Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5361

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/1678 VRWET H
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/1678 VRWET H

inzake: A, mede ten behoeve van haar minderjarige

dochter, wonende/verblijvende te B, eiseres,

gemachtigde: drs J.W. de Haan, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel 's-Hertogenbosch;

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr Y.H.M. Marijs, werkzaam bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Eiseres, geboren op [...] 1965, heeft de Bosnische nationaliteit.

Zij verblijft sedert 4 april 1997 in Nederland. Op diezelfde dag heeft zij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Deze

aanvragen zijn op 22 september 1997 niet ingewilligd. Bij die beschikking is haar een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend. Eiseres heeft op 17 oktober 1997 tegen de niet-inwilliging van deze aanvragen een

bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft op 8 december 1997 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Op 5 januari 1998 heeft eiseres tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van

het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 28 oktober 1999. Ter zitting hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Eiseres heeft aan haar aanvragen het volgende ten grondslag gelegd.

Eiseres is Moslim en afkomstig uit Bosanski Samac. Deze stad is op 17 april 1992 in handen gevallen van de Serviërs. Eiseres is toen met haar familie ondergedoken in de kelder van de buren. Zij heeft daar een aantal maanden

verbleven. Toen zij door de Serviërs werd ontdekt, werd zij met haar familie naar een dorp genaamd Zastavica gebracht. Daar werd zij, evenals andere moslimvrouwen, tewerkgesteld. Ze is door de Serviërs regelmatig geslagen en twee

maal verkracht. Vrouwen die weigerden, werden gedood. Ook na het Akkoord van Dayton bleven de Serviërs de moslims in

het dorp onderdrukken. Ze werden minder geslagen, maar moesten nog wel werken voor de Servirs. Pas in april 1997 is het eiseres duidelijk geworden dat zij vrij was om het dorp te verlaten. Eiseres is vervolgens met haar moeder en

haar dochter naar Nederland gevlucht.

Eiseres heeft voorts aangevoerd als gevolg van de traumatische ervaringen opgedaan in Bosnië tijdens de oorlog ernstige psychische problemen te ondervinden.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen objectieve aanknopingspunten te vinden zijn die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat in haar geval sprake is van gegronde vrees voor

vervolging. De door eiseres omschreven gebeurtenissen hebben alle plaatsgevonden tijdens de burgeroorlog in Bosnië. Niet aannemelijk is dat eiseres na het Akkoord van Dayton nog te vrezen had voor vervolging door de Servische

autoriteiten. Ook een beroep op het traumata-beleid heeft geen kans van slagen. De door eiseres ondergane traumatische ervaringen hebben immers voor haar geen aanleiding gevormd om spoedig het land te verlaten. Tenslotte komt

eiseres niet in aanmerking voor een vergunning tot verblijf voor medische behandeling nu zij pas in beroep een medisch stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij hier te lande onder medische behandeling staat.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.3 Sedert het Akkoord van Dayton van november 1995, dat op 14 december 1995 in Parijs is ondertekend, is een verandering in de situatie in Bosnië-Herzegovina tot stand gebracht, die niet zonder betekenis kan blijven voor de

beoordeling van de aanvraag van eiseres om toelating als vluchteling dan wel verlening van een vergunning tot verblijf. Het Akkoord van Dayton heeft in het algemeen tot gevolg dat er geen aanleiding meer is om aan te nemen dat

Bosniërs bij terugkeer naar hun land van herkomst nog te vrezen hebben voor vervolging in de zin van het Verdrag. Dit sluit overigens niet uit dat er ten aanzien van eiseres individuele omstandigheden zijn op grond waarvan anders

dient te worden beslist.

2.4 Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De omstandigheid dat eiseres, ten gevolge van de haar overkomen gebeurtenissen, ook enige tijd na het Akkoord van Dayton nog in een zodanige toestand van angst heeft

verkeerd dat zij nog geen gebruik heeft durven maken van de mogelijkheden om uit het Servische gebied weg te komen neemt niet weg dat met het akkoord van Dayton voor haar -objectief beschouwd- een mogelijkheid is ontstaan om uit

deze benarde situatie te geraken.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij in haar woonplaats, Bosanski Samac, nog steeds te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het verdrag, merkt de rechtbank op dat eiseres sedert het Akkoord van Dayton geacht kan

worden te beschikken over een binnenlands vluchtalternatief, te weten de gebieden in Bosnië-Herzegovina waar de etnische groep waartoe eiseres behoort, in de meerderheid is. Gelet op het vorenstaande is voorts niet aannemelijk

geworden dat ten aanzien van eiseres bij terugkeer naar Bosnië-Herzegowina een 'real risk' op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM bestaat.

2.5 Vervolgens is aan de orde of eiseres op grond van traumatische ervaringen in haar land van herkomst in aanmerking dient te komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het traumata-beleid. Eiseres heeft ter onderbouwing

van haar standpunt een verklaring van het RIAGG overgelegd waarin ten aanzien van eiseres wordt gesproken van een posttraumatische stress-stoornis (ptss). Verweerder heeft erop gewezen dat ingevolge het door hem gevoerde beleid een

causaal verband aanwezig dient te zijn tussen de ondergane traumatische ervaring van een asielzoeker en zijn vertrek uit het land van herkomst om in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf. Dit causale verband ontbreekt

indien de asielzoeker niet binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis zijn land heeft verlaten.

Verweerder stelt zich tegen deze achtergrond op het standpunt dat eiseres, ofschoon zij aan de overige voorwaarden voor toepassing van het traumata-beleid voldoet, niet in aanmerking komt voor een vergunning nu zij nog bijna twee

jaar na het accoord van Dayton in Bosnië is gebleven en de redenen die eiseres voor haar late vlucht heeft gegeven ontoereikend moeten worden geacht.

2.6 De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat de lengte van de periode tussen de gestelde ervaringen en het vertrek uit het land van herkomst onder omstandigheden een aanwijzing kan vormen dat een gebeurtenis niet als

traumatiserend is ervaren. Indien er evenwel andere omstandigheden zijn die het traumatiserende effect van die gebeurtenis aantonen of aannemelijk maken, acht de rechtbank de lengte van die periode onvoldoende om aan te nemen dat

geen sprake is van traumatiserende ervaringen.

In het onderhavige geval is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van zulke omstandigheden. De aard en de ernst van de traumatische gebeurtenissen, alsmede de betrekkelijk lange periode gedurende welke deze hebben

voortgeduurd, vormen, naar het oordeel van de rechtbank, een aannemelijke en begrijpelijke verklaring voor het feit dat eiseres niet de eerder de gelegenheid heeft aangegrepen om het land van herkomst te verlaten. Hierbij neemt de

rechtbank het geheel van dwang en drang dat eiseres gedurende de periode voorafgaand aan het akkoord van Dayton in elk geval heeft moeten ondergaan, mede in aanmerking. Bovendien acht de rechtbank, anders dan verweerder, het niet

onaannemelijk dat aan deze situatie niet direct na het Akkoord van Dayton een einde is gekomen.

Nu door verweerder overigens niet wordt ontkend dat eiseres voor het overige voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het traumata-beleid, moet gezien het vorenstaande worden geconcludeerd dat verweerder eiseres ten onrechte

een vergunning tot verblijf op grond van dit beleid heeft geweigerd. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking, nu dit in strijd is met het door verweerder gevoerde beleid.

2.7 Het beroep is mitsdien gegrond.

2.8 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De

kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op f 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.9 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad f 50,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van veertien weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van 17 oktober 1997, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f 50,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr A.H. Schotman, voorzitter, en mrs F.C. Bakker en C.E. Heijning-Huydecoper, leden van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van

mr M.P.H. van Wezel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 1999, in tegenwoordigheid van de griffier.

afschrift verzonden op: 9 december 1999

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.