Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4284

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-11-1999
Datum publicatie
22-11-2001
Zaaknummer
99/00437 MAWKLA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Tweede kamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: 99/00437 MAWKLA

Inzake A, wonende te B, eiser,

tegen de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 18 december 1998, kenmerk JURA/98/40322.

2. Zitting.

Datum: 26 oktober 1999.

Eiser is in persoon verschenen, vergezeld door zijn moeder en bijgestaan door mr. J. Bredius, advocaat

te Zeist.

Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde, mevrouw mr. C.L. Kuipers.

3. Feiten.

Eiser is als korporaal bij de Koninklijke Landmacht op 19 april 1997 tijdens de terugreis van een

oefening in Polen een ernstig ongeval overkomen, dat door verweerder als dienstongeval is aangemerkt.

Eiser heeft bij brief van 21 juli 1997 aan verweerder verzocht om erkenning van aansprakelijkheid voor

de gevolgen van het hem overkomen ongeval, waardoor hij schade heeft geleden.

Bij besluit van 22 juli 1998 heeft verweerder geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor het eiser

overkomen ongeval.

Tegen dat besluit heeft eiser bij bezwaarschrift van 11 augustus 1998 bezwaar gemaakt.

Tijdens een op 5 oktober 1998 gehouden hoorzitting heeft eiser een toelichting op zijn bezwaren

gegeven.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder aan eiser medegedeeld na heroverweging van het

primaire besluit geen aanleiding te kunnen vinden voor herroeping van dat besluit.

Tegen dat besluit heeft eiser bij beroepschrift van 21 januari 1999 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede een verweerschrift,

gedateerd 15 april 1999.

Bij brief van 27 mei 1999 heeft eiser op het verweerschrift gereageerd.

Bij brief van 15 juni 1999 heeft verweerder een reactie daarop gegeven.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

De rechtbank staat in dit geding voor de vraag of het bestreden besluit, met inachtneming van de

daartegen ingebrachte bedenkingen, in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt de rechtbank als

volgt.

Uitgegaan wordt van de volgende toedracht van het ongeval.

Eisers eenheid, 13 Pantserluchtdoelartilleriebatterij, nam in april 1997 deel aan een grote legeroefening

"Rhino/Drawsko" in Polen. Op 19 april 1997 reisde de eenheid naar Nederland terug per trein,

bestaande uit een personenwagon en een aantal goederenwagons, waarop de pantserrupsvoertuigen

waren geplaatst. Op het emplacement van het station Güterglück (Kreis Zerbst, Sachsen Anhalt,

voormalig Oost-Duitsland) kreeg het transport omstreeks 14.30 uur oponthoud. Toen bleek dat dat een

half uur zou gaan duren, hebben de manschappen toestemming gevraagd om de benen te mogen

strekken. In overleg tussen de treincommandant en de "Zugchef" van de trein is deze toestemming

verleend, mits men aan de rechterzijde van de trein zou uitstappen en zich aldaar zou ophouden. Tijdens

het oponthoud stelde een van de aanwezige militairen voor om op een nabij gelegen veldje te gaan

voetballen. Eiser heeft daarop aangeboden een voetbal te gaan halen, die zich in een van de op de trein

geplaatste pantserrupsvoertuigen tegen luchtdoelen (verder ook: prtl) bevond.

Genoemde voertuigen waren alleen via de geschutskoepel aan de bovenzijde te bereiken, aangezien het

luik aan de voorzijde van binnenuit was vergrendeld. Bij het beklimmen van het pantserrupsvoertuig

heeft zich vanaf de bovenleiding een stroomstoot voorgedaan, waardoor eiser is getroffen. Hij heeft

daardoor ernstig letsel opgelopen: derde en vierde graad brandwonden aan de rechterzijde van zijn

gezicht en in de hals en aan zijn linker onderbeen. Doordat eiser vervolgens op de geschutskoepel is

gevallen, heeft hij kaakletsel opgelopen. In een later stadium is eisers linkervoet geamputeerd.

Bij besluit van 12 november 1997 is het eiser overkomen ongeval door verweer- der aangemerkt als

dienstongeval.

