Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA3745

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-1999
Datum publicatie
09-07-1999
Zaaknummer
AWB 99/419 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/234 met annotatie van R.J.N. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Tweede kamer, meervoudig

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: AWB 99/419 BESLU

Inzake Phobutech-Vak B.V., gevestigd te Den Haag, eiseres,

tegen

de raad van de gemeente Den Haag, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 26 november 1998, nr. 281, bekendgemaakt bij brief van 8 december 1998, kenmerk 2.97.0191.001.

2. Zitting.

Datum: 15 juni 1999.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar directeur, H. Jautze, bijgestaan door haar raadsman, mr. R.F.J. Tophoven, advocaat te Woerden.

Verweerder is vertegenwoordigd door raadslid B. Veenkamp, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D.J.M. Elshof, werkzaam bij de Gemeentelijke Kredietbank.

3. Feiten.

Eiseres exploiteert een professioneel fotolaboratorium waar alle voorkomende werkzaamheden ten behoeve van vakfotografie kunnen worden verricht, zowel fotografisch-chemisch als digitaal-elektronisch.

Bij brief van 12 februari 1996 is namens het Ingenieursbureau van de Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag aan onder meer het bedrijf van eiseres (hierna aan te duiden als: Phobutech) medegedeeld dat naar verwachting in de eerste helft van 1996 met de bouw van de Koningstunnel wordt gestart, dat daarbij onder andere stalen damwanden en funderingspalen in de grond worden aangebracht en dat tijdens die werkzaamheden in de omliggende gebouwen voelbaar trillingen zullen optreden. Verzocht wordt een opgave te verstrekken van de in de gebouwen van de betrokken bedrijven aanwezige trillingsgevoelige apparatuur.

Bij brief van 21 februari 1996 heeft de directeur van eiseres, de heer Jautze, aan de Dienst Stadsbeheer medegedeeld dat de apparatuur waarmee Phobutech werkt tegen een trilling kan, doch dat tijdens het vervaardigen van haar producten beslist geen trillingen mogen optreden. De heer Jautze wijst er op dat, aangezien de bouwwerkzaamheden van de Koningstunnel een aantal maanden gaan duren, Phobutech gedurende die tijd geen producten kan vervaardigen, hetgeen zal leiden tot omzet- en klantenverlies waarvoor de gemeente Den Haag voor 100% aansprakelijk zal worden gesteld.

Omtrent de met de aanleg van de Koningstunnel verband houdende werkzaamheden en mogelijke gevolgen hiervan voor Phobutech heeft op 7 maart 1996 een (eerste) bespreking plaatsgevonden tussen de heer Jautze en een tweetal medewerkers van de Dienst Stadsbeheer, de heren Van Eig (projectleider van de Koningstunnel) en Snel (constructeur).

In opdracht van de heer Jautze heeft accountantskantoor Arenthals Chaudron een begroting opgemaakt van de te verwachten schade uit boorwerkzaamheden in verband met de aanleg van de Koningstunnel. Dit accountantskantoor heeft de gevraagde begroting, waarbij de totaal te verwachten schade is begroot op Fl. 289.000,-, op 10 april 1996 aan de heer Jautze toegezonden.

In opdracht van de Dienst Stadsbeheer heeft ingenieursbureau DGMR Raadgevende Ingenieurs B.V. (hierna: DGMR) een tweetal rapporten uitgebracht, gedateerd 4 en 10 april 1996. Deze rapporten, die op 23 april 1996 zijn toegezonden aan de Dienst Stadsbeheer, betreffen respectievelijk de trillingsmetingen bij Phobutech ter bepaling van het achtergrondtrillingsniveau en de prognose van de toelaatbare trillingsniveaus bij Phobutech-Vak tijdens het zogenoemde intrillen van damwanden. In laatstbedoeld rapport wordt geconcludeerd dat op een afstand groter dan 129 meter van het gebouw van Phobutech geen trillingshinder optreedt en dat in het gebied tussen 35 en 129 meter beperkte trillingshinder optreedt. Tevens wordt in dit rapport een aantal maatregelen aanbevolen om de gevolgen van trillingshinder zo veel mogelijk te beperken.

