Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1074

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/5056 en 99/5627
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: 99/5056 en 99/5627

Inzake 1. [verzoeker1] e.a., woonachtig te Gouda, verzoekers 1 en

de Vereniging van watereigenaren en rechthebbende gebruikers te Reeuwijk;

de Besloten Vennootschap IJsselstein Gouda B.V.;

R. Bras, verzoekers 2.

tegen het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder.

Derde partij(en): Bouwgroep "Ouwe Gouwe" B.V., vergunninghoudster,

het College van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

1.Gevraagde voorlopige voorziening.

Een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb is verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 27 april 1999 (verzonden op 29 april 1999), kenmerk 98/1169/1, waarbij aan Bouwgroep "Ouwe Gouwe" B.V. op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en met toepassing van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet (WoW) bouwvergunning is verleend voor de bouw van 28 eensgezinswoningen, 19 appartementen, 850 vierkante meter kantoorruimte en een bedrijfsruimte op de voormalige Rutgeslokatie tussen de Breevaart en de Bodegraafsestraatweg.

2.Zitting.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 7 juli 1999.

Verzoekers 1. hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. D.G. Veldhuizen, advocaat te Alphen aan den Rijn.

Verzoekers 2. hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Den Haag.

Bouwgroep "Ouwe Gouwe" B.V. heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.J. Suyver, advocaat te Alphen aan den Rijn, die zich heeft laten bijstaan door ing. F.F. Hulpusch.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door B. van Oosten.

Gedeputeerde Staten hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. I.T.T. Vermeulen.

3.Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Op 24 maart 1997 heeft de gemeenteraad van de gemeente Gouda op grond van artikel 21 van de WRO besloten te verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor het gebied dat wordt begrensd door de Breevaart, de Bodegraafsestraatweg en de Goudse Houtsingel, overeenkomstig het bij het besluit behorende tekening. Het besluit is op 24 april 1997 in werking getreden.

Naar aanleiding van een door Bouwgroep "Ouwe Gouwe" B.V. ingediend schetsplan voor het oprichten van 28 eensgezinswoningen, 19 appartementen, 850 vierkante meter kantoorruimte en een bedrijfsruimte op de voormalige Rutgeslocatie op de hoek van de Bodegraafsestraatweg en de Goudse Houtsingel en grenzend aan de Breevaart, heeft verweerder bij schrijven van 26 november 1997 bij GS een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, lid 1, van de WRO ingediend.

Bij brief van 6 maart 1998 is de gevraagde verklaring van geen bezwaar door GS afgegeven.

Op 23 december 1998 heeft de Bouwgroep "Ouwe Gouwe" B.V. bij verweerder een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning ten behoeve van het bouwplan.

Bij besluit van 27 april 1999 heeft verweerder aan Bouwgroep "Ouwe Gouwe" B.V. op grond van artikel 19 van de WRO vrijstelling en met toepassing van artikel 50, vijfde lid, van de WoW bouwvergunning verleend voor dat bouwplan.

Hiertegen hebben zowel verzoekers 1 als verzoekers 2 bezwaar gemaakt.

Verzoekers 1 hebben de president op 10 juni 1999 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekers 2 hebben dat op 29 juni 1999 gedaan.

De president overweegt het volgende.

Vast staat en niet in geschil is dat het onderhavige bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan "Noord en Noordwest" 1954.

Teneinde de realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft de raad van de gemeente Gouda op 29 maart 1999 op grond van artikel 21 van de WRO besloten te verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor een gebied dat wordt begrensd door de Breevaart, De Bodegraafsestraatweg en de Goudse Houtsingel, overeenkomstig de bij het besluit behorende tekening.

Dit besluit is op 22 april 1999 in werking getreden.

Bij brief van 6 maart 1998 hebben GS - onder de werking van het voorbereidingsbesluit van 24 maart 1997 - een verklaring van geen bezwaar afgegeven, waarbij is medegedeeld dat wordt ingestemd met verweerders weerlegging van de naar voren gebrachte bedenkingen bij brief van 26 november 1997.

