Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5696

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/876
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 99/876 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] september 1982,

verblijvende te B,

van Srilankaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9711.23.2048,

eiseres,

gemachtigde: mr. Y. Bisseling, rechtshulpverleenster te Zwolle;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Heering, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 24 november 1997 heeft eiseres aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 15 mei 1998 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

1.2 Eiseres heeft daartegen bij brief van 11 juni 1998 bezwaar gemaakt.

Bij beschikking van 18 januari 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 12 februari 1999 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 23 augustus 1999. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben

te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.3 Eiseres heeft ter ondersteuning van haar aanvragen, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Eiseres behoort tot de bevolkingsgroep der Tamils en is afkomstig uit

C, een plaats nabij Jaffna. Het gebied staat onder controle van het leger, maar 's nachts vinden aanvallen van Tamil Tijgers plaats. Op 26 november 1996 is de vader van eiseres bij een bombardement door het Srilankaanse leger

omgekomen. Eiseres zelf is gewond geraakt. In april 1997 is eiseres vanuit de ouderlijke woning vertrokken naar haar oom D in E, omdat eiseres en haar moeder

vaak lastiggevallen werden door soldaten van het Srilankaanse leger die van hen wilden weten waar eiseresses zuster, die actief was voor de Tamil Tijgers, verbleef. De soldaten dreigden hen mee te nemen als eiseresses zuster niet

zou terugkomen. Eiseres ging niet meer naar school, omdat zij bang was net als anderen door soldaten misbruikt te worden. Samen met haar oom bezocht eiseres van tijd tot tijd haar moeder. Op 9 oktober 1997 is eiseresses zuster, toen

deze de straat opging, door soldaten die het huis hadden omsingeld doodgeschoten. Na die tijd is het ouderlijk huis van eiseres doorzocht.

Eiseres is enkele malen benaderd door Tamil Tijgers die haar vroegen of het niet beter was dat zij zich bij hen zou aansluiten. Eiseres heeft daarop geantwoord dat zij haar moeder niet alleen wilde achterlaten.

Begin november 1997 vond er in de buurt van E een

confrontatie tussen het leger en de Tamil Tijgers plaats, waarbij negen soldaten zijn omgekomen. Naar aanleiding daarvan is het leger naar het dorp gekomen. De bewoners werden naar een gemeenschappelijke ruimte gebracht, waar ze

langs een gemaskerde man moesten lopen. Een aantal mannen en vrouwen werd opgepakt. Eiseres is op 16 november 1997 met haar oom naar Colombo gegaan. Vandaar is zij op 18 november 1997 naar Nederland vertrokken.

2.4 Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat hij niet aannemelijk acht dat eiseres te vrezen heeft voor vervolging van de zijde van de Srilankaanse autoriteiten dan wel van de zijde van de Tamil Tijgers.

Verweerder overweegt daartoe ten eerste dat eiseres, ondanks de gestelde bedreigingen, nimmer persoonlijke problemen heeft ondervonden van de zijde van het leger. De stelling van eiseres dat er na de dood van haar zuster een

huiszoeking zou hebben plaatsgevonden leidt volgens verweerder niet tot een ander oordeel, omdat deze huiszoeking -naar eiseres heeft verklaard- gericht was op ten behoeve van de Tamil Tijgers verborgen gehouden personen en

explosieven en niet op eiseres.

Verweerder kan eiseresses vrees voor herkenning door het leger dan ook niet volgen. Om dezelfde redenen valt volgens verweerder niet in te zien dat eiseres ten opzichte van andere vrouwen een verhoogd risico loopt slachtoffer te

worden van verkrachting.

Verweerder overweegt voorts dat, voorzover eiseres stelt te vrezen voor inlijving bij de Tamil Tijgers, zij geen problemen van betekenis heeft ondervonden van de zijde van deze groepering en dat zij zich aan eventuele problemen kan

onttrekken door zich buiten het door de Tamil Tijgers beheerste gebied te vestigen.

Nu eiseres nimmer problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten, ziet verweerder niet in dat eiseres tot een risicogroep zou behoren.

Met betrekking tot het door eiseres gestelde risico bij terugkeer onderworpen te worden aan een behandeling waartegen artikel 3 van het Europese Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

bescherming beoogt te bieden, merkt verweerder op, dat de kans op schending van genoemd artikel, voorzover al aanwezig, tot een minimum wordt beperkt door het feit dat op de luchthaven medewerkers van het Department of Probation and

Child Care Services aanwezig zijn, die de afhandeling van de procedure van terugkerende minderjarige asielzoekers op zich nemen.