Eiser heeft in de bezwaarfase betoogd dat verweerder in twee hoedanigheden aansprakelijk is voor het

eiser overkomen ongeval, namelijk als werkgever en als vervoerder van personen.

Eiser meent dat ingevolge het op 1 april 1997 in werking getreden artikel 7:658 BW op verweerder een

schuldaansprakelijkheid rust en dat op verweerder de bewijslast rust dat hij in zijn zorgplicht jegens

eiser niet is tekortgeschoten. Verweerder is volgens eiser tekortgeschoten in deze zorgplicht doordat

tijdens de opleiding van eiser tot chauffeur pantserrupsvoertuig en tijdens de treinreis onvoldoende is

gewaarschuwd voor de gevaren van de bovenleiding, doordat eisers militaire meerderen hem niet

hebben verboden het op een goederen- wagon staande rupsvoertuig te beklimmen en zich van het gevaar

niet bewust waren.

Voorts is verweerder opgetreden als personenvervoerder, zodat hij ingevolge artikel 8:81 BW

aansprakelijk is voor letselschade die de reiziger is overkomen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 7:658 BW ingevolge het bepaalde in artikel

7:615 BW op militaire ambtenaren niet van toepassing is, aangezien Boek 7 BW, Titel 10 over de

arbeidsovereenkomst niet bij wet of verordening op dat personeel van toepassing is verklaard.

Voorts heeft verweerder gewezen op het feit dat hij voor het hier bedoelde transport een

vervoersovereenkomst heeft gesloten met de Poolse, Duitse en Nederlandse Spoorwegen.

Verweerder is van oordeel hij slechts aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van onrechtmatig

handelen zijnerzijds. Daarvan is in dit geval niet gebleken, aldus verweerder.

De rechtbank stelt vast dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in inmiddels vaste jurisprudentie ten

aanzien van schade die een ambtenaar heeft geleden op of na 1 januari 1993, in aansluiting bij het

civielrechtelijke schadevergoe- dingsrecht, de norm hanteert dat voor schadevergoeding alleen dan

aanleiding kan zijn indien de schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan.

In zijn uitspraak van 13 februari 1997, nr. 95/508 AW (TAR 1997, 59) heeft de CRvB voorts beslist dat

er in het aldaar berechte geval geen aanknopingspunten waren om tot een risico-aansprakelijkheid voor

de ambtelijke werkgever te concluderen.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het bepaalde in artikel 7:615 BW leidt tot niet-

toepasselijkheid van de door eiser aangevoerde civielrechtelijke fundering van zijn aansprakelijkstelling

van verweerder. Zij dient in het licht van de aangehaalde jurisprudentie van de CRvB slechts vast te

stellen of van onrechtmatig handelen van verweerder sprake is geweest waardoor hij voor de gevolgen

van het eiser overkomen ongeval aansprakelijk moet worden geacht.

Eiser heeft onder meer gesteld dat verweerder is tekort geschoten door tijdens eisers opleiding tot

chauffeur pantserrupsvoertuig onvoldoende te waarschuwen voor de gevaren van elektrische

bovenleidingen.

Verweerder heeft onder meer overgelegd een afschrift van een proces-verbaal van de Koninklijke

Marechaussee over de toedracht van het ongeval op 19 april 1997. Daarbij behoort een bijlage E,

instructiemateriaal voor de opleiding van tankchauffeurs en prtl-chauffeurs, bladzijden 21-1 tot en met

21-4. Eiser heeft desgevraagd ter zitting erkend dat hij bekend was met de daarin opgenomen

voorschriften en dat deze tijdens zijn opleiding zijn behandeld.

In onderdeel 2139 (Veiligheidsbepalingen) van genoemd instructiemateriaal komen onder meer de

volgende bepalingen voor:

"- Te vervoeren voertuigen dienen deugdelijk te worden afgesloten. Uitstekende delen

verwijderen c.q. inklappen, antennes (..) dienen voor aanvang van de belading uit en/of van de

voertuigen te zijn verwijderd."

alsmede:

"-Tijdens het rijden van de trein, in het bijzonder op geëlektrificeerde trajecten, is het absoluut

verboden om zich op of in rupsvoertuigen of in goederenwagens te bevinden."

en verder:

"- Indien tijdens de treinreis een correctie van of aan een op een spoorwagen geladen

rupsvoertuig moet worden uitgevoerd, dient dit onder het directe toezicht van de treincommandant te

geschieden. Alleen in geval van uiterste noodzaak mag het rupsvoertuig daarbij worden beklommen."