Aanvankelijk was voor de voormalige Rutgeslocatie een bouwplan ontworpen door Beheersmaatschappij De Wit B.V. Voor dit bouwplan heeft verweerder bij besluit van 11 maart 1997, na het volgen van de anticipatieprocedure, bouwvergunning verleend. Na overleg met genoemde Beheersmaatschappij en verweerder heeft Bouwgroep "Ouwe Gouwe" B.V. nadien een nieuw plan voor genoemde locatie ontwikkeld, met de bedoeling dat in de plaats te stellen van het plan van Beheersmaatschappij De Wit B.V.

Verzoekers 2. maken bezwaar tegen het feit dat GS op 6 maart 1998 een verklaring van geen bezwaar hebben verleend op basis van een schetsplan van Bouwgroep "Ouwe Gouwe" B.V., terwijl er op dat moment nog geen aanvraag bouwvergunning was ingediend. Naar verzoekers 2. stellen past dit niet in het stelsel van de WRO en de daarin voorziene anticipatieprocedure, omdat met een schetsplan nog niet vast staat hoe het uiteindelijke en definitieve plan zoals blijkt uit de formele bouwaanvraag er uit komt te zien.

De president volgt verzoekers 2. niet in dit standpunt. Naar haar oordeel is voldoende komen vast te staan dat de verklaring van geen bezwaar is aangevraagd en afgegeven op basis van een concreet en vastomlijnd bouwplan en dat het schetsplan inhoudelijk overeenstemt met het bij de aanvraag bouwvergunning gevoegde bouwplan. Mede gelet op de door verweerder bij de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar gevoegde weerlegging van de tegen het schetsplan ingebrachte bedenkingen ziet de president geen reden aan te nemen dat GS de inhoud van het bouwplan onvoldoende duidelijk is geweest.

De president constateert op grond van het voorgaande dat aan de formele vereisten voor het volgen van de anticipatieprocedure is voldaan.

Verzoekers 1. zijn allen woonachtig aan de Bodegraafsestraatweg. Gelet op het feit dat de bouwlocatie is gelegen aan de overzijde van deze weg, tegenover hun woningen, is de president van oordeel dat de belangen van verzoekers 1. rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken en dat zij daarom kunnen worden ontvangen in hun verzoek om een voorlopige voorziening.

Blijkens de statuten van de Vereniging van watereigenaren en rechthebbende gebruikers te Reeuwijk heeft de vereniging tot doel het behartigen van de belangen van de leden en het op elkaar afstemmen van de verschillende vormen van watergebruik, zoals recreatie, beroeps- en sportvisserij, jacht op het waterwild en natuurbehoud. Naar ter zitting is gesteld richten de feitelijke activiteiten van de vereniging zich onder meer op het behoud van de natuur- en landschappelijke waarden in het Reeuwijkse Plassengebied.

Gelet op het feit dat de bouwlocatie is gelegen aan de Breevaart en de Breevaart grenst aan het Reeuwijkse Plassengebied biedt het voorgaande de president vooralsnog voldoende grond voor het oordeel dat de vereniging belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

R. Bras is eigenaar van de Besloten Vennootschap IJsselstein Gouda B.V. en is tevens eigenaar/bewoner van het woonhuis aan het adres Platteweg 1 te Gouda.

Het woonhuis bevindt zich aan de andere kant van de Breevaartbrug, aan de overzijde van de Breevaart. De president sluit vooralsnog niet uit dat er van het te realiseren bouwplan als zodanig enig objectief bepaalbaar effect op de woonomgeving van van R. Bras te verwachten is. Zij merkt hem daarom vooralsnog aan als belanghebbende bij het bestreden besluit en ontvangt hem in zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

Ter zitting is namens de Besloten Vennootschap IJsselstein Gouda B.V. medegedeeld dat inmiddels is geconstateerd dat zij geen zelfstandig belang heeft bij het bestreden besluit. De president volgt dit standpunt en verklaart deze verzoekster daarom niet ontvankelijk in haar verzoek om een voorlopige voorziening.