Ingenieursbureau Van Dorsser Raadgevende Ingenieurs B.V. heeft op verzoek van eiseresses raadsman bij brief van 18 juli 1996 gereageerd op de rapporten van DGMR.

Op 19 augustus 1996 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Phobutech en de Dienst Stadsbeheer, waarbij onder meer is afgesproken dat de heer Jautze de gemeente Den Haag een notitie toezendt die inzicht geeft in de bedrijfsvoering van Phobutech. Bij brief van 23 augustus 1996 heeft eiseresses raadsman deze notitie, alsmede de leveranciersinformatie betreffende de apparatuur waarmee Phobutech werkt, aan verweerder toegezonden. Daarbij heeft eiseresses raadsman tevens een nieuwe schade-opstelling meegezonden, waarbij de schade is begroot op respectievelijk Fl. 12.500,- (eenmalig) en Fl. 48.500,- (per maand).

Nadat op 26 september 1996 wederom een bespreking had plaatsgevonden tussen Phobutech en de Dienst Stadsbeheer, heeft eiseresses raadsman de gemeente bij brief van 2 oktober 1996 verzocht eiseres overeenkomstig de Verordening nadeelcompensatie Souterrain Grote Marktstraat/Kalvermarkt (hierna: de Verordening) nadeelcompensatie toe te kennen, zowel voor de door haar reeds geleden schade (in verband met de treffen maatregelen om de schade zoveel mogelijk te beperken), als voor de door haar nog te lijden schade als gevolg van trillingswerkzaamheden. Hierbij is verwezen naar de bij de brief van 23 augustus 1996 gevoegde schade-opstelling.

Vervolgens heeft de Dienst Stadsbeheer begin december 1996 een actieplan opgesteld, waarin is beschreven op welke wijze de gemeente, de aannemer en Phobutech het beste kunnen samenwerken om de kans op schade uit te sluiten dan wel te beperken. Dit actieplan, dat op 4 december 1996 met de heer Jautze en zijn raadsman is besproken, is alleen van de zijde van de gemeente voor akkoord getekend.

Op 12 december 1996 is begonnen met het zogenoemde intrillen van de damwanden van de Koningstunnel. Vanaf 31 januari 1997 zijn deze werkzaamheden verricht op de plaats waar de afstand tot het pand van Phobutech het kleinst is. Op 23 juni 1997 zijn de trillingswerkzaamheden beëindigd.

Vanaf het moment dat met de trillingswerkzaamheden werd begonnen, hebben partijen gecorrespondeerd over de voortgang van de werkzaamheden en over de omvang van de door eiseres gestelde schade.

Op verzoek van verweerder heeft het Nederlands Expertise Bureau op 18 februari 1997 advies uitgebracht omtrent het verzoek om nadeelcompensatie van 2 oktober 1996. Dit advies luidt als volgt:

"Behoudens eventueel de kosten verbonden aan de genomen voorzorgsmaatregelen, bestaande uit het aanbrengen van rubberen veer-elementen, is er naar ons oordeel geen reden om over te gaan tot het compenseren van het door aanvrager gestelde financiële nadeel."

Bij brief van 24 april 1997 is namens eiseres bezwaar aangetekend tegen de (fictieve) weigering een besluit te nemen op het verzoek van 2 oktober 1996. In verband hiermee is bij brief van gelijke datum tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de president van deze rechtbank. Dit verzoek is bij brief van 14 mei 1997 ingetrokken.

Omtrent het verzoek om nadeelcompensatie van eiseres heeft verweerder, onder verwijzing naar het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 juni 1997, in zijn vergadering van 3 juli 1997 besloten:

I de Verordening van overeenkomstige toepassing te verklaren op de bouw van de Koningstunnel;

II. eiseresses aanvraag om nadeelcompensatie af te wijzen.

Tegen dit besluit, dat burgemeester en wethouders op 15 augustus 1997 aan eiseresses raadsman hebben toegezonden, is namens eiseres bij brief van 22 september 1997 bezwaar aangetekend.

