Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1997:AA6386

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-11-1997
Datum publicatie
06-11-1997
Zaaknummer
AWB 96/6557 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2000:AA6360
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit omtrent bijdrage t.b.v. voortzetting pensioenvoorziening (FVP-bijdrage) is publiekrechtelijke rechtshandeling.

Verweerder kon i.c. in redelijkheid afzien van zijn bevoegdheid toepassing te geven aan de anti-hardheidsclausule als bedoeld in art. 43 Bijdrageregelen FVP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Tweede kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Meervoudige samenstelling

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 96/6557 BESLU

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het bestuur van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 24 mei 1996, kenmerk B9600318.

2. Zitting.

Datum: 25 september 1997.

Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde mr. T.A.M. Visser. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigden mr. E.M. van den Berg, mr. L.M.R. Nijs en drs. E.J.J. Voorhoeve.

3. Feiten.

Bij besluit d.d. 21 maart 1996 heeft het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (FVP) eisers aanvraag om een bijdrage krachtens de Bijdrageregelen FVP 1995 afgewezen. Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, waartoe het volgende is overwogen: "Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Bijdrageregelen FVP 1995 heeft een werkloze werknemer met een loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), recht op een bijdrage voor de voortzetting van zijn pensioenvoorziening indien:

a. voor of op de eerste werkloosheidsdag de 40-jarige leeftijd is bereikt en

b. in de laatste dienstbetrekking voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een pensioenvoorziening van toepassing was, en

c. een aanvraag om een bijdrage is ingediend.

U was in de laatste dienstbetrekking voorafgaande aan de werkloosheid geen deelnemer in een pensioenvoorziening in de zin van de Bijdrageregelen FVP 1995. Dit is bijvoorbeeld het geval als u een pensioenvoorziening op vrijwillige basis heeft afgesloten. Uw laatste werkgever draagt dan niet bij in de premie en de pensioenvoorziening staat geheel los van uw laatste dienstbetrekking. Als de pensioenuitvoerder u niet kent als deelnemer tijdens uw laatste dienstbetrekking bestaat er eveneens geen recht op FVP-bijdrage."

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank en daarbij onder meer aangevoerd, dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 43 van de Bijdrageregelen FVP vervatte anti-hardheidsclausule. Eiser heeft zich vervolgens nog tot verweerder gewend met een expliciet verzoek om toepassing van bedoelde bepaling.

Naar aanleiding van dit beroep heeft verweerder een verweerschrift ingediend, waarbij primair aan de rechtbank verzocht is zich onbevoegd te verklaren kennis te nemen van het beroepschrift, c.q. dit niet-ontvankelijk te verklaren. Voor zover de rechtbank zich wel bevoegd acht van het beroep kennis te nemen is subsidiair verzocht het verzoek tot vernietiging van het bestreden besluit en het daaraan voorafgaande besluit van 21 maart 1996 ongegrond te verklaren, c.q. het bestreden besluit in stand te laten. Tegelijkertijd heeft verweerder bij afzonderlijk aan eiser gericht schrijven laten weten geen aanleiding te zien voor de door eiser verzochte toepassing van artikel 43 van de Bijdrageregelen FVP. Namens eiser is verzocht het beroep mede gericht te achten tegen de inhoud van evenbedoeld afzonderlijk schrijven; voor zover nodig is daartegen beroep ingesteld op nader aan te voeren gronden.

4. Motivering.

Verweerder heeft de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van het beroep betwist. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 55b van de Wet op de rechterlijke organisatie nemen de arrondissementsrechtbanken in eerste aanleg kennis van de bestuursrechtelijke zaken waarvan de kennisneming bij de wet aan hen is opgedragen.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Allereerst moet derhalve worden vastgesteld of in dit geval sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Dat verweerder een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 onder a van de Awb staat voor de rechtbank vast. Verweerder is immers een orgaan van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (hierna: het fonds), zijnde een rechtspersoon die krachtens de Wet van 13 december 1972 (Stb. 702) tot bevriezing van het kinderbijslagbedrag voor het eerste kind, alsmede oprichting van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (hierna: de Wet) is ingesteld.

Ingevolge artikel 4a van de Wet kunnen de rentebaten van het fonds met inachtneming van artikel 4b worden aangewend ten behoeve van de voortzetting van de pensioenvoorziening van personen die recht hebben op een wettelijke werkloosheidsuitkering. In artikel 4b van de Wet is onder meer geregeld dat het fonds, indien het gebruik maakt van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 4a, verplicht is regelen te stellen ingevolge welke een werkloze werknemer jegens het fonds recht heeft op een bijdrage ten behoeve van de voortzetting van zijn pensioenvoorziening. Deze regelen bevatten onder meer bepalingen omtrent de voorwaarden waaronder recht bestaat op een bijdrage, de hoogte van de bijdrage en de duur van de bijdrage.

Verweerder heeft betoogd dat het hier, net als bij pensioenen, om een privaatrechtelijke aangelegenheid gaat. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Het besluit om een bijdrage als hier bedoeld wel of niet toe te kennen kan niet anders worden beschouwd dan als een publiekrechtelijke rechtshandeling, nu verweerder zijn bevoegdheid daartoe ontleent aan de Wet en de daarop gebaseerde Bijdrageregelen FVP 1995. Zoals ook de Hoge Raad heeft overwogen (arrest van 17 februari 1995, NJ 1996, 5) strekt de bijdrage ertoe bij te dragen tot het bestrijden van de gevolgen van de werkloosheid en is het duidelijk dat de Bijdrageregelen FVP op de Wet berusten, zodat sprake is van een wettelijke regeling.

