Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1995:ZA1155

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-1995
Datum publicatie
03-09-2002
Zaaknummer
AWB 94/12134
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1995, 592 met annotatie van T.P. Spijkerboer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Rechtseenheidskamer vreemdelingenzaken

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77, Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a, Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 94/12134 VRWET

Inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1975, bezit de Armeense nationaliteit. Hij verblijft sedert 9 oktober 1994 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland. Op 11 oktober 1994 heeft hij verzocht om toelating als vluchteling

en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Op deze aanvragen is op 28 oktober 1994 afwijzend beslist. Tevens werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel

18a, Vreemdelingenwet.

Eiser heeft op 9 november 1994 tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Op dat bezwaarschrift is nog niet

beslist.

Eiser heeft voorts - eveneens op 9 november 1994 - tegen de kennelijk-ongegrondverklaring van de aanvraag om toelating als vluchteling beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle. Eiser

heeft op 9 november 1994 tenslotte nog een voorlopige voorziening gevraagd, inhoudende dat het hem zal worden toegestaan de behandeling van het bezwaar en het beroep in Nederland af te wachten. De behandeling van het verzoek om een

voorlopige voorziening heeft nog niet plaatsgevonden.

2. De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle heeft het beroep op 13 december 1994 ter behandeling verwezen naar de rechtseenheidskamer, ondermeer met de vraag hoe de inhoud van de ambtsberichten van de

Minister van Buitenlandse Zaken inzake de situatie in Armenië met betrekking tot het conflict in Nagorno Karabach zich verhoudt tot de informatie uit de berichten van ondermeer de United Nations High Commissioner for Refugees

(UNHCR).

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingestuurd en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiser heeft vervolgens nog een aanvullend beroepschrift ingediend.

4. De volgende stukken zijn de rechtbank bekend:

1. ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d.

17 januari 1994;

2. ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d.

9 augustus 1994;

3. ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d.

16 september 1994;

4. ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d.

12 oktober 1994;

5. bericht van de UNHCR Bonn, d.d. 5 mei 1994;

6. bericht van de UNHCR Moskou/Jerevan, d.d. 21 juni 1994;7. bericht van de UNHCR Bonn, d.d. 16 september 1994;

8. Lagebericht Armeniën, auswärtiges Amt, Bundesrepublik Deutschland d.d. 5 juli 1994;

9. Lagebericht Armeniën, auswärtiges Amt, Bundesrepublik Deutschland d.d. 5 augustus 1994;

10. Lagebericht Armeniën, auswärtiges Amt, Bundesrepublik Deutschland d.d. 30 september 1994;

Door partijen zijn nog enige stukken overgelegd. De stukken waarvan de herkomst en eventuele datum van publikatie bekend zijn, worden hieronder vermeld:

11. BBC Summary of World Broadcasts d.d. 30 juli 1993;

12. Statement for the press on the situation in the Nagorno Karabach d.d. 18 juli 1994;

13. Press statement by Ambassador Per Anderman, deputy chairman of the CSVE Minsk Group on Nagorno Karbach d.d. 17 oktober 1994;14. BBC Summary of World Broadcasts d.d. 12 december 1994;15. bericht van de Human Rights Watch/Helsinki

d.d. 6 augustus 1994;16. brief van Prof. Dr. O. Luchterhandt, aan das VG Schwerin, auswärtige Kammer Bolzenburg d.d. 12 april 1994;

17. brief van P. Michielsen, Oost-Europaredacteur van het NRC Handelsblad aan mr T.J.W. Legierse, d.d. 17 februari 1995;18. berichten van de BBC World Service d.d. 14 april 1994;19. het artikel "Deserteurs zullen geen rust krijgen

in Armenië" d.d.

