Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5758

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/471 S1813
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/471 S1813 H

inzake: 1. A en

2. B

eisers;

gemachtigde: mr A.C.M. Nederveen, advocaat te Amsterdam;

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr A.J.G.M. Doreleijers, werkzaam bij de onder de Minister van Justitie ressorterende Immigratie- en

Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Eisers, geboren op [...] 1985 resp. [...] 1986,

verblijven in Turkije en hebben de Turkse nationaliteit. Op 5 augustus 1997 hebben zij een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf, met het oog op verblijf bij hun hier te lande verblijvende moeder

(hierna: referente). Bij besluit van 17 juni 1998 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Eisers hebben op 13 juli 1998 een bezwaarschrift ingediend, naar aanleiding waarvan referente op 11 november 1998 door een ambtelijke

hoorcommissie is gehoord. Op 16 december 1998 is dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Op 5 januari 1999 hebben eisers tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van

het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 2 juni 1999. Ter zitting hebben eisers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

De onderbouwing van de aanvraag

2.2 Eisers leggen aan de aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf en het onderhavige beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf met als doel: verblijf bij moeder, C.

De bestreden beschikking en de standpunten van partijen

2.3 Eisers hebben ter ondersteuning van hun aanvraag het volgende aangevoerd. Nadat hun vader zich van referente had laten scheiden is referente eind 1992 in Turkije hertrouwd met een Nederlandse man, bij wie zij zich begin 1993 in

Nederland heeft gevestigd. In februari 1993 is zij in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf. Het lag in haar bedoeling eisers zo snel mogelijk naar Nederland te laten overkomen.

Het heeft echter geruime tijd geduurd voordat referente en haar echtgenoot over de daarvoor vereiste middelen en zelfstandige woonruimte konden beschikken. Omdat zij weinig verdienden woonden zij tot voor kort in bij de ouders van

de echtgenoot van referente. Zodra referente meende aan de vereisten te voldoen heeft zij de aanvraag voor eisers ingediend.

Van duurzame opname van eisers in een ander gezin is dan ook geen sprake geweest. Overigens heeft referente eisers steeds financieel en emotioneel ondersteund.

Omdat de grootmoeder van vaders zijde, bij wie referente eisers destijds heeft achtergelaten, niet langer voor eisers kan zorgen zijn er voorts klemmende redenen van humanitaire aard die tot afgifte van een mvv nopen.

De overige in Turkije wonende familieleden, waaronder de vader van eisers, kunnen of willen immers die zorg niet op zich nemen. Bovendien is referente met haar familie in Turkije gebrouilleerd.

2.4 Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat referente in Nederland een nieuw gezin heeft gesticht waarvan eisers nimmer deel hebben uitgemaakt.

Mede bezien de omstandigheid dat eerst na viereneenhalf jaar verblijf in Nederland een poging is gedaan eisers naar Nederland te laten komen, concludeert verweerder dat de feitelijke gezinsband als verbroken moet worden beschouwd.

Dat de echtgenoot van referente er voor heeft gekozen eerst zijn studie af te maken in plaats van te kiezen voor een full time baan voor het verwerven van voldoende inkomsten komt voor rekening van eisers.

2.5 Eisers hebben in beroep gesteld dat de studie van referentes echtgenoot hen niet mag worden tegengeworpen; die studie moet juist een geregeld en voldoende inkomen op termijn veiligstellen.

Bovendien is de omstandigheid dat referente nog inwoonde bij de ouders van haar echtgenoot niet voldoende gemotiveerd weerlegd.

Nu de grootmoeder van eisers onlangs is overleden is voor hen een onhoudbare situatie ontstaan. In Turkije is niemand die voor hen kan zorgen. Een rapport van International Social Services (ISS) bevestigt dit.

2.6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn ingenomen standpunt gehandhaafd.

Wettelijk kader

2.7 Ingevolge artikel 33d Vw worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814, 4), voor de toepassing van de

wettelijke voorschriften van bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van de Vreemdelingenwet.

2.8 De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw, aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

De gronden voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf zijn, zoals blijkt uit hoofdstuk A4/5.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc), gelijk aan die voor afgifte van een vergunning tot verblijf.

2.9 De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens verplichtingen

voortvloeiende uit internationale overeenkomsten- slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is

van klemmende redenen van humanitaire aard.

Beoordeling van het beroep

2.10 Met eisers is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de gezinsband tussen eisers en referente is verbroken. Hoewel juist is dat er tussen het vertrek van

laatstgenoemde naar Nederland en de datum waarop zij ten behoeve van eisers een mvv aanvraag heeft ingediend viereneenhalf jaar is verstreken, heeft verweerder aan dit tijdverloop geen doorslaggevende betekenis kunnen hechten, gelet

op het navolgende.

