Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1078

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/1484
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 1999/161 met annotatie van BKO

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

Reg.nr.: AWB 99/1484 VRWET

Inzake: [eiser] en [eiseres], echtelieden, beiden

wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde mr. A.A. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigden mrs. G.M.H. Hoogvliet en H.A. Groen,

beiden advocaat te 's-Gravenhage.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eisers, geboren op respectievelijk [...] 1966 en [...] 1971,

bezitten de Turkse nationaliteit. Eisers zijn vreemdeling in de zin van

de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser is volgens zijn verklaring in of

omstreeks 1982 Nederland binnengekomen. Hij is op 18 mei 1984 en nadien

op 22 oktober 1987 uit Nederland verwijderd wegens illegaal

verblijf. Bij brief van 5 januari 1993, ontvangen door het

hoofd van plaatselijke politie te C op 7 januari 1993,

heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot

verblijf met als doel: "het verrichten van arbeid in loondienst c.q.

wegens klemmende redenen van humanitaire aard". Bij besluit van

27 juni 1994 heeft de korpschef van de regiopolitie D de

aanvraag niet ingewilligd. Eiser heeft tegen dit besluit administratief

beroep ingesteld bij beroepschrift van 11 juli 1994. De gronden daarvan

zijn ingediend bij brief van 10 augustus 1994.

Op 28 september 1994 heeft eiser een verzoek om een voorlopige

voorziening ingediend, inhoudende een verbod tot uitzetting

totdat op het administratief beroep is beslist. Op 13 oktober 1994,

29 september 1995, 3 en 8 oktober 1995 heeft eiser de gronden van het

administratief beroep aangevuld en/of nadere stukken ingediend.

In het verweerschrift van 26 september 1995 heeft verweerder

geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het administratief

beroepschrift en tot afwijzing van het verzoek om een voorlopige

voorziening.

Bij uitspraak van 17 oktober 1995 van de president van de rechtbank

is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en is, met

toepassing van artikel 33b Vw, het administratief beroep ongegrond

verklaard.

Bij brief van 23 oktober 1995 heeft eiser aan verweerder verzocht

om herziening van de beslissing in administratief beroep. Bij brief

van 9 september 1996 heeft verweerder aan eiser bericht dat het

verzoek om ambtshalve herziening niet in behandeling wordt genomen

omdat eiser ingevolge artikel 8:88 Awb een dergelijk verzoek dient

in te dienen bij de rechtbank.

Eiser heeft hiertegen bij bezwaarschrift van 30 september 1996

bezwaar gemaakt op nader aan te voeren gronden.

Eiseres heeft zich op 24 maart 1994 aangemeld bij de korpschef

van de regiopolitie D. Vervolgens heeft zij, mede ten

behoeve van hun minderjarige zoon E (geboren op

[...] 1993), een aanvraag ingediend om verlening van een

vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij echtgenoot A".

Eiser heeft vervolgens op 23 oktober 1995, mede onder verwijzing naar

zijn brief van 8 oktober 1995, opnieuw bij de korpschef van de

regiopolitie D een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning

tot verblijf met als doel: "humanitaire redenen op grond van

arbeidsverleden".

Bij afzonderlijke besluiten van 22 mei 1997 heeft verweerder op de

aanvragen van 24 maart 1994 (eiseres) en 23 oktober 1995 (eiser)

afwijzend beslist. De afwijzende beslissing ten aanzien van eiseres

betreft mede hun minderjarige zoon F (geboren op [...] 1996).

Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt bij afzonderlijke

bezwaarschriften van 17 juni 1997. Op 15 september 1997 hebben eisers

de gronden van het bezwaar aangevuld.

Bij brief van 14 oktober 1997 heeft verweerder aan eisers bericht dat

zij de beslissing op hun bezwaarschrift niet in Nederland mogen

afwachten. Op 25 oktober 1997 hebben eisers een verzoek om een

voorlopige voorziening ingediend, inhoudende een verbod tot uitzetting

totdat op het bezwaar is beslist.

Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 23 oktober 1997 het

bezwaar ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn op 23 oktober 1997

verzonden naar de gemachtigde van eisers.

