Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5493

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 97/10207
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 97/10207 VRWET

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto de artikelen 33a en 33d van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen

A, geboren [...] 1981 en verblijvende te Turkije, eiseres, gemachtigde mr. Z.M.K.J. Berger, advocaat te Venlo,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiseres bezit de Turkse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van artikel 1 van de Vw.

Op 20 augustus 1996 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) onder de beperking:

"verblijf bij echtgenoot" gedaan.

Op 2 juni 1997 is namens eiseres bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag.

Op 30 september 1997 is de echtgenoot van eiseres omtrent de bezwaren van eiseres gehoord door een ambtelijke commissie.

Bij besluit van 13 oktober 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres op 24 oktober 1997 bij de rechtbank beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 27 oktober 1997 ter griffie ontvangen.

Bij schrijven van 11 november 1997 is namens eiseres bij de rechtbank om een versnelde behandeling van het beroep verzocht.

Bij brief van 28 november 1997 heeft de rechtbank het verzoek om versnelde behandeling afgewezen.

Bij schrijven van 16 december 1998 is namens eiseres nogmaals verzocht om een versnelde behandeling van het beroep.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 februari 1999 alwaar eiseres niet is verschenen, doch is vertegenwoordigd door haar echtgenoot en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr.

T.A.G.H. van Loenhout-Hasselo, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 13 oktober 1997, waarbij het bezwaar tegen de weigering om eiseres een mvv te verlenen ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

Vaststaat dat eiseres op 30 juli 1996 in Turkije is getrouwd met B, die de Nederlandse nationaliteit heeft. De mvv is aangevraagd met het oog op het verblijf van eiseres bij haar echtgenoot in het kader van het gezinsvormingsbeleid

van verweerder.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit moeten vreemdelingen, die zich naar Nederland begeven voor een verblijf aldaar van langer dan drie maanden, voor toegang tot Nederland in het bezit zijn van een

geldig paspoort dat is voorzien van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

Ingevolge artikel 33d van de Vw worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Soeverein Besluit van 12 december 1813, voor toepassing van wettelijke voorschriften over

bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van de Vw.

In de Vreemdelingencirculaire 1994 (hierna: Vc) is onder A4/5.1 bepaald dat de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een vergunning

tot verblijf (hierna: vtv).

Ingevolge artikel 11, vijfde lid van de Vw kan een vtv aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale

overeenkomsten- slechts voor een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

In de Vc is nader uitgewerkt aan welke criteria specifieke categorieën vreemdelingen moeten voldoen, om voor een vtv in aanmerking te komen.

Ingevolge hoofdstuk B1/1 van de Vc komt de echtgenote van een Nederlander in aanmerking voor een vtv indien is voldaan aan een aantal algemene en bijzondere vereisten voor toelating. Eén van de bijzondere vereisten voor toelating in

het kader van gezinsvorming, genoemd in hoofdstuk B1/1.1.2 van de Vc, is dat beide echtgenoten 18 jaar of ouder zijn.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat aan eiseres geen toelating kan worden verleend omdat zij niet voldoet aan dat leeftijdsvereiste. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat het leeftijdsvereiste zijn ratio vindt in

het streven van verweerder om kind- en schijnhuwelijken tegen te gaan.

Namens eiseres is aangevoerd dat verweerder het leeftijdsvereiste in casu te rigide heeft gehanteerd, waarbij erop is gewezen dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit 16 jaar was en zwanger; dit laatste is een omstandigheid

die ertoe leidt dat het wettelijk huwelijksbeletsel, neergelegd in artikel 31, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), vervalt. Ingevolge bedoeld artikellid moeten een man en een vrouw de leeftijd van

achttien jaar hebben bereikt om een huwelijk te mogen aangaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat zij het beleid van verweerder inzake gezinsvorming in beginsel niet onredelijk acht.

Niet betwist is dat in casu niet aan het leeftijdsvereiste is voldaan.

Eiseres is op 15-jarige leeftijd in het huwelijk getreden, was ten tijde van de mvv-aanvraag 15 jaar en ten tijde van het bestreden besluit 16 jaar.

Verweerders gemachtigde heeft ter zitting toegelicht dat verweerder bij toepassing van zijn beleid inzake gezinsvorming het leeftijdsvereiste hanteert als strikte voorwaarde, gelet op de ratio van dat vereiste. Dit leidt ertoe dat

het leeftijdsvereiste wordt tegengeworpen, tenzij er gebleken is van bijzondere omstandigheden die tot afwijking nopen.

Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er in casu geen bijzondere omstandigheden zijn die tot afwijking van zijn beleid aanleiding geven en acht hierbij van doorslaggevend belang dat er in

het land van herkomst voldoende opvang voor eiseres aanwezig is.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat een strikte hantering van het leeftijdsvereiste als beleidsuitgangspunt niet onredelijk is, acht zij het wel onjuist dat verweerder in zijn motivering van het bestreden besluit in het geheel

geen aandacht heeft besteed aan de namens eiseres in het geding gebrachte discrepantie die lijkt te bestaan tussen de Nederlandse huwelijkswetgeving, neergelegd in Titel 5 van Boek 1 van het BW en de bovenaangehaalde

vreemdelingrechtelijke beleidsregels, bij toepassing van die regels zoals in casu is geschied. De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere motivering vooralsnog niet valt in te zien dat, waar een wettelijk huwelijksbeletsel

vervalt indien de huwelijkspartners de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en de vrouw aantoonbaar zwanger is dan wel haar kind reeds ter wereld heeft gebracht, aan een dergelijke omstandigheid in het vreemdelingenrecht in het

geheel geen betekenis zou toekomen. Aannemende dat bedoeld wettelijk huwelijksbeletsel eveneens is opgeworpen ter voorkoming van kindhuwelijken, is het de rechtbank vooralsnog niet duidelijk kunnen worden waarin de rechtvaardiging

schuilt van de onder de aandacht gebrachte ongelijkheid. Ter zitting is namens verweerder geen nader inzicht op dit punt gegeven.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet voldoet aan het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde vereiste dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Mitsdien moet het

beroep voor gegrond worden gehouden en zal het bestreden besluit worden vernietigd.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de

daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

gelast de Staat der Nederlanden aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten

vastgesteld op f 1.420,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.M. de Kruif als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 1999.

Afschriften verzonden: 1 april 1999

EL