en verliesrekening en uit

maandelijkse opgaven van bedrijfsresultaten. Indien verweerder van oordeel is dat slechts met stukken van de Belastingdienst kan worden aangetoond dat aan het middelenvereiste wordt voldaan dient verweerder dit voor een ieder

kenbaar neer te leggen in het beleid. Nu verweerder dit heeft nagelaten kon verweerder niet aan eiseres tegenwerpen dat zij geen gegevens van de Belastingdienst had overgelegd en is verweerder ten onrechte niet inhoudelijk ingegaan

op de door eiseres overgelegde gegevens.

11. Het bestreden besluit kan - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - niet in stand blijven nu het niet ex artikel 3:2 Awb op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en het niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in

artikel 7:12 Awb. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

Hetgeen partijen over een weer verder nog hebben aangevoerd behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen thans geen bespreking.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het

ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1.420,- als kosten van verleende

rechtsbijstand.

13. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f 225,-;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,-, (zegge veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 21 december 1999, door mr. G. de Groot, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. van Duinen, griffier.

Afschrift verzonden op: 29 december 1999

Conc: AvDu

Coll:

Bp: -

D: B

bwst 281295