Hoewel deze bepalingen niet direct zien op de hier aan de orde zijnde situatie van oponthoud en

stilstand van een goederentrein met rupsvoertuigen, blijkt uit de gegeven citaten wel dat verweerder

tijdens de opleiding voldoende aandacht heeft besteed aan de gevaren van de elektrische bovenleiding

boven op een trein geladen rupsvoertuigen.

Voorts heeft verweerders gemachtigde ter zitting onweersproken gesteld dat ook bij het passeren van

een overweg voor de chauffeur van een rupsvoertuig het voorschrift geldt dat de antenne, die een lengte

van 6-7 meter heeft, moet zijn ingetrokken.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verweerder tijdens eisers opleiding tot

chauffeur pantserrupsvoertuig blijk heeft gegeven van de vereiste zorg voor zijn veiligheid door het

vaststellen en aanleren van veiligheidsvoorschriften betreffende de gevaren van een elektrische

bovenleiding.

Eiser heeft als chauffeur prtl kunnen en moeten beseffen dat hij onder alle omstandigheden verre diende

te blijven van de bovenleiding.

In onderdeel 2132 van genoemd instructiemateriaal komt voorts de volgende bepaling voor:

"De treincommandant is verantwoordelijk voor:

- De te nemen maatregelen m.b.t. veiligheid van materieel en personeel tijdens de reis;

- De handhaving van orde en tucht;

- (...)."

Hoewel dit onderdeel is geplaatst onder de kop "213. Taken en verantwoorde- lijkheden bij laden en

lossen", gaat de rechtbank er van uit dat het hier een verantwoordelijkheid van de treincommandant

tijdens de gehele reis betreft.

Onderzocht moet derhalve worden of de treincommandant van eisers transport, de eerste luitenant

X, is tekortgeschoten in zijn zorgplicht in die hoedanigheid.

Vaststaat op grond van de gedingstukken dat het militair personeel tijdens het oponthoud toestemming

heeft gekregen om de trein te verlaten om zich buiten te vertreden. Genoemde luitenant heeft, alvorens

die toestemming te verlenen, overleg gepleegd met de "Zugchef" van de trein, Y, die in

verbinding stond met de treindienstleiding. Uit de gedingstukken is niet duidelijk geworden welke

voorwaarden door genoemde spoorwegmedewerker zijn verbonden aan de toestemming de trein te

verlaten. Y heeft daarover twee tegenstrijdige verklaringen afgelegd: hij heeft verklaard

toestemming te hebben verleend, mits men aan de rechterzijde van de trein zou uitstappen en zich aan

die zijde zou ophouden (Ermittlungsbericht Revierkriminaldienst Zerbst van 21 april 1997, blz. 2),

terwijl daarnaast een verklaring voorligt, volgens welke uitgestapte militairen zich moesten ophouden

op een even buiten het spoorwegemplacement gelegen veldje (Stellungnahme, Deutsche Bahn AG,

ongedateerd).

Uit laatstgenoemde verklaring van Y blijkt verder dat het ongeval zich binnen een tijdsbestek van 3

minuten na het tot stilstand komen van de trein heeft voorgedaan: de trein stopt tegen 14.30 uur, waarna

tegen 14.33 uur van de machinist van een voorbijrijdende trein de mededeling wordt ontvangen dat hij

het ongeval heeft zien gebeuren.

Uit de gedingstukken blijkt voorts dat het militair personeel zich tijdens het vertreden heeft opgehouden

ter hoogte van de direct achter de locomotief geplaatste personenwagon, met uitzondering van eiser, die

alleen langs de trein naar achteren is gelopen om uit de geschutskoepel van het voorlaatste prtl de

voetbal van de batterij te halen. Niemand van de aanwezige militairen of van het Duitse treinpersoneel is

getuige geweest van het ongeval.