Dit bezwaar is behandeld tijdens een hoorzitting van de Commissie beroep- en bezwaarschriften van 23 juni 1998.

Overeenkomstig het advies van deze commissie d.d. 30 september 1998, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is namens eiseres bij beroepschrift van 15 januari 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij aanvullend beroepschrift van 19 februari 1999 heeft de raadsman van eiseres de gronden van het beroep aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend, alsmede een verweerschrift, gedateerd 29 maart 1999.

4. Motivering.

4.1. Met inachtneming van hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, ziet de rechtbank zich in dit geding gesteld voor de vraag of het in bezwaar gehandhaafde besluit tot afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie in rechte stand kan houden. In het bijzonder dient te worden beoordeeld of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren nadeelcompensatie toe te kennen voor schade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van (trillings)werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de Koningstunnel.

4.2. Bij het primaire besluit is de Verordening van overeenkomstige toepassing verklaard op de bouw van de Koningstunnel. Artikel 2, eerste lid, van deze verordening luidt als volgt:

"1. Indien een belanghebbende nadeel lijdt, welke het rechtstreeks gevolg is van het project, en dit nadeel zijn maatschappelijk risico zodanig overschrijdt, dat dit alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen redelijkerwijs niet te zijner laste behoort te blijven, kan de gemeenteraad met inachtneming van het in deze verordening bepaalde, besluiten dit nadeel te compenseren."

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening moet een aanvraag tot compensatie, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, uiterlijk binnen een periode van één jaar na de realisering van het project worden ingediend.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub b en c, van artikel 4 bevat de aanvraag naast hetgeen op grond van artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vereist ten minste:

b. een opgave van de aard en de omvang van het gestelde nadeel, alsmede de daarbij behorende bewijsstukken;

c. een omschrijving van de wijze waarop het nadeel naar het oordeel van de aanvrager dient te worden gecompenseerd en, indien een financiële compensatie wordt aangevraagd, een opgave van het bedrag dat naar het oordeel van de aanvrager dient te worden vergoed.

4.3. Vooreerst stelt de rechtbank vast dat, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep en ter zitting is aangevoerd, het geschil beperkt is tot een viertal schadeposten en dat de daarbij opgevoerde BTW als schadecomponent is komen te vervallen, aangezien deze door eiseres reeds met de fiscus is verrekend. De vier schadeposten waartoe het geschil zich beperkt zijn:

a) de kosten van het inschakelen van accountantskantoor Arenthals Chaudron (ad Fl. 3.301,- excl. BTW);

b) de kosten van juridische bijstand (ad Fl. 8.111,50 excl. BTW);

c) de kosten van het inschakelen van ingenieursbureau Van Dorsser (ad Fl. 1.230,- excl. BTW);

d) de kosten van het trillingsvrij laten opstellen van de filmrecorder (ad Fl. 6.800,- excl. BTW).

Het gaat derhalve om een totaal bedrag van Fl. 19.442,50.

ad a) de kosten van het inschakelen van accountantskantoor Arenthals Chaudron

4.3.1. Verweerder is niet tot vergoeding van deze kosten overgegaan omdat -kort gezegd- eiseres in een te vroeg stadium een accountant heeft ingeschakeld voor het opstellen van een schadestaat. In dit verband heeft verweerder er in het bestreden besluit op gewezen dat Arenthals Chaudron reeds op 10 april 1996 een rapportage heeft uitgebracht over de te verwachten omvang van de schade, op een tijdstip derhalve waarop nog niet precies duidelijk was wat de te verwachten impact van de trillingswerkzaamheden op de activiteiten van Phobutech zou zijn en waarop nog geen overleg had plaatsgevonden over eventueel te nemen schadebeperkende maatregelen. Volgens verweerder kan het in een dermate vroeg stadium inschakelen van een accountant voor het opstellen van een schadestaat niet als redelijkerwijs noodzakelijk worden aangemerkt.