7 april 1994, in De stem van Armenië;

20. brief d.d. 9 februari 1994 van de charge d'affairs A.I. van de permanente missie in Azerbajdzjan aan de Verenigde Naties, gericht aan de Secretaris Generaal;

21. Zienswijze UNHCR, zitting Afdeling rechtspraak van de Raad van State, 7 mei 1991.

5. Ter aanvulling op de informatie waarover zij ambtshalve reeds beschikte, heeft de rechtbank met gebruikmaking van de in artikel 8:45 e.v. Algemene wet bestuursrecht gegeven bevoegdheden, aanvullende informatie ingewonnen.

Per brief d.d. 1 februari 1995 heeft de rechtbank de stukken genoemd onder 1 tot en met 9 voorgelegd aan het liason office 's-Gravenhage van de UNHCR, Amnesty International te Amsterdam en de Minister van Buitenlandse Zaken, en

gevraagd of deze stukken hen aanleiding gaven opmerkingen te plaatsen dan wel aanvullende informatie te verstrekken.

Naar aanleiding hiervan heeft de Minister van Buitenlandse Zaken in zijn brief van 20 februari 1995 - kort samengevat - de volgende reactie gegeven.

Het is staand beleid dat over de bronnen die zijn gebruikt bij het onderzoek ten behoeve van een ambtsbericht - ondermeer ter bescherming van die bronnen - geen mededelingen worden gedaan. Het onderzoek ten behoeve van de

ambtsberichten betreffende desertie en dienstweigering in Armenië is uitvoerig geweest, alle beschikbare informatie is meegewogen.

Later ingekomen informatie is wel getoetst, maar gaf geen aanleiding tot aanpassing of aanvulling van de reeds bestaande ambtsberichten.

Het liason office 's-Gravenhage van de UNHCR berichtte op 27 februari 1995 dat door het hoofdkantoor van de UNHCR is medegedeeld dat een public-domain paper wordt voorbereid betreffende de huidige situatie in Armenië en

Azerbajdzjan, dat aan het liason office zal worden toegezonden zodra het gereed is. Tevens berichtte het liason office dat blijkens de UNHCR-aantekeningen betreffende de periode 1-15 februari 1995 het staakt-het-vuren in Nagorno

Karabach steeds stand heeft gehouden, ondanks berichten van kleine schendingen in de regio Geramboy.

Amnesty International Amsterdam heeft op 27 februari 1995 telefonisch bericht dat zij geen nieuwe informatie heeft ontvangen van het hoofdkantoor in Londen en dat daarom geen inhoudelijke opmerkingen of aanvullingen worden gegeven.

6. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 2 maart 1995. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr T.J.W. Legierse, advocaat te Lelystad. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.J. Stuijt,

advocaat te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om toelating als

vluchteling het volgende aangevoerd. In november 1993 heeft eiser voor onbepaalde tijd uitstel van militaire dienst gekregen. In augustus 1994 werd eiser samen met 20 á 30 andere jongelieden aangehouden door de militaire politie.

Hem werd medegedeeld dat hij zou worden opgeleid voor de strijd in Azerbajdzjan. De ouders van eiser zijn in februari 1993 ten gevolge van een ongeluk overleden en zijn enige broer is in november 1993 gesneuveld in de strijd in

Nagorno Karabach. Bovendien wil eiser geen andere mensen doden omdat hij Christen is. Eiser stelt dat hij in verband met het voorgaande, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft tegen deelname aan de strijd in Nagorno Karabach.

Eiser heeft daarnaast gesteld dat desertie in Armenië onevenredig zwaar wordt bestraft. Voorts voert eiser onder verwijzing naar paragraaf 170 en 171 van het Handbook on procedures and criteria for determining refugee status

(Handbook UNHCR) aan, dat de strijd in Nagorno Karabach is veroordeeld door de internationale gemeenschap in resoluties van de Veiligheidsraad. Eiser is van mening dat hij gelet op al het voorgaande gegronde vrees voor vervolging

heeft.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

2. Eerst zal worden beoordeeld hoe de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 17 januari 1994, 9 augustus 1994, 16 september 1994 en 12 oktober 1994, inzake de situatie in Armenië, zich verhouden tot de berichten

over dat land van ondermeer de UNHCR.

