Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5697

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/724
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 99/724 VRWET Z VB

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1967,

verblijvende te B,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer 9608.19.4034,

eiser,

gemachtigde: mr. E. Lucas, advocaat te Lelystad;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Eiser verblijft sinds augustus 1996 in Nederland en is bij beschikking van 30 september 1996 als vluchteling toegelaten.

1.2 Bij beschikking van 10 september 1998 heeft verweerder de toelating als vluchteling van eiser ingetrokken.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brief van 2 oktober 1998 bezwaar gemaakt.

Op 16 november 1998 is eiser door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACV) gehoord.

1.4 Bij beschikking van 13 januari 1999 is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5 Bij beroepschrift van 8 februari 1999 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere

gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 november 1999. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben

te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.3 Artikel 1 (C) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen bepaalt dat het Verdrag ophoudt van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van afdeling A indien:

1. Hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit;

2.(..)

3.(..)

4. Hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield.

2.4 Verweerder heeft zich in de bestreden beschikking conform het ACV-advies op het standpunt gesteld dat er voldoende grond bestaat om aan te nemen dat eiser is teruggekeerd naar Noord-Irak en dat hij aldaar onder de bescherming

van de daar functionerend autoriteiten heeft verbleven. In eisers vluchtelingenpaspoort zijn namelijk stempels zijn aangetroffen, geplaatst door de Turkse autoriteiten, waaruit blijkt dat eiser op 6 april 1997 vanuit Turkije Irak is

ingereisd en dat hij op 29 mei 1997 vanuit Irak is teruggekeerd in Turkije. Eisers verklaringen omtrent het verblijf in Syrië zijn ongeloofwaardig. Dat eiser door omkoping een inreisstempel zou hebben verkregen wordt, gelet op de

informatie van Buitenlandse Zaken waaruit blijkt dat omkoping nagenoeg onmogelijk is, ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft geen afdoende verklaring gegeven en hij heeft evenmin afdoende bewijsstukken overgelegd die zijn verhaal

onderbouwen. Zo kan eiser geen bewijs overleggen van het verblijf van zijn moeder in het ziekenhuis en weet hij zelfs de naam van het ziekenhuis niet. Het overgelegde huurcontract is onvoldoende om eisers verblijf in Turkije te

bevestigen. Ook zou hij in Otel Vatan

hebben verbleven, hetgeen niet strookt met de periode die is genoemd in het huurcontract. De brief van het Koerdische Ministerie van Binnenlandse Zaken stemt niet overeen met eisers verklaringen. De brief van 20 maart 1997 van de

Iraqi Democratic Youth Federation (IDYF) wekt bevreemding omdat eiser op de hoogte gesteld zou moeten worden van zijn moeders ziekte op een moment dat hij al een visum had verkregen.

Omdat ingevolge artikel 1 (C), eerste lid van het Vluchtelingenverdrag het Verdrag ophoudt van toepassing te zijn op een persoon die vrijwillig de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, kan de toelating

als vluchteling worden ingetrokken. Niet is aannemelijk geworden dat eiser voor zijn terugkeer een zwaarwegende reden had. De verklaringen omtrent de ziekte van zijn moeder zijn niet geloofwaardig en bovendien valt niet in te zien

waarom niet één van eisers broers de begeleide taak op zich zou hebben kunnen nemen. Eiser kan thans niet meer als vluchteling worden aangemerkt gelet op enerzijds zijn verklaringen die hij ten tijde van de aanvraag om toelating als

vluchteling heeft afgelegd en anders zijn terugkeer naar Noord-Irak.

Dat eiser door zijn verblijf in Nederland gedurende drie jaren dermate is geworteld in de Nederlandse samenleving dat van hem niet kan worden gevergd dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst, is niet gebleken. Zijn vrouw,

dochter, moeder en broers en zuster verblijven allen nog in Noord-Irak zodat eiser geacht moet worden aldaar sterkere banden te hebben.

Evenmin aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Noord-Irak het risico loopt bloot te worden gesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. In voorkomende gevallen kan eiser, die sympathisant is van de PUK, zich

vestigen in gebied dat onder controle staat van de PUK.

