Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1998:ZF0021

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-11-1998
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
98/4969
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 2a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 76a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 87e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1998/320 met annotatie van MD
JB 1998/288 met annotatie van HJS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-GravenhageSector Bestuursrecht Eerste kamer, meervoudig

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: 98/4969 PREMIE

Inzake: Gouderak B.V., gevestigd te Gouda, eiseres,

tegen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder (Gak Amsterdam) van 20 mei 1998, kenmerk BRS/CAE-Pemba 004 100.148.27.

2. Zitting.

De zitting vond plaats op 22 september 1998.

Eiseres werd vertegenwoordigd door mr. B.A. Wille, advocaat te Alphen aan den Rijn, en door A.J.M. Hoogduin, werkzaam in dienst van eiseres.

Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

3. Feiten.

Op 8 augustus 1994 is A in dienst van eiseres getreden op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar.

Op 23 november 1994 is hij wegens ziekte uitgevallen voor zijn werkzaamheden. De arbeidsovereenkomst is vervolgens niet verlengd.

Met ingang van 22 november 1995 is betrokkene door verweerders rechtsvoorganger, het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Hout- en Meubelindustrie en Groothandel in Hout, in aanmerking gebracht voor uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij besluit van 12 december 1997 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij behalve de ingevolge de WAO voor elke werkgever geldende basispremie over 1998 tevens een gedifferentieerde premie van 0,70% verschuldigd is.

Bij brief van 22 januari 1998 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het thans bestreden besluit is dit bezwaar ongegrond verklaard.

Op 25 juni 1998 is namens eiseres beroep tegen dit besluit ingesteld.

Op 11 augustus 1998 is terzake een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de beschikking gekregen over de gedingstukken.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

Inleiding.

Op 1 januari 1998 is de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Stb. 1997, 175, hierna: de Wet Pemba) in werking getreden. Doel van deze wet is onder meer, de werkgever te stimuleren om ten aanzien van arbeidsongeschiktheid een adequaat preventie- en reïntegratiebeleid te voeren. Bij wijze van financiële prikkel is de door de werkgever te betalen WAO-premie gedeeltelijk afhankelijk gemaakt van de aan (voormalige) werknemers uitgekeerde WAO-uitkeringen in een bepaald jaar.

De werkgever heeft er gezien de premiesystematiek dus belang bij, dat zo weinig mogelijk van zijn werknemers een WAO-uitkering gaan ontvangen.

In artikel 2a WAO (zoals deze wet tot 1 januari 1998 luidde) was echter geregeld dat bij een besluit ingevolge de WAO dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid (slechts) belanghebbende is degene op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft. Een werkgever kon dus tegen een dergelijke beslissing geen rechtsmiddelen aanwenden. In verband hiermee is dit artikel bij de Wet Pemba ingetrokken. Daardoor ging de definitie die artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het begrip belanghebbende geeft, namelijk: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, ook voor de toepassing van de WAO gelden. Het belanghebbende-begrip is daarmee aanzienlijk verruimd.

De wetgever heeft willen voorkomen dat het recht van de werkgever op informatie in het kader van een adequate procesvoering de privacy van de werknemer in onaanvaardbare mate zou aantasten, en omgekeerd, dat de werkgever "in een achterstandssituatie ten opzichte van de werknemer of de bedrijfsvereniging" zou komen te verkeren (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 698, nr. 3, bladzijde 53). Om recht te doen aan zowel het recht van de werknemer op privacy als aan het beginsel van equality of arms is in de artikelen 88 en volgende van de WAO de informatieverstrekking met betrekking tot medische gegevens aan de werkgever nader geregeld.

Gedifferentieerde premie.

Op grond van artikel 76a WAO is de werkgever een basispremie en een gedifferentieerde premie verschuldigd, welke op grond van artikel 76b, eerste lid, WAO aan verweerder dient te worden betaald. Deze premies dienen ter financiering van de uitgaven van het Arbeidsongeschiktheidsfonds en de Arbeidsongeschiktheidskas.

