Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5492

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-1999
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 98/4919
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 10:4
Algemene wet bestuursrecht 10:9
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

Awb 98/4918 VRWET

Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. B.R. Angad Gaur, advocaat te 's-Gravenhage,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP.

Eiser bezit de Zuidafrikaanse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 17 december 1996 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "gezinsvorming, verblijf bij partner C en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf."

Bij besluit van 25 februari 1998 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een vergunning tot verblijf niet ingewilligd. Dit besluit is aan eiser bekendgemaakt op 27 februari 1998. Daarbij is eiser medegedeeld dat nog

aan de hand van de inhoud van een eventueel bezwaarschrift zal worden beslist of hij de behandeling ervan in Nederland mag afwachten.

Op 5 maart 1998 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij brief van 2 april 1998 heeft verweerder eiser bericht dat hij de beslissing op het bezwaar niet hier te lande mag afwachten.

Op 8 april 1998 heeft eiser om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van eiser over te gaan, totdat op het bezwaarschrift zal zijn beslist.

Bij besluit van 15 juni 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 22 juni 1998 beroep ingesteld. Het beroep is op 23 juni 1998 ter griffie van de rechtbank ontvangen.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 september 1999, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. P. Scholtes. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door

zijn gemachtigde mr. C.E.J. van Buren-Buys, juridisch medewerkster van het kantoor van de landsadvocaat te 's-Gravenhage.

Het verzoek om een voorlopige voorziening van 8 april 1998 is ter zitting namens eiser ingetrokken.

II. OVERWEGINGEN.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 15 juni 1998 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie

hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van

humanitaire aard of verplichtingen uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

Eiser stelt in de eerste plaats dat het besluit in primo onbevoegd genomen is. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Het besluit in primo is namens de Korpschef genomen door de bureauchef vreemdelingenzaken. Dit houdt in dat er sprake is van ondermandaat. De Staatssecretaris van Justitie heeft de bevoegdheid te beslissen op een aanvraag om

verlening van een vergunning tot verblijf gemandateerd aan de Korpschef, die op zijn beurt deze bevoegdheid in ondermandaat heeft gegeven aan zijn bureauchef vreemdelingenzaken. Ingevolge artikel 10:9 van de Awb is ondermandaat

alleen toegestaan indien het mandaterende bestuursorgaan, in casu de Staatssecretaris, daar toestemming voor geeft. Niet gebleken is dat de Staatssecretaris de Korpschef toestemming heeft gegeven de bevoegdheid te beslissen op een

aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf in ondermandaat te geven.

Voorts heeft de Staatssecretaris de bevoegdheid om namens hem te beslissen op een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf eerst op 15 december 1997 aan de Korpschef gemandateerd. De aanvraag van eiser dateert van vóór

die datum, derhalve is enkel de Staatssecretaris persoonlijk bevoegd om op die aanvraag te beslissen. Op grond van het beginsel van eerbiedigende werking dient het voor de vreemdeling meest gunstige beleid te worden toegepast. Een

beslissing van de Staatssecretaris persoonlijk heeft een meerwaarde boven een beslissing die door een willekeurige ambtenaar krachtens mandaat wordt genomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De bevoegdheid van de Korpschef om te beslissen op een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf is met ingang van 1 januari 1998 neergelegd in artikel 11, eerste lid, van de Vw, en uitgewerkt in artikel 20 van het

Voorschrift Vreemdelingen (Vv). Er is dan ook voldaan aan het vereiste van artikel 10:4, tweede lid, van de Awb, dat

voorschrijft dat ingeval van mandaat aan een niet-ondergeschikte, deze met het mandaat moet instemmen, tenzij bij wettelijk voorschrift in de mandaatverlening is voorzien. Er is in casu een wettelijk voorschrift, dus is geen

instemming van de Korpschef vereist. De stelling van eiser dat enkel de Staatssecretaris bevoegd zou zijn om op de onderhavige aanvraag te beslissen nu deze dateert van vóór 15 december 1997 kan de rechtbank niet volgen. De wetgever

heeft niet voorzien in een overgangsregeling die bepaalt dat alle aanvragen van vóór de inwerkingtreding van de derde tranche van de Awb op 1 januari 1998 conform de daarvoor geldende voorschriften dienen te worden afgedaan.

Een formele regel als de onderhavige, die de beslissingsbevoegdheid betreft, heeft naar zijn aard onmiddellijke werking, zodat de regel met ingang van 1 januari 1998 van toepassing is op voordien ingediende aanvragen waarop nog niet

is beslist. Anders dan eisers gemachtigde stelt is hierbij geen sprake van een meer of minder gunstig beleid betreffende de criteria waaraan de aanvraag moet worden getoetst.

Met betrekking tot eisers stelling, dat de Korpschef niet bevoegd was zijn beslissingsbevoegdheid in ondermandaat te geven aan zijn bureauchef vreemdelingenzaken, overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 1, onder b, van het Vv

de Korpschef bevoegd is ondermandaat te verlenen aan de onder hem ressorterende ambtenaren voor zover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de betreffende ambtenaar en de aard van de bevoegdheid of een wettelijk

voorschrift zich daartegen niet verzet.