4.3.2. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij Arenthals Chaudron een schadebegroting heeft laten opstellen omdat zij inzicht wenste in de omvang van eventueel te lijden schade. Eiseres wijst er in dit verband op dat zij schade vreesde als gevolg van trillingshinder omdat zij tengevolge van trillingswerkzaamheden in verband met de bouw van het -verder gelegen- Prins Bernhard-viaduct reeds eerder hevige trillingshinder had ondervonden en de impact van de trillingswerkzaamheden (in verband met de bouw van de Koningstunnel) zou toenemen naarmate deze werkzaamheden dichterbij zouden worden uitgevoerd. Om die reden heeft eiseres een schadebegroting laten opstellen, opdat inzicht in de te nemen maatregelen kon worden verkregen. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat de gemeente destijds heeft geadviseerd een schadebegroting te laten opstellen, dat gelet op artikel 4 van de Verordening, een aanvraag om nadeelcompensatie gepaard dient te gaan met een onderbouwde schadebegroting en dat de gemeente zelf door middel van brochures kenbaar heeft gemaakt dat een aanvraag om nadeelcompensatie zo snel mogelijk moest worden ingediend.

4.3.3. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.4. Zoals uit het verslag van de bespreking van 7 maart 1996 blijkt, heeft verweerder tijdens die bespreking aangekondigd op korte termijn een adviesbureau te zullen inschakelen. Naar het oordeel van de rechtbank lag het in de rede dat eiseres de resultaten hiervan zou afwachten, alvorens een accountant een schadebegroting van de te verwachten schade te laten opstellen. Dan zou immers meer bekend zijn geweest over de te verwachten -nadelige- invloed van de trillingswerkzaamheden op de activiteiten van Phobutech en over mogelijk te nemen maatregelen om -eventuele- schade zoveel mogelijk te beperken. Door dit rapport niet af te wachten, heeft eiseres het risico genomen dat Arenthals Chaudron een weinig realistische schadebegroting zou opstellen, hetgeen uiteindelijk ook is gebeurd; zoals verweerder in zijn verweerschrift terecht heeft opgemerkt, heeft het accountantsrapport van Arenthals Chaudron geen enkele rol van betekenis gespeeld.

4.3.5. Niet kan worden ontkend dat er in de als bijlage bij het aanvullend beroepschrift gevoegde brochure op wordt gewezen dat het van belang is een verzoek om nadeelcompensatie zo snel mogelijk in te dienen. Eiseres had evenwel kunnen (en naar het oordeel van de rechtbank ook: moeten) weten dat hiermee niet is bedoeld dat de aanvraag wordt ingediend vooruitlopend op de uitvoering van (mogelijk) schadeveroorzakende (trillings)werkzaamheden. In ieder geval volgt daaruit zeker niet dat, nog voordat iets bekend is over de te verwachten invloed van die werkzaamheden en over eventueel te nemen schadebeperkende maatregelen, reeds een schadebegroting zou moeten worden opgesteld.

4.3.6. Wat betreft de door eiseres gestelde noodzaak de aanvraag om nadeelcompensatie te voorzien van een onderbouwde schadebegroting, heeft verweerder er in zijn verweerschrift terecht op gewezen dat in de Verordening niet is voorgeschreven dat een aanvraag om nadeelcompensatie wordt voorzien van een accountantsrapport. Tenslotte is de rechtbank niet gebleken dat de gemeente eiseres zou hebben geadviseerd een accountant in te schakelen.

