Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA3869

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/10386 99/10388, 99/10399, 99/10408, 99/10690
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2000, p. 332
Module Ruimtelijke ordening 1999/3369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:87, tevens uitspraak ingevolge

artikel 8:84, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nrs.: 99/10386, 99/10388, 99/10399, 99/10408 en 99/10690

Inzake 1. de verzoeken om opheffing, ingediend door:

- Fortis Investments Ontwikkeling B.V., gevestigd te Utrecht,

Ontwikkelingsmaatschappij Beagle Vastgoed VI B.V., gevestigd te Rotterdam,

HBG Woningbouw Regio West B.V., gevestigd te Rijswijk,

Bouwfonds Woningbouw B.V., gevestigd te Delft,

Hopman Projectrealisatie B.V., gevestigd te Zoetermeer,

Eurowoningen Groep B.V., gevestigd te Rotterdam, verzoeksters 1,

- het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verzoeker 2;

- de Christelijke woningstichting Zoetermeer, verzoekster 3.

Derde-partijen:

- [A/A Milieu Projecten B.V.];

- [B];

- het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

2. de verzoeken om een voorlopige voorziening, ingediend door:

-.[A/A Milieu Projecten B.V.], verzoekers 4;

- [B], verzoeker 5,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder.

Derde-partijen:

Fortis Investments Ontwikkeling B.V. e.a., vergunninghouders;

de Christelijke woningstichting Zoetermeer, vergunninghoudster;

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

1. Verzoeken om opheffing voorlopige voorziening.

Verzocht is om opheffing van de bij uitspraak van 1 oktober 1999, reg. nrs. 99/07762 en 99/07768, door de fungerend president van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening, inhoudende schorsing van de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer van 13 juli 1999 tot en met zes weken na datum van verzending van de beslissing op de daartegen ingediende bezwaarschriften.

2. Gevraagde voorlopige voorziening.

Voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb is verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 9 november 1999, waarbij de tegen de besluiten van 13 juli 1999 ingediende bezwaren ongegrond zijn verklaard en de bestreden besluiten zijn gehandhaafd.

3. Zitting.

De verzoeken om opheffing respectievelijk voorlopige voorziening zijn behandeld ter zitting van 9 december 1999.

Fortis Investments Ontwikkeling B.V. e.a. hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Mentink, advocaat te Rotterdam.

Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. J.H. Meijer, advocaat te Den Haag. Verder heeft verweerder zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mw. drs. G.M. Smid, wethouder van de gemeente Zoetermeer, mr. J. v.d. Bergh en ir. A.H.H. Schenk, ambtenaren bij de gemeente Zoetermeer.

De Christelijke Woningstichting Zoetermeer heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.J.W. Hoek, advocaat te Alphen a/d Rijn.

[A/A Milieu Projecten B.V.] hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag.

[B] heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. L.J. van Pelt, werkzaam bij WLTO-advies.

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door S. de Smidt, als ambtenaar werkzaam bij de afdeling Ruimtelijk Beheer van de provincie.

4. Feiten.

De onderhavige bouwplannen voorzien in de bouw van in totaal 1064 woningen op de percelen plaatselijk bekend Oosterheem (project Oosterheem, deelplan 1, eerste jaarschijf). De plannen maken deel uit van een groter bouwproject. In totaal zullen er, met een doorlopende bouwstroom 8500 woningen worden gerealiseerd.

De bouwplannen zijn in strijd met het bestemmingsplan "Groot Zoetermeer".

Ten einde de onderhavige bouwplannen te realiseren heeft de raad van de gemeente Zoetermeer bij besluit van 19 juni 1998, in werking getreden op 15 juli 1998, verklaard dat een herziening van het vigerende bestemmingsplan wordt voorbereid. Bij besluit van 28 juni 1999, in werking getreden op 15 juli 1999, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: verweerder) voor de betreffende percelen opnieuw een voorbereidingsbesluit genomen.

Conform het bepaalde in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) heeft verweerder op 12 maart 1999 de verzoeken om vrijstelling ex artikel 19 WRO ter kennis van de gemeenteraad gebracht. De gemeenteraad heeft de beslissing op dit verzoek niet aan zich getrokken.

