Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:8254

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-09-2022
Datum publicatie
06-10-2022
Zaaknummer
10002174 VZ VERZ 22-9593
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke vernietiging beëindigingsovereenkomst (op grond van 6:248 lid 2 BW) wegens dwaling over ingangsdatum WW-uitkering. Voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst g-grond. Geen ernstig verwijtbaar handelen werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-1109
JAR 2022/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 10002174 VZ VERZ 22-9593

Uitspraak: 30 september 2022

Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats verzoekster] ,

verzoekster, tevens verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. N. Robijn-Meijer en mr. S.T. van Gestel, advocaten te Middelharnis,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats verweerster] ,

verweerster, tevens verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. E.V.H. van Tricht, advocaat te Middelharnis.

Partijen zullen hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerster] ’ worden genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 20 juli 2022;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende (voorwaardelijk) tegenverzoek;

  • -

    de e-mail van 1 september 2022 aan de zijde van [verzoekster] , met productie;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. N. Robijn-Meijer en mr. S.T. van Gestel;

  • -

    het werkplan van het UWV, dat ter zitting door mr. E.V.H. van Tricht is overgelegd.

1.2.

Op 9 september 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd, de behandeling plaatsgevonden van de kort geding procedure tussen partijen (zaaknummer 9972625 VV EXPL 22-251). Daarbij waren aanwezig [verweerster] in persoon, tezamen met [naam 1] (tolk) en bijgestaan door de gemachtigde mr. E.V.H. van Tricht. Namens [verzoekster] zijn verschenen [naam 2] (directeur) en [naam 3] (directeur), bijgestaan door de gemachtigden mr. N. Robijn-Meijer en mr. S.T. van Gestel. Van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

2. De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum verweerster] , is op 18 juli 2014 voor 24 uur per week in dienst getreden van [verzoekster] in de functie van medewerker inpak A. Laatstelijk is [verweerster] werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een bruto maandsalaris van € 1.574,56, exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2.

[verzoekster] is een familiebedrijf dat zich bezig houdt met de vervaardiging van beschuit, koekjes en ander houdbaar banketbakkerswerk.

2.3.

Op 18 maart 2022 heeft [verzoekster] [verweerster] een beëindigingsovereenkomst overhandigd. In deze beëindigingsovereenkomst zijn, voor zover thans van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

“ (…)

4.1.

De arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden op 21-03-2022.

4.2.

De werknemer wordt tot einde dienstverband vrijgesteld van werk met behoud van loon inclusief emolumenten.

4.3.

De werkgever betaalt de werknemer een beëindigingsvergoeding van € 3.149,34 bruto (= 2 x maandsalaris). Hij maakt het netto-equivalent van dit bedrag (na verplichte inhoudingen en verrekening van vakantiedagen door werkgever) uiterlijk 31-03-2022 over aan de werknemer.

(…)

4.6.

De werkgever en werknemer hebben na de financiële eindafrekening niets meer van elkaar te vorderen. Zij verlenen elkaar finale kwijting.

(…)

5. Ondertekening

Door de overeenkomst te ondertekenen verklaren beide partijen dat zij de arbeidsovereenkomst willen beëindigen en dat zij op de hoogte zijn van de gevolgen daarvan. Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:900 BW.”

2.4.

Op 20 maart 2022 heeft tussen [verweerster] en [verzoekster] de volgende Whatsapp-correspondentie plaatsgevonden:

“ [verweerster] : Goedeavond! Dit document, wat ik vrijdag kreeg, moet ik ondertekenen en een foto maken en opsturen? Of wil je het me opnieuw ondertekend per e-mail sturen? Omdat ik het niet weet. en stuur mij morgen mijn jaaropgaaf voor 2021 per e-mail. Ik heb geen toegang tot de app zoals [naam 4] wist. en ik heb het niet gedownload en ik moet rekeningen vereffenen.

[verzoekster] : Hoi [verweerster] , we zullen je morgen het document met handtekeningen per email sturen, bij akkoord zien we het dan graag getekend terug. Je jaaropgave en ook de afrekening zullen we je ook per e-mail toesturen. Dank alvast.

2.5.

Per e-mail van 21 maart 2022 schrijft [verzoekster] aan [verweerster] het volgende:

“Zoals besproken bijgaand de getekende beëindigings overeenkomst, deze zien we graag getekend terug alvorens we de eindafrekening kunnen gaan opstellen.

Tevens bijgaand je jaaropgave voor 2021.

Alvast bedankt. Mocht je nog vragen hebben, laat het ons even weten.”

2.6.

Op 23 maart 2022 heeft tussen [verweerster] en [verzoekster] de volgende Whatsapp-correspondentie plaatsgevonden:

“ [verweerster] : Hoi! Ik zou graag willen weten wanneer u mij documenten stuurt om te ondertekenen? Ik heb ze nodig. Groetjes, [verweerster]

[verzoekster] : Hi [verweerster] , ik heb het je gisteren per email gestuurd naar [e-mailadres], is dat je email adres?

[verweerster] : ja dat is mijn e-mail. maar ik heb niets.

[verzoekster] : Ok vreemd, ik ga het nog eens naar je sturen.