In de ambtsberichten is - kort weergegeven - opgenomen:

- dat Armenië officieel niet in oorlog is met Azerbajdzjan;- dat officieel geen manschappen worden gestuurd naar Nagorno Karabach;- dat in beginsel slechts vrijwilligers worden ingezet;

- hoe de (wettelijke) regelingen luiden met betrekking tot dienstplicht, dienstweigering en desertie;

- dat voor zover bekend voor dienstweigering noch voor desertie de doodstraf is uitgesproken;

- dat sedert mei 1994 een staakt-het-vuren geldt.

Deze feitelijke gegevens zijn ook in de overige berichten terug te vinden.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de informatie in de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en de gegevens uit de overige bekende stukken, in het bijzonder de stukken van de UNHCR en de Lageberichten van het

auswärtiges Amt van de Bundesrepublik Deutschland niet met elkaar in strijd zijn.

3. Voor de beoordeling van een aanvraag om toelating als vluchteling is in veel gevallen noodzakelijk dat inzicht wordt verkregen in de totale situatie in het land van herkomst. In dat verband kan het van belang zijn dat ook

berichten worden weergegeven die niet volledig geverifieerd kunnen worden, maar die desondanks een indruk geven over de gang van zaken in een land. De Minister van Buitenlandse Zaken beperkt zich in zijn ambtsberichten echter tot

harde, voor honderd procent vaststaande gegevens.

De rechtbank wijst als voorbeeld op het volgende. In de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken wordt steeds benadrukt dat Armenië officieel niet in oorlog is met Azerbajdzjan. Die berichten geven daarmee de feitelijke

situatie slechts gedeeltelijk weer. Uit berichten van bijvoorbeeld de UNHCR en het auswärtiges Amt van de Bundesrepublik Deutschland is immers af te leiden dat Armenië wel bemoeienis heeft met de strijd, ondanks de omstandigheid dat

zij daarbij officieel niet betrokken is. Zo worden vanuit Armenië wapens verstrekt en nemen in ieder geval Armeense vrijwilligers deel aan de strijd in Nagorno Karabach.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken een onvolledig beeld schetsen van de situatie ter plaatse.

Niet is gebleken dat verweerder zich bij het nemen van de bestreden beschikking slechts heeft gebaseerd op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken. Aan de onvolledigheid van de ambtsberichten worden daarom geen

gevolgen verbonden voor de rechtmatigheid van de

bestreden beschikking.

4. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de afwijzende beslissing op de aanvraag om toelating als vluchteling in rechte stand kan houden.

Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5. Vooropgesteld wordt dat op grond van alle beschikbare informatie niet geoordeeld kan worden dat de situatie in Armenië zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden

aangemerkt.

Eiser zal derhalve aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees tot vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag c.q. artikel 15, Vreemdelingenwet

rechtvaardigen.

6. Aanvragen om toelating als vluchteling in verband met desertie of dienstweigering kunnen naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State en de paragrafen 168 tot en

met 172 van het Handbook UNHCR, in drie categorieën worden ingedeeld.

Een dienstweigeraar of deserteur is vluchteling indien hij:

A. vanwege zijn ras, religie, nationaliteit, zijn lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, gegronde vrees heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf wegens

dienstweigering of desertie of als hij vanwege (een van) de in de aanhef van deze categorie genoemde redenen gegronde vrees heeft voor andere discriminatoire behandeling dan bovenmatige bestraffing of tenuitvoerlegging van een

straf;B. tot zijn weigering komt doordat hij ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft op grond van zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging die zijn dienstweigering of desertie voorschrijven, en er in zijn

staat van herkomst geen mogelijkheid is om ter vervanging van militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen.