2. Tegen de besluiten van 23 oktober 1997 hebben eisers bij

beroepschrift van 17 november 1997 beroep ingesteld bij de

rechtbank. Daarbij hebben eisers aangegeven dat het petitum van het

op 25 oktober 1997 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening

wordt gewijzigd in die zin dat thans wordt verzocht om een verbod tot

uitzetting totdat op het beroep is beslist. Bij brief van

17 december 1997 hebben eisers de gronden van het beroep ingediend.

3. In het verweerschrift van 2 februari 1999 heeft verweerder

geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot

afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

4. In verband met vragen over de toepassing van het

langdurig-illegalenbeleid (ook wel het witte-illegalenbeleid genoemd)

in geval een eerdere aanvraag om toelating is ingediend (en eventueel

ook afgewezen), is het beroep ter behandeling en beslissing voorgelegd

aan de Rechtseenheidskamer. Bij brief van 31 maart 1999 heeft

verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

Eiser heeft gerepliceerd bij brief van 31 maart 1999 en voorts

bij brief van 1 april 1999.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van dupliek.

5. De Rechtseenheidskamer heeft verweerder bij brief van 20 april 1999

en voorts bij brief van 27 april 1999 vragen gesteld. In antwoord op de

brief van 20 april 1999 heeft verweerder op 28 april 1999 nadere

stukken ingediend.

Verweerder is ter zitting ingegaan op de vragen, gesteld in de

brief van 27 april 1999.

6. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 29 april 1999.

Eisers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen onder de

nummers AWB 99/1481 VRWET en AWB 99/1485 VRWET.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand

kunnen houden.

Ten aanzien van het beroep van eiser:

2. Eiser legt aan het onderhavige beroep ten grondslag dat hij in

aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot verblijf ingevolge

de restcategorie "klemmende redenen van humanitaire aard". Eiser meent

dat hij bij de indiening op 23 oktober 1995 van zijn nieuwe aanvraag om

toelating wel degelijk nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft

vermeld. Daarom heeft verweerder die tweede aanvraag volgens eiser ten

onrechte ingevolge artikel 4:6 Awb afgewezen onder verwijzing naar het

eerdere afwijzende besluit van 27 juni 1994 en de uitspraak van de

president van de rechtbank van 17 oktober 1995, waardoor het afwijzende

besluit onherroepelijk was geworden.

In dit verband wijst eiser op het gestelde in de brief van

23 oktober 1995, waarbij hij, mede onder verwijzing naar de brief

van 8 oktober 1995, verweerder heeft verzocht om terug te komen op de

onherroepelijk geworden afwijzende beslissing op zijn eerste aanvraag

van 7 januari 1993. Eiser meent dat hij, bij het ontbreken van een

reactie van de kant van verweerder op de brief van 23 oktober 1995, min

of meer was gedwongen om zijn nieuwe aanvraag van 23 oktober 1995 te

handhaven. Eiser meent dat verweerder onder deze omstandigheden bij

het nemen van het thans bestreden besluit in ieder geval ook aandacht

had dienen te besteden aan de inhoud van het bezwaarschrift van

30 september 1996.

Daarmee had naar het oordeel van verweerder een volledige

herbeoordeling van zijn zaak moeten plaatsvinden, al was het maar naar

de stand van zaken op de datum waarop de eerdere procedure werd

afgesloten, te weten 17 oktober 1995. Gelet hierop meent eiser dat zijn

tweede aanvraag van 23 oktober 1995, ook al is deze feitelijk ingediend

ná de inwerkingtreding van TBV 1995/1, niet dient te worden getoetst

aan de voorwaarden van die TBV, doch aan de voorwaarden van het daarvóór

geldende beleid.

Eiser wijst er tot slot op dat hij Koerd is, afkomstig uit

Zuid-Oost-Turkije. Eiser geeft aan dat de politieke problemen waarmee

zijn familie, die pro-PKK is, te kampen heeft, in de eerdere procedure

niet door hem ter sprake zijn gebracht omdat hij er destijds op

vertrouwde dat hij zou worden toegelaten op grond van de

langdurig-illegalenregeling.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nieuwe aanvraag van

23 oktober 1995 terecht is afgewezen onder toepassing van artikel 4:6,

tweede lid, Awb.

