Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4708

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/9516 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Tweede kamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: 98/9516 AW Inzake A te B, eiser,

tegen het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam , verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 13 november 1998, kenmerk sofinr: […].

2. Zitting.

Datum: 15 april 1999

Eiser is in persoon verschenen; Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. F. van Dam, werkzaam bij de afdeling Bezwaar en Beroep van USZO BV te Heerlen.

3. Feiten.

Eiser, die in het genot is van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en een invaliditeitspensioen ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP, is bij een automatisch aangemaakt en verzonden schrijven, datum postmerk, namens USZO BV van het navolgende in kennis gesteld:

"U ontvangt van ons een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Op uw uitkering wordt door ons onder andere de loonheffing ingehouden en afgedragen aan de Belastingdienst.

Naast de maandelijkse uitkering ontvangt u van ons ook incidentele betalingen. Zo heeft u in mei het vakantiegeld ontvangen. In juli hebben wij echter geconstateerd dat in 1998 over incidentele betalingen door ons niet de juiste (volledige) loonheffing is ingehouden.

Als dit niet wordt hersteld, zou u over 1998 te weinig loonheffing betalen en geconfronteerd worden met een naheffing van de Belastingdienst. Daarom hebben wij in augustus een herstelactie uitgevoerd. Bij deze actie zijn de betalingen aan u waarover niet de juiste loonheffing is ingehouden alsnog berekend en verwerkt tot een vordering. Het bedrag van deze vordering is bij uw eventuele andere vorderingen opgeteld. Het totaal staat op het betalingsoverzicht van augustus onder het kopje `Vorderingen'. Voor alle duidelijkheid, u ontvangt in augustus als gevolg van deze herstelactie geen lagere uitkering.

Over de verrekening van deze vordering met de uitkering die u maandelijks van ons ontvangt, zullen wij u in september verder informeren.".

Naar aanleiding van het aan het slot van dit schrijven bedoelde verrekeningsvoorstel, eveneens langs geautomatiseerde weg aangemaakt en verstuurd, heeft eiser d.d. 22 oktober 1998 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen het alsnog inhouden van een bedrag aan loonheffing niet-ontvankelijk verklaard.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

Verweerder heeft zijn besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het door eiser ingediende bezwaarschrift doen steunen op de navolgende overwegingen:

"Namens het Lisv en de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP is de uitvoeringsinstelling USZO op basis van de Wet op de loonbelasting 1964, het Uitvoeringsbesluit loonbelasting en premieheffing en de Algemene wet inzake Rijksbelastingen gehouden op uw uitkering loonheffing in te houden en af te dragen aan de fiscus. Naar het oordeel van het Lisv is de fiscus de bevoegde instantie die hierover besluiten in de zin van de Awb mag nemen. Zo bepaalt artikel 24 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, Stb. 1959, 301, bijvoorbeeld dat een bezwaar tegen het bedrag dat als belasting door de inhoudingsplichtige is ingehouden bij de inspecteur dient te worden ingediend.

In het licht hiervan is het Lisv van oordeel dat zij over het alsnog inhouden van loonheffing, loonbelasting, op uw samenstel van uitkeringen geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan nemen. Dit betekent dat u in uw bezwaar tegen de handeling van de USZO alsnog loonheffing in te houden niet kunt worden ontvangen en dat dit bezwaar dus niet ontvankelijk moet worden verklaard. Dit heeft tot gevolg dat het Lisv niet inhoudelijk op uw bezwaar kan ingaan.".