2.11 Nadat de vader van eisers zich van referente had laten scheiden zou hij niets meer van zich hebben laten horen en bleef referente naar eigen zeggen achter in een moeilijke positie als alleenstaande vrouw met twee kinderen. In

1993 zag zij zich voor de keuze geplaatst ofwel, zonder haar nieuwe Nederlandse echtgenoot, bij eisers in Turkije achter te blijven ofwel zich met die echtgenoot in Nederland te vestigen. Onder maatschappelijke druk koos zij voor

die laatste optie, waarbij zij eisers bij de moeder van haar ex-echtgenoot achterliet. Laatstgenoemde was sedert 1980 weduwe en reeds ten tijde van het vertrek van referente van relatief hoge leeftijd (geboren in 1926). Een en ander

roept op zich zelf al de vraag op of het hier niet een tijdelijke oplossing betrof.

De omstandigheid dat referente om toestemming voor de overkomst van eisers heeft verzocht zodra zij meende aan alle daarvoor geldende voorwaarden te voldoen vormt in ieder geval een aanwijzing in die

richting. Daarbij zij er op gewezen dat zij (eerst) in juni 1997 de beschikking kreeg over passende woonruimte en de aanvragen dateren van 5 augustus 1997. Dat verweerder eisers het huisvestingsvereiste wellicht niet zou hebben

tegengeworpen nu referente weliswaar (nog) niet, maar haar echtgenoot wél de Nederlandse nationaliteit bezat, doet daaraan niet af.

Blijkens de bestreden beschikking stelt verweerder zich overigens op het standpunt dat eerst sedert 1 juli 1998, een tijdstip gelegen na indiening van de aanvragen, aan de middeleneis wordt voldaan, zodat ook een eerder mvv verzoek

niet voordien zou zijn ingewilligd.

Voorts acht de rechtbank het zeker niet onaannemelijk dat referente zich sedert haar komst naar Nederland de nodige inspanningen heeft getroost om aan het middelenvereiste te voldoen, doch dat zij daarin, tegen haar eigen

verwachtingen in, eerst medio juli 1998 is geslaagd. Uit de stukken blijkt dat referente sedert 1993 heeft gewerkt, zij het onder het vereiste inkomensminimum en/of op tijdelijke (uitzend)basis. Daarbij dient te worden bedacht dat

referente de Nederlandse taal niet machtig was en slechts beschikte over een vergunning tot verblijf; eerst recentelijk is zij genaturaliseerd. Een en ander zal van invloed zijn geweest op haar mogelijkheden tot het vinden van

geschikte arbeid.

Verder geeft het dossier blijk van een blijvende betrokkenheid van referente bij eisers welzijn. Kopieën uit het paspoort van referente bevestigen dat zij eisers jaarlijks, met uitzondering van 1997, in Turkije heeft opgezocht.

Referente heeft verklaard dat zij zich tot haar spijt in verband met haar beperkte aantal verlofdagen en inkomenspositie tot die bezoeken heeft moeten beperken. Wel heeft zij een van die bezoeken geprolongeerd wegens ziekte van een

van beide eisers. Overigens heeft referente gemotiveerd gesteld dat zij na haar vertrek uit Turkije in de kosten van opvoeding van eisers is blijven bijdragen. Die stelling komt de rechtbank niet onaannemelijk voor, ook al kan zij,

vanwege de wijze waarop zij toen heeft bijgedragen, daarvan geen (schriftelijk) bewijs leveren voor wat betreft de eerste jaren.

2.12 Anders dan verweerder ziet de rechtbank in het vorenstaande onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van referente dat haar van meet af aan hereniging met eisers voor ogen heeft gestaan. Het komt

haar in dit geval onredelijk voor om uit het enkele feit dat referente niet op enig eerder moment een (kansloze) mvv aanvraag ten behoeve van eisers heeft ingediend, het tegendeel af te leiden.

In het feit dat de echtgenoot van referente zijn studie niet voortijdig heeft beëindigd teneinde reeds eerder full time aan het arbeidsproces te kunnen deelnemen, ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om de

gezinsband tussen referente en eisers niettemin verbroken te beschouwen.

2.13 Reeds op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en derhalve dient te worden vernietigd.

Derhalve kan in het midden blijven of verweerder met juistheid heeft aangenomen dat opvang van eisers, die sedert het overlijden van hun grootmoeder feitelijk op zich zelf zouden wonen, in Turkije voldoende verzekerd is.

2.14 Het beroep is mitsdien gegrond.

2.15 De rechtbank ziet in dit aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van het geding.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking van 16 december 1998 en draagt verweerder op binnen veertien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met in achtneming van deze uitspraak;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te vergoeden;

3.4 wijst de staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad f 210,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr E.L. Grosheide, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van

mr M.P.H. van Wezel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 1999, in tegenwoordigheid van de griffier.

afschrift verzonden op: 24 juni 1999

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.