3.1 Voorts wijst verweerder erop dat eiser geen aanspraak op toelating

kan ontlenen aan het langdurig-illegalenbeleid nu aan de indiening door

eiser van de nieuwe aanvraag niet een periode van minstens zes jaar

onafgebroken illegaliteit is voorafgegaan. Verweerder wijst erop dat

eiser ingevolge het beleid de behandeling van zijn eerste

toelatingsverzoek in ons land mocht afwachten. Eiser kon derhalve in die

periode niet als illegaal in aanmerking worden gebracht voor

verwijdering.

Daarin verschilt de periode van dat verblijf wezenlijk van het verblijf

van een vreemdeling die zich nimmer ter verkrijging van een vergunning

tot verblijf heeft aangemeld en, indien aangetroffen, voor verwijdering

in aanmerking komt, aldus verweerder. Verweerder voert in dit verband

nog aan dat de omstandigheid dat in de toelichting bij het beleid in

TBV 1996/4 is vermeld dat de ratio van het langdurig-illegalenbeleid

zich verzet tegen analoge toepassing in gevallen waarin de vreemdeling

op grond van artikel 9 en/of 10 Vw toelating heeft gehad, niet maakt

dat daaruit a contrario de conclusie kan en mag worden getrokken dat

aan andere, niet in die toelichting gespecificeerde vormen van

niet-illegaal verblijf in Nederland, bij de uitvoering van het

langdurig-illegalenbeleid moet worden voorbijgegaan. Verweerder beroept

zich wat deze uitleg van het beleid betreft op een zijns inziens

relevante overweging in de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 juli 1996, die volgens verweerder met instemming is geciteerd

in de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 19 februari 1998

(AWB 97/6846 VRWET). Voorts wijst verweerder op uitspraken van deze

rechtbank van 13 mei 1998 (AWB 97/2888 VRWET, nevenzittingsplaats

Amsterdam), 25 juni 1998 (AWB 97/11738 VRWET, nevenzittingsplaats

Amsterdam), 6 november 1998 (AWB 98/260 en 97/8656 VRWET,

nevenzittingsplaats Haarlem), 19 februari 1999 (AWB 98/138 VRWET)

en 8 maart 1999 (AWB 98/1843 V1, nevenzittingsplaats Den Bosch).

Verweerder benadrukt dat het beleid dat een tweede aanvraag niet alsnog

tot inwilliging kan leiden en dat, in het verlengde hiervan, de periode

ná de indiening van de eerste toelatingsaanvraag niet meetelt, door de

Rechtseenheidskamer in haar uitspraak van 28 november 1996

(AWB 96/7820 VRWET) als niet onredelijk is aanvaard. Ten aanzien van

de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 september 1998 stelt

verweerder zich op het standpunt dat de rechtbank daarin ten onrechte

heeft geoordeeld dat een vóór TBV 1995/1 ingediende aanvraag niet in de

weg staat aan een geslaagd beroep op het langdurig-illegalenbeleid.

Verweerder wijst er in dit verband mede op dat de omstandigheid dat het

mogen afwachten van de behandeling van een ingediende aanvraag niet

expliciet is vermeld in de weigeringsgronden van TBV 1995/1 en

TBV 1996/4, niet betekent dat een eerdere aanvraag niet aan eiser kan

worden tegengeworpen. Verweerder voert daartoe aan dat de

weigeringsgronden in deze TBV's immers niet limitatief zijn opgesomd,

nu daarin de volgende formulering wordt gebezigd: 'Een aanvraag om

toelating wordt in elk geval [onderstreping van verweerder] niet

ingewilligd indien er sprake is van één van de volgende

weigeringsgronden.'

3.2 Verweerder wijst er op dat eiser heeft aangevoerd dat hij bepaalde

aspecten met betrekking tot zijn Koerdische afkomst, die hij in zijn

eerdere toelatingsprocedure niet heeft gemeld omdat hij meende dat hij

aanspraak had op toelating op grond van het langdurig-illegalenbeleid,

in deze tweede procedure wel naar voren wenst te brengen. Verweerder

acht deze processuele opstelling van eiser te laken. Verweerder voert

daartoe aan dat weliswaar niet is vereist dat nieuw gebleken feiten

dateren van ná de eerdere beslissing, doch voorwaarde is wel dat de

betrokkene die feiten niet eerder heeft kunnen [onderstreping van

verweerder] inbrengen. Duidelijk is dat de zogenaamd nieuw gebleken

feiten, betrekking hebbend op de Koerdische afkomst van eiser, eerder

bij eiser bekend waren, doch dat hij er om hem moverende redenen voor

heeft gekozen om die feiten niet in te brengen. Dergelijke feiten

kunnen dan in de tweede procedure niet als nieuw gebleken feiten en

omstandigheden worden aangemerkt, aldus verweerder.

3.3 Verweerder is ten slotte van oordeel dat ook overigens ten aanzien

van eiser niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat

aan de gestelde voorwaarden tot toelating voorbij moet worden gegaan.

De rechtbank overweegt het volgende.

4. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een

vergunning tot verblijf worden geweigerd op gronden aan het algemeen

belang ontleend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en

werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van genoemd

artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens

verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts

voor toelating in aanmerking komen, indien met hun toelating hier te

lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van

klemmende redenen van humanitaire aard. Dit beleid is neergelegd in de

Vreemdelingencirculaire 1994.

5. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de indiening,

23 oktober 1995, van de aanvraag om toelating en ook ten tijde van het

bestreden besluit, 23 oktober 1997, het beleid inzake langdurig

illegalen gold, zoals dit is gewijzigd met ingang van het Tussentijds

Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) van 7 maart 1995 (TBV 1995/1),

gepubliceerd in de Staatscourant van 15 maart 1995. TBV 1995/1 is

nadien (in verweerders terminologie:) verduidelijkt bij TBV 1996/4 van

8 mei 1996, gepubliceerd in de Staatscourant van 10 mei 1996.

Verweerder heeft voorts op 8 mei 1996 een (interne) IND-werkinstructie

nr. 61 uitgebracht, waarin ten aanzien van dit beleidsonderdeel in een

overgangsregeling is voorzien en waarin de positie van illegalen met

een gezin hier te lande (met name schoolgaande kinderen) nader is

belicht. Nadat verweerder had geconstateerd dat zich in de

uitvoeringspraktijk interpretatieverschillen voordeden, heeft

verweerder op 14 augustus 1996 een (interne) IND-werkinstructie nr. 86

uitgebracht, waarmee IND-werkinstructie nr. 61 is komen te vervallen.

IND-werkinstructie nr. 86 bevat een herformulering van de

overgangsregeling. Voorts heeft verweerder in IND-werkinstructie nr. 86

een instructie vastgesteld ten aanzien van afdoening van zaken van vóór

15 maart 1995 (hierna: het oude beleid) en van zaken van op of ná

15 maart 1995 (hierna: het nieuwe beleid). Ten slotte heeft verweerder

in IND-werkinstructie nr. 86 onder het kopje 'Overige aandachtspunten'

enkele onderdelen van het beleid nader omschreven.

Verweerder heeft in IND-werkinstructie nr. 86 benadrukt dat met de

inwerkingtreding van TBV 1996/4 geen nieuw toetsingskader wordt

gecreëerd.

6. In TBV 1996/4 is het langdurig-illegalenbeleid in de volgende

bewoordingen weergegeven:

'1. Inleiding

Naar aanleiding van ontwikkelingen in de jurisprudentie op

het terrein van de toelating van langdurig illegalen en

gebleken onduidelijkheid bij de uitvoering van mijn circulaire

van 7 maart 1995 (TBV 1995/1) heb ik besloten om de genoemde

circulaire te verduidelijken.

De overheid voert al enige jaren een beleid dat gericht is op

het ontmoedigen van illegaal verblijf in Nederland. Een

uitgangspunt van het vreemdelingenbeleid is en blijft dat

illegale vreemdelingen het land dienen te verlaten. Dit neemt

niet weg dat er in individuele gevallen sprake kan zijn van

dermate bijzondere omstandigheden, dat toelating op grond van

klemmende redenen van humanitaire aard is geïndiceerd.

2. Voorwaarden

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bijzondere

omstandigheden om in het individuele geval af te wijken van

het staand beleid ten aanzien van illegalen, dient in het

bijzonder aandacht te worden besteed aan de band die de

betrokken vreemdeling met Nederland heeft opgebouwd tijdens

zijn illegaal verblijf hier te lande en de banden die hij nog

heeft met het land van herkomst. Daarbij zijn onder meer van

belang: de aard en totale duur van het verblijf in Nederland,

de gezinssituatie, kennis van de Nederlandse taal en

bekendheid bij andere overheidsdiensten.

Om voor toelating in aanmerking te kunnen komen dient de

betrokken vreemdeling minimaal te voldoen aan de volgende

voorwaarden:

a. op het moment van aanvraag om toelating moet de

vreemdeling kunnen aantonen minimaal zes jaar ononderbroken in

Nederland te hebben verbleven direct voorafgaand aan de

aanvraag om toelating;

b. gedurende deze periode moet de vreemdeling ononderbroken

inkomen hebben verkregen uit arbeid waarvoor premies en

belastingen zijn betaald danwel inkomen hebben genoten uit een

inkomensvervangende uitkering waarvoor premies en belastingen

zijn afgedragen.

ad a. en b.:

Uit het voorgaande blijkt dat er op het onderhavige terrein

sprake is van een uitzonderingsbeleid. Het illegalenbeleid is

dan ook nadrukkelijk en uitsluitend bedoeld voor diegenen die

langdurig illegaal in Nederland verblijven. De ratio van dit

beleid verzet zich dan ook tegen analoge toepassing in

gevallen waarin een vreemdeling op grond van het bepaalde in

de artikelen 9 en/of 10 van de Vreemdelingenwet 1994 in

Nederland heeft verbleven. In voorkomende gevallen dient bij

de beoordeling van een beroep op het onderhavige beleid een

periode van legaal verblijf buiten beschouwing te blijven. De

voorwaarden voor voortgezet verblijf zijn immers limitatief in

het reguliere toelatingsbeleid vastgelegd.

(..)

3. Weigeringsgronden

Een aanvraag om toelating wordt in elk geval niet ingewilligd

indien er sprake is van één van de volgende weigeringsgronden:

a. gecontroleerd vertrek in de periode onder 2 genoemd;

b. het verstrekken van onjuiste gegevens;

c. het bezit van valse documenten;

d. criminele activiteiten.

4. Toelatingsprocedure en bevoegdhedenverdeling

(..)

5. Beperking en voorschrift

Indien verblijf wordt toegestaan wordt een vergunning tot

verblijf zonder beperking verleend.

(..)'

7. De rechtbank gaat hier allereerst in op de vraag of het indienen van

een nieuwe aanvraag na indiening (en eventueel -zoals in casu- ook

afwijzing) van (een) eerdere anvra(a)g(en) onder het oude beleid,

(alsnog) kan leiden tot toelating op grond van het

langdurig-illegalenbeleid.

De rechtbank stelt vast dat dienaangaande in IND-werkinstructie

nr. 86 is opgenomen:

'het indienen van een nieuwe aanvraag na afwijzing van een eerdere

aanvraag

Onder het oude beleid hebben dergelijke aanvragen in de

meeste gevallen alsnog tot een inwilliging geleid.

Onder het nieuwe beleid dienen dergelijke aanvragen te worden

afgewezen. Gedurende de behandeling van de eerste aanvraag

verblijft de vreemdeling immers met instemming van het bevoegd

gezag in Nederland. Leidt de behandeling uiteindelijk tot een

afwijzing dat zal (-) een aanzegging krijgen Nederland te

verlaten. Het te vroeg indienen van de aanvraag komt voor

rekening en risico van de vreemdeling.

(..)'

8. De rechtbank constateert allereerst dat de tekst van

IND-werkinstructie nr. 86 er geen misverstand over laat bestaan dat

onder het oude beleid aan de vreemdeling in de praktijk niet werd

tegengeworpen dat hij reeds eerder een aanvraag had ingediend. In dit

opzicht was de beslispraktijk onder het oude beleid dus kennelijk

soepeler dan verweerder blijkens het gestelde in IND-werkinstructie

nr. 86 met het nieuwe beleid beoogt.

De in IND-werkinstructie nr. 86 opgenomen formulering, die toelating

op grond van het langdurig-illegalenbeleid uitsluit indien de

vreemdeling een eerdere aanvraag heeft ingediend, is derhalve aan te

merken als een materiële beleidswijziging die een beperking inhoudt

van de mogelijkheid tot het voldoen aan de vereisten voor toelating

op grond van het langdurig-illegalenbeleid.

Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder

gelegen om deze aanscherping van het beleid uitdrukkelijk neer te

leggen in de Vreemdelingencirculaire (eventueel bij TBV). Nu verweerder

dit heeft nagelaten, kan een eerdere, onder het oude beleid ingediende

(en eventueel afgewezen) aanvraag niet worden tegengeworpen aan een

vreemdeling die opnieuw een aanvraag heeft ingediend.

9. Verweerder heeft een beroep gedaan op een aantal rechterlijke

uitspraken ter onderbouwing van zijn stelling dat onder het nieuwe

beleid een eerdere aanvraag in de weg staat aan toelating op grond van

het langdurig-illegalenbeleid.

In het licht van IND-werkinstructie nr. 86 en hetgeen de rechtbank

hiervoor heeft overwogen over de reikwijdte van die werkinstructie,

komt aan de door verweerder aangehaalde jurisprudentie niet (meer) de

betekenis toe die verweerder daaraan (nog steeds) gehecht wil zien.

Hieraan voegt de rechtbank toe dat in de zaak die heeft geleid tot de

uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 28 november 1996, primair de

vraag ter beoordeling stond of verweerder onder het nieuwe beleid mag

eisen dat direct voorafgaand aan het moment van indiening van de

aanvraag om toelating sprake is van zes jaar ononderbroken verblijf in

Nederland en ononderbroken inkomen uit -kort gezegd- 'witte' arbeid dan

wel een inkomensvervangende uitkering. In dat verband heeft de

Rechtseenheidskamer zich in die uitspraak tevens uitgelaten over de

situatie van een onder het nieuwe beleid ingediende herhaalde aanvraag,

nadat de eerdere aanvraag ook al onder het nieuwe beleid was ingediend

(en eventueel afgewezen). De in de zaak van eiser aan de orde zijnde

situatie betreft een eerdere aanvraag die is ingediend onder het oude

beleid.

Verweerders beroep op de door hem aangehaalde jurisprudentie faalt dan

ook.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser op 7 januari 1993 een eerdere

aanvraag om toelating heeft ingediend, derhalve onder het oude beleid.

Verweerder heeft de weigering in het thans bestreden besluit om aan

eiser toelating te verlenen primair gemotiveerd door te verwijzen naar

zijn eerdere afwijzende besluit van 27 juni 1994 en de uitspraak van de

president van de rechtbank van 17 oktober 1995, waardoor het afwijzende

besluit onherroepelijk was geworden. Daarnaast heeft verweerder de

weigering van toelating van eiser in het thans bestreden besluit

gemotiveerd met de overweging dat die eerder door eiser ingediende

aanvraag in de weg staat aan inwilliging van de aanvraag van

23 oktober 1995 op grond van het langdurig-illegalenbeleid.

Aldus berust, gelet op al het vorenoverwogene, het bestreden besluit op

een ondeugdelijke motivering. Het beroep is mitsdien gegrond en het

bestreden besluit dient te worden vernietigd.

11. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de overige stellingen van

partijen onbesproken laten.

Ten aanzien van het beroep van eiseres:

12. Reeds gezien de samenhang tussen het beroep van eiser en dat van

zijn echtgenote, dient het beroep van de echtgenote eveneens gegrond te

worden verklaard.

13. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel

8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte

proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het

Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor

het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op

29 april 1999; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1).

14. De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb

de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eisers het

betaalde griffierecht ad f 210,- dient te vergoeden.

III. BESLISSING:

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van

hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,-.

Gebleken is dat aan eisers geen toevoeging is verleend krachtens de

Wet op de rechtsbijstand, zodat de betaling van dit bedrag dient te

geschieden aan eisers;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter

vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad f 210,-.

Aldus gedaan door mrs. A.C.J. van Dooijeweert, C.W. Rang en

M.A.A. Mondt-Schouten en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 1999

door mr. A.C.J. van Dooijeweert, in tegenwoordigheid van

mr. drs. R. Depping, griffier.

griffier voorzitter

afschrift verzonden op: 10 juni 1999