Hoe de gedifferentieerde premie wordt berekend is geregeld in het op artikel 78, zesde lid, WAO berustende Besluit premiedifferentiatie WAO (hierna te noemen: het Besluit). Uit artikel 4, eerste en tweede lid van dit Besluit blijkt dat deze premie is gebaseerd op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bedoeld in artikel 76f WAO, die in het tweede kalenderjaar voor het premiejaar zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot een werkgever.

Uit artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit blijkt dat onder die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn begrepen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 19 WAO hebben doorgemaakt.

Ten aanzien van het premiejaar 1998 zijn voor de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie de in 1996 aan werknemers, die bij het intreden van hun arbeidsongeschiktheid in dienst van eiseres waren, uitgekeerde WAO-uitkeringen van belang, voor zover deze in 1996 nog geen vijf jaar hebben geduurd (zie voor deze termijn de artikelen 76f, eerste lid, WAO juncto 4, tweede lid, van het Besluit).

In het onderhavige geval behoorde hiertoe ook de WAO-uitkering van de voormalig werknemer van eiseres, A.

Standpunten partijen.

Namens eiseres is in bezwaar en beroep aangevoerd, dat zij onvoldoende inzicht heeft in de medische gegevens van A en zijn recht op uitkering niet heeft kunnen beoordelen of aanvechten.

Het voldoen van de gedifferentieerde premie is volgens eiseres een "civil obligation" in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). In het onderhavige geval is volgens eiseres niet voldaan aan de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende vereisten van onbelemmerde toegang tot de rechter en van equality of arms.

Namens eiseres is onweersproken gesteld dat zij over 1998 een bedrag van f 8000 (0,19%) aan gedifferentieerde premie is verschuldigd terzake van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van A.

Verweerder heeft erop gewezen dat op grond van artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit de aan betrokkene verstrekte WAO- uitkering bij de vaststelling van de premiedifferentiatie dient te worden betrokken. Ingevolge artikel 87e WAO kan in dit kader de vraag of de uitkering terecht is toegekend niet worden opgeworpen. Hierin is namelijk geregeld, dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 78, derde of vierde lid, bedoelde opslag of korting niet kan zijn gegrond op de grief, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Oordeel rechtbank.

Ten aanzien van de reikwijdte van artikel 87e WAO stelt de rechtbank allereerst vast, dat deze zich niet slechts uitstrekt tot de (eerste) toekenning van een WAO-uitkering, maar ook tot beslissingen die een wijziging (verhoging of verlaging) van de mate van arbeidsongeschiktheid inhouden. In het navolgende zal zij deze besluiten omwille van de leesbaarheid echter als "toekenning" of "toekenningsbeslissing" aanduiden.

Artikel 6 EVRM.

Uit een uitspraak van 9 december 1994 (JB 1995, 49, inzake Schouten en Meldrum) blijkt dat volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens premieheffing in het kader van de sociale werknemersverzekeringswetten ("contributions under social-security schemes") dient te worden beschouwd als betrekking hebbend op "the determination of civil rights and obligations" zoals vermeld in artikel 6 EVRM.

Dit betekent dat de rechtsgang van eiseres met betrekking tot de in geding zijnde premieheffing moet voldoen aan de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende elementaire eisen, zoals toetsing van de "the merits of the matter" en de "equality of arms".

Met betrekking tot de toetsing van de merits of the matter overweegt de rechtbank als volgt.

Deze eis brengt met zich dat de rechter een volledig onderzoek moet kunnen instellen naar de zaak, zowel feitelijk als rechtens, en bij zijn beoordeling daarvan niet aan beperkingen gebonden is die hem beletten om juist die aspecten te onderzoeken die de vaststelling van het burgerlijk recht betreffen (zie mr. M.B.W. Biesheuvel, pr‚-advies voor de Nederlandse Vereniging voor Europees Recht 1988, SEW 11 (november) 1988).

In de terminologie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dient de rechter te beschikken over "jurisdiction to examine the merits of the matter" (uitspraak van 8 juli 1987, B. v. Verenigd Koninkrijk).

De rechtbank stelt vast dat het bestaan van arbeidsongeschiktheid bij een werknemer voorwaarde is voor het ontstaan van de burgerlijke verplichting (civil obligation) van het betalen van een gedifferentieerde premie. De hoogte van de WAO-uitkering is voorts eveneens van invloed op de premie.