Verweerder heeft eiseres niet op haar bezwaar gehoord, omdat daar zijns inziens, gelet op het bepaalde in artikel 7:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen verplichting toe bestond.

Tenslotte stelt verweerder dat, blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 24 maart 1998, minderjarigen

(tijdelijk) opgevangen kunnen worden in een speciaal daarvoor bestemd tehuis in Colombo. Eiseres kan daar worden opgevangen tot haar moeder is getraceerd. Het is volgens verweerder niet aannemelijk dat eiseresses moeder haar niet

zou kunnen opvangen.

2.5 Eiseres stelt zich op het standpunt dat, gelet op het feit dat het bij het leger bekend is dat haar zuster lid was van de Tamil Tijgers, eiseres in de verscherpte belangstelling van de autoriteiten staat, omdat huiszoekingen met

name worden verricht bij families die worden verdacht van betrokkenheid bij de Tijgers. Eiseres is aan verdere maatregelen ontkomen, omdat zij op het moment van de huiszoeking niet ter plaatse was. Zij loopt echter overal het risico

dat iemand haar zal herkennen c.q. aanwijzen als zijnde familie van een bij de Tamil Tijgers betrokken persoon. Het feit dat zij een niet Singalees sprekend Tamil-meisje in de huwbare leeftijd is, maakt haar daarbij des te

kwetsbaarder voor sexueel geweld. Verweerder heeft hiermee bij het tegenwerpen van een vestigingsalternatief onvoldoende rekening gehouden.

Ook is onvoldoende acht geslagen op de onderlinge samenhang van de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden.

Als familielid van een bij de Tamil Tijgers betrokken persoon behoort eiseres tot een een zogenaamde risicogroep, waarvoor het risico bij terugkeer slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen zeer reëel is. Uit verweerders

overweging met betrekking tot de medewerkers van het Department of Probation and Child Care Services valt niet af te leiden dat hiermee een garantie wordt gegeven dat er geen kans op mensenrechtenschendingen bestaat. Het beperken

van die kans tot een minimum acht eiseres verwerpelijk, te meer nu zij een alleenstaande minderjarige is.

Eiseres stelt dat zij op haar bezwaar gehoord had dienen te worden.

In het beroepschrift heeft eiseres voorts nog aangevoerd dat zij recentelijk van haar oom heeft vernomen dat haar moeder op 28 augustus 1998 bij een luchtaanval is omgekomen. Opvang door haar moeder is daarmee feitelijk onmogelijk

geworden. Voor wat betreft hetgeen verweerder heeft overwogen omtrent de mogelijkheid van (tijdelijke) opvang in een speciaal daarvoor bestemd tehuis in Colombo, merkt eiseres op dat uit de door haar overgelegde brief van The

Salvation Army d.d. 2 juni 1999 blijkt dat opvang voor haar daar niet mogelijk is. Eiseres stelt dat deze brief dient te worden gelezen in combinatie met de brief van dezelfde organisatie d.d. 24 oktober 1998 over de opvang van

Tamil-jongens in Colombo. Volgens eiseres is adequate opvang in het land van herkomst derhalve niet gewaarborgd.

2.6 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke- en mensenrechtensituatie in Sri Lanka zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk

moeten zijn, dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.7 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtseenheidskamer voor vreemdelingenzaken van deze rechtbank (REK) d.d. 13 maart 1997 (NAV 1997, nr. 3 p. 273-276), en naar de uitspraken van deze rechtbank van 28 november 1997

(waarvan er één is gepubliceerd als JV 1998/1) en van 30 maart 1998 (JV 1998 nr. 77) en naar de uitspraak van de zittingsplaats Haarlem van de rechtbank van 9 oktober 1998 (Awb 98/125) behoort vooropgesteld te worden, dat niet is

gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Sri Lanka zo zorgwekkend is, dat Tamil-asielzoekers uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling moeten worden aangemerkt. Om voor toelating als vluchteling in

aanmerking te komen, zal derhalve aannemelijk moeten worden dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan eiseresses vrees voor vervolging in

vluchtelingenrechtelijke zin gerechtvaardigd is.