Eiser komt niet in aanmerking voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) omdat uit de brief van 18 december 1997 van de Staatssecretaris van Jusitite aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal blijkt dat indien er

concrete aanwijzingen zijn die erop duiden dat een persoon die in Nederland is toegelaten als vluchteling naar zijn land van herkomst is gegaan er sprake is van een contra-indicatie ten aanzien van vvtv-verlening.

2.5 Eiser stelt dat hij zich niet op Iraaks territorium heeft begeven.

Hij heeft verklaard twee maanden in Turkije te hebben verbleven omdat zijn moeder, die aan een nierziekte lijdt, erg ziek was en een behandeling moest ondergaan in het ziekenhuis te Istanbul. Hij heeft zijn moeder eerst in Syrië

opgehaald om haar vervolgens naar Istanbul te brengen. Bij zijn uitreis uit Turkije naar Syrië heeft men een stempel in zijn paspoort gezet. Eiser heeft zijn moeder in Qamishly opgehaald. Eiser heeft op 28 mei 1997 een inreisstempel

voor Turkije gekregen omdat hij op die dag zijn moeder heeft teruggebracht naar Qamishly. Omdat het visum van eiser dreigde te verlopen heeft hij er tegen betaling voor gezorgd dat hij een nieuw in- en uitreisstempel kreeg. Eiser

heeft tevens documenten overgelegd waaruit blijkt dat zijn moeder toestemming heeft gekregen van de Koerdische autoriteiten om in Turkije een medische behandeling te ondergaan. Verweerder baseert zich op "circumstantial" bewijs voor

de terugkeer namelijk een uitreisstempel van de Turkse autoriteiten en informatie van de Irak-desk. Eiser heeft echter gedetailleerd weer gegeven hoe zijn reis zich heeft afgespeeld en uit de informatie van verweerder blijkt niet

dat dit onmogelijk is. Dat omkoping onmogelijk zou zijn is opmerkelijk, gelet op de grote stroom asielzoekers die via de grensovergang naar Europa komen. Bovendien staat in de informatie van de Irak-desk slechts dat de mogelijkheden

tot omkoping beperkt zijn en niet dat dit onmogelijk is. Ten onrechte wordt eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.

Er is in de brief van de Koerdische autoriteiten een vertaalfout geslopen. De brief van de IDYF is niet eisers verantwoordelijkheid.

Bovendien was al in een eerder stadium contact geweest over de ziekte van eisers moeder.

Subsidiair is eiser van mening dat geen sprake is van het inroepen van de bescherming van de autoriteiten dan wel van het zich vestigen in het land van herkomst.

Het is onjuist achteraf terug te komen op een inhoudelijk getoetste en gehonoreerde aanvraag. Dit zou ook duiden op het breken met bestaan beleid. In de praktijk wordt immers nimmer overgegaan tot intrekking van de toelating als

vluchteling.

Eiser heeft in Nederland een bestendig leven opgebouwd en verweerder kan daar niet zomaar overheen stappen. De situatie in Noord-Irak is onzeker.

Verder wordt nog een brief van het Koerdisch Platform overgelegd waaruit blijkt dat eisers naam niet op de passagierslijst voorkomt van personen die in Iraaks Koerdistan zijn aangekomen.

Eiser is in de Nederlandse samenleving geïntegreerd, hij heeft hier een werkkring en contacten opgebouwd. Het kan dan ook niet van hem worden verlangd dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst.

2.6 De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of (voldoende) is komen vast te staan dat eiser naar zijn land van herkomst is teruggekeerd.

Volgens de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 maart 1998 en van 13 november 1998 is het uitgesloten dat men een Turks uitreisstempel in het paspoort heeft zonder daadwerkelijk Noord-Irak te zijn ingereisd.

Niet in geschil is dat zich in eisers paspoort dergelijke in- en uitreisstempels bevinden. Gelet op de informatie van de Minister van Buitenlandse Zaken is daarom aannemelijk dat eiser naar Noord-Irak is teruggekeerd.

