Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5931

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-1999
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
AWB 99/1191 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Eerste kamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: AWB 99/1191 WAO

Inzake [eiseres] e/v [echtgenoot], wonende te [woonplaats] , eiseres,

tegen het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder (Cadans uitvoeringsinstelling B.V.) van 11 januari 1999, kenmerk B&B/C-05/98.64392/EH.

2. Zitting.

Datum: 27 september 1999.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. I. Bruna, werkzaam bij de CFO: CNV-bond voor Overheid, Zorgsector en Verzelfstandigde Overheidsinstellingen.

Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

3. Feiten.

Eiseres werkte op free-lance basis als doventolk bij de stichting [werkgever], , te [vestigingsplaats]. Op 16 april 1997 is zij ziekgemeld voor dit werk als gevolg van een auto-ongeval.

Bij besluit d.d. 10 maart 1998 heeft verweerder eiseres met ingang van 15 april 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55 %. Tegen dat besluit is namens eiseres bij brief d.d. 15 april 1998 bezwaar gemaakt bij verweerder. Omtrent dit bezwaar is eiseres op 5 januari 1999 gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is namens eiseres bij brief d.d. 10 februari 1999 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

4. Motivering.

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit waarbij het bezwaar van eiseres tegen de toekenning van een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55 % per 15 april 1998 ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

Onder arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken in de zin van artikel 18 WAO dient naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte van het inkomen van de zogeheten maatman.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres op 15 april 1998, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde parttime functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmanloon van eiseres levert volgens verweerder een zodanig verlies aan verdiencapaciteit op dat indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55 % aan de orde is.

Gesteld noch gebleken is dat de medische grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk is.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de rechtbank allereerst dat gesteld noch gebleken is dat verweerder eiseres ten onrechte ongeschikt heeft geacht voor het verrichten van de werkzaamheden behorend bij de haar geduide functies.

Voorts stelt de rechtbank vast dat arbeidsdeskundige Hulsen blijkens diens rapportage d.d. 2 februari 1998 het maatmanloon van eiseres heeft vastgesteld op f. 40,05 bruto per uur. Deze arbeidsdeskundige is er hierbij van uitgegaan dat eiseres in het jaar voorafgaande aan het intreden van haar arbeids-ongeschiktheid in totaal 395,5 uren heeft gewerkt tegen een bruto loon van f. 55,60 per uur. De arbeidsdeskundige heeft dit uurloon gecorrigeerd voor door hem aan het werk van een doventolk als eiseres inherent geachte reis- en voorbereidingstijd. Hiertoe heeft hij als vuistregel gehanteerd dat een doventolk zoals eiseres, rekening houdend met de reistijd, feitelijk 1,5 uur werkt voor één uur loon. Onder toepassing van deze vuistregel heeft hij berekend dat eiseres feitelijk circa 593 uren heeft gewerkt (1,5 x 395,5 = 593,25), waarmee zij in totaal f. 23.748,98 heeft verdiend (395,5 x f. 55,60). Rekening houdend met de reistijd leidt dit tot een maatmanloon van f. 40,05 per uur (f. 23.748,98 : 593) en afgezet tegen de mediane loonwaarde van de geduide functies tot een verlies aan verdiencapaciteit van circa 51 %.

Op basis van deze bevindingen van arbeidsdeskundige Hulsen heeft verweerder het primaire besluit genomen.

In bezwaar heeft eiseres gesteld dat bij de vaststelling van het maatmanloon ten onrechte rekening is gehouden met de reistijd. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat evenals bij een normale werknemer de reistijd die gemoeid is met het woon-werkverkeer buiten beschouwing dient te blijven. Indien geen rekening zou zijn gehouden met die reistijd zou het verlies aan verdiencapaciteit 65,08 % bedragen, zodat zij had moeten worden ingedeeld in de arbeidsongeschikt-heidsklasse van 65-80 %.

Naar aanleiding van dit bezwaar heeft arbeidsdeskundige Hulsen op 22 juli 1998 een aanvullende rapportage uitgebracht aan verweerder, waarin hij zijn standpunt dat het maatmanloon op basis van vorengenoemde vuistregel moet worden gecorrigeerd voor reis- en voorbereidingstijd, heeft gehandhaafd. Naar zijn oordeel brengt het beroep van eiseres onlosmakelijk met zich dat zij op locatie werkzaam is en hiervoor dus moet reizen. De stelling van eiseres dat reistijd evenals bij een normale werknemer buiten beschouwing dient te blijven gaat volgens arbeidsdeskundige Hulsen alleen op voor werknemers met een vaste werkplek en niet voor bijvoorbeeld buitendienstmedewerkers in dienst van uitvoeringsinstelling Cadans, bij wie de reistijd wel tot de arbeidstijd behoort, hetgeen tot uiting komt in het feit dat voor hen ingevolge de CAO een werktijd van 41 uur geldt tegen 36 uur voor binnendienstmedewerkers.

Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige De Vrijer op 15 oktober 1998 rapport uitgebracht aan verweerder. Daaruit blijkt dat hij telefonisch informatie heeft ingewonnen bij de stichting [werkgever] in de persoon van de heer [functionaris], werkzaam op de afdeling personeelszaken. Het in genoemde rapportage opgenomen verslag van dit gesprek luidt als volgt:

"Het uitbetaalde uurloon is de tijd die iemand besteedt aan het tolken. Reizen, voorbereiden en wachttijd worden niet apart betaald. De verwachting is dat hier binnenkort verandering in komt.

De stichting werkt voornamelijk met parttimers, die enkele uren per week tolken. Een fulltimer zou volgens hem (de heer [functionaris], rb) maximaal 24 uur per week kunnen tolken. Dit komt enerzijds door de soms lange reistijd en anderzijds door de intensiviteit van de functie. Iemand die 2 uur getolkt heeft, dient vervolgens een redelijke rusttijd in te bouwen, omdat er anders arm- en schouderklachten kunnen ontstaan (RSI-klachten komen regelmatig voor in dit beroep). Inclusief reistijd, wachttijd en voorbereidingstijd is een fulltimer die 24 uur tolkt ongeveer 36 uur aan het werk."

Op basis van deze informatie heeft bezwaararbeidsdeskundige de Vrijer vervolgens berekend dat, uitgaande van 24 uur effectief tolken, het feitelijk maandloon f. 5.782,40 bruto inclusief alle toeslagen kan bedragen (24 x f. 55,60). Uitgaande van een werkweek van een fulltimer van 36 uur, zou het uurloon van een doventolk f. 37,07 bruto bedragen (f.5.882,40 x 12= f. 69.388,80 : 52 = f. 1.334,40 : 36). Hiervan uitgaande zou het verlies aan verdiencapaciteit van eiseres 47,64 % bedragen, hetgeen eveneens leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45-55 %.

Op basis van deze bevindingen van de bezwaararbeideskundige heeft verweerder vervolgens het bestreden besluit genomen.

In beroep heeft eiseres zich wederom op het standpunt gesteld dat reis- en wachttijd bij de berekening van het maatmanloon buiten beschouwing dienen te blijven, nu normaal gesproken de met woon-werkverkeer gemoeide reistijd ook niet wordt meegenomen.

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte is uitgegaan van de door bezwaararbeidsdeskundige de Vrijer op basis van bij de heer [functionaris] ingewonnen informatie vastgestelde verdeelsleutel 24:36. Hiertoe heeft eiseres gewezen op een door haar overgelegde schriftelijke verklaring van de directeur van stichting [werkgever] d.d. 12 maart 1998, waarin deze zich heeft gedistantieerd van de uitspraken van de heer [functionaris] met betrekking tot de rust-, reis- en wachttijden. Volgens de directeur is geen vaste regel aan te geven die een verdeelsleutel 24:36 kan rechtvaardigen. Elke tolksituatie is weer anders. Het werkschema van tolken is, aldus de directeur, redelijk onvoorspelbaar en de verhouding tussen effectief tolken en reis- en wachttijden verandert naargelang men tolkt in een onderwijs- leef- of werksituatie.

Tenslotte heeft eiseres erop gewezen dat in het geval van een andere met name genoemde doventolk door verweerder geen correctie voor reistijd woon-werkverkeer is toegepast. Door bij haar wel een correctie toe te passen handelt verweerder derhalve in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank stelt vast dat verweerder, gelet op het vorenstaande, het aantal arbeidsuren van de maatman van eiseres in feite heeft gesteld op 1,5 keer het aantal uren waarin zij volgens opgave vóór het intreden van haar arbeidsongeschiktheid op free-lance basis als doventolk werkzaam is geweest, omdat naar het oordeel van verweerder reis- en voorbereidingstijd tot de normale arbeidsduur van een doventolk zoals eiseres moeten worden gerekend. Hiermee rekening houdend moet het maatmanloon van eiseres naar het oordeel van verweerder worden vastgesteld op f. 37,07 bruto per uur in plaats van f. 55,60, zijnde het loon dat door de werkgever feitelijk aan eiseres is betaald per gewerkt uur, zoals gedeclareerd door eiseres.

Blijkens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (RSV 1994/203) is het aantal arbeidsuren van de maatman in beginsel de voor de betrokkene normale arbeidsduur op het moment van intreden van de arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van de rechtbank dient tot de normale arbeidsduur mede te worden gerekend reis- en voorbereidingstijd, echter uitsluitend voorzover het reizen en voorbereiden inherent zijn aan de aard van het werk van de maatman. Daarbij geldt dat de reistijd die voor betrokkene gewoonlijk is gemoeid met het dagelijkse woon-werkverkeer als regel buiten beschouwing zal dienen te blijven, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan op deze regel een uitzondering dient te worden gemaakt.