2.8 Indien aannemelijk is dat eiseres behoort tot een van de risicogroepen die zijn vermeld in de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 mei 1996, 9 november 1996 en 24 juli 1997, de brief van Amnesty

International van 10 oktober 1997 en vergelijkbare bronnen, zal dat in de beoordeling moeten worden betrokken. De aanduiding van risicogroepen in het ambtsbericht wordt door de rechtbank overigens aldus opgevat, dat ten aanzien van

genoemde categorieën personen snel tot vrees voor vervolging dient te worden geconcludeerd indien, naast het enkele behoren tot een of meer van die risico-categorieën, bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die doen

vermoeden dat de negatieve aandacht van de Srilankaanse autoriteiten in het bijzonder op eiseres is gericht.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres aangevoerde persoonlijk feiten en omstandigheden, bezien in het licht van hetgeen over de algehele situatie in Sri Lanka bekend is, niet aannemelijk maken dat eiseres gegronde

reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Daartoe is het volgende redengevend.

Eiseres heeft persoonlijk nimmer problemen ondervonden van de zijde van de LTTE. De Tamil Tijgers hebben haar weliswaar twee à driemaal gevraagd of zij zich niet bij hen wilde aansluiten, maar zij heeft geen problemen ondervonden

naar aanleiding van haar antwoord dat zij haar moeder niet alleen wilde laten. Eiseres zou zich overigens aan eventuele problemen met de LTTE kunnen onttrekken door zich te vestigen in een gebied dat onder controle van de

Srilankaanse autoriteiten staat, want naar het oordeel van de rechtbank is evenmin aannemelijk geworden dat eiseres persoonlijk in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.

Eiseres heeft geen noemenswaardige problemen ondervonden van de zijde van het Srilankaanse leger. Uit de verklaringen van eiseres valt af te leiden dat de huiszoeking in het ouderlijk huis van eiseres niet op de persoon van eiseres

was gericht en bij de inval van het leger in E begin november 1997 is eiseres ongemoeid gelaten.

Voor zover aangenomen moet worden dat eiseres tot de zogenaamde risicocategorieën behoort, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die doen vermoeden dat de

negatieve aandacht van de Srilankaanse autoriteiten in het bijzonder op eiseres is gericht. Het enkele feit dat eiseresses zuster lid van de LTTE is geweest acht de rechtbank in dit verband niet voldoende; afgezien van de vraag of

de autoriteiten hiervan op de hoogte zijn of kunnen raken, is het, mede gelet op het feit dat eiseresses zuster is overleden, niet aannemelijk dat de autoriteiten om die reden in eiseres geïnteresseerd zouden zijn.

2.7 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder

voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening

van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.8 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.7 is overwogen, is niet aannemelijk dat eiseres bij gedwongen verwijdering naar Sri Lanka een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 EVRM

bescherming beoogt te bieden, zodat eiseres aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

2.9 Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiseres aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

2.10 Met betrekking tot eiseresses stelling dat zij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het zogenaamde ama-beleid overweegt de rechtbank het volgende.

Op minderjarige asielzoekers die bij binnenkomst in Nederland niet worden begeleid of verzorgd door ouders dan wel meerjarige bloed- of aanverwanten, en die daarom als alleenstaand worden aangemerkt, is het beleid genoemd in

hoofdstuk B7/13.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) van toepassing. Op grond van dit beleid wordt aan alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's) die niet in aanmerking komen voor toelating als vluchteling of verlening

van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard een vergunning tot verblijf verleend, indien binnen zes maanden na indiening van de aanvraag is komen vast te staan dat er voor de ama in het land van

herkomst geen adequate mogelijkheid tot opvang redelijkerwijs is gewaarborgd en de ama tevens onder voogdij van een voogdijvereniging is gesteld, tenzij sprake is van gevaar voor de openbare orde.

2.11 Vast staat dat eiseres bij binnenkomst in Nederland minderjarig was en niet werd begeleid door ouders dan wel meerderjarige bloed- of aanverwanten.

In de bestreden beschikking heeft verweerder, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 24 maart 1998, overwogen dat eiseres (tijdelijk) opgevangen kan worden in een speciaal daarvoor bestemd

tehuis in Colombo totdat haar moeder is getraceerd.

Eiseres heeft in beroep brieven overgelegd van het Leger des Heils in Sri Lanka d.d. 24 oktober 1998 en 2 juni 1999, waaruit valt af te leiden dat in het door het Leger des Heils beheerde jongenstehuis in Rajagiriya alleen jongens

worden opgenomen die vloeiend Singalees spreken, dat men gewoonlijk alleen jongens van een jaar of vijf opneemt en geen oudere jongens en dat het meisjestehuis (in Colombo) alleen meisjes in de leeftijd van zes tot acht jaar

opneemt, zodat er geen mogelijkheid is om eiseres in het betreffende tehuis te plaatsen. Eiseres heeft tevens aangevoerd dat zij niet door haar moeder kan worden opgevangen, omdat deze inmiddels overleden is.