Eiser heeft, gevraagd naar een verklaring voor het feit dat er zich in- en uitreisstempels voor de Turkse grenspost Sirnak in zijn paspoort bevinden, van elkaar afwijkende verklaringen afgelegd. Geconfronteerd met de in- en

uitreisstempels van de grenspost Sirnak, heeft eiser verklaard tussen begin april en eind mei 1997 in Turkije te hebben verbleven omdat zijn moeder erg ziek was en in Istanbul verbleef. Hij heeft twee maanden bij haar in Istanbul

verbleven. Vervolgens heeft eiser, in afwijking hiervan, verklaard dat hij zijn moeder eerst in Syrië heeft opgehaald om haar vervolgens naar Istanbul te brengen. Hij heeft eerst verklaard Syrië niet binnen te zijn gereisd maar zijn

moeder op te hebben gewacht aan de Turkse kans van de grens. Daarna heeft hij echter verklaard wel in Syrië te zijn geweest omdat hij zijn moeder per auto in Qamishly heeft opgehaald. Er is in zijn paspoort geen stempel geplaatst

door de Syrische autoriteiten omdat de uitreis van zijn moeder via de Koerdische Communistische partij was geregeld. Tevens heeft eiser enerzijds verklaard dat hij zijn moeder op 28 mei 1997 weer heeft teruggebracht naar Syrië

waarbij hij een inreisstempel in zijn paspoort heeft gekregen terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij op 17 mei 1997 in Silopi is aangekomen en vanwege gevechten zijn moeder niet terug kon brengen. Omdat eisers visum dreigde

te verlopen heeft hij er tegen betaling voor gezorgd dat hij een uit- en inreisstempel kreeg om zo zijn verblijf in Turkije te verlengen.

Daarnaast wekt het bevreemding dat eiser niet weet in welk ziekenhuis in Istanbul zijn moeder is behandeld, ondanks het feit dat hij zijn moeder daar regelmatig bezocht gedurende anderhalve maand. Eisers verklaring ter zitting dat

het niemandsland tussen de Turkse en de Koerdische grens 40 kilometer breed zou zijn, wekt eveneens bevreemding.

Bovendien heeft eiser geen enkel stuk overgelegd waaruit zijn twee maanden durende verblijf in Turkije blijkt, terwijl dit gelet op hetgeen hij omtrent dit verblijf heeft gesteld, wel van hem verwacht mocht worden.

Het is dan ook voldoende komen vast te staan dat eiser is teruggekeerd naar Noord-Irak.

2.8 Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden de vraag of de omstandigheid dat eiser is teruggekeerd naar Noord-Irak voldoende reden is om de toelating als vluchteling in te trekken.

Uitgangspunt van het Vluchtelingenverdrag is dat nationale protectie de voorkeur verdient boven internationale protectie. In artikel 1 (C) van het Vluchtelingenverdrag wordt een zestal omstandigheden opgesomd -de zogeheten cessation

clauses- waaronder de hoedanigheid van vluchteling verloren gaat. Het betreft situaties waarin internationale bescherming niet langer noodzakelijk of gerechtvaardigd is.

Ingevolge artikel 15, derde lid, Vw, kan de toelating als vluchteling onder meer worden ingetrokken indien één van de cessation clauses van toepassing is, tenzij de vreemdeling dringende redenen, voortvloeiende uit vroegere

vervolging, heeft om geen gebruik van die gelegenheid te maken.

Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtsspraak van de Raad van State van 21 november 1996 (RO2.93.4639). Met de woorden "gewijzigde" omstandigheden in artikel 15, derde lid, Vw, wordt gedoeld op de situaties zoals

omschreven in de zogeheten cessation clauses van artikel 1 (C) Vluchtelingenverdrag en zoals nader omschreven in hoofdstuk 3 van het Handbook on procedures and criteria for determining refugee status (hierna: Handbook). Daaruit

volgt tevens dat de toelating als vluchteling pas kan worden ingetrokken, nadat is vastgesteld dat de vreemdeling niet (wederom) vluchteling is in de zin van het Verdrag en de Vreemdelingenwet. Aan deze voorwaarden is in het

onderhavige geval voldaan.

De rechtbank verstaat artikel 1 C, eerste lid Vluchtelingenverdrag aldus, dat daaronder ook moet worden verstaan de situatie waarin een vluchteling na terugkeer naar zijn land van herkomst een binnenlands vestigingsalternatief

vindt. Uit het feit dat eiser zes weken in Noord-Irak heeft verbleven, leidt de rechtbank af dat hij aldaar een vestigingsalternatief heeft gevonden, nu eiser niets heeft gesteld waaruit het tegendeel zou kunnen blijken. Uit de

ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat personen die te vrezen hebben voor vervolging door de Centraal-Iraakse autoriteiten, zich in het algemeen kunnen vestigen in Noord-Irak. Op dit punt dient aansluiting

te worden gezocht bij het oordeel van de Rechtseenheidskamer (REK) zoals gegeven bij uitspraak van 13 september 1999 (Awb 99/3380). De REK heeft geoordeeld dat uit verschillende bronnen het beeld naar voren komt dat in Noord-Irak

een situatie van betrekkelijke rust en veiligheid heerst en dat de invloed van de Centraal-Iraakse regering aldaar uiterst gering is. In de loop van de voorgaande jaren is gebleken dat deze situatie stabiel is. Er zijn geen concrete

aanwijzingen dat op korte termijn een aanzienlijke verslechtering van de veiligheidssituatie is te verwachten.

De vluchtmotieven van eiser duiden er niet op dat hij ook in Noord-Irak gegronde vrees moet hebben voor vervolging door de centrale autoriteiten.

Ook zijn er geen redenen om aan te nemen dat eiser zich in Noord-Irak, waar zijn naaste familieleden wonen, in redelijkheid niet kan vestigen.

Voor de toepassing van artikel 1(C), eerste lid, Vluchtelingenverdrag, dient aansluiting te worden gezocht bij de drie vereisten die in het Handbook worden genoemd:

"(a) voluntariness: the refugee must act voluntarily;

(b) intention: the refugee must intend by his action to re-avail himself of the protection of the country of his nationality;(c) re-availment: the refugee must actually obtain such protection".

Aan de voorwaarde dat de vreemdeling vrijwillig heeft gekozen om terug te keren is voldaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzondere situatie waarin eiser niet anders kon dan terugkeren naar zijn land van herkomst.

Dat eiser zijn familie heeft willen bezoeken, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in paragraaf 125 Handbook. Van een zekere dwingendheid voor het bezoek

is geen sprake. Het ligt niet voor de hand dat eiser een regulier familiebezoek aflegt terwijl hij stelt aldaar te vrezen voor vervolging.

Dat eiser stelt in de Nederlandse samenleving te zijn geïntegreerd vormt geen reden om, ondanks dat eiser vrijwillig is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, de toelating als vluchteling niet in te trekken.

2.9 Bij brief van 14 oktober 1998 heeft de voorzitter van de ACV, voorafgaand aan de hoorzitting, naar aanleiding van de zaak van eiser en van de twee gelijksoortige zaken die gezamenlijk met eisers beroep zijn behandeld, vragen

gesteld aan de UNHCR, welke vragen door de UNHCR zijn beantwoord in zijn brief van 13 november 1998. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het standpunt van de UNHCR is meegewogen bij de beoordeling.

De rechtbank acht dit onzorgvuldig omdat de UNHCR een belangrijk adviesorgaan is en omdat het advies specifiek in de zaak van eiser (en de twee gelijksoortige aanhangige zaken) is gevraagd. Om die reden komt het besluit voor

vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe is het volgende redengevend.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat aan de adviezen van de UNHCR weliswaar gewicht moet worden toegekend maar dat verweerder bevoegd is af te wijken. Verweerder heeft in de procedure voldoende gemotiveerd waarom het

advies van de UNHCR niet is gevolgd. Dat nadere besluitvorming door verweerder tot een andere beoordeling zal leiden, is redelijkerwijs uitgesloten.