Nu aldus is vastgesteld dat de weigering van een bijdrage een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, kon hiertegen - na de in artikel 7:1 bedoelde bezwaarschriftprocedure - ingevolge artikel 8:1 van de Awb beroep worden ingesteld bij de rechtbank.

Dit zou slechts anders zijn, indien zich een van de gevallen voordeed, geregeld in de artikelen 8:2 tot en met 8:6 van de Awb. In deze artikelen is neergelegd, tegen welke besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb geen beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De rechtbank heeft moeten vaststellen dat een besluit als het onderhavige daarbij niet is opgenomen.

Waar mogelijkerwijs nog te denken zou zijn aan de uitzondering, opgenomen in artikel 8:6 - "Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waartegen beroep bij een andere administratieve rechter kan of kon worden ingesteld" - stuit dit af op het volgende.

Artikel 4e van de Wet bepaalt dat de kantonrechter kennis neemt van burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van geschillen inzake een bijdrage volgens de door het fonds gestelde regelen of de aanwending daarvan op de wijze zoals in die regelen is voorzien. De in dit artikel geregelde toekenning van rechtsmacht aan de kantonrechter kan evenwel moeilijk worden gezien als een administratieve rechtsgang. Niet alleen wordt duidelijk gesproken over burgerlijke rechtsvorderingen, maar bovendien kan de kantonrechter ingevolge de definitie van administratieve rechter in artikel 1:4 van de Awb slechts voor zover twee met name genoemde wettelijke regelingen van toepassing zijn als administratieve rechter worden aangemerkt; de hier in geding zijnde Wet is daarbij niet genoemd.

Verweerder heeft nog betoogd dat de kantonrechter in het verleden op basis van artikel 4e van de Wet wel uitspraken heeft gedaan over het recht op een bijdrage. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank zelf over haar eigen bevoegdheid heeft te oordelen.

Voor zover verweerder heeft bedoeld te betogen dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd beroepen als hier aan de orde van de bestuursrechter af te houden, kan de rechtbank haar niet volgen, waarbij zij opmerkt dat de Awb een latere wet is dan de hier in geding zijnde Wet, terwijl een van de oogmerken van de Awb is geweest het openen van een algemene mogelijkheid van beroep tegen bestuursbesluiten bij de rechtbank.

Tenslotte heeft verweerder naar voren gebracht dat het de bedoeling is dat het fonds de komende jaren wordt geprivatiseerd, zodat in de toekomst dit soort geschillen in ieder geval door de burgerlijke rechter worden beslecht.

De rechtbank merkt hierover allereerst op dat zij voor de bepaling van haar bevoegdheid geen rekening kan houden met toekomstige wetgeving. Voorts is de gedachte dat een geprivatiseerde instelling geen besluiten kan nemen waartegen ingevolge de Awb beroep openstaat, in zijn algemeenheid onjuist: van geval tot geval moet worden bezien of sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, genomen door een bestuursorgaan in de zin van - dan - artikel 1:1, eerste lid onder b, Awb.

De slotsom van het vorenstaande is, dat de rechtbank bevoegd is van het door eiser ingestelde beroep kennis te nemen en dat op dat beroep de Awb, inclusief het daarin geregelde bestuursprocesrecht, van toepassing is. Vervolgens beantwoordt de rechtbank de vraag, of het bestreden besluit op één lijn kan worden gesteld met een besluit dat is genomen op bezwaar als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, bevestigend. De rechtbank acht met de gevolgde bezwarenprocedure de procedurele waarborgen vervat in de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb voldoende nageleefd. Hiermee is, nu van andere beletselen om eiser in zijn beroep te ontvangen evenmin gebleken is, naast de bevoegdheid van de rechtbank ook de ontvankelijkheid van het beroep gegeven, zodat de rechtbank het bestreden besluit ook ten gronde kan toetsen.

In het door verweerder ingediende verweerschrift is het bestreden besluit uitvoerig toegelicht; daarbij is verweerder ook ingegaan op het inmiddels ingediende en bij afzonderlijk schrijven afgehandelde verzoek om toepassing van de in artikel 43 Bijdrageregelen FVP 1995 vervatte anti-hardheidsclausule. De rechtbank leidt hier uit af, dat het de kennelijke wens is van beide partijen het geschil op te vatten als mede omvattende de beslissing geen toepassing te geven aan die clausule.

De rechtbank ziet geen reden aan deze wens niet tegemoet te komen en zal dan ook beslissen op het aldus gedefinieerde materi‰le geschil tussen partijen.

Aangezien nauwelijks voor discussie vatbaar is en door of namens eiser ook niet (meer) betwist lijkt te worden dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat in zijn laatste dienstbetrekking voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een pensioenvoorziening op hem van toepassing was, spitst het geschil zich nog uitsluitend toe op de vraag of verweerder gehouden was gebruik te maken van zijn in meergenoemd artikel 43 neergelegde bevoegdheid tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die uit de toepassing van de Bijdrageregelen FVP 1995 voortvloeien.

Met verweerder, en op dezelfde gronden als door verweerder gebezigd in zijn hiervoor genoemde afzonderlijk schrijven naar aanleiding van eisers verzoek, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in eisers geval, dat de rechtbank zeker niet zeer bijzonder voorkomt, in redelijkheid kon afzien van zijn bevoegdheid terzake gebruik te maken.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat ook geen bijdrage wordt verleend aan personen die direct aansluitend op een dienstbetrekking waar een pensioenvoorziening van toepassing is een dienstbetrekking aanvaarden waar geen pensioenvoorziening geldt en die daarna werkloos worden.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

5. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

6. Rechtsmiddel.

Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 van de Awb.

Aldus gegeven door mrs. J.A. Hagen, T.M.A. Claessens en E. Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op 6 november 1997 in tegenwoordigheid van H. Pop als griffier.