Noch in het verweerschrift noch ter zitting is verweerder expliciet ingegaan op hetgeen eiseres heeft gesteld omtrent de onmogelijkheid van opvang in de tehuizen van het Leger des Heils. Verweerder heeft wel aangevoerd dat eiseres

haar stelling dat haar moeder is overleden niet met objectief verifieerbare stukken heeft onderbouwd en dat deze stelling overigens, gelet op de ex-tunc toetsing, niet in de onderhavige procedure kan worden betrokken, maar dat

eiseres in elk geval door haar oom zou kunnen worden opgevangen en dat zij bij gebrek aan andere opvang blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d.

6 november 1998 in één van de 168 opvangtehuizen van het Department of Probation and Child Care Services kan worden opgevangen.

2.12 Naar het oordeel van de rechtbank kan de door verweerder gegeven motivering voor de weigering eiseres een ama-vtv te verlenen deze beslissing niet dragen en is de bestreden beslissing op dit punt niet zorgvuldig voorbereid. De

rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d.

24 maart 1998 wordt met betrekking tot ama's onder meer gesteld, dat voor hervestiging op het Jaffna-schiereiland de situatie vooralsnog niet voldoende stabiel lijkt, zodat [adres]onderzoek in Jaffna weinig zinvol is. Voorts wordt

gesteld dat, als adresonderzoek niet mogelijk is, de situatie in de gebieden van herkomst nog te onzeker is, of na onderzoek geen familie of bekenden werden aangetroffen, de mogelijkheid bestaat tot plaatsing in één van de twee

opvanghuizen in Colombo (één voor jongens en één voor meisjes) totdat familieleden zijn getraceerd of betrokkene meerderjarig is geworden, dat wil zeggen de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Plaatsing is mogelijk door

tussenkomst van

de "Commissioner" van het Department of Probation and Child Care Services. Met betrekking tot het tehuis voor jongens wordt onder andere opgemerkt dat het wordt beheerd door het Leger des Heils. Van het meisjestehuis wordt in het

ambtsbericht alleen gezegd dat het in januari 1996 is bezocht door een ambassademedewerker, dat het er goed en verzorgd uitzag, dat het slechts weinig inwoners had en dat er nog veel vrije ruimte beschikbaar was.

Het ambtsbericht van 6 november 1998 stelt dat op het

Jaffna-schiereiland en in de Vanni de situatie onvoldoende stabiel is voor een verantwoorde terugkeer. Voor minderjarigen uit die gebieden zou de mogelijkheid bestaan tot opvang in "het tehuis in Colombo dat is beschreven op p. 30

van het ambtsbericht van 24 maart 1998". Vervolgens wordt met betrekking tot de opvang van ama's nog het volgende gesteld:

"Voor minderjarigen voor wie geen andere opvang in het land aanwezig is, kan op aanvraag van staatswege opvang worden verzorgd door het [...] genoemde Department of Probation and Child Care Services, dat gebruik maakt van 168

opvanghuizen, verspreid over het gehele land. Die zorgplicht geldt ook indien het geen wezen betreft, maar minderjarigen die door hun ouders zijn verlaten, van wie de ouders minvermogend zijn, indien de verblijfplaats van de ouders

onbekend is (b.v. indien zij zich ergens in de Vanni bevinden), of van wie de ouders wonen in de oorlogsgebieden in het noorden of oosten van het land die onder controle staan van de LTTE of waar de veiligheidssituatie onzeker is.

Voor meisjes strekt deze zorgplicht zich uit totdat zij 18 worden.