Waar in het vervolg van deze uitspraak wordt gesproken over verzoekers 2. worden daarmee bedoeld de Vereniging van watereigenaren en rechthebbende gebruikers te Reeuwijk en R. Bras.

Uit de jurisprudentie volgt dat de bevoegdheid om via een anticipatieprocedure medewerking te verlenen aan een bouwplan slechts is gegeven voor situaties waarin de totstandkoming van het bestemmingsplan waarop wordt vooruitgelopen redelijkerwijs niet kan of behoeft te worden afgewacht. De uitoefening van deze bevoegdheid vereist een afweging van belangen, waarbij onder meer de omvang, de mate van planologische ingrijpendheid, de betekenis en de urgentie van het betrokken bouwplan worden afgewogen tegen de aan de bouw tegengestelde belangen, waaronder het nadeel dat het reeds voltooid zijn van de gewraakte bouw afbreuk zal doen aan de mogelijkheid voor derden om zinvol tegen het bestemmingsplan op te komen. De wetgever heeft daarbij de mogelijkheid van toepassing van deze procedure in het geval nog enkel sprake is van een voorbereidingsbesluit niet uitgesloten.

De mate van de te verlangen spoedeisendheid van het project is afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime alsmede van de planologische uitstraling die het project op de omgeving heeft. Naar gelang de ingreep zwaarder is, zal het belang van de bijzondere waarborgen waarmee de wetgever de gewone planprocedure heeft omgeven zich sterker doen gelden. Ook aan het planologische kader waarop vooruit wordt gegrepen in de anticipatieprocedure, dienen zwaardere eisen te worden gesteld naarmate de ingreep in de bestaande situatie ernstiger is.

Het bouwplan is gesitueerd op de voormalige Rutgeslocatie, en wordt begrensd door de Bodegraafsestraatweg, de Breevaart, de Goudse Houtsingel en het verlengde daarvan, de Breevaartbrug.

Krachtens het vigerende bestemmingsplan "Noord en Noordwest" 1954 rust op de betreffende grond de bestemming "Veilingterrein en opslagplaats". Artikel 20 van de bestemmingsplanvoorschriften bepaalt dat daarop alleen gebouwen, geschikt en ingericht voor handels- en industriedoeleinden met daarbij behorende bijgebouwen en andere daarbij behorende bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat:

a. de bebouwde oppervlakte ten hoogste 40% van de oppervlakte van het bouwperceel zal bedragen;

b. ten hoogste twee dienstwoningen zullen worden gebouwd;

c. de goothoogte niet meer dan 8 meter zal bedragen.

Ingevolge artikel 33 van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 20 sub a. van de planvoorschriften.

Het bouwplan voorziet in de bouw van in totaal 28 woningen langs de Bodegraafsestraatweg en de Breevaart. De woningen bestaan uit 3 bouwlagen en zijn 8.40 meter hoog. In het meest noordelijke bouwblok langs de Breevaart is de mogelijkheid opgenomen voor de vestiging van enkele vrije beroepen. In het meest noordelijke bouwblok langs de Bodegraafsestraatweg is de mogelijkheid opgenomen voor de vestiging van een dienstverlenend bedrijf van beperkte omvang, zoals een kapsalon. Daarnaast voorziet het plan in de bouw van een appartementengebouw, evenwijdig aan de Goudse Houtsingel, waarin 17 appartementen en 2 penthouses zijn opgenomen. In het gebouw is ook een niet woonfunctie opgenomen in de vorm van kantoorruimten.

Het appartementencomplex laat van west (op de hoek van de Goudse Houtsingel en de Bodegraafsestraatweg) naar oost (de kant van de Reeuwijkse Plassen) een gevelbeeld zien van 7 lagen (19.60 meter hoog), 3 lagen ter plaatse van het middenstuk (8.40 meter hoog), en vervolgens een terrasvormige opbouw van 6 bouwlagen nabij de Breevaart (16.80 meter hoog). De terrasvormige opbouw wordt afgebouwd van 6 lagen naar 5 lagen (14 meter hoog), naar 3 lagen (8.40 meter hoog).

De wijziging van de vigerende bestemming die op de onderhavige grond rust in een bestemming ten behoeve van woningen, kantoren en bedrijfsruimte acht de president op zichzelf beschouwd en in relatie tot de bebouwde omgeving niet ingrijpend.

De ongeclausuleerde vrijstellingsmogelijkheid van artikel 33 van de planvoorschriften maakt het mogelijk dat 100% van de oppervlakte van het bouwperceel wordt bebouwd. Het feit dat volgens het bouwplan minder dan 100% van de oppervlakte van het bouwperceel wordt bebouwd leidt de president tot de conclusie dat de inbreuk van het bouwplan op het thans toegelaten bebouwingspercentage nihil is.

Het vigerende bestemmingsplan kent voor bebouwing op de Rutgeslocatie een maximale goothoogte van 8 meter. Het plan kent geen maximale (absolute) hoogte. Voor wat dit laatst betreft hanteert verweerder de in de bouwverordening neergelegde maximale hoogte van 15 meter. Uit het voorgaande volgt dat het mogelijk is om op een gebouw met een goothoogte van 8 meter nog een kap te plaatsen. Gelet hierop wordt met de bouw van de woningen met een hoogte van 8.40 meter naar het oordeel van de president geen grote inbreuk gemaakt op het vigerende bestemmingsplan. De uitstraling van de geplande woningen op de omgeving acht de president, gelet op het karakter van de bebouwing in de omtrek, eveneens beperkt.

Het appartementencomplex is voorzien van een plat dak. De president constateert dat daardoor de goothoogte van dit gebouw gelijk is aan de (absolute) hoogte van het gebouw. Gelet op de thans geldende maximale goothoogte van 8 meter wordt naar het oordeel van de president met de bouw van het appartementencomplex, gelet op de hierboven weergegeven goothoogte van maximaal 19.60 meter, een ingrijpende inbreuk gemaakt op het vigerende planologische regime.

De president is van oordeel dat met de bouw van het appartementencomplex ter afsluiting van het stedelijk gebied en aan de grens van het plassengebied de uitstraling op de omgeving groot is. Dit geldt zowel voor de uitstraling naar de nabijliggende bebouwing, die voornamelijk bestaat uit eensgezinshuizen - waaronder de woningen van verzoekers 1. -, als voor de uitstraling naar het plassengebied. Aan de zijde van het plassengebied is het complex weliswaar getrapt, maar gelet op de genoemde goothoogte is de uitstraling niettemin groot te achten.

Gelet op de geconstateerde ingrijpendheid van de inbreuk en de uitstraling van het bouwplan voor wat betreft het appartementencomplex, dienen er zwaardere eisen gesteld te worden aan het toekomstig planologisch kader en de urgentie.

Anders dan de vergunninghoudster is de president van oordeel dat bij de waardering van het planologisch toetsingskader en de urgentie niet de aan Beheersmaatschappij De Wit B.V. verstrekte - en naar het zich laat aanzien inmiddels onherroepelijk geworden - bouwvergunning als uitgangspunt dient te gelden, maar het vigerende bestemmingsplan, alsmede de overige beleidsstukken waarin het onderhavige plan zou passen.

Verweerder heeft gesteld dat het onderhavig bouwplan planologisch wordt onderbouwd door:

- het Structuurplan voor de gemeente Gouda van 7 juni 1982;

- het voorontwerp-bestemmingsplan "Mammoet" uit 1984;

- een positief advies van de Provinciale Planologische Commissie (PPC) van 12 januari 1984 met betrekking tot dit voorontwerp;

- het door de raad op 13 november 1995 vastgesteld Stadsplan, waarin de gewenste ontwikkeling van de Rutgeslocatie is beschreven;

- het op 22 juni 1995 door de PPC ten aanzien van het Stadsplan uitgebrachte positieve advies;

- de Nota van Beantwoording Stadsplan Gouda van augustus 1995.