De rechtbank kan verweerder in de uit deze overwegingen blijkende opvatting niet volgen. Eiser heeft jegens verweerder en de Stichting Pensioenfonds ABP aanspraak op bruto uitkeringen. Op deze uitkeringen dienden in de hier van belang zijnde periode inhoudingen gepleegd te worden wegens verschuldigde premies en loonbelasting en werden eisers uitkeringen verhoogd met een overhevelingstoeslag. Wanneer in dit zogenaamde bruto-nettotraject fouten optreden leidt dit ertoe, dat teveel, dan wel te weinig aan uitkering wordt betaald. Door de kennelijk door USZO BV - namens verweerder en de Stichting Pensioenfonds ABP belast met de uitbetaling aan eiser van de hem toekomende uitkeringen en uit dien hoofde inhoudingsplichtige - gemaakte fout bij de inhouding van door eiser verschuldigde loonheffing, waardoor met te lage bedragen rekening gehouden is (overigens niet alleen bij incidentele betalingen, doch in elk van de eerste zeven maanden van het jaar 1998), is aan eiser in casu teveel aan uitkeringen ingevolge de WAO en het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP betaald. De hoogte van de teveel, en daarom onverschuldigd, aan eiser betaalde bedragen is uiteraard gelijk aan hetgeen door USZO BV te weinig aan loonheffing is ingehouden. Dat eiser terugvordering en verrekening van deze bedragen bestrijdt wil echter niet zeggen dat hij daarmee een bezwaar als bedoeld in het door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde artikel 24 van de Wet op de Rijksbelastingen heeft, of een dergelijk bezwaar beoogt te maken. Dat eiser bezwaar heeft tegen het bedrag aan loonheffing dat op zijn uitkeringen wordt ingehouden is door hem nimmer gesteld en ter zitting nog eens met zoveel woorden door hem ontkend. Evenmin is het zo, zoals door verweerders gemachtigde ter zitting is geopperd, dat het hier gaat om een door USZO BV in haar hoedanigheid van inhoudingsplichtige zelfstandig genomen besluit, dat uitsluitend ziet op de in te houden loonheffing. Het gaat hier om een namens verweerder genomen besluit inzake teveel aan eiser betaalde uitkeringen. Verweerders beslissing om tot terugvordering en verrekening van de in geschil zijnde bedragen over te gaan is derhalve, nu het hier de onverschuldigde betaling betreft van aan eiser toegekende uitkeringen, wel degelijk een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Althans, zo voegt de rechtbank hier meteen aan toe, voor zover het gaat om eisers uitkering ingevolge de WAO. Voorzover aan eiser teveel aan invaliditeitspensioen betaald is ontbreekt aan een eventueel besluit tot terugvordering en verrekening daarvan een publiekrechtelijke grondslag, zodat een dergelijk besluit géén besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Overigens is tot het nemen van een besluit inzake eisers invaliditeitspensioen niet verweerder, doch slechts de Stichting Pensioenfonds ABP bevoegd. Een door of namens die stichting genomen besluit ligt in deze procedure echter niet voor. Uit de vaststelling dat het door eiser in bezwaar bestreden besluit een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is volgt, dat eisers bezwaar bij het thans in beroep bestreden besluit ten onrechte op de daarin vermelde grond niet-ontvankelijk verklaard is. De rechtbank merkt vervolgens op, dat door de wijze, waarop het door eiser in bezwaar bestreden besluit tot stand gebracht en bekend gemaakt is, niet met zekerheid valt vast te stellen of eiser de termijn voor het maken van bezwaar in acht genomen heeft. Aangezien eiser hiervan op geen enkele wijze een verwijt gemaakt kan worden dient, zeker nu er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat bedoelde termijn overschreden is, van een tijdig gemaakt bezwaar uitgegaan te worden. Ook in een mogelijke, door de rechtbank ambtshalve vast te stellen termijnoverschrijding is dus geen grond gelegen het door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk te achten. Het vorenstaande kan tot geen andere conclusie leiden dan dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal zich alsnog over het door eiser gemaakte bezwaar moeten buigen en daarop een beslissing moeten nemen. Aangezien aan verweerder op het vlak van terugvordering en verrekening vergaande bevoegdheden toekomen kan de rechtbank zich in dit stadium niet uitlaten over de inhoud van de te nemen nieuwe beslissing. Aangezien de rechtbank niet is kunnen blijken van door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten acht zij geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en wordt beslist als volgt.

6. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond.

Vernietigt het bestreden besluit.

Gelast dat het Lisv als rechtspersoon aan eiser het door deze betaalde griffierecht ad ¦ 55 vergoedt.

7. Rechtsmiddel.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 1999, in tegenwoordigheid van de griffier S.J.P. Bakker.

Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden:

Coll. :