Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5698

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/7341, 98/3428
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Haarlem enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 98/7341 VRWET H (beroepszaak)

AWB 98/3428 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, van Surinaamse nationaliteit, geboren op

[...] 1965,

eiseres/verzoekster, verder te noemen: eiseres,

gemachtigde: mr I.S.M. Meijer, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr J.P. Nijenhuis, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het beroep tegen de bij het besluit van 30 oktober 1998 gehandhaafde weigering om eiseres een vergunning tot verblijf te verlenen met als doel verblijf bij Nederlandse partner.

1.2 Tevens is aan de orde het verzoekschrift van eiseres om bij wijze

van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 30 maart 1999. Daarbij hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het door verweerder bij de toepassing van dit artikellid

gevoerde beleid is vastgelegd in de

Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

2.2 Ingevolge dit beleid, voor zover hier van belang, dient degene bij wie verblijf wordt beoogd om voor toelating in aanmerking te komen -onder meer- duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Onder

voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen dat tenminste gelijk is aan het bestaansminimum in de zin van de Algemene bijstandswet. Welke inkomensbestanddelen kunnen worden meegeteld bij de bepaling van de hoogte

van het inkomen is neergelegd in hoofdstuk A4/4.2 Vc. Ingevolge verweerders beleid, laatstelijk herhaald in de brief aan de Tweede Kamer van 3 november 1997, wordt in gevallen als het onderhavige inkomen verworven uit arbeid in het

kader van het Tijdelijk besluit subsidiëring experimenten activering uitkeringsgerechtigden (de zogenaamde Melkert II-regeling) anders dan inkomen op basis van de Melkert I-regeling niet meegeteld bij de vaststelling van de hoogte

van het inkomen.

2.3 De partner van eiseres is sedert 1991 in dienst van de Stichting Maatwerk te Schiedam werkzaam op basis van voorheen de

Melkert II-regeling, thans de Wet Inschakeling Werkzoekenden. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verweerder gemaakte onderscheid onredelijk is en haar onevenredig treft, nu in het onderhavige geval wel degelijk

gesproken kan worden van structureel inkomen.

2.4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. Het gemaakte onderscheid vindt zijn rechtvaardiging

in het feit dat de financiering van banen in het kader van de Melkert II-regeling plaatsvindt uit dezelfde middelen als die van de Algemene Bijstandswet en derhalve ten laste komen van de openbare kas.

Anders dan de Melkert I-regeling worden met deze regeling dan ook geen nieuwe reguliere arbeidsplaatsen gecreëerd. Dat het in de praktijk vaak voorkomt dat mensen gedurende lange tijd op basis van deze regeling werkzaam zijn doet

naar het oordeel van verweerder aan de juistheid van het gemaakte onderscheid niet af.

2.5 De rechtbank acht het door verweerder gemaakte onderscheid niet onredelijk. De ratio achter het in de Vreemdelingencirculaire opgenomen middelenvereiste is immers dat voorkomen moet worden dat na toelating van het betreffende

gezinslid aanspraak op een (aanvullende) bijstandsuitkering ontstaat dan wel anderszins een beroep wordt gedaan op de openbare kas. Voorts is hierbij van belang dat de doelstelling van de activeringsmaatregelen, zoals de Melkert

II-regeling, een doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt inhoudt. Eerst nadat die doorstroming zijn beslag heeft gekregen kan van duurzame middelen van bestaan in de zin van de circulaire worden gesproken.

2.6 De rechtbank is op grond van het vorenstaande met verweerder van oordeel dat niet aan de voorwaarden van het beleid is voldaan.

2.7 Voorts is niet gebleken dat eiseres anderszins aan het door verweerder gevoerde beleid aanspraken op verblijf hier te lande kan

ontlenen. Evenmin is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder eiseres niettemin verblijf hier te lande had dienen toe te staan.

2.8 Eisers grief dat de bestreden beschikking strijdig is met het verbod op het in artikel 7:11 Awb neergelegde verbod op 'reformatio in peius' slaagt niet, nu de aanvraag zowel in de beschikking in primo als bij het bestreden

besluit is afgewezen in verband met het feit dat de referent niet beschikt over voldoende en duurzame inkomsten in de zin van de Vreemdelingenwet.

2.9 Het beroep is mitsdien ongegrond. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er voorts geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.10 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

De president:

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr J.R.A. Verwoerd, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend president, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 1999, in tegenwoordigheid van E.H. Mazel als griffier.

afschrift verzonden op: 16 juli 1999

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.