De president overweegt dat uit het door verweerder gepresenteerde planologische toetsingskader genoegzaam blijkt dat de Rutgeslocatie al in 1982 is bestemd voor woningbouw. Nog afgezien van het feit dat het kader nagenoeg niets vermeldt over de wenselijkheid van de realisering van kantoor- en bedrijfsruimte op de genoemde locatie, schiet naar het oordeel van de president het toetsingskader met name op het punt van de voorgenomen bouwhoogte tekort.

Artikel 25, lid 1, van het voorontwerp-bestemmingsplan Mammoet gaf aan de Rutgeslocatie de bestemming "woondoeleinden, erf, tuin, groenvoorzieningen, verblijfsdoeleinden en water". In artikel 25, tweede lid, was bepaald dat burgemeester en wethouders deze bestemming uitwerken waarbij zij onder meer in acht dienen te nemen dat ten minste 25 en ten hoogste 65 eensgezinswoningen/meergezinswoningen worden gebouwd en maximaal 20 meergezinshuizen, dat de goothoogte en de hoogte van de eensgezinshuizen respectievelijk maximaal 9 en 12 m mogen bedragen en de goothoogte en hoogte van de meergezinshuizen respectievelijk 12 en 15 meter mogen bedragen.

Verweerder heeft de Rutgeslocatie op een gegeven moment uit genoemd voorontwerp-bestemmingsplan gelicht. Naar verweerder heeft gesteld hield dit verband met het feit dat het veel tijd zou vergen deze locatie te herontwikkelen vanwege bodemverontreiniging, geluidbelasting vanwege het wegverkeer en de noodzaak tot het realiseren van een kwalitatief hoogwaardige woonbebouwing in een dynamische woningmarkt.

De president constateert dat de hoogte van het geplande appartementencomplex aanzienlijk afwijkt van het in het voorontwerp-bestemmingsplan "Mammoet" neergelegde (goot)hoogte. In de overige tot het planologisch kader behorende stukken ontbreekt een (nader) standpunt omtrent een exacte maximale bouwhoogte.

Het Structuurplan voor de gemeente Gouda uit 1982 voorziet slechts in de aanwijzing van de Rutgeslocatie als te ontwikkelen stads- en dorpsgebied met voornamelijk woningbouw.

In het eerdergenoemde Stadsplan is met betrekking van de Rutgeslocatie de volgende passage opgenomen:

"Dit terrein ligt op de overgang van woongebied naar ommeland en bovendien nog op de kruising van twee belangrijke lijnen in de stad: de stadsontsluitingsweg Burgemeester van Reenensingel en de Breevaart, gevormd door de Breevaartbrug. De toekomstige bebouwing op het Rutgesterrein zal dit belangrijke punt kunnen markeren door een afwijkende bouw in hoogte, bouwvolume en architectuur.

Uit verweerders brief van 26 november 1997 waarin hij de tegen het bouwplan ingebrachte bedenkingen heeft weerlegd blijkt dat in de Nota van Beantwoording Stadsplan Gouda welbewust geen bovengrens voor de maximaal te realiseren bouwhoogte is aangegeven.

Het voorgaande leidt de president tot de conclusie dat het planologisch toetsingskader onvoldoende onderbouwing biedt voor de bouwhoogte van het appartementencomplex zoals thans voorzien en de effecten daarvan.

In dit verband acht de president van belang dat niet is gebleken dat verweerder ten behoeve van dit bouwplan inmiddels een procedure voor de herziening van het bestemmingsplan voor de Rutgeslocatie is gestart danwel voornemens is op korte termijn een dergelijke procedure te starten.