C. is gekomen tot dienstweigering of desertie omdat hij niet betrokken wenst te worden bij een (soort) militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of

die in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dat geldt ook indien hij tot desertie of dienstweigering heeft besloten omdat hij een gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen

zijn eigen volk of familie.

7. Op grond van alle beschikbare informatie is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat desertie of dienstweigering in Armenië onevenredig zwaar wordt bestraft. De in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse

Zaken d.d. 16 september 1994 aangegeven strafmaten, variërend van 1 tot 10 jaar gevangenisstraf, zijn niet als zodanig aan te merken. Er zijn voorts geen reële aanwijzingen dat voor desertie (noch voor de overige vergrijpen als

bijvoorbeeld de weigering gehoor te geven aan een oproep voor mobilisatie) de doodstraf wordt opgelegd.

Evenmin is aannemelijk gemaakt dat eiser wegens zijn dienstweigering of desertie een andere discriminatoire behandeling te wachten staat.

Dat eiser (nog) niet in dienst wilde omdat zijn ouders recentelijk in een auto-ongeval om het leven waren gekomen en zijn broer vlak daarna in Nagorno Karabach sneuvelde, is begrijpelijk, doch leidt niet tot het oordeel dat eiser

ernstige onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft tegen het vervullen van de dienstplicht. Evenmin kan worden geoordeeld dat het door eiser geopperde (gewetens)bezwaar vanwege zijn christelijke geloof als ernstig en onoverkomelijk

moet worden aangemerkt. Eiser heeft niet onderbouwd uiteengezet wat zijn bezwaren inhouden en hoe die bezwaren zijn terug te voeren naar zijn geloof, waarover hij overigens slechts heeft verklaard dat hij Christen is, zonder dat

geloof nader te specificeren.

Ten aanzien van het conflict in Nagorno Karabach is de rechtbank

vervolgens van oordeel dat, anders dan eiser heeft gesteld, geen sprake is van een soort militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag als bedoeld in

paragraaf 171 van het Handbook UNHCR. De resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aangaande het conflict in Nagorno Karabach kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als een dergelijke veroordeling worden

aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de resoluties een politieke veroordeling inhouden van het conflict in Nagorno Karabach als zodanig. De resoluties zijn zo algemeen verwoord dat daaruit niet kan worden

opgemaakt dat - in het bijzonder - Armenië naar het oordeel van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij dat conflict militaire acties onderneemt die in strijd zijn met de grondbeginselen van humaan gedrag. Uit de beschikbare

informatie is naar het oordeel van de rechtbank voorts niet af te leiden dat Armenië in dat conflict in strijd handelt met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict als onder C bedoeld.

De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin eiser terecht een beroep kan doen op hetgeen in paragraaf 171 van het Handbook UNHCR is omschreven. Hierbij is overigens in aanmerking genomen dat ten

tijde van de bestreden beschikking, en zelfs op het moment dat eiser Armenië verliet, reeds enig tijd een staakt-het-vuren stand hield, zij het met incidentele schendingen van weerszijde.

Tenslotte blijkt uit de beschikbare informatie niet zondermeer dat dienstplichtigen als eiser het risico lopen te worden ingezet in de gewapende strijd rond Nagorno Karabach.

Eiser kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van het voorgaande niet worden aangemerkt als vluchteling vanwege zijn desertie.

8. Ook overigens is niet gebleken dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève uit 1951 en bijbehorend protocol van New York van 1967, en artikel 15 van de Vreemdelingenwet.

9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregels heeft gehandeld door de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling af te wijzen.

Het beroep is mitsdien ongegrond.

10. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding tot

kostenveroordeling en evenmin tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr T.M.A. Claessens, mr J.E. van den Steenhoven-Drion en mr R.W.L. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op 12 april 1995, door mr T.M.A. Claessens, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.M.M. Engbers.

afschrift verzonden op: