Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5496

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/5699, 99/7680
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 1999-11-18
Algemene wet bestuursrecht 7:1, geldigheid: 1999-11-18
Algemene wet bestuursrecht 8:1, geldigheid: 1999-11-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

Awb 99/5699 VV

Awb 99/7680 V1

Uitspraak van de rechtbank op het beroep als bedoeld in artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, geboren [...] 1970, verblijvende te B, verzoeker,

gemachtigde mr. G.W.Th. Lamers, Stichting Rechtsbijstand Asiel te 's-Hertogenbosch,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde mr. E. Bervoets, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP.

1. Verzoeker bezit de Ethiopische nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Verzoeker stelt op 29 december 1996 Nederland te zijn

binnengekomen. Op 30 december 1996 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij beschikking van 21 maart 1997 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijk ongegrondheid ervan. De aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf is evenmin

ingewilligd.

Tegen deze beschikking is namens verzoeker op 17 april 1997 bezwaar gemaakt bij verweerder. De gronden waarop het bezwaar rust heeft verzoeker op 6 mei 1997 aangevoerd.

Op 20 juni 1997 is namens verzoeker om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van verzoeker over te gaan, totdat op het bezwaarschrift zal zijn

beslist.

Bij beschikking van 9 september 1997 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking is namens verzoeker op 7 oktober 1997 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij uitspraak van 3 maart 1999 heeft de fungerend president van de rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2. Bij schrijven van 23 juni 1999 heeft verzoeker verweerder verzocht om de afwijzing van de aanvraag om toelating als vluchteling te heroverwegen.

Bij schrijven van 13 juli 1999 heeft verweerder aangegeven het schrijven van 23 juni 1999 op te vatten als een nieuwe aanvraag en geconstateerd dat deze aanvraag niet voldoet aan de wettelijke vereisten.

Verzoeker heeft verweerders schrijven van 13 juli 1999 aangemerkt als een weigering te heroverwegen en heeft bij schrijven van 27 juli 1999 hiertegen bezwaar gemaakt. Op dezelfde datum is namens verzoeker de president van de

rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt dat de uitzetting achterwege wordt gelaten, totdat op het bezwaar is beslist. Het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer Awb 99/5699 VV.

Bij schrijven van 31 augustus 1999 heeft verweerder aangegeven dat de mededeling gedaan in het betreffende schrijven van 13 juli 1999 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, dan wel een handeling in de zin

van artikel 1a van de Vw.

Verzoeker heeft het schrijven van 31 augustus 1999 aangemerkt als een beslissing op bezwaar strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het ingediende bezwaarschrift en heeft bij schrijven van 27 september 1999 beroep ingesteld

bij de rechtbank. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer Awb 99/7680 VRWET.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 29 oktober 1999, waar verzoeker in persoon is verschenen en zich heeft laten

bijstaan mr. W.J.C. Robben van de Stichting Asiel

Rechtsbijstand.

Verweerder is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN.

1. Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, onder meer indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de

president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In deze bepalingen in het zogenoemd

vereiste van connexiteit neergelegd.

2. Krachtens artikel 8:86, eerste lid van de Awb kan de president

onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien het verzoek wordt gedaan indien het beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader

onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

3. De president ziet zich ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening allereerst geplaatst voor de vraag of connexiteit bestaat met een onderliggende bezwaar-of beroepsprocedure. Verzoeker heeft gesteld dat connexiteit

bestaat met het beroepschrift tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift gericht tegen verweerders schrijven van 13 juli 1999. Bezien zal moeten worden of voornoemd schrijven van 13 juli 1999 kan worden aangemerkt

als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen de mogelijkheden van bezwaar en beroep openstaan.

4. Ingevolge artikel 1:3 van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Op grond van artikel 7:1 van de Awb in samenhang met artikel 8:1 van de Awb staat bezwaar en beroep slechts open tegen besluiten.

In artikel 1a van de Vw is bepaald dat met een beschikking wordt gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan. Gezien het doel waarvoor artikel 1a van de Vw het beschikkingsbegrip heeft uitgebreid dient het wel om een

handeling te gaan die zelfstandige betekenis heeft voor de betreffende vreemdeling.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep levert de weigering terug te komen op een rechtens onaantastbare

beslissing een appelabel besluit op. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb wordt de

schriftelijke weigering een besluit te nemen, voor de

toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn schrijven van 13 juli 1999 niet kan worden beschouwd als een weigering terug te komen op de rechtens onaantastbare

beslissing van 9 september 1997. In dit schrijven is volgens verweerder slechts gesteld dat verzoekers schrijven van

23 juni 1999 de strekking heeft van een nieuwe aanvraag en dat een dergelijke aanvraag dient te voldoen aan de wettelijke voorschriften welke zijn gesteld voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toelating. In dit verband

heeft verweerder erop gewezen dat voor procedures voor toelating ingevolge de Vw in aanvulling op de artikel 4:1 en 4:2 van de Awb de

bepalingen van artikel 16 van de Vw juncto artikel 52

Vreemdelingenbesluit (Vb) junctis artikelen 28 en 28a

Voorschrift Vreemdelingen (VV) gelden. Deze voorschriften houden onder meer in dat een aanvraag om toelating als

vluchteling moet worden ingediend in een daartoe aangewezen aanmeldcentrum. Naar de mening van verweerder wordt verzoeker in het schrijven van 13 juli 1999 in de gelegenheid gesteld dienovereenkomstig een aanvraag in te dienen en

wordt niet geweigerd terug te komen op een rechtens onaantastbare

beslissing. Het schrijven van 13 juli 1999 is naar de mening van verweerder dan ook niet aan te merken als een appelabel besluit.

6. De president stelt allereerst vast dat niet is betwist dat verzoeker bij schrijven van 23 juni 1999 verweerder heeft verzocht om heroverweging van het besluit van 9 september 1997, waarbij in bezwaar de oorspronkelijke aanvraag

om toelating als vluchteling en subsidiair om een vergunning tot verblijf is afgewezen. Voorts kan worden vastgesteld dat verweerders schrijven van 13 juli 1999 geen inhoudelijke beoordeling bevat van dit verzoek om heroverweging,

maar slechts de mededeling doet dat verzoekers aanvraag niet voldoet aan de wettelijke vereisten die gelden voor een aanvraag om toelating. Dit kan naar het oordeel van de president niet anders beschouwd worden dan als een

impliciete

weigering om naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek een eerder genomen besluit inhoudelijk te heroverwegen.

7. Anders dan door verweerder is betoogd, kan naar het oordeel van de president het verzoek om terug te komen op een rechtens onaantastbare beslissing niet worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag om toelating. Immers, het verzoek

ziet slechts op de heroverweging van een door verweerder genomen besluit op een reeds gedane aanvraag om toelating. Heroverweging dient dan plaats te vinden in het kader van en op de grondslag van de oorspronkelijke aanvraag.

Ingeval de heroverweging voor de verzoeker positief uitvalt wordt de oorspronkelijke aanvraag alsnog met ingang van de datum van die aanvraag gehonoreerd.

Een nieuwe aanvraag daarentegen kan in beginsel slechts leiden tot honorering met ingang van de datum van de nieuwe aanvraag.

8. Naar het oordeel van de president dient het schrijven van verweerder van 13 juli 1999, waar dit een weigering om te heroverwegen inhoudt, te worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb

waartegen gelet op hetgeen is bepaald in de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb de mogelijkheid van bezwaar openstaat. De president stelt vast dat verzoeker bij schrijven van 27 juli 1999 tijdig bezwaar heeft gemaakt.

9. De president zal vervolgens onderzoeken of verweerders schrijven van 31 augustus 1999 dient te worden aangemerkt als een besluit op verzoekers bezwaarschrift van 27 juli 1999, zoals door verzoeker is gesteld.

De president volgt verzoeker hierin niet. Daartoe wordt erop gewezen dat verweerders schrijven van 31 augustus 1999 noch qua vorm noch qua inhoud als een besluit is op te vatten. Zo wordt in deze brief niet aangegeven dat hij

bedoeld is als beslissing op het bezwaarschrift, ontbreekt een

rechtsmiddelenclausule en is door verweerder slechts verwezen naar zijn eerdere schrijven en herhaald wat daarin reeds was gesteld met betrekking tot de te volgen procedure.

Nu geen sprake is van een besluit op bezwaar dient het

daartegen gerichte beroepschrift van 27 september 1999 met toepassing van artikel 8:86 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard te worden.

10. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op verzoekers

bezwaarschrift van 27 juli 1999. Het verzoek om voorlopige voorziening is connex met de bezwaarschriftprocedure.

De president ziet zich geplaatst voor de vraag of hangende dit bezwaarschrift een voorlopige voorziening dient te worden getroffen, zoals door verzoeker verzocht.

11. Beoordeeld dient te worden of, hangende de bezwaarprocedure, uitzetting van verzoeker dient te worden verboden. Hiertoe dient te worden beoordeeld of verweerder, gelet op het

bepaalde in artikel 32 van de Vw, terecht uitzetting van verzoeker niet achterwege laat gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. Voorts bestaat aanleiding een

voorziening te treffen indien, op grond van de beschikbare gegevens, moet worden geoordeeld dat er gerede twijfel bestaat of het in de hoofdzaak bestreden besluit in stand zal blijven.

Voor zover toetsing aan het in artikel 8:81 van de Awb

neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is niet bindend voor het geschil in de bodemprocedure.

12. Nu verweerder gelet op hetgeen hiervoor is overwogen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, kan het

bezwaarschrift een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd in die zin dat verweerder in afwijking van zijn tot nu toe ingenomen standpunt gehouden is om in het kader van de beslissing op het bezwaarschrift alsnog een

inhoudelijk

oordeel te geven naar aanleiding van het verzoek om heroverweging.

Voorts ziet de president er van af een inhoudelijke beoordeling van het geschil te geven, aangezien verweerder zelf daarover nog geen oordeel heeft gegeven en het niet de taak is van de rechter om,

behoudens evidente gevallen, zijn oordeel naar aanleiding van een heroverwegingsverzoek te stellen in de plaats van het oordeel van het bestuursorgaan. Uitsluitend op de formele grond dat verweerder, vanwege een verkeerde duiding

van het inleidende verzoek, nog geen inhoudelijk oordeel over dat verzoek heeft gegeven, ziet de president aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening in dier voege dat het verweerder wordt verboden tot uitzetting van

verzoeker over te gaan tot en met vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

13. Tenslotte overweegt de president dat in het algemeen een verzoek aan een bestuursorgaan om terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden beslissing, kan worden afgewezen, tenzij aan de eerdere beslissing dusdanige

gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan, dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren die eerdere beslissing ongedaan te maken.

Daarbij ligt het op de weg van betrokkene om feiten en omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht, dan wel de

evidente onjuistheid van die beslissing aan te tonen.

14. Voor toepassing van artikel 33b van de Vw acht de president geen termen aanwezig.

15. In dit geval ziet de president aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in

totaal fl. 1.420,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende

rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift voorlopige voorziening;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt fl.710,- ;

* wegingsfactor 1.

De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat namens verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht ten bedrage van fl.50,- zal worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De president:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in dier voege dat het verweerder verboden wordt verzoeker uit Nederland te verwijderen tot en met vier weken nadat op het door verzoeker ingediende bezwaarschrift is beslist;

veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakt proceskosten, vastgesteld op fl.1.420,=, te vergoeden aan de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier van deze rechtbank;

gelast dat het gestorte griffierecht ten bedrage van fl.50,= door de Staat der Nederlanden, namens verweerder, aan verzoeker wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. J.C.A.M. Claassens als president, in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 1999.

Afschrift verzonden op: 22 november 1999.

KG