Wat betreft de urgentie van het bouwplan heeft verweerder in de aanvraag verklaring van geen bezwaar vermeld dat de directie van Bouwgroep "Ouwe Gouwe" B.V. met de gemeente een projectovereenkomst heeft gesloten, waarin is overeengekomen dat het project ten laste komt van het planologisch contingent voor het jaar 1998. Het werd daarom noodzakelijk en urgent geacht dat het bouwproject daadwerkelijk in 1998 zou worden uitgevoerd, omdat voor de daarop volgende jaren geen contingenten voor het project gereserveerd kunnen worden.

Ter zitting heeft verweerder ten aanzien van de urgentie aangevoerd dat de Rutgeslocatie al in 1984 in het kader van het voorontwerp-bestemmingsplan Mammoet is bestemd voor woningbouw, maar dat door het alsnog niet opnemen van deze locatie in het voorontwerp bestemmingsplan vanwege de hiervoor genoemde redenen pas in 1994 een ontwikkelingsovereenkomst is gesloten met Beheermaatschappij De Wit B.V. en aan laatstgenoemde pas in 1997 een bouwvergunning is afgegeven. Vervolgens is verweerder ingegaan op het initiatief van Bouwgroep Ouwe Gouwe om ter plaatse kwalitatief hoogwaardige bebouwing te realiseren. Verweerder heeft voorts opgemerkt dat inmiddels is gebleken dat de behoefte aan de geplande woningen enorm is. Ten aanzien van dat laatste heeft de vergunninghouder nog opgemerkt dat zich reeds 500 geïnteresseerden voor de woningen hebben gemeld.

Uit het feit dat het aanvankelijk de bedoeling was de locatie in 1997 te bebouwen, vervolgens realisatie van het bouwplan is verschoven naar 1998 en nogmaals naar 1999, leidt de president af dat het voor verweerder niet onmogelijk is om de reservering van contingenten naar volgende jaren door te schuiven. Daarom is er naar het oordeel van de president, gelet op de hiervoor vastgestelde inbreuk en uitstraling van het bouwplan en het voorhanden zijnde planologische toetsingskader, geen sprake van zodanige urgentie dat het volgen van de anticipatieprocedure daarmee is gerechtvaardigd.

Het feit dat er momenteel veel vraag is naar de geplande woningen leidt de president niet tot een ander oordeel omdat dit niet kan opwegen tegen de belangen die door uitvoering van het bouwplan mogelijk worden geschaad.

Het voorgaande leidt de president tot de conclusie dat verweerder geen gebruik heeft kunnen maken van de anticipatieprocedure teneinde realisatie van het onderhavige bouwplan mogelijk te maken. De president ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige vooziening van zowel verzoekers 1. als verzoekers 2. in te willigen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst.

De president ziet tevens aanleiding verweerder op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de door verzoekers 1. en 2. (met uitzondering van de Besloten Vennootschap IJsselstein Gouda B.V.) in verband met de behandeling van hun verzoeken gemaakte proceskosten. Het bedrag van de kosten wordt voor zowel verzoekers 1. als verzoekers 2. vastgesteld op 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1, f 710,- per punt, in totaal f 1.420,-).

4.Beslissing.

De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening van de Besloten Vennootschap IJsselstein Gouda B.V. niet ontvankelijk;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht van de overige verzoekers toe in dier voege dat het besluit van verweerder van 27 april 1999 wordt geschorst;

Veroordeelt verweerder in de kosten ad f. 1.420,- onder aanwijzing van de gemeente Gouda als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers 1. dient te vergoeden.

Veroordeelt verweerder in de kosten ad f 1.420,- onder aanwijzing van de gemeente Gouda als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers 2. (met uitzondering van de Besloten Vennootschap IJsselstein Gouda B.V.) dient te vergoeden;

Gelast dat de gemeente Gouda, als rechtspersoon aan verzoekers 1. het door dezen betaalde griffierecht, zijnde f. 225,-, vergoedt.

Gelast dat de gemeente Gouda als rechtspersoon aan verzoekers 2. (met uitzondering van de Besloten Vennootschap IJsselstein Gouda B.V.) het door dezen betaalde griffierecht, zijnde f. 450,-, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E.R. Houweling, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 1999, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,