Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5636

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-1999
Datum publicatie
05-07-2002
Zaaknummer
AWB 98/8371
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/92 met annotatie van mr. B.J. Schueler
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 98/8371 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. C.J. Schoorl, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. C.E.J. van Buren-Buijs, advocaat te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser stelt op [...] 1949 te zijn geboren en de Srilankaanse nationaliteit te bezitten. Hij verblijft naar zijn zeggen sedert 27 juni 1994 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland.

Nadat in een eerdere procedure zijn aanvragen onherroepelijk zijn afgewezen heeft eiser op 22 juni 1998 opnieuw een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: klemmende redenen van humanitaire aard

en op 23 juli 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling. Op deze aanvragen is door verweerder op 2 oktober 1998 afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid

ervan. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 30 oktober 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 3 november 1998 heeft eiser tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het

beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 1 november 1999. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of de afwijzende beslissing op het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of het besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser legt aan zijn aanvragen en het onderhavig beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland als vluchteling dan wel wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

3. Vaststaat dat eiser in verband daarmee op 14 juli 1994 aanvragen heeft ingediend waarop op 6 juli 1995 afwijzend is beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan.

Eiser heeft tegen de afwijzing van deze aanvragen een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op 27 augustus 1996 het bezwaar ongegrond verklaard. Het door eiser ingediende beroepschrift is bij uitspraak van deze rechtbank,

zittingsplaats Haarlem, op 20 maart 1998 ongegrond verklaard.

4. Op respectievelijk 22 juni 1998 en 23 juli 1998 heeft eiser ten tweede male verzocht om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Eisers gemachtigde

heeft deze tweede aanvraag schriftelijk uitgebreid toegelicht, onder verwijzing naar (nieuwe) jurisprudentie en nadere informatie met betrekking tot de verslechterde situatie op Sri Lanka. In het bijzonder heeft hij daarbij

aangegeven dat personen behorende tot de risicogroepen, anders dan voorheen, een verhoogd risico lopen op vervolging en een onmenselijke behandeling. Zo behoort eiser in meer dan één opzicht tot voornoemde risicogroepen en is hij

bovendien als LTTE-verdachte opgepakt en heeft hij voor meer dan 48 uur gevangen gezeten. Bovendien loopt eiser bij terugkeer in Sri Lanka nog dubbel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, daar hij zijn land

destijds met behulp van een vals paspoort heeft verlaten, hetgeen hem op een gevangenisstraf van tenminste 1 jaar zou kunnen komen te staan.

5. De aanvraag om toelating als vluchteling is met toepassing van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw niet ingewilligd wegens de niet- ontvankelijkheid ervan.

Ook overigens komt eiser volgens verweerder niet voor toelating in aanmerking.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het bestreden besluit aldus dient te worden gelezen, dat aan de inhoudelijke behandeling van de onderhavige tweede aanvraag in de weg staat dat eiser geen nieuw gebleken

feiten of veranderde omstandigheden kan aanvoeren in de zin van artikel 4:6, eerste lid, Awb, zodat de (summiere) inhoudelijke overwegingen in het besluit (ten aanzien van artikel 3 EVRM) dan ook geheel het karakter dragen van

overwegingen ten overvloede.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser in het kader van zijn hernieuwde aanvragen om toelating aan de hand van de thans bestaande feitelijke situatie in Sri lanka heeft beargumenteerd waarom hij bij terugkeer naar Sri Lanka ernstig

gevaar loopt voor vervolging en

mensenrechtenschendingen. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat hij in meerdere opzichten tot de risicogroepen behoort die in de jurisprudentie, welke sedert de afwijzing van zijn eerdere toelatingsverzoek tot ontwikkeling is

gekomen, worden onderscheiden.

Eiser heeft daarbij ter illustratie van het door hem gestelde een groot aantal schrifturen en rapportages overgelegd, daterend van na maart 1998.

Gelet op de geactualiseerde en gedocumenteerde wijze waarop eiser andermaal om toelating hier te lande heeft verzocht, moet worden geoordeeld dat in het onderhavige geval de weg van niet-ontvankelijk verklaring op basis van artikel

15b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw voor verweerder niet begaanbaar was. Verweerder had zich integendeel een inhoudelijk oordeel behoren te vormen over de merites van het tweede asielverzoek. Door zulks achterwege te laten en de

niet-ontvankelijk verklaring in bezwaar te handhaven, heeft verweerder een besluit genomen dat, strijdig zijnde met voormeld voorschrift, voor vernietiging in aanmerking komt.