Naar het oordeel van de rechtbank behoren het al of niet bestaan van arbeidsongeschiktheid en het percentage van arbeidsongeschiktheid waarnaar een WAO-uitkering wordt berekend dan ook tot de hiervoor aangeduide "merits of the matter", waarover de rechterlijke toetsing zich dient uit te strekken.

Werkgever als belanghebbende bij de toekenningsbeslissing.

Zoals hiervoor reeds is gebleken, is ook de wetgever van mening dat een werkgever de toekenning van WAO-uitkeringen aan zijn werknemers dient te kunnen aanvechten; hieraan is vorm gegeven door het intrekken van artikel 2a WAO per 1 januari 1998. Zowel om proceseconomische redenen als om te voorkomen dat verschillende procedures leiden tot verschillende uitkomsten, is het volgens de wetgever te verkiezen, dat de werkgever op een zo vroeg mogelijk tijdstip van zijn beroepsrecht gebruik maakt. Om die reden is artikel 87e WAO ingevoerd. Aldus wordt de werkgever gedwongen hem onwelgevallige toekenningsbeslissingen binnen de daarvoor geldende bezwaar- en beroepstermijnen aan te vechten.

Wanneer de op die toekenning betrekking hebbende premienota wordt ontvangen, is het daarvoor te laat.

De wetgever heeft de verwachting uitgesproken, dat eigen-risicodragers en kleine bedrijven vermoedelijk belanghebbende zullen zijn bij het toekennen van de WAO-uitkering, maar dat dit voor grote niet eigen-risicodragende bedrijven (zoals eiseres) wel eens anders zou kunnen zijn. Zij zullen volgens de wetgever moeilijker aan kunnen tonen dat juist de toekenning van deze WAO-uitkering feitelijke gevolgen voor de premiehoogte zal hebben. "Het enkele feit dat de toekenning van de uitkering in de toekomst van invloed kan zijn op de door de werkgever te betalen premie is onvoldoende reden, gezien het generieke karakter van het voorgestelde premiedifferentiatiesysteem, om te spreken van een rechtstreeks belang", aldus de Memorie van Toelichting (bladzijde 95) bij artikel 88 WAO.

Te dien aanzien overweegt de rechtbank het volgende.

Het is duidelijk dat een werkgever die de WAO-uitkeringen van zijn werknemers zelf betaalt rechtstreeks belanghebbende is bij het besluit om zo'n uitkering toe te kennen.

Het belang van de niet-eigen risicodragers manifesteert zich pas twee jaar na de toekenning van de uitkering. Niet iedere uitkering leidt noodzakelijkerwijs (onmiddellijk na de twee jaar) tot een hogere gedifferentieerde premie, aangezien deze aan een maximum is gebonden. Mede in verband met het grote verschil in werkgeversrisico wordt een verschillende premiesystematiek gehanteerd naar gelang de omvang van de onderneming. Kleine werkgevers zullen blijkens de toelichting op het Besluit nagenoeg altijd de maximum premie verschuldigd zijn indien één werknemer arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, WAO wordt. Grote werkgevers zullen de maximale premie echter slechts bij uitzondering verschuldigd zijn.

Bepalend is, of toepassing van de wet een natuurlijke of rechtspersoon belanghebbende maakt in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb. In de meeste gevallen is voor een werkgever een hogere of langduriger verhoogde gedifferentieerde premie het voorzienbaar effect van toekenning van een WAO-uitkering. De toekenningsbeslissing is aldus een cruciaal onderdeel van de besluitvorming leidend tot een verhoogde gedifferentieerde WAO-premie. Dit acht de rechtbank een voldoende rechtstreeks belang. Het generieke karakter van een (onderdeel van een) wet maakt dat belang niet minder rechtstreeks (en is op zichzelf ook geen reden om geen rechtsbescherming te bieden). Dit geldt ook voor het feit dat het effect van toekenning van een WAO-uitkering zich pas op termijn doet voelen.

Een werkgever is naar het oordeel van de rechtbank dan ook in beginsel belanghebbende bij een besluit tot toekenning van een WAO-uitkering aan een van zijn werknemers. Dit geldt ook voor eiseres.

Artikel 87e WAO.