4.3.7. Al met al is de rechtbank van oordeel dat eiseres in een te vroeg stadium een accountant heeft ingeschakeld voor het opstellen van een schadebegroting. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen weigeren de kosten van de door eiseres ingeschakelde accountant te vergoeden. Dat eiseres er -om haar moverende redenen- voor heeft gekozen reeds in een zeer vroeg stadium een schadebegroting door een accountant te laten opstellen, komt derhalve voor haar rekening en risico.

ad b) de kosten van juridische bijstand

4.3.8. Verweerder is niet tot vergoeding van de kosten van juridische bijstand overgegaan omdat -kort gezegd- deze kosten naar zijn mening onnodig zijn gemaakt en niet redelijk zijn, aangezien eiseres in een zeer vroeg stadium een advocaat heeft ingeschakeld, terwijl de gemeente zich bereid had getoond om met eiseres te overleggen en om voorzorgsmaatregelen te treffen. In dit verband heeft verweerder er -onder verwijzing naar jurisprudentie inzake de voor nadeelcompensatie in aanmerking komende juridische bijstand- dat de voorbereiding van het besluit van 3 juli 1997 zorgvuldig is geweest, dat niet is gebleken van omstandigheden of een gemeentelijke handelwijze of stellingname op basis waarvan kan worden geoordeeld dat eiseres in redelijkheid juridische bijstand heeft ingeschakeld, dat de door eiseres gestelde onbekendheid met de Verordening en met de wijze waarop nadeelcompensatie moest worden aangevraagd op zichzelf onvoldoende is om te oordelen dat het inschakelen van juridische bijstand redelijkerwijs noodzakelijk was. Hierbij is meegewogen dat niet gebleken is dat sprake was van een situatie waarin de voortzetting van Phobutech in gevaar was.

4.3.9. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder, door het criterium "redelijkerwijs noodzakelijk" te hanteren, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, aangezien volgens vaste jurisprudentie uitsluitend moet worden beoordeeld of zowel het inroepen van juridische bijstand als de kosten daarvan redelijk zijn. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerder niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom als (aanvullende) eis wordt gesteld dat de voortzetting van het bedrijf in gevaar dient te zijn vooraleer de kosten van juridische bijstand kunnen worden vergoed en dat het zorgvuldig handelen zijdens de gemeente geen maatstaf is om tot de conclusie te komen dat het inschakelen van juridische bijstand niet redelijk is geweest. Onder verwijzing naar het fair-play-beginsel, waaraan de gemeente volgens eiseres een verkeerde invulling heeft gegeven, heeft eiseres tenslotte aangevoerd dat het redelijk is dat zij kosten heeft gemaakt in verband met juridische bijstand. In dit verband heeft eiseres erop gewezen dat uit de verslagen van de tussen Phobutech en de gemeente gevoerde besprekingen blijkt dat voor de gemeente bij alle besprekingen een jurist aanwezig was. Aangezien onderhandelingen en besprekingen dienen plaats te vinden op basis van gelijkwaardigheid, terwijl bovendien het nadeelcompensatierecht bijzonder complex is, was het niet meer dan redelijk dat Phobutech zich van juridische bijstand heeft voorzien, aldus eiseres. Tenslotte heeft eiseres ter zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 1998, gepubliceerd in AB 1999, nr. 90, en JB 1999, nr. 12, waarbij is geoordeeld dat in dat geval het inroepen van juridische bijstand redelijk was.

4.3.10. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.11. In haar uitspraak van 23 september 1996, gepubliceerd in AB 1996, nr. 494, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat, indien bij de schadevaststelling in het kader van nadeelcompensatie, zowel het inroepen van juridische bijstand als de kosten daarvan redelijk zijn te achten, deze kosten deel moeten kunnen uitmaken van de te vergoeden schade. Zowel in het primaire besluit als in het bestreden besluit is uitdrukkelijk naar deze jurisprudentie verwezen. Voorts blijkt uit deze besluiten onmiskenbaar dat verweerder de aanvraag om nadeelcompensatie terzake van kosten van juridische bijstand expliciet aan het in genoemde uitspraak neergelegde criterium heeft getoetst. Het enkele feit dat verweerder de term "redelijkerwijs noodzakelijk" heeft gehanteerd in verband met de door eiseres gestelde onbekendheid met de Verordening, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet leiden tot het oordeel dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.

