Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5491

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/401
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 98/401 VRWET H V35 CC

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen

A, en B, geboren op respectievelijk [...] 1970 en [...] 1970, verblijvende te C, eisers, gemachtigde mr P. Bouman, advocaat te Helmond,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser behoort tot de Servische bevolkingsgroep en eiseres behoort tot de Kroatische bevolkingsgroep. Eisers zijn vreemdeling in de zin van artikel 1 van de Vw.

Op 24 januari 1997 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Eiseres heeft op 14 april 1997 aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een

vergunning tot verblijf.

Naar aanleiding van voornoemde aanvragen is eiser op 24 januari 1997 nader gehoord.

Eiseres is naar aanleiding van haar aanvragen op 9 juni 1997 nader gehoord. Van de gelegenheid om correcties en aanvullingen op het rapport van nader gehoor in te dienen, hebben eisers geen gebruik gemaakt.

Bij besluit van 10 april 1997 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Diezelfde

datum heft verweerder eveneens afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf.

Het besluit is aan eiser per post toegezonden op 10 april 1997. Daarbij is eiser medegedeeld dat aan de hand van de inhoud van een eventueel bezwaarschrift zal worden beslist of hij de behandeling ervan in Nederland mag afwachten.

Bij besluit van 4 juli 1997 is de aanvraag om toelating als vluchteling van eiseres niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid, ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. Haar aanvraag om verlening van een

vergunning tot verblijf is op dezelfde datum evenmin ingewilligd.

Het besluit is op 4 juli 1997 per post toegezonden aan de gemachtigde van eiseres. Daarbij is eiseres medegedeeld dat aan de hand van de inhoud van een eventueel bezwaarschrift zal worden beslist of behandeling ervan in Nederland

afgewacht mag worden.

Op 2 mei 1997 is namens eiser, tegen het besluit van 10 april 1997, bezwaar aangetekend bij verweerder. De gronden van zijn bezwaarschrift dateren van 29 mei 1997. Bij bezwaarschrift van 28 juli 1997 heeft eiseres bezwaar gemaakt

tegen de beschikking van 4 juli 1997. Bij schrijven van 22 september 1997 zijn de gronden van haar bezwaar aangevuld.

Op voornoemde bezwaarschriften heeft verweerder niet tijdig een besluit genomen. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit is namens eisers op 9 januari 1998 beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 9 januari 1998 ter griffie

van de rechtbank ontvangen. Bij schrijven van 21 januari 1998 zijn de gronden van het beroepschrift nader aangevuld.

Op 18 mei 1998 zijn eisers gehoord door de ambtelijke commissie.

Bij besluit van 29 juli 1998 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eisers op 24 augustus 1998 beroep ingesteld.

Het beroepschrift is op 24 augustus 1998 ter griffie van de rechtbank ontvangen. Bij schrijven van 23 september 1998 zijn namens eisers de gronden van het beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 3 maart 1999, waar eisers zijn verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is ter zitting verschenen bij gemachtigde mr J. Visser, advocaat te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is aan de orde de vraag of de bestreden besluiten, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar van eisers, in rechte kunnen worden gehandhaafd.

Ten aanzien van het beroep van eisers voorzover dat betrekking heeft op de niet-inwilliging van hun aanvraag om toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen en bijbehorend Protocol van New York van 31 januari 1967 (verder te noemen: het Verdrag) geldt voor de toepassing van dit

verdrag als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de

nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Een soortgelijke omschrijving van het begrip "vluchteling" is opgenomen in artikel 15, eerste lid, van de Vw.

Ter ondersteuning van hun aanvragen hebben eisers, blijkens de rapporten van nader gehoor van 24 januari 1997 en 14 april 1997, onder meer het volgende verklaard.

Eiser behoort tot de Servische bevolkingsgroep. Eiseres, de echtgenote van eiser, behoort tot de Kroatische bevolkingsgroep. Eisers hebben hun land verlaten omdat zij problemen ondervonden vanwege hun gemengde huwelijk. Eisers waren

woonachtig in Knin, een Servische enclave op Kroatisch grondgebied. Het gemengde huwelijk van eisers zorgde voor problemen. Zij werden regelmatig geprovoceerd en uitgescholden. Op 4 augustus 1995 werd Knin door Kroatische troepen

aangevallen en ingenomen. Eisers zijn tezamen met hun kind en met de ouders van eiser gevlucht en zijn uiteindelijk nabij Vucitern, gelegen in Kosovo, in een vluchtelingenkamp voor Serviërs terechtgekomen. Tijdens hun verblijf

aldaar werd eiseres, door de andere vluchtelingen alsmede door de ouders van eiser, vernederd, mishandeld en gediscrimineerd vanwege haar Kroatische afkomst. Ook eiser is vanwege de afkomst van eiseres meerdere malen ontslagen,

vernederd en bedreigd. Nadat eisers door de ouders van eiser uit hun bungalow in het vluchtelingenkamp waren gezet, hebben eisers enige tijd bij een Albanees in zijn schuur verbleven. Eiser is op 20 januari 1997 naar Nederland

vertrokken.

Eiseres en haar kind hebben wegens geldgebrek nog enige tijd verbleven bij een nicht in Kroatië. Eind januari 1997 moest eiseres bij een controle haar identiteitsbewijs tonen. Toen de agenten zagen dat hierop "Servische Republiek

Krajina" vermeld stond, werd door een van hen haar identiteitsbewijs verscheurd en werd eiseres bedreigd en betast. Na deze gebeurtenis durfde eiseres het huis niet meer uit. Op 12 april 1997 heeft eiseres met haar kind het land

verlaten.

In beroep is gesteld dat eisers een gegronde vrees voor vervolging hebben in verband met het hun gemengde huwelijk. Daarbij wordt opgemerkt dat de UNHCR wellicht een kantoor heeft in Knin, hetgeen echter niet wil zeggen dat aan

eisers effectieve bescherming geboden kan worden, aangezien de discriminatie met name voortspruit uit de houding van de bevolking. Tevens is aan de zijde van de overheid sprake van bureaucratische etnische zuiveringen. Evenmin is

effectieve politiebescherming voorhanden. Mitsdien lopen eisers een reëel risico om

te worden onderworpen aan een behandeling waartegen artikel 3 EVRM waarborgen biedt.

Ter zitting is namens eisers tenslotte aangevoerd dat verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard in de rede ligt, aangezien van eisers dusdanige traumatische ervaringen hebben moeten

ondergaan dat van hen niet gevergd kan worden terug te keren naar hun land van herkomst.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat de politieke- en mensenrechtensituatie in Kroatië niet zodanig is, dat asielzoekers uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling moeten worden aangemerkt. Ook het enkele feit dat eiser

behoort tot de Servische bevolkingsgroep is onvoldoende voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Het beroep op het vluchtelingschap moet daarom worden beoordeeld aan de hand van eisers' persoonlijk betreffende feiten en

omstandigheden.

Dienaangaande merkt de rechtbank allereerst op dat het relaas van eisers consistent is en niet ongeloofwaardig voorkomt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in hetgeen eisers hebben verklaard onvoldoende aanknopingspunten

gevonden kunnen worden voor de veronderstelling dat eisers gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag en artikel 15 van de Vw.

Daartoe wordt allereerst overwogen dat de directe aanleiding voor het vertrek van eisers uit Knin de inval van de Kroatische troepen was in augustus 1995, hetgeen bezien moet worden in de algemene oorlogssituatie, aangezien zij naar

eigen zeggen tezamen met vele anderen de stad zijn ontvlucht. Uit eisers vluchtrelaas is derhalve niet gebleken dat zij persoonlijk in de negatieve belangstelling van de het Kroatische leger stonden. Daarbij wordt opgemerkt dat

eisers hebben verklaard geen lid of sympathisant te zijn geweest van een politieke partij of politieke beweging en nimmer actief te zijn geweest op politiek, godsdienstig of maatschappelijk gebied.

Voorts zijn de problemen die eisers hebben ondervonden vanwege hun gemengde huwelijk ontoereikend om vluchtelingschap aan te nemen. Wil discriminatie vanwege het gemengde huwelijk van eisers grond kunnen zijn voor toelating als

vluchteling dan dient er sprake te zijn van een systematische zeer ingrijpende bejegening van discriminatoire aard, die een ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert en waartegen de overheid geen bescherming kan of

wil bieden. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. In dit verband acht de rechtbank van belang dat de discriminatoire problemen die eisers hebben ondervonden in het vluchtelingenkamp in Kosovo met betrekking tot

de beoordeling van de asielaanvragen van eisers niet meegewogen kunnen worden. Een asielaanvraag wordt immers beoordeeld aan de hand van de situatie in het land van herkomst van de betrokken asielzoeker. Nu Kroatië in het

onderhavige geval dient te worden aangemerkt als het land van herkomst, is bij de beoordeling van het asielrelaas van eisers van belang datgene wat eisers in Kroatië hebben meegemaakt.

De problemen die eisers in Knin hebben ondervonden vanwege hun gemengde huwelijk zijn naar oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen eisers hieromtrent zelf hebben verklaard, van marginale aard en zijn voor eisers nimmer aanleiding

geweest ofwel om de bescherming van de autoriteiten in te roepen ofwel om dientengevolge Kroatië te verlaten.

Bovendien blijkt onder meer uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 december 1998 dat, hoewel er berichten zijn van discriminatie en een negatieve bejegening van de kant van de bevolking, de aard hiervan

niet zodanig is dat sprake is van een algemene bedreiging van de veiligheid van personen om het enkele feit dat zij gemengd gehuwd zijn.

De problemen die eiseres na het vertrek van eiser naar Nederland heeft ondervonden gedurende haar verblijf bij haar nicht in Kroatië kunnen evenmin leiden tot een ander oordeel. Het incident met de Kroatische politie is in dit

verband onvoldoende.

Gelet op al het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eisers op het vluchtelingschap niet kan slagen.

Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat zij gehoord hadden moeten worden door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACV) is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het voorgaande, eisers niet tot op zekere

hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in de zin van artikel 15 van de Vw.

Gelet hierop heeft verweerder terecht kunnen afzien eisers door de ACV te doen horen.

Ten aanzien van het beroep van eisers op verlening van een vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie

hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien zij een reëel risico

lopen bij terugkeer een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te ondergaan, of indien sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire

aard.

Gesteld, noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eisers hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Artikel 3 van het EVRM bepaalt dat niemand onderworpen mag worden aan foltering noch onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.

Hieruit volgt dat moet worden afgezien van verwijdering uit Nederland, indien iemand een verhoogd risico loopt bij uitzetting een behandeling te ondergaan als bedoeld in voormeld artikel. Verweerder voert het beleid dat in dat geval

in beginsel een vergunning tot verblijf wordt verleend.

Uit hetgeen ten aanzien van het beroep van eisers op het vluchtelingschap is overwogen vloeit evenwel mede voort dat eisers bij terugkeer naar hun land van herkomst geen reëel risico lopen onderworpen te worden aan folteringen of

aan onmenselijke behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Overige klemmende redenen van humanitaire aard, op grond waarvan verblijf van eisers in Nederland zou moeten worden toegestaan, zijn evenmin aannemelijk gemaakt. In dit verband wordt opgemerkt dat niet gebleken is dat de ervaringen

van eisers in Kroatië en Kosovo - hoe droevig ook - dermate traumatisch zijn geweest dat in redelijkheid niet van hen verwacht kan worden dat zij terugkeren naar dat land. Hierbij is in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat

eiser danwel eiseres onder enige vorm van (medische) behandeling staat, of een dergelijke behandeling behoeft.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het onderhavige beroep voor ongegrond moet worden gehouden.

Tot slot wordt opgemerkt dat de gemachtigde van eisers ter zitting het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, ingediend op 9 januari 1998, heeft ingetrokken en heeft verzocht om proceskostenveroordeling op basis

van artikel 8:75a Awb.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, is - voor zover hier van belang - de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de

rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 8:75a van de Awb kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener

bij afzonderlijk uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt tegelijk gedaan met de intrekking van het beroep.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de ingevolge artikel 7:10 van de Awb geldende termijn van zes weken heeft beslist op het bezwaar van eisers. Evenmin heeft verweerder gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de

hiervoor bedoelde termijn te verlengen. Van de zijde van verweerder zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die grond vormen voor overschrijding van de in artikel 7:10 van de Awb genoemde termijn.

Eisers hebben tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaar op 9 januari 1998 beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarop heeft verweerder, nadat eisers zijn gehoord door de ambtelijke commissie, alsnog beslist op het bezwaar

van eisers. Vervolgens is namens eisers ter zitting het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar ingetrokken.

Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 8:75a van de Awb. De omstandigheid dat het beroep van 29 augustus 1998

tegen het alsnog genomen reële besluit ongegrond wordt verklaard doet aan het voorgaande niet af. De door eisers gemaakte proceskosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage

begroot op in totaal f. 710,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

* waarde per punt f. 710,--

* wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb toe;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten vastgesteld op f. 710,-- te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gewezen door mr M.C. Franken in tegenwoordigheid van mr H.C.M.J. Kremers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 1999

Afschriften verzonden: 11 juni 1999

EL