Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1075

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/2643 en 99/3296
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: 99/2643 en 99/3296

Inzake [eiser], wonende te Leiden, eiser

tegen het college van Bestuur van de Rijksuniversiteit Leiden, verweerder.

1.Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van 18 februari 1999, kenmerkBZ 1999/892 strekkende tot ongegrond verklaring van het door eiser ingediende bezwaar tegen het besluit van 29 april 1998, AR 70850 BZ.

2. Zitting.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van

10 juni 1999.

Eiser is vertegenwoordigd door mevrouw mr. E.M.B. Kuijpers, kantoorgenote van zijn gemachtigde mr. A. ten Veen en door zijn zoon [zoon van eiser].

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.B.M. Bruens, hoofd Algemeen Bestuurlijke en Juridische Zaken van de Rijks Universiteit Leiden.

Als getuige is gehoord M.J.A.A. Nijhuis, secretaris van de Commissie Hofstee en werkzaam bij het Bureau van de Rijks Universiteit Leiden.

3. Feiten.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser, gericht tegen het besluit van 29 april 1998 conform het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) niet gehouden te zijn de verslagen van de bijeenkomsten van de commissie Hofstee openbaar te maken, althans die documenten in objectieve vorm openbaar te maken.

Eiser heeft om openbaarmaking van deze verslagen verzocht, omdat die documenten de basis vormen voor het advies van de Commissie.

Eiser heeft -onder meer- aangevoerd dat hij thans op geen enkele wijze kan controleren of het advies -dat wel openbaar is gemaakt- wel deugdelijk is.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat door de verwevenheid tussen het advies en de daaraan ten grondslag liggende verslagen, zijn belang bij het al dan niet geobjectiveerd openbaarmaken van de verslagen, buitengewoon groot is.

Eiser heeft de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen omdat hij vreest dat de verslagen van de commissie Hofstee in het ongerede zullen raken voordat de rechtbank de kans zal hebben gekregen op het door hem ingestelde beroep te beslissen.

Subsidiair heeft eiser daarom de president verzocht verweerder op te dragen de documenten "veilig te stellen".

Eiser heeft op de in het beroepschrift genoemde gronden vernietiging van het bestreden besluit gevorderd en verzocht te bepalen dat verweerder de verslagen van de commissie Hofstee openbaar maakt, dan wel een termijn te stellen waarbinnen die beslissing door verweerder tegemoet kan worden gezien.

Verweerder heeft de op deze zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

4. Motivering.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 Awb kan de president, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Nu een nader onderzoek naar het oordeel van de president niet tot verdere oordeelsvorming zal bijdragen, bestaat er aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

De president staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit op goede gronden berust.

Deze vraag is bevestigend beantwoord, waartoe het volgende is overwogen.

De president stelt op grond van de gegevens in het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat de commissie Hofstee, die belast was met het onderzoeken van de beschuldigingen over vermeend plagiaat in het werk van eiser en de mogelijke gevolgen voor zijn positie binnen de Rijks Universiteit Leiden, een ad hoc ingestelde niet-ambtelijke adviescommissie was, als bedoeld in artikel 1, onder d van de WOB.

De president is met partijen van oordeel dat de commissie Hofstee geen bestuursorgaan in de zin van (artikel 2 van) de WOB is.

De commissie Hofstee maakt geen deel uit van de universiteit als instelling, waarvan verweerder het hoogste bestuursorgaan is.

De commissie Hofstee is naar het oordeel van de president een onafhankelijke adviescommissie, waarvan de werkzaamheden zich onttrekken aan de bestuurlijke verantwoordelijkheden van verweerder.

De verantwoordelijkheid van verweerder voor de juiste toepassing van de WOB strekt zich dan ook niet uit tot de informatie waarover de commissie Hofstee beschikt.

De president is voorts van opvatting dat de secretaris van de commissie, M.J.A.A. Nijhuis, hoewel in dienst van de Rijks Universiteit Leiden, deelt in de onafhankelijke positie van de commissie Hofstee voorzover het haar werkzaamheden voor de commissie betreft.

Zij is voor de commissie niet werkzaam geweest als vertegenwoordiger van verweerder of een ander bestuursorgaan van de universiteit.

De president constateert vervolgens dat de verslagen van de gesprekken van de commissie Hofstee nooit aan verweerder of een ander orgaan van de universiteit zijn toegezonden, noch ooit door hen zijn opgevraagd.

Voor de commissie Hofstee bestond geen verplichting deze stukken aan verweerder over te dragen.Voor verweerder bestond geen verplichting deze stukken op te vragen.

Naar het oordeel van de president kan daarom niet worden gesteld dat de verslagen vallen onder de definitie van document in artikel 1, sub a van de WOB: een bij een overheidsorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Dit ongeacht het antwoord op de vraag waar zij zich feitelijk bevinden.

Deze opvatting is naar het oordeel van de president in lijn met het gestelde in de Memorie van Toelichting (19 859, nr. 3, pag 15).

De president is van oordeel dat voor verweerder geen verplichting bestaat op grond van de WOB om eiser de door hem gevraagde stukken te verstrekken of ter inzage te geven.

Verweerder heeft dan ook het bezwaar van eiser terecht ongegrond verklaard.

Op grond van deze beslissing heeft eiser geen belang meer bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening, zodat dit dient te worden afgewezen.

Het verzoek van verweerder ter zitting gedaan om eiser in de proceskosten te veroordelen dient afgewezen te worden.

De president is het volstrekt niet eens met verweerder dat de zaak zo kennelijk ongegrond is dat veroordeling van eiser in de proceskosten van verweerder (voor zover daar al ruimte voor is nu geen sprake is van professionele rechtsbijstand) wegens misbruik van procesrecht op zijn plaats zou zijn.

Beslist is als volgt.

5. Beslissing.

De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

6.Rechtsmiddel.

Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na datum van verzending daarvan hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 van de Awb.

Aldus gegeven door mr.T.M.A. Claessens, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 1999 en in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,