Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4612

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-1999
Datum publicatie
14-01-2005
Zaaknummer
AWB 99/564
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2002:AE9683
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Tweede, meervoudige kamer

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: AWB 99/564 MAWKMA

Inzake: A-B, wonende te C, eiseres,

tegen: de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

1. Bestreden besluit

Het besluit van verweerder, gedateerd 17 december 1998, kenmerk P.41707.

2. Zitting

De zaak is ter zitting behandeld op 29 september 1999.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr H.J.F. Wekking.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr W.E. Louwerse.

3. Feiten

Wijlen A, die tot zijn overlijden gehuwd was met eiseres, diende in de jaren 1970 - 1976 als machinist bij de Koninklijke Marine. Gedurende deze periode is A blootgesteld geweest aan asbest. In maart 1996 is bij A de diagnose mesothelioom gesteld. Op 10 juni 1996 is verweerder door A aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van zijn ziekte, welke aansprakelijkheid door verweerder is erkend. Op 16 december 1996 heeft verweerder als vergoeding van door A geleden immateriële schade een voorschot toegekend van fl. 50.000,00.

Op 13 februari 1997 is A op 43-jarige leeftijd aan de gevolgen van voornoemde ziekte overleden.

Bij besluit van 14 augustus 1998 heeft verweerder eiseres, erfgename van C, als vergoeding van de door A geleden immateriële schade een vergoeding toegekend van fl. 80.000,00. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 24 september 1998 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 oktober 1998 heeft verweerder genoemde vergoeding verhoogd tot een bedrag van fl. 90.000,00 en daarbij aangegeven voornoemd bezwaar mede gericht te beschouwen tegen dit laatste besluit.

Het bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond bevonden. Vervolgens is door eiseres tijdig beroep bij de rechtbank ingesteld. Verweerder heeft onder meer een verweerschrift ingediend.

4. Gronden

Tussen partijen is niet in geschil dat de op immateriële genoegdoening gerichte rechtspositionele regelingen niet toereikend kunnen worden geacht voor de werkelijk door A geleden immateriële schade. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij het door verweerder uit te keren bedrag aan immateriële schade is gehandhaafd op fl. 90.000,00, met inachtneming van de door eiseres aangevoerde bezwaren, in rechte stand kan houden. Eiseres acht een schadevergoeding van fl. 150.000,00 op haar plaats.

Op 16 september 1998 is tussen asbestslachtoffers, werknemers- en werkgeversorganisaties, verzekeraars en de overheid een onderhandelingsakkoord bereikt, dat is neergelegd in het Convenant Instituut Asbestslachtoffers (hierna: het Convenant). Beoogd is op korte termijn te komen tot de oprichting van een Instituut asbestslachtoffers.

Verweerder baseert de hoogte van de immateriële schadevergoeding op het bedrag dat in het Convenant wordt genoemd als vergoeding van die schade voor mesothelioom-patiënten. Omdat in het Convenant de maatschappelijke opvattingen over deze schade zijn neergelegd, ziet verweerder geen reden om van genoemd bedrag af te wijken. Ook niet indien bijzondere omstandigheden worden gesteld, zo werd namens verweerder ter zitting meegedeeld. Het Convenant kent de differentiatie naar leeftijd niet. De leeftijd van het slachtoffer ten tijde van de diagnose mesothelioom en van het overlijden kan dan ook geen rol spelen. Ook in recente uitspraken van de civiele rechter is het bedrag van

fl. 90.000,00 een billijke vergoeding voor deze schade geacht, aldus verweerder.

Eiseres meent dat het door verweerder aangeboden bedrag onvoldoende vergoeding is voor het psychische lijden van A gedurende de periode tussen de diagnose in maart 1996 en de datum van diens overlijden. Met name het feit dat hij zijn vrouw en jonge kinderen op zo'n jonge leeftijd moest achterlaten, heeft hem psychisch veel leed berokkend, aldus eiseres.

Namens eiseres is aangevoerd dat in civiele zaken door de rechter reeds meermalen een hoger bedrag is toegewezen. Daarbij werd wèl naar de omstandigheden van het geval gekeken, zoals de wetgever ook bedoeld heeft. Bovendien was ten tijde van de aansprakelijkstelling in juni 1996 nog geen sprake van een Convenant, laat staan van het Instituut asbestslachtoffers. De weg van acceptatie van het in het Convenant opgenomen bedrag aan immateriële schadevergoeding, ter voorkoming van een juridische lijdensweg, lag derhalve toen nog niet open voor C. Verweerder verschuilt zich achter het Convenant. Overigens laat het Convenant ruimte om van het bedrag van

fl. 90.000,00 af te wijken, zo meent eiseres.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot het vergoeden van additionele schade, buiten de rechtspositionele aanspraken die de ambtenaar had om, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.

Ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Partijen strijden uitsluitend over de hoogte van de additionele schade in immateriële zin. Aan de rechtbank is de vraag voorgelegd of het psychische leed dat A als mesothelioom-patiënt heeft ondergaan door verweerder adequaat is vergoed.