Uit het vorenstaande blijkt dat het de werkgever met ingang van 1 januari 1998 mogelijk is gemaakt een rechterlijk oordeel te verkrijgen ten aanzien van alle "merits of the matter" van de premiebeschikking, ook met betrekking tot de toekenning van de WAO-uitkering.

Eiseres heeft echter niet de mogelijkheid gehad zich tegen toekenning van de WAO-uitkering aan haar voormalige werknemer A te verzetten, omdat toentertijd artikel 2a WAO nog van kracht was.

Thans wordt haar het bepaalde in artikel 87e WAO tegengeworpen. Deze bepaling staat eraan in de weg dat de door de rechtbank te verrichten toetsing van het bestreden besluit ter zake van de premievaststelling zich mede uitstrekt over de toekenning van de WAO-uitkering aan A.

Nu die toekenning één van "the merits of the matter" van de in geding zijnde premievaststelling vormt, voldoet evengenoemde bepaling derhalve in zoverre niet aan de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende elementaire eis.

Artikel 87e WAO dient derhalve, voorzover het werkgevers zoals eiseres betreft, die gedifferentieerde premie moeten gaan betalen in verband met WAO-uitkeringen tegen de toekenning waarvan zij destijds niet in rechte hebben kunnen opkomen omdat de WAO dat niet toeliet, wegens strijd met artikel 6 EVRM als onverbindend buiten toepassing te worden gelaten. Verweerder heeft dit bij het bestreden besluit ten onrechte niet onderkend.

Naar aanleiding van de grief van eiseres dat zij onvoldoende inzicht heeft in de medische gegevens van A en zijn recht op WAO-uitkering niet heeft kunnen beoordelen, overweegt de rechtbank voorts nog dat naar haar oordeel evenmin is voldaan aan de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende eis dat de "equality of arms" moet worden gerespecteerd.

Hiertoe stelt de rechtbank vast dat eiseres geen inzicht heeft in de aan de toekenning van de WAO-uitkering aan A ten grondslag gelegde relevante gegevens en derhalve in zoverre ook inzicht mist in de grondslag van de in geding zijnde premievaststelling, die immers op die toekenning is gebaseerd. Dit in tegenstelling tot verweerder, die tot de toekenning van WAO-uitkering aan eiseres heeft besloten en derhalve wel over bedoeld inzicht beschikt. Als gevolg hiervan is tussen partijen sprake van een zodanige onevenwichtigheid in hun respectieve processuele posities dat evenmin recht is gedaan aan vorengenoemde uit artikel 6 EVRM voortvloeiende eis.

Gelet op het vorenstaande wordt het beroep met vernietiging van het bestreden besluit gegrond verklaard.

Overigens is in de Memorie van Toelichting en de kamerstukken met betrekking tot de Wet Pemba geen aandacht besteed aan de hier aan de orde zijnde overgangssituatie met betrekking tot werkgevers die zich niet hebben kunnen verweren tegen vóór 1998 toegekende WAO-uitkeringen.

Met de wetgever acht de rechtbank het onwenselijk - en in strijd met het aan de betreffende werknemer toekomende beroep op het rechtszekerheidsbeginsel - dat thans, enkele jaren nadat het besluit om een uitkering op grond van de WAO toe te kennen in kracht van gewijsde is gegaan, dit besluit alsnog ter discussie zou kunnen worden gesteld. Verweerder is bovendien verplicht de premie op te leggen zoals hij heeft gedaan.

Een afdoende oplossing zal naar haar oordeel op nadere regelgeving dienen te berusten.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f. 2130.

Hierbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift door een advocaat en 1 punt voor zijn verschijnen ter zitting. De wegingsfactor is bepaald op 1,5 (zwaar) en de wegingsfactor bedraagt f. 710.

Beslist wordt als volgt.

6. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten ad f. 2130 onder aanwijzing van het Landelijk instituut sociale verzekeringen als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

gelast dat voornoemde rechtspersoon aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van f 420 vergoedt.

7. Rechtsmiddel.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. J. Eisses, S.C. Stuldreher en M.A. Dirks en in het openbaar uitgesproken op 12 november 1998, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Ossen als griffier.

Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden:

Coll. :