Vaststaat verder dat niemand van het militair personeel toestemming heeft gevraagd om te mogen

voetballen en dat eiser geen toestemming heeft gevraagd om de goederenwagon en het daarop staande

prtl te mogen beklimmen.

De eerste luitenant X heeft op de ongevalsdag tegenover de Duitse politie verklaard :

"Wieso und weshalb der Soldat zu dem Panzer gegangen ist, habe ich nicht mitbekommen. Im

nachhinein habe ich dann gehört, daß er einen Fußball holen wollte. Der Soldat hat sich bei keinem der

Kommandanten abgemeldet, daß er sich einen Fußball holen wollte. Es war niemandem bekannt. Er

hatte auch dazu keinen Auftrag bekommen."

(Ermittlungsbericht Revierkriminaldienst Zerbst van 21 april 1997)

Gebleken is verder dat ook tijdens de heenreis door het militair personeel is gevoetbald (de batterij

beschikte over een voetbal), zij het dat de op die reis dienstdoende treincommandant daarvoor een

veilige plaats, buiten het spoorwegemplacement waar geladen werd, heeft aangewezen.

Vastgesteld moet dus worden dat eiser zich spontaan heeft aangeboden om de voetbal te halen, toen hij

van een collega-militair hoorde waar hij deze kon vinden. Eiser heeft toestemming gevraagd noch

verkregen voor het beklimmen van de goederenwagon en het prtl. Hij heeft dus geheel op eigen gezag

en niet in de geest van de eerder aangehaalde veiligheidsvoorschriften gehandeld.

Onder deze omstandigheden moet, mede gelet op de zeer korte tijdsspanne van 3 minuten, waarin het

ongeval zich heeft voltrokken, worden vastgesteld dat de treincommandant niet is tekortgeschoten in de

ingevolge voorschrift 2132 op hem rustende plicht te zorgen voor de veiligheid van het personeel en

voor de handhaving van orde en tucht.

Het uit de gedingstukken blijkende feit dat vòòr of tijdens de terugreis door de treincommandant niet

opnieuw is gewaarschuwd voor de gevaren van de bovenleiding leidt de rechtbank niet tot een ander

oordeel. Vaststaat dat het transport in Polen met dieseltractie heeft gereden, waarna aan de Pools-Duitse

grens een Duitse elektrische locomotief is geplaatst. Aangezien de enige personenwagon voor de

manschappen zich direct achter de locomotief bevond, kan deze wisseling van locomotief eiser

nauwelijks zijn ontgaan.

De aanwezigheid van een elektrische bovenleiding boven een spoorlijn is voorts voor iedereen

waarneembaar.

Verweerder is op deze grond dus niet aansprakelijk voor de gevolgen van het aan eiser overkomen

ongeval.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt ook artikel 8:81 BW geen grond voor de aansprakelijkheid van

verweerder als vervoerder. Tussen eiser en verweerder is immers voor de terugreis van Polen naar

Nederland geen vervoersovereenkomst gesloten, maar eiser heeft van zijn militaire meerderen opdracht

ontvangen de terugreis samen met zijn prtl per trein te maken, terwijl andere deelnemers aan de oefening

na afloop per bus naar Nederland zijn vervoerd. De aanwezigheid van eiser op de plaats des onheils kan

dus niet worden geplaatst in het kader van een door eiser als reiziger met verweerder gesloten

vervoersovereenkomst.

Verweerder heeft dus op goede gronden in bezwaar na heroverweging geen aanleiding gezien zijn

weigering aansprakelijkheid te aanvaarden voor de gevolgen van het eiser overkomen ongeval te

herroepen.

Al hetgeen overigens nog door eiser is aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt leidt de

rechtbank niet tot een ander oordeel.

Aangezien het bestreden besluit voorts niet in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel of enig

algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, komt het niet voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door

de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

7. Rechtsmiddel.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het

bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij

de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op

8 november 1999, in tegenwoordigheid van H. Pop als griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden:

Coll. :