4.3.12. Thans dient te worden beoordeeld of verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat het inroepen van juridische bijstand niet redelijk is geweest.

4.3.13. Wat betreft het ter zitting geuite verwijt van eiseres dat verweerder als eerste een jurist bij de zaak heeft betrokken, zodat eiseres in feite niet kon achterblijven, wijst de rechtbank er op dat bij de eerste bespreking tussen de gemeente en Phobutech (7 maart 1996) -blijkens het verslag daarvan- geen jurist van de gemeente aanwezig was, maar dat het verslag van die bespreking behalve aan de aanwezigen tevens is gezonden aan een jurist van de Dienst Stadsbeheer. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden gezegd dat de gemeente op dat moment al een jurist bij de zaak had betrokken. Dat de heer Jautze tijdens het daaropvolgende overleg tussen hem en de heer Van Eig zou zijn geadviseerd een jurist in te schakelen, zoals de heer Jautze ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank niet uit de haar ter beschikking staande stukken kunnen afleiden. Uit het verslag van de op 23 juni 1998 gehouden hoorzitting blijkt daarentegen dat de heer Van Eig een dergelijk advies zijnerzijds heeft ontkend. De rechtbank acht het overigens ook onwaarschijnlijk dat van de kant van de gemeente een dergelijk advies is gegeven, aangezien in vervolg op het hiervoor bedoelde overleg ir. C. Kruyt, namens de algemeen directeur van de Dienst Stadsbeheer, de heer Jautze bij brief van 13 mei 1996 onder meer heeft medegedeeld dat de gemeente samen met Phobutech wil zoeken naar de beste oplossing voor de problemen die kunnen voortvloeien uit de trillingshinder. Deze brief wijst er voorts op dat er voor eiseres -objectief gezien- geen aanleiding was te vrezen dat haar belangen bij het door de gemeente beoogde overleg onvoldoende in acht zouden worden genomen. Eiseres heeft evenwel niet (de resultaten van) dit overleg afgewacht, alvorens zich van juridische bijstand te voorzien, maar heeft zich bij de eerstvolgende bespreking (op 7 juli 1996) direct door een advocaat laten bijstaan. Nu bovendien op dat moment naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was een complexe materie, waarvoor juridische deskundigheid was vereist, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiseres zich in een dermate vroeg stadium van de procedure van juridische bijstand heeft voorzien, dat het inroepen daarvan niet als redelijk kan worden gekwalificeerd. Gelet op het feit dat de heer Jautze een afschrift van zijn brief van 21 februari 1996 aan een advocaat heeft toegezonden, kan de rechtbank zich overigens niet aan de indruk onttrekken dat eiseres kennelijk op dat moment al de intentie had zich van juridische bijstand te voorzien.

4.3.14. Anders dan eiseres, ziet de rechtbank niet in dat verweerder als aanvullende eis voor vergoeding van kosten van juridische bijstand heeft gesteld dat de voortzetting van het bedrijf in gevaar dient te zijn vooraleer de kosten van juridische bijstand kunnen worden vergoed. Verweerder heeft dit slechts laten meewegen, in die zin dat het inroepen van juridische bijstand (in ieder geval) redelijk was geweest indien de voortzetting van Phobutech in gevaar zou zijn geweest. De rechtbank acht deze benadering niet onredelijk en is evenals verweerder van oordeel dat geen sprake was van een situatie waarin de voortzetting van Phobutech in gevaar was. Voorts ziet de rechtbank niet in dat verweerder het (on)zorgvuldig handelen van de kant van de gemeente niet mag meewegen bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van het inroepen van juridische bijstand. Wat betreft de door eiseres gestelde strijd met het fair play-beginsel wijst de rechtbank er op dat blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende brief van de algemeen directeur van de Dienst Stadsbeheer van 22 mei 1996 de heer Jautze heeft gedreigd met een kort geding om de bouw van de Koningstunnel stop te zetten. Pas na dit -door eiseres niet weersproken - dreigement heeft de gemeente een jurist ingeschakeld om haar belangen te behartigen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder in strijd met het fair play-beginsel heeft gehandeld door het inroepen van juridische bijstand niet als redelijk te kwalificeren en de kosten van juridische bijstand niet te vergoeden. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige geval niet kan worden vergeleken met dat van de door eiseres genoemde uitspraak. In dat geval was aan het bestuursorgaan namelijk al een advies uitgebracht omtrent de hoogte van de toe te kennen nadeelcompensatie, terwijl in het onderhavige geval op het moment dat eiseres juridische bijstand inriep nog overleg plaatsvond over schadebeperkende maatregelen en op dat moment nog geen enkel reëel zicht was op de schade die zij zou lijden. 4.3.15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het inroepen van juridische bijstand niet redelijk is geweest. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen weigeren de kosten van juridische bijstand te vergoeden.