Dat de wetgever in laatstgenoemd artikel heeft bepaald dat de rechter het bedrag aan schadevergoeding naar billijkheid vaststelt, vindt met name zijn verklaring in het feit dat psychisch leed als door A is geleden niet of nauwelijks cijfermatig is te begroten. Dat verweerder heeft aangehaakt bij het Convenant is daarom op zichzelf niet onbegrijpelijk. Het geeft houvast, zeker waar het een min of meer forfaitair bedrag noemt ter vergoeding van immateriële schade die mesothelioom-patiënten lijden. Het bestreden besluit kan evenwel niet in stand blijven, om de volgende redenen.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in diens stelling dat hij geen onderzoek zou behoeven te doen naar of rekening zou moeten houden met door of namens een schadelijdende gestelde bijzondere omstandigheden van het geval - als bedoeld in de parlementaire geschiedenis van artikel 6:106 BW - zoals de aard en ernst van de ziekte (mesothelioom) en, hier een belangrijke factor, de leeftijd van het slachtoffer, gekoppeld aan diens normale levensverwachting. Weliswaar zijn bij de bepaling van het in het Convenant genoemde schadebedrag omstandigheden waaronder een mesothelioom-patiënt immateriële schade lijdt in het algemeen meegenomen, doch niet meer dan dat. Voorzover verweerder stelt dat het in het Convenant genoemde bedrag aansluit op de omstandigheden van ieder geval, kan hij derhalve niet worden gevolgd. Het Convenant is opgemaakt ten behoeve van die mesothelioom-patiënten, die zich op een zo kort mogelijke termijn willen verzekeren van een financiële tegemoetkoming ter vergoeding van hun immateriële schade, teneinde een juridische lijdensweg

- zoals dat in de preambule van het Convenant wordt genoemd - te bekorten.

De omstandigheid dat in het Convenant is voorzien dat door het Instituut in beginsel zal worden gestreefd naar een schikking tussen partijen op basis van een bedrag van fl. 90.000,00 aan immateriële schadevergoeding, betekent nog niet dat in alle gevallen een vergoeding van fl. 90.000,00 voldoende geacht kan worden. Ook voorziet het akkoord erin dat, indien een schikking niet tot stand komt, een geschil over de hoogte van de toe te kennen vergoeding aan de rechter kan worden voorgelegd.

Door zonder meer aan te haken bij het in het Convenant genoemde bedrag heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval. Waar verweerder ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst naar civielrechtelijke jurisprudentie wordt hij erop gewezen dat in die gevallen wel is getoetst of sprake was van bijzondere omstandigheden. Dat deze toetsing in voorkomende gevallen niet heeft geleid tot een hogere schadevergoeding dan fl. 90.000,00 doet aan het voorgaande niet af.

Daarnaast is van belang dat het Instituut asbestslachtoffers tot op heden niet operationeel is. Het heeft A dan ook nimmer vrijgestaan om gebruik te maken van de vlotte procedure die het Convenant in de toekomst in het vooruitzicht stelt. Hoewel gezegd moet worden dat verweerder er relatief gezien niet veel tijd voor heeft genomen om de door A in juni 1996 gestelde aansprakelijkheid te erkennen, heeft het tot 14 augustus 1998 - anderhalf jaar na het overleden van A - geduurd voordat verweerder het (primaire) besluit nam om eiseres een bedrag van fl. 80.000,00 toe te kennen. Derhalve kan niet worden gezegd dat A een juridische lijdensweg bespaard is gebleven of dat die is bekort.

Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit worden vernietigd, nu verweerder niet heeft voldaan aan de in artikel 3:46 Awb neergelegde verplichting dat een besluit op een deugdelijke motivering moet berusten. Van een situatie waarbij de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zouden kunnen blijven, is gelet op de aard van het motiveringsgebrek geen sprake. Het beroep wordt gegrond verklaard.

Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de rechtbank verweerder aangeeft dat de immateriële schade, gelet op de omstandigheden van het geval, naar billijkheid niet op een lager bedrag dan fl. 115.000,00 kan worden begroot.

Gezien de gegrondverklaring van het beroep zal verweerder het door eiseres betaalde griffierecht dienen te vergoeden. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze worden door de rechtbank, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op fl. 1.420,00, waarbij 1 punt wordt toegekend voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor voor de zaak van 1 (gemiddeld).

Beslist wordt als volgt.

5. Beslissing

De arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

Bepaalt dat het door eiseres betaalde griffierecht ad fl. 210,00 aan haar wordt vergoed;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ad fl. 1.420,00;

Wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) aan als de rechtspersoon die de in dit dictum genoemde kosten en recht aan eiseres dient te vergoeden.

6. Hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de datum van verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb.

Aldus gegeven door mrs H.A. van Eijk, A.A.M. Mollee en A.J. Vaandrager (militair lid) en in het openbaar uitgesproken op 2 november 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.