De door (onder anderen) verzoekers ingediende bedenkingen tegen het voornemen vrijstellingen ex artikel 19 WRO te verlenen zijn door verweerder op 18 mei 1999 ongegrond verklaard. Bij besluiten van 6 juli 1999 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (hierna: GS), onder instemming van de weerlegging van de ingediende bedenkingen door verweerder, de verklaringen van geen bezwaar ex artikel 19 WRO en artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet afgegeven.

Verweerder heeft bij besluiten van 13 juli 1999, met gebruikmaking van de door GS bij besluiten van 6 juli 1999 afgegeven verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 WRO en artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet (WoW), vrijstelling en bouwvergunningen verleend voor de bouw van de 1064 woningen.

Tegen deze besluiten hebben [A/A Milieu Projecten B.V.] en [B] bij brieven van 22 juli 1999 en 19 augustus 1999 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 1 oktober 1999 heeft de president de besluiten van 13 juli 1999 geschorst tot en met zes weken na datum van verzending van de beslissing op de daartegen ingediende bezwaarschriften.

Op 9 november 1999 - verzonden op 10 november 1999 - heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten in primo gehandhaafd.

De in de aanhef genoemde verzoekers 1, 2 en 3 hebben bij brieven van 15 en 16 november 1999 de president verzocht de bij uitspraak van 1 oktober 1999 opgelegde schorsing op te heffen.

Verzoekers 4. en 5. hebben tegen het besluit van 9 november 1999 tijdig beroep ingesteld. Bij brieven van 16 en 24 november 1999 hebben zij de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

5. Beoordeling van de verzoeken.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:87 van de Awb kan de president, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

Voor de inwilliging van een verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening bestaat slechts aanleiding indien er sprake is van hetzij omstandigheden die ten tijde van het opleggen van de voorlopige voorziening niet bekend waren en die, indien zij wel bekend waren geweest, ertoe zouden hebben geleid, dat de gevraagde voorlopige voorziening zou zijn afgewezen, hetzij inmiddels gewijzigde omstandigheden waaraan overwegende betekenis moet worden toegekend boven het met het voortduren van de voorlopige voorziening te dienen belang.

Voor de toepassing van beide artikelen geldt dat, voor zover de toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de beslissing in die procedure.

De president overweegt het volgende.

Voor zover de verzoeken om een voorlopige voorziening zien op de vraag of het volgen van de anticipatieprocedure, gelet op de ingrijpendheid van de bouwplannen, de urgentie en de planologische onderbouwing daarvan is gerechtvaardigd, verwijst de president naar de uitspraak van de president van 1 oktober 1999. Naar haar oordeel zijn in de onderhavige procedure geen nieuwe feiten en/of omstandigheden aangedragen die haar ter zake tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

De president ziet zich thans - ambtshalve - gesteld voor de vraag of verweerders beslissing op bezwaar, voor zover die de MER-procedure betreft, in de bodemprocedure stand zal kunnen houden. Zij overweegt daartoe het volgende.

In artikel 2, eerste lid, van de EG-richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, is bepaald dat de Lidstaten de nodige maatregelen treffen om te verzekeren dat, voordat een vergunning wordt verleend, de projecten die een aanzienlijk milieu-effect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten. In artikel 1, tweede lid, van deze richtlijn wordt het begrip vergunning omschre-ven als "het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren".

Krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wmb) zijn bij het Besluit Milieu-effectrap-portage 1994 (hierna: het Besluit MER) de activiteiten aangewezen die belangrij-ke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.

Bij het Besluit MER zijn tevens besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Ingevolge artikel 7.27, eerste lid, van de Wmb neemt het bevoegd gezag een besluit bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, niet dan nadat toepassing is gegeven aan artikel 7.12 tot en met 7.26.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit MER juncto categorie 11 in onderdeel C van de bijlage behorend bij het Besluit MER, is voor de onderhavige activiteit een MER verplicht. Als MER-plichtig besluit is aangewezen de vaststelling van een ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke bouw voorziet. Dit ruimtelijk plan kan volgens de begripsbepalingen in bijlage A bij het Besluit MER onder meer zijn een streekplan, een bestemmingsplan, maar ook een vrijstelling ex artikel 19 WRO.

De PKB VINEX noch het (herziene) Streekplan Zuid-Holland West is "bemerd".

Ter zitting is door de gemachtigde van GS medegedeeld dat in het kader van de PKB geen locatiekeuze-MER-procedure is gerealiseerd, omdat men zich op het standpunt stelde dat er geen keuze in locaties meer was. Om diezelfde reden hebben GS afgezien van een locatie-MER en hebben zij de MER-procedure "doorgeschoven" naar de gemeente teneinde deze in het kader van de bestemmingsplanprocedure in de vorm van een inrichtings-MER te realiseren.