Op voormelde gronden kan ook een eerst ter zitting door verweerder gedaan beroep op artikel 4:6 Awb niet baten.

7. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de vraag of gewijzigde jurisprudentie op zich een nieuw feit oplevert in de zin van het eerste lid van die artikel 4:6 Awb, in de Memorie van Antwoord bij die wet uitdrukkelijk aan de

rechtsontwikkeling is overgelaten (PG Awb I, pag.

246, rechter kolom).

In deze rechtsontwikkeling neemt het uitgangspunt van de leer van de formele rechtskracht een dominante positie in. Anderzijds wordt er in de vakliteratuur op gewezen dat, aangezien de Memorie van Toelichting bij de Awb vermeldt dat

artikel 4:6 Awb niet ziet op de situatie waarin het recht wordt gewijzigd, niet valt in te zien dat die passage uitsluitend betrekking zou hebben op het daarbij genoemde voorbeeld van wijziging van wetgeving (vgl bijv. NAV 07/99,

pag 491 ev, nt FTG).

Hoe dit zij, zelfs indien verweerder zou worden gevolgd in zijn redenering dat de onderhavige aanvraag (voor zover deze zijn aanleiding vindt in gewijzigde jurisprudentie) niet te herleiden valt tot nieuwe feiten of omstandigheden

in de zin van het eerste lid van artikel 4:6 Awb, dan betekent zulks niet dat dit artikel per definitie aan inhoudelijke behandeling van (dit onderdeel van) de aanvraag in de weg staat, zoals verweerder lijkt te veronderstellen. De

ook vóór de inwerkingtreding van de Awb reeds bestaande bevoegdheid van bestuursorganen om terug te komen op een in rechte vaststaande beslissing, mits rechten van derden door die handelwijze niet worden aangetast, blijft immers met

artikel 4:6 Awb in tact, nu uit de tekst van die bepaling het tegendeel niet valt af te leiden. Het facultatief geredigeerde tweede lid versterkt deze indruk nog eens. De rechtbank verwijst hierbij tevens naar de jurisprudentie van

de Centrale Raad van Beroep op dit punt (vgl CRvB 18 december 1997, reg.nr 96/9843 AAWAO ea), waarin een dergelijke bevoegdheid eveneens wordt aangenomen.

In dat verband merkt de rechtbank op dat bij de uitoefening van die bevoegdheid in de kwetsbare positie van asielzoekers en in de werking van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM argumenten liggen besloten, die

er voor kunnen pleiten om in geval van wijziging van jurisprudentie (ten gunste van de vreemdeling) het belang van de formele rechtskracht te laten wijken voor het belang van hernieuwde inhoudelijke behandeling.

In het onderhavige geval, waarin tevens sprake is van een nadere en geactualiseerde onderbouwing van de risico's van eiser bij terugkeer naar Sri Lanka, mist artikel 4:6 Awb reeds uit dien hoofde toepassing.

8. Uit het hiervoor overwogene volgt tevens dat de in artikel 7:3 Awb geformuleerde voorwaarden, waaronder van het houden van een hoorzitting in de bezwaarprocedure kan worden afgezien, in casu niet zijn vervuld.

Ook deswege komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

9. De rechtbank overweegt verder dat verweerder bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser alsnog de gelegenheid krijgt daarbij in te gaan op het betoog van eiser dat en waarom in zijn geval in het kader

van artikel 3 EVRM van een schending sprake kan zijn, nu hij met een vals paspoort is uitgereisd, hetgeen hem op grond van de bij amendement van 24 juni 1998 gewijzigde Immigrants and Emigrants Act op een gevangenisstraf van

minimaal 1 jaar kan komen te staan. Voor wat betreft de risico-factoren zal verweerder tevens dienen te bezien of het eerder ingenomen (tegen de achtergrond van de maatstaven zoals gevolgd door de rechtbank Haarlem) en door de

rechtbank bevestigde standpunt, dat eiser niet in de in het bijzonder op zijn persoon gerichte negatieve aandacht van de autoriteiten staat, nog houdbaar is.

10. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f

710,- en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,--, onder

aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad f 50,-- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en in het openbaar uitgesproken op 29 november 1999, in tegenwoordigheid van C.A.Y. Morison-Libourel, griffier.

afschrift verzonden op: 21 december 1999