2.10 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder

voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening

van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.11 Aangezien, zoals in voorgaande rechtsoverwegingen is overwogen, voldoende is komen vast te staan dat eiser naar zijn land van herkomst is teruggekeerd en niet meer de bescherming van het Vluchtelingenverdrag behoeft, is niet

aannemelijk geworden dat hij bij gedwongen verwijdering naar Irak een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat hij aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

2.12 Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiser aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

Eiser heeft aangevoerd dat hij in de Nederlandse samenleving is geïntegreerd. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser door zijn verblijf in Nederland vanaf augustus 1996 zodanig in de Nederlandse samenleving is

geïntegreerd dat van hem niet kan worden gevergd dat hij terugkeert naar Noord-Irak. Van belang is dat eisers vrouw, dochter, moeder en zijn broers en zuster allen nog in Noord-Irak verblijven. Het ligt dan ook voor de hand dat

eiser sterkere banden heeft met Noord-Irak dan met de Nederlandse samenleving.

2.13 Voor zover eiser heeft betoogd dat hij in aanmerking komt voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, wordt het volgende overwogen.

In de bijlagen van de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 18 december 1997 (TK 19 637, 1997-1998, nr. 308), de zogeheten "indicatoren-brief" is het volgende vermeld:

"In antwoord op Kamervragen van de leden Dittrich en Verhagen (24 oktober 1997) heb ik gesteld dat indien er concrete aanwijzingen zijn dat een persoon die in Nederland is toegelaten als vluchteling naar zijn land van herkomst is

gegaan, ik een onderzoek zal instellen naar de vraag of onjuiste gegeven zijn verstrekt in de zin van artikel 12 (..) In aanvulling op mijn antwoord deel ik u mee dat ik het besloten dat indien zich dergelijke concrete aanwijzingen

voordoen, dit voortaan ook een grond zal vormen om een vvtv niet te verlenen of niet te verlengen, dan wel in te trekken. Het doel van de vvtv is een persoon te beschermen tegen onverantwoorde humanitaire risico's bij terugkeer naar

het land van herkomst. In de hierboven aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis is onderstreept dat de bescherming die artikel 12b Vw dient te bieden, logischerwijs alleen over die personen uitstrekt die aannemelijk

maken dat zij deze bescherming daadwerkelijk behoeven. Aldus kunnen, in de persoon gelegen omstandigheden met zich brengen dat de bescherming niet noodzakelijk (meer) is. Indien een persoon die onder de beschrijving (..) van artikel

12b Vw valt uit eigen vrije wil terugkeert naar zijn land van herkomst en vervolgens terugreist naar Nederland, kan hij in beginsel niet langer volhouden dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst onverantwoorde humanitaire

risico's zal lopen. Door het enkele feit van het heen en weer reizen is immers voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene deze risico's niet loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Derhalve acht ik deze aanvullingen op

het huidige beleid alleszins gerechtvaardigd".

Deze brief is gedateerd vóór het bestreden besluit en was derhalve ten tijde van het bestreden besluit staand beleid. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk. De overweging in de bestreden beschikking dat niet aannemelijk is

dat eiser de bescherming van de Nederlandse autoriteiten nog behoeft omdat hij naar Noord-Irak is teruggekeerd, is derhalve in overeenstemming met het beleid genomen.

2.14 Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren eiser een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen.

2.15 Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 2.12 ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zullen blijven.

2.16 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb dient de Staat der Nederlanden aangewezen te worden als rechtspersoon die het door eiser betaalde griffierecht dient te vergoeden. De rechtbank ziet tevens aanleiding om

verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.

3 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking van 13 januari 1999;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aan de griffier van de rechtbank dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het door eiser betaalde griffierecht ad f 50,00 aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. G. Blomsma, E. Steendijk en J.M.F.J. Bouwman, en in tegenwoordigheid van mr. C. van der Steeg als griffier in het openbaar uitgesproken op 21 december 1999.

--------------

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 31 januari 2000