Gesteld noch gebleken is dat van dit laatste in casu sprake zou zijn.

Het Voorschrift Vreemdelingen is een besluit van de Minister van Justitie. Derhalve heeft de mandaatgever middels het Voorschrift Vreemdelingen ingestemd met ondermandaat. Aan de eis van artikel 10:9 van de Awb is dus voldaan.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het besluit op bezwaar bevoegd is genomen. Eiser stelt dat de handtekening op het bestreden besluit voorgedrukt en niet authentiek aandoet. Verweerder heeft slechts een copie van het bestreden

besluit toegezonden. Dat is niet geoorloofd, indien daarop geen originele handtekening is geplaatst. Derhalve is er geen sprake van een bevoegd genomen besluit. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Het feit dat verweerder een

kopie van het bestreden besluit aan eiser heeft toegezonden betreft een vormverzuim, dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb geheeld kan worden, nu niet is gebleken dat eiser door de handelwijze van verweerder in zijn

belangen is geschaad. Het origineel van de beschikking is kennelijk aan de gemachtigde gezonden. Met de bevoegdheid tot het nemen van de beslissing heeft dit alles niet van doen. Gebleken is dat degene die de beschikking heeft

ondertekend daartoe krachtens ondermandaat bevoegd was.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank mitsdien van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is noch van een onbevoegd genomen besluit in primo, noch van een onbevoegd genomen besluit op bezwaar.

Derhalve zal de zaak inhoudelijk worden beoordeeld.

Krachtens artikel 28, zesde lid, van het Vv, juncto artikel 41 van het Vreemdelingenbesluit (Vb), moeten vreemdelingen om in Nederland te kunnen worden toegelaten voor een verblijf van langer dan drie maanden, in het bezit zijn van

een geldig nationaal paspoort. Onomstreden staat vast dat aan dit vereiste niet wordt voldaan. Van het paspoortvereiste zijn vrijgesteld die vreemdelingen, ten aanzien van wie de Minister van Justitie zulks heeft bepaald, hetzij

omdat die vreemdelingen hebben aangetoond, dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kunnen worden gesteld, hetzij omdat het

vreemdelingen betreft die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend en die hebben aangetoond dat met het oog op het verlenen van een vergunning tot verblijf in Nederland of het verlengen

van de geldigheidsduur daarvan van hen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, dat zij zich voor het verkrijgen, of voor het doen verlengen van de geldigheidsduur van een document voor grensoverschrijding tot bedoelde regering

wenden. De rechtbank is van oordeel dat eiser tot geen van beide categorieën behoort. Eiser heeft in 1994 een verzoek om toelating als vluchteling ingediend, maar dit verzoek is afgewezen en het daartegen ingediende bezwaarschrift

is op 24 oktober 1995 ongegrond verklaard, welke beslissing onherroepelijk is geworden. Dat eiser geen geldig document voor grensoverschrijding zou kunnen krijgen van de regering van Zuid-Afrika is niet gebleken.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale

overeenkomsten - slechts voor verblijf in Nederland in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

Gesteld noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend.

Ingevolge het door verweerder gevoerde beleid, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994, onder hoofdstuk B 1/3, kan aan de partner van een vreemdeling die op grond van artikel 9 of 10 van de Vw tot Nederland is

toegelaten, verblijf hier te lande worden toegestaan in het kader van een vaste relatie, danwel vanaf het achttiende levensjaar van beide partners, in het kader van een nieuwe relatie, indien:

a. er sprake is van een vaste relatie, hetgeen met name moet blijken uit het feit dat de partners feitelijk samenwonen, op hetzelfde adres in het bevolkingsregister zijn ingeschreven en een gemeenschappelijke huishouding voeren;

b. beide partners met gelegaliseerde officiële documenten aantonen ongehuwd te zijn. Een uitzondering is mogelijk indien vaststaat dat een van de partners door wettelijke beletselen waarop hij zelf geen invloed kan uitoefenen nog

niet

gescheiden is.

c. degene bij wie toelating wordt beoogd duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw, waaronder in casu wordt verstaan een netto-inkomen dat tenminste gelijk is aan het bestaansminimum in

de zin van de Algemene Bijstandswet, dat wil zeggen ten minste het netto normbedrag voor de desbetreffende categorie echtparen/gezinnen. Deze middelen worden als duurzaam beschouwd indien deze voor een periode van nog ten minste één

jaar beschikbaar zijn.

d. degene bij wie toelating wordt beoogd duurzaam beschikt over passende huisvesting.

e. degene wiens toelating het betreft geen gevaar vormt voor de openbare rust, de openbare orde of de nationale veiligheid.

De rechtbank acht het door verweerder gevoerde beleid, gegeven het restrictieve karakter van het toelatingsbeleid, niet onredelijk.