Ter zitting heeft eiseres, mede aan de hand van vragen van de rechtbank, uiteengezet op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan haar werk als doventolk op free-lance basis bij de stichting [werkgever], voordat zij wegens ziekte uitviel voor dit werk. Daaruit is naar voren gekomen dat door de bemiddelingsdienst van de stichting [werkgever], roosters voor een bepaalde periode werden opgesteld waarin eiseres, rekening houdend met haar beschikbaarheid gedurende maximaal 15 uur per week, werd ingedeeld voor bepaalde opdrachten, voorzover deze reeds bekend waren. In het algemeen reisde eiseres op de dag van een opdracht vanuit haar woonplaats […] naar de desbetreffende locatie en na afloop van daaruit weer naar huis. Zij bezat de vrijheid om opdrachten te weigeren wanneer zij vond dat de reis te omslachtig zou worden en/of te veel tijd zou vergen, hetgeen bijvoorbeeld het geval zou zijn wanneer zij zou worden gevraagd voor een opdracht in [grote afstand tot woonplaats].

In de stukken en het verhandelde ter zitting, waar verweerder niet was vertegenwoordigd, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van deze uiteenzetting van eiseres.

Nu eiseres blijkens het vorenstaande in het algemeen per opdracht vanuit haar woonplaats […] naar de desbetreffende locatie en vice versa reisde, is de rechtbank van oordeel dat dit verkeer van eiseres in redelijkheid op één lijn moet worden gesteld met het normale dagelijkse woon- werkverkeer van een werknemer. De tijd die hiermee voor eiseres was gemoeid kan naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet worden gerekend tot de normale arbeidsduur van de maatman. De rechtbank heeft hierbij mee laten wegen dat het eiseres als afroepkracht blijkbaar vrijstond opdrachten te weigeren wanneer zij dit, mede gelet op haar beschikbaarheid, te tijdrovend vond. Deze vrijheid zal een werknemer, zoals een buitendienstmedewerker van Cadans, die om aan de aard van zijn arbeid inherente redenen regelmatig moet reizen, als regel niet toekomen.

Voorzover verweerder bij het vaststellen van het aantal arbeidsuren van de maatman van eiseres en dientengevolge bij de berekening van het maatmanloon rekening heeft gehouden met de reistijd, is het bestreden besluit derhalve gebaseerd op een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag. Het bestreden besluit komt om die reden dan ook voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van de door verweerder mede verdisconteerde voorbereidingstijd, overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat het voorbereiden van een opdracht als zijnde inherent aan het werk van een doventolk zoals eiseres moet worden beschouwd, zodat de daarmee gemoeide tijd tot de normale arbeidsduur moet worden gerekend. Dit is overigens door eiseres in bezwaar, noch in beroep met zoveel woorden betwist.

Nu de door verweerder gehanteerde maatstaf dat eiseres in feite 1,5 uur moet worden geacht te hebben gewerkt voor elk uur dat door de stichting [werkgever] als één gewerkt uur aan haar is uitbetaald, niet is toegespitst op verdiscontering van de door eiseres aan het voorbereiden van opdrachten besteedde tijd, maar tevens, wellicht zelfs overwegend, ziet op verdiscontering van vorengenoemde reistijd, vormt deze maatstaf reeds daarom geen juist en betrouwbaar middel om het aandeel van voorbereidingstijd als onderdeel van de normale arbeidsduur van eiseres te kwantificeren. Te minder is dit het geval, nu eiseres ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de met het voorbereiden gemoeide tijd sterk afhankelijk is van de soort opdracht, hetgeen de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt. In dit verband heeft eiseres ter zitting aangegeven dat die noodzaak zich minder deed gevoelen in bijvoorbeeld een vast ingeroosterde en vertrouwde onderwijssituatie waarin wekelijks moest worden getolkt dan in een eenmalige en bijzondere situatie, bijvoorbeeld een vergadering. De rechtbank merkt hierbij overigens nog op dat in de door eiseres overgelegde verklaring van de directeur van de stichting [werkgever] wel sprake is van reis-, rust- en wachttijden, maar niet van voorbereidingstijd.

Ook om die reden ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke arbeidskundige grondslag.

De thans voorhanden zijnde gegevens acht de rechtbank niet toereikend om vast te kunnen stellen of eiseres vóór het intreden van haar arbeids-ongeschiktheid opdrachten heeft voorbereid in een wat tijdsbeslag betreft voor de vaststelling van het normale aantal arbeidsuren van haar maatman en dientengevolge voor de vaststelling van haar maatmanloon betekenende omvang.

Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en wordt het beroep daartegen gegrond verklaard.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f. 1420,--. Daarbij is in aanmerking genomen 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, alsmede 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1) en een waarde per punt van f. 710,--

(2 x 1 x f. 710,--).

5. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond.

Vernietigt het bestreden besluit.

Gelast dat het Lisv als rechtspersoon aan eiseres het door deze betaalde griffierecht, zijnde f. 55,--, vergoedt.

Veroordeelt verweerder in de kosten ad f. 1420,-- onder aanwijzing van het Lisv als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden.

6. Rechtsmiddel.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken

op 12 oktober 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden: 12-10-1999

Coll. :