Verweerder heeft zich op de zittingen van 23 september en 9 december 1999 op het standpunt gesteld dat het besluit, waarop de MER-plicht van toepassing is, het vrijstellingsbesluit van 26 september 1996 ter zake van het bouwrijp maken van de bouwlocatie Overheem was. Dat ten tijde van dat besluit is verzuimd een MER-procedure te volgen leidt er volgens verweerder niet toe dat vervolgens de vrijstellingsbesluiten van 13 juli 1999 ten behoeve van de onderhavige bouwplannen MER-plichtig zouden zijn.

De gemachtigde van GS heeft ter zitting medegedeeld dat achteraf is geconstateerd dat zowel GS als de Inspecteur Ruimtelijke Ordening ten tijde van de vrijstellingsprocedure in 1996 hebben verzuimd te onderkennen, dat in die procedure, die heeft geresulteerd in het eerdergenoemde vrijstellingsbesluit van 26 september 1996, ten onrechte niet de MER-procedure is doorlopen.

De president overweegt dat er - bij interpretatie van de regelgeving - verschillend kan worden gedacht over de vraag of het vrijstellingsbesluit van 26 september 1996, of de onderhavige - op het op het bestemmingsplan vooruitlopende - vrijstellingsbesluiten van 13 juli 1999 MER-plichtig geacht moet(en) worden. Hierbij dient aangetekend te worden dat alsdan niet volstaan kan worden met een inrichtings-MER. Het lijkt aangewezen dat een meervoudige kamer van deze rechtbank die vraag in de bodemprocedure zal beoordelen. Naar het oordeel van de president kan beantwoording van deze vraag in deze procedure in het midden worden gelaten en wel op grond van de volgende overwegingen.

Indien ervan uitgegaan dient te worden dat de besluiten van 13 juli 1999 als de MER-plichtige besluiten hebben te gelden, dan leidt dit tot de conclusie dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:27, eerste lid, Wmb door die besluiten te nemen zonder eerst de in artikel 7.12 tot en met 7.26 van de Wmb neergelegde procedure te hebben afgerond. Dit leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in beroep geen stand zal kunnen houden.

Indien het vrijstellingsbesluit van 26 september 1996 aangemerkt dient te worden als het MER-plichtige besluit, dan kan naar het oordeel van de president niet staande worden gehouden dat, nu de MER-procedure destijds niet is gevolgd en genoemd besluit inmiddels onherroepelijk is geworden, verweerder van het volgen van de MER-procedure ontslagen moet worden geacht. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Uit de brief van GS van 4 mei 1999 blijkt dat door GS van belang werd geacht dat voor het kunnen anticiperen op basis van de specifieke verklaring van geen bezwaar de procedure als bedoeld in de artikelen 7.12 tot en met 7.26 van de Wmb moest zijn afgerond, hetgeen inhield dat het MER ter inzage moest hebben gelegen en er een positief toetsingsadvies van de Commissie MER moest zijn ontvangen. Indien verweerder om hem moverende redenen voor een andere benadering of planconstructie mocht opteren, dan achtten GS, met het oog op mogelijke vervolgprocedures bij de rechtbank, nader overleg op bestuurlijk niveau de aangewezen weg.

In de beslissing op bezwaar van 9 november 1999 heeft verweerder overwogen dat op 10 mei 1999 tussen zijn college en GS bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden. Blijkens het besluit zouden GS na het ambtelijk overleg hebben besloten de gevraagde verklaringen van geen bezwaar toch te verlenen ook al bestaat bij GS twijfel over de vraag of ten aanzien van de bestreden besluiten de MER-procedure diende te zijn afgerond, alvorens de vrijstellingsbesluiten genomen kunnen worden. GS hebben de verklaringen toch afgegeven, gelet op het grote maatschappelijke belang van de bouwplannen, de urgentie daarvan, het feit dat de ingebrachte bedenkingen geen relatie hadden met het MER, het feit dat al eerder een specifieke verklaring van geen bezwaar voor het hele plangebied was verleend en het gegeven dat de concept-MER op 28 juni 1999 door de gemeenteraad aanvaardbaar is verklaard.

GS hebben verweerder nog wel gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of, gelet op voorgaand risico, al dan niet van de verleende verklaringen gebruik zou worden gemaakt. Blijkens de beslissing op bezwaar zouden GS hebben laten weten dat hetgeen omtrent het voorgaande in de beslissing is neergelegd een juiste weergave is van hun standpunt en overwegingen.

Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar overwogen dat de besluiten van 13 juli 1999 niet MER-plichtig zijn op grond van het Besluit MER en dat er voldoende zwaarwegende redenen zijn om met de bouwplannen vooruit te lopen op de in voorbereiding zijnde inrichtings-MER. Die redenen sluiten aan bij de redenen die GS hebben genoemd. Bovendien wordt aangevoerd dat het concept MER op het Masterplan is afgestemd en dat bij de bestreden besluiten de concept-MER in de beoordeling is meegenomen, omdat de besluiten zijn onderworpen aan de milieutoets.

Zoals ook in de uitspraak van 1 oktober 1999 is overwogen kan aan het niet voltooid zijn van de MER-procedure niet licht voorbij worden gegaan. Hierbij is van belang dat de omstandigheid dat aan het - volgens verweerder - MER-plichtige besluit van 26 september 1996 geheel geen MER-procedure ter zake van de locatiekeuze vooraf is gegaan. Er voorlopig van uitgaande dat een herstel van dit aan het besluit van 26 september 1996 klevende gebrek thans niet meer aan de orde kan zijn, dient één en ander wel gevolgen te hebben voor de milieu-waarborgen waarmee de inrichting van de gekozen locatie wordt omgeven. Aan een motivering voor het niet afwachten van de afronding van de in gang gezette MER-procedure op inrichtingsniveau moeten dan ook mede hierom hoge eisen worden gesteld.

De president is van oordeel dat de thans in de beslissing op bezwaar gegeven motivering voor het niet afwachten van de afronding van de MER-procedure niet aan de gestelde hoge eisen voldoet.

Uit hetgeen de gemachtigde van GS ter zitting - desgevraagd - heeft verklaard is gebleken dat er tussen de ambtelijke en de bestuurlijke top van de Provincie verschil van inzicht bestond over de vraag of in het kader van de in de anticipatieprocedure af te wegen belangen de MER-procedure geheel moet zijn afgerond. De in het gesprek op 10 mei 1999 van de zijde van GS aangedragen belangen hebben de bestuurlijke top uiteindelijk doen beslissen de door verweerder gevraagde verklaringen van geen bezwaar af te geven.

De president is van oordeel dat de door GS aangedragen en door verweerder in de beslissing op bezwaar genoemde belangen in het kader van de in de anticipatieprocedure te maken belangenafweging op voorhand niet zwaarder mogen wegen dan het algemeen belang, i.e. het milieu, dat het Besluit MER via een met waarborgen omklede procedure beoogt te beschermen.

Zij is derhalve van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten de bouwvergunningen te verlenen alvorens de MER-procedure te hebben afgerond, zoals deze aanvankelijk door GS in de brief van 4 mei 1999 is geschetst.

Het voorgaande leidt de president tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat de opheffingsverzoeken in te willigen.

Gelet op het hiervoor overwogene ziet de president wel aanleiding om de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Awb in te willigen en verweerders besluit van 9 november 1999 met ingang van 23 december 1999 te schorsen.

De president ziet tevens aanleiding verweerder op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de door verzoekers 4 en 5 in verband met de behandeling van hun verzoeken gemaakte proceskosten. Het bedrag van de kosten wordt voor zowel verzoekers 4. als verzoeker 5. vastgesteld op f 1.420,-, waarbij 1 punt is toegekend voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1, f 710,- per punt, in totaal f 1.420,-).

6. Beslissing.

De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe in dier voege dat het besluit van verweerder van 9 november 1999 met ingang van 23 december 1999 wordt geschorst;

Veroordeelt verweerder in de kosten ad f. 2.840,- (f. 1.420,- ten behoeve van verzoekers 4. en f 1.420,- ten behoeve van verzoeker 5.), onder aanwijzing van de gemeente Zoetermeer als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers dient te vergoeden;

Gelast dat de gemeente Zoetermeer als rechtspersoon aan verzoekers 4. en 5. het door dezen betaalde griffierecht, zijnde f. 450,- ten behoeve van verzoekers 4. en f 225,- ten behoeve van verzoeker 5, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.A. Kalk, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 1999, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,