De rechtbank overweegt dat ten tijde van het bestreden besluit niet voldaan werd aan het criterium vernoemd onder c. Ten tijde van het bestreden besluit ontving eisers partner een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet (Abw),

hetgeen gelet op het bepaalde in B1/3.2.3.4 van de Vc niet wordt aangemerkt als voldoende middelen van bestaan in de hierbedoelde zin. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit in redelijkheid het

standpunt heeft kunnen innemen dat eiser geen aanspraak op verblijf in Nederland kan ontlenen aan het ter zake door verweerder gevoerde beleid. Het feit dat eisers partner nu wel beschikt over voldoende middelen van bestaan beschikt

doet daar niet aan af.

De rechtbank is voorts niet gebleken dat eiser op grond van enig andere

door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak kan maken op verlening van de verzochte vergunning tot verblijf. Van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat verweerder eiser in afwijking van het

gevoerde beleid om klemmende redenen van humanitaire aard verblijf hier te lande moet worden toegestaan, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Niet is gebleken dat eiser zodanig in de Nederlandse samenleving is geïntegreerd of zodanige banden heeft met Nederland dan wel dat hij de samenleving in zijn land van herkomst zodanig is ontwend, dat van hem in redelijkheid niet

verwacht kan worden dat hij teruggaat naar Zuid Afrika. Gelet op eisers leeftijd moet hij in staat worden geacht zich in Zuid-Afrika te kunnen handhaven. Bovendien is niet gebleken dat er gegronde vrees bestaat dat eiser bij zijn

terugkeer in Zuid-Afrika een bijzondere negatieve behandeling zal krijgen.

Voorzover eiser van mening is dat de weigering hem verblijf hier in Nederland verblijf toe te staan een schending oplevert in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de

fundamentele vrijheden (EVRM), overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel als vaststaand kan worden aangenomen dat er sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in genoemd artikel, is van inmenging in het recht op eerbiediging

daarvan geen sprake nu de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen die hem in staat stelde het gezinsleven in Nederland te beleven.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden welke van dien aard zijn dat zij een positieve verplichting opleveren eiser in staat te stellen zijn gezinsleven in Nederland te beleven. In dit verband

overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser op verblijf hier te lande is aangewezen. Het feit dat uit eisers relatie een kind is geboren kan niet tot het oordeel leiden dat er sprake is van een positieve

verplichting op grond waarvan eiser in staat moet worden gesteld het gezinsleven hier te lande uit te oefenen. Door een relatie aan te gaan waaruit een kind is geboren zonder dat er zekerheid bestond omtrent eisers toelating tot

Nederland heeft eiser het risico geaccepteerd dat hij wellicht op enig moment weer naar zijn land van herkomst terug zou moeten met achterlating van zijn partner en kind.

Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat er objectieve belemmeringen bestaan tegen het uitoefenen van het gezinsleven in Zuid-Afrika. Eiser is geboren en getogen in Zuid-Afrika en heeft daar het grootste deel van zijn leven gewoond.

Gelet op zijn leeftijd moet hij geacht worden zich in Zuid-Afrika staande te kunnen houden. Van eisers partner kan in redelijkheid worden gevergd dat zij eiser zal volgen naar Zuid-Afrika.

Ook van het kind kan, nu het nog te jong is om in de Nederlandse samenleving ingeburgerd te zijn, in redelijkheid worden gevergd dat het eiser naar Zuid-Afrika zal volgen. Dat het feit dat eiser een niet-huwelijkse relatie heeft met

zijn partner een belemmering zou vormen voor eisers partner om tot Zuid-Afrika te worden toegelaten is niet aannemelijk gemaakt. Voor zover het wel aannemelijk zou zijn vermag de rechtbank niet in te zien waarom eiser dan niet met

zijn partner zou trouwen, teneinde deze belemmering uit de weg te ruimen. Ook het feit dat eisers partner niet beschikt over een geldig paspoort, en zij op die grond niet tot Zuid-Afrika zou worden toegelaten leidt niet tot een

ander oordeel nu niet gebleken is dat het eisers partner onmogelijk zou zijn om een geldig paspoort van de Liberiaanse autoriteiten te verkrijgen.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat er geen objectieve belemmeringen zijn het gezinsleven in Liberia uit te oefenen nu het kabinet op 20 maart 1998 heeft ingestemd met beëindiging van het voorwaardelijke vergunning tot

verblijf-beleid voor Liberia.

Eiser heeft verder nog aangevoerd dat hij omtrent zijn bezwaar gehoord

had moeten worden, omdat het besluit in primo onbevoegd was genomen en dat verweerder derhalve ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 32, tweede lid, van de Vw. De rechtbank overweegt dat nu in het voorgaande reeds is

vastgesteld dat er geen sprake was van een onbevoegd genomen besluit, verweerder op goede gronden heeft overwogen dat, nu niet van uitzetting werd afgezien, met toepassing van artikel 32, tweede lid, van de Vw er geen verplichting

tot het doen horen van eiser bestond. Evenmin is gebleken dat op grond van de zorgvuldigheid of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur een verplichting tot horen bestond.

De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen. Het beroep moet derhalve voor ongegrond worden gehouden.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank echter niet gebleken.

Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING.

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.C.A.M. Claassens als rechter in tegenwoordigheid van mr. J.P.W. Manders als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 1999.

w.g. J.P.W. Manders w.g. J.C.A.M. Claassens

Afschrift verzonden op 26 oktober 1999.

KG