ad c) de kosten van het inschakelen van ingenieursbureau Van Dorsser ad d) de kosten van het trillingsvrij laten opstellen van de filmrecorder

4.3.16. Verweerder is van mening dat de kosten van deze schadeposten -althans een deel daarvan: de hoogte van de onder d) bedoelde kosten wordt niet reëel geacht- in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen, maar is desondanks niet tot vergoeding daarvan overgegaan omdat -kort gezegd- deze kosten zodanig laag zijn dat zij het maatschappelijk aanvaardbaar risico niet overschrijden. Omtrent de bepaling van de hoogte van het aanvaardbaar maatschappelijk risico heeft verweerder tijdens de hoorzitting van 23 juni 1998 opgemerkt dat daarvoor aansluiting is gezocht bij de vaste gemeentelijke gedragslijn in soortgelijke zaken. Op basis van deze vaste gedragslijn wordt de grens van het aanvaardbaar maatschappelijk risico bepaald op het nadeel dat wordt geleden als gevolg van een omzetdaling van 15% op jaarbasis, gerelateerd aan een aantal referentiejaren. Gezien de omzet van eiseres blijft het geleden nadeel ruimschoots onder deze grens, aldus verweerder. Volgens verweerder is een beleid, waarbij de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico wordt gerelateerd aan de winst- c.q. omzetderving, in de jurisprudentie aanvaard. In dit verband heeft verweerders gemachtigde ter zitting gewezen op de ook de door eiseres genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 1998.

4.3.17. In beroep is door eiseres aangevoerd dat hantering van een gedragslijn die nergens schriftelijk is vastgelegd en/of niet op enigerlei wijze bekend is gemaakt in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. In samenhang hiermee acht eiseres het onzorgvuldig dat zij pas in de bezwaarfase over deze gedragslijn is geïnformeerd; verweerder had voorafgaand aan de te nemen beslissing op het verzoek om nadeelcompensatie duidelijkheid moeten bieden omtrent de uitleg van de norm "aanvaardbaar maatschappelijk risico", aldus eiseres. Onder verwijzing naar de uitspraak van de -toenmalige- Afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State van 12 oktober 1988, gepubliceerd in AB 1989, nr. 234, heeft eiseres voorts aangevoerd dat de gemeente ten onrechte het draagkrachtbeginsel heeft toegepast, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit beginsel in het onderhavige geval geldt. In samenhang hiermee bestrijdt eiseres dat de koppeling van de omzet van benadeelde aan de door haar geleden schade ter bepaling van de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico in de jurisprudentie is aanvaard. Daarnaast acht eiseres het onredelijk om in geval van kosten verbonden aan schadebeperkende maatregelen en deskundigenkosten 15% van de omzet als richtlijn te nemen. Tenslotte heeft verweerder volgens eiseres onzorgvuldig gehandeld door de jaaromzet van Phobutech niet te baseren op een aantal referentiejaren, maar uitsluitend op basis van de door Arenthals Chaudron opgestelde schadebegroting van 10 april 1996.

4.3.18. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.19. De rechtbank acht het in het algemeen niet onredelijk dat bij het beslissen op een verzoek om nadeelcompensatie door een bestuursorgaan een ondergrens wordt gehanteerd in de vorm van het maatschappelijk aanvaardbaar risico en dat die grens wordt bepaald aan de hand van de omzet, gerelateerd aan een aantal referentiejaren. Van belang daarbij is dat dit een objectief criterium betreft, waarbij, anders dan een op winst en verlies betrekking hebbend criterium, de draagkracht van de benadeelde geen rol speelt. De rechtbank onderschrijft dan ook hetgeen verweerder hierover in het verweerschrift heeft opgemerkt. De betreffende passage luidt als volgt:

"De norm die gemeente Den Haag hanteert kan niet worden opgevat als een draagkrachtbeginsel. Bij de bepaling van de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico wordt geen rekening gehouden met het vermogen of inkomen van de benadeelde. Dit zou leiden tot een niet naar objectieve criteria te rechtvaardigen, slechts op individuele draagkrachtverschillen berustend onderscheid tussen ondernemers die in gelijke mate door de tunnelwerkzaamheden worden getroffen. Door het nadeel te vergelijken met de omzet van de onderneming kan op objectieve wijze de ernst van het geleden nadeel en derhalve de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico worden bepaald."

4.3.20. Het door verweerder gehanteerde percentage van 15, waarmee de omzet op jaarbasis ten minste moet zijn gedaald wil er sprake zijn van een nadeel dat het maatschappelijk aanvaardbaar risico te boven gaat, acht de rechtbank evenmin onredelijk. Blijkens de door verweerder genoemde jurisprudentie acht de Afdeling (bestuurs)rechtspraak dit een aanvaardbaar percentage bij de vaststelling van de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico. Weliswaar is dit risico in de door verweerder genoemde gevallen niet op dezelfde wijze begrensd als in het onderhavige geval, maar de rechtbank ziet niet in dat het onredelijk is het maatschappelijk aanvaardbaar risico te begrenzen volgens de formule die verweerder in het geval van eiseres heeft gehanteerd.

4.3.21. Niet kan worden ontkend dat verweerder, door eerst tijdens de hoorzitting van 23 juni 1998 melding te maken van de vaste gedragslijn ter zake van de vaststelling van de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico, jegens eiseres onzorgvuldig heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is deze onzorgvuldigheid evenwel niet van dien aard, dat het bestreden besluit op grond daarvan moet worden vernietigd. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat de voor nadeelcompensatie in aanmerking komende schade -relatief- gering is en dat eiseres, ook indien zij voorafgaande aan haar verzoek om nadeelcompensatie van de aan de orde zijnde gedragslijn op de hoogte was geweest, niet tot een zodanig schadebedrag had kunnen komen dat daarmee de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico zou zijn overschreden.

4.3.22. Vast staat dat verweerder voor de vaststelling van het maatschappelijk aanvaardbaar risico is uitgegaan van de omzet over slechts één (referentie)jaar en niet, zoals volgens de door verweerder ingeroepen gedragslijn gebruikelijk was, van de omzet over enkele referentiejaren. Ook dit betreft naar het oordeel van de rechtbank een onzorgvuldigheid die niet van zodanige aard is dat het bestreden besluit op grond daarvan moet worden vernietigd. De rechtbank wijst er in dit verband op dat blijkens het verhandelde ter zitting de laagste omzet van eiseres over de afgelopen (drie) jaren ongeveer Fl. 800.000,- bedroeg en dat, ook indien van deze omzet wordt uitgegaan, de voor nadeelcompensatie in aanmerking komende schade onder de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico zou blijven.

4.3.23. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren nadeelcompensatie toe te kennen voor schade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van (trillings)werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de Koningstunnel. Het beroep van eiseres dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

4.3.24. Beslist dient derhalve te worden als volgt.

5. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

6. Rechtsmiddel.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mrs. J.W.H.B. Sentrop, H.A. van Eijk en L.W. de Valk en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 1999, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.F. Claessens. Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, Verzonden: Coll. :