2.13 De rechtbank overweegt dat, gelet op de inhoud van de genoemde ambtsberichten, de vraag of eiseres door haar moeder of oom kan worden opgevangen van ondergeschikt belang is voor de beoordeling van de vraag of adequate opvang

redelijkerwijs gewaarborgd is; zelfs al zou voorbijgegaan worden aan eiseresses stelling dat haar moeder is overleden en haar oom niet zonder nader onderzoek als opvang kan gelden, brengt het feit dat zowel eiseresses ouderlijk huis

als het huis van haar oom, dat volgens eiseres op 3 à 4 uur fietsen van haar ouderlijk huis ligt, zich bevinden in de regio waar de situatie volgens het ambtsbericht d.d. 6 november 1998 onvoldoende stabiel is voor verantwoorde

terugkeer met zich mee, dat opvang in deze gebieden rederlijkerwijs niet gewaarborgd geacht kan worden en dat eiseres bij terugkeer naar Sri Lanka eerst in een opvangtehuis geplaatst zal worden, van waaruit eventuele familieleden

getraceerd kunnen worden. Derhalve is in casu van belang of voor eiseres opvang in een opvangtehuis redelijkerwijs gewaarborgd is.

2.14 In één van haar uitspraken inzake het ama-beleid d.d. 3 juli 1997 (AWB 96/12136) heeft de Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank geoordeeld dat, in het geval de minderjarige niet (direct) kan worden opgevangen door ouders

of andere familieleden, verweerder er bij de beslissing omtrent toelating in het algemeen van mag uitgaan dat adequate opvang verzekerd is, indien uit de beschikbare informatie blijkt dat de algemene opvangvoorzieningen toereikend

zijn en dat daadwerkelijke plaatsing eerst behoeft te worden geregeld indien de uitzetting wordt geëffectueerd. Naar het oordeel van de REK zal, in het geval plaatsing niet geregeld kan worden, alsnog een vergunning tot verblijf

moeten worden verleend, hetgeen echter niet wegneemt dat verweerder, ingevolge artikel 3:2 Awb, steeds voldoende informatie dient te verzamelen om zich een zorgvuldig oordeel over de adequaatheid van de opvang door

overheidsinstellingen en niet-gouvernementele instellingen te kunnen vormen.

2.15 Verweerder is niet ingegaan op hetgeen eiseres heeft aangevoerd omtrent de onmogelijkheid van opvang in het meisjestehuis in Colombo. Dit klemt te meer, nu in het ambtsbericht d.d. 6 november 1998 een onderscheid wordt gemaakt

tussen ama's die in Colombo worden opgevangen en ama's die in tehuizen elders in het land worden opgevangen: ama's die

oorspronkelijk afkomstig zijn van het Jaffna-schiereiland of uit de Vanni zouden in het tehuis in Colombo worden opgevangen en terugkerende ama's die afkomstig zijn uit de oorlogsgebieden in het noorden of oosten van het land die

onder controle staan van de LTTE of waar de veiligheidssituatie onzeker is, zouden in beginsel worden ondergebracht in één van de tehuizen van het departement buiten Colombo elders in het regeringsgebied. De rechtbank is van oordeel

dat uit de bewoordingen van het ambtsbericht niet valt op te maken om welke reden en op welke gronden dit onderscheid wordt gemaakt en of er sprake is van een stricte scheiding tussen de genoemde categorieën, of dat dat niet het

geval is.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd niet kunnen aangeven in welke gevallen nu precies plaatsing in Colombo plaatsvindt en in welke gevallen buiten Colombo. Overigens is het opmerkelijk dat het ambtsbericht van 24 maart 1998

over twee opvangtehuizen in Colombo spreekt, terwijl het ambtsbericht van 6 november 1998 slechts melding maakt van "het tehuis" in Colombo.

Uit het ambtsbericht d.d. 6 november 1998 blijkt evenmin of de 168 opvangtehuizen buiten Colombo waarvan het Department of Probation and Child Care Services gebruik maakt de verzekering hebben gegeven dat zij wel "oudere"

uitgeprocedeerde ama's die geen Singalees spreken opvangen, of en zo ja op welke wijze de overdracht van de verantwoordelijkheid zal plaatsvinden en welke vorm en omvang de opvang heeft die door de tehuizen wordt geboden. De

rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zijn stelling dat voor eiseres adequate opvang in Sri Lanka redelijkerwijs gewaarborgd is niet deugdelijk heeft onderbouwd.

2.16 Op grond van het hiervoor overwogene moet het bestreden besluit worden vernietigd en dient het beroep gegrond te worden verklaard. De overige stellingen van eiseres behoeven daarom geen bespreking meer.

2.17 Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken.

3 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 18 januari 1999 voorzover deze strekt tot niet-verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het ama-beleid;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van fl. 50,- te vergoeden;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden om de proceskosten van eiseres ad fl. 1420,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H. van Benthem en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. H.M.C.W. Mudde-Blom als griffier op 29 oktober 1999

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).

Afschrift verzonden: 29 oktober 1999