Ik heb de email zojuist verstuurd, ik stuur je de bijlages ook even via Whatsapp.”

2.7.

Op 24 maart 2022 heeft [verweerster] de beëindigingsovereenkomst ondertekend.

2.8.

Per e-mail van 1 april 2022 schrijft [verweerster] aan [verzoekster] het volgende:

“Volgens de beëindiging van het contract dat ik van u kreeg, tegen 31 maart, zouden we eigenlijk de rekeningen vereffenen.

Mijn vraag is wanneer krijg ik mijn eindafrekening?

En het document voor de betaling voor maart en de jaaropgaaf voor 2022.”

2.9.

Per e-mail van 1 april 2022 schrijft [verzoekster] aan [verweerster] het volgende:

“Bijgaand je laatste loonstrook inclusief beëindigingsvergoeding en verrekening onbetaald verlof, vakantiegeld en uitbetaling vakantie uren.

Mocht je hier nog vragen over hebben, laat het ons dan even weten

De jaaropgave voor 2022 kunnen we pas in januari 2023 opmaken.”

2.10.

In reactie op de e-mail van [verzoekster] schrijft [verweerster] op 1 april 2022:

“ik zou mijn elke dag, elk uur willen ontknopen als ik niet aan het werk was in 2021 en 2022.

Waarom hebben jullie 97,99 vakantie uren in mindering gebracht?

Waar is het onbetaalde verlof van …..

Ik heb dit nodig voor mijn accountant om te controleren”

2.11.

Op 2 april 2022 mailt [verzoekster] [verweerster] , voor zover thans van belang, het volgende:

“Zie bijlage voor de mutaties per week van de vakantie en overuren.

Je kan op dyflexis inloggen om het per dag te zien.

(…)”

2.12.

Bij brief van 19 april 2022 heeft het UWV [verweerster] bericht dat zij tot en met 31 mei 2022 geen WW-uitkering ontvangt, omdat tot en met die datum een opzegtermijn in acht genomen had moeten worden.

2.13.

Per e-mail van 4 mei 2022 aan [verzoekster] heeft de gemachtigde van [verweerster] een beroep gedaan op de vernietiging van de beëindigingsovereenkomst wegens dwaling en/of misbruik van omstandigheden en [verzoekster] gesommeerd het loon vanaf 21 maart 2022 aan [verweerster] te betalen. Tevens heeft haar gemachtigde [verweerster] ziek gemeld en wordt [verzoekster] aansprakelijk gesteld (artikel 7:658 BW) voor alle geleden en nog te lijden schade van [verweerster] vanwege grensoverschrijdend gedrag van collega’s en de onveilige werkomgeving, daaronder begrepen de door haar geleden en nog te lijden psychische schade.

2.14.

Op 13 mei 2022 heeft de gemachtigde van [verzoekster] gereageerd op de brief van de gemachtigde van [verweerster] . Aan de sommatie van de gemachtigde van [verweerster] heeft [verzoekster] geen gehoor gegeven.

2.15.

Met ingang van 1 juni 2022 ontvangt [verweerster] alsnog een WW-uitkering.

3. Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt, voor zover vereist, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde redelijke grond;

II. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking;

III. te bepalen dat een eventueel aan [verweerster] toe te kennen transitievergoeding dient te worden berekend op basis van het salaris ad € 1.699,92 en dat daarop in minder strekt de reeds betaalde beëindigingsvergoeding ad € 3.194,34 bruto.

3.2.

Voor zover in rechte vast komt te staan dat [verweerster] de beëindigingsovereenkomst terecht heeft vernietigd en de arbeidsovereenkomst dientengevolge nog bestaat, meent [verzoekster] dat van haar niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie (artikel 7:669 lid 3 sub g BW).

3.3.

[verzoekster] heeft daarbij, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. [verzoekster] heeft jarenlang begrip getoond en [verweerster] alle ruimte gegeven verlof op te nemen en later te beginnen of eerder te vertrekken. Dat haar nu wordt verweten dat zij niet is opgetreden tegen vermeend grensoverschrijdend gedrag en hierdoor psychische schade heeft veroorzaakt bij [verweerster] , terwijl [verzoekster] betwist dat sprake is van een onveilige werksituatie en de problemen van [verweerster] heel andere oorzaken hebben, heeft het vertrouwen in [verweerster] onherstelbaar beschadigd. Een verdere vruchtbare samenwerking is uitgesloten.

3.4.

In geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, is [verzoekster] een transitievergoeding aan [verweerster] verschuldigd. [verzoekster] verzoekt de reeds betaalde beëindigingvergoeding ter hoogte van € 3.149,34 bruto hiermee te verrekenen c.q. hierop in mindering te brengen.

4. Het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek

4.1.

[verweerster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

verweer

I. [verweerster] zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van het verzoek de arbeidsovereenkomst met haar te ontbinden;

II. [verzoekster] te veroordelen aan [verweerster] met inachtneming van artikel 7:673 lid 1 onder b, sub 2 BW, de transitievergoeding toe te kennen van

€ 4.746,75 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking tot de datum van betaling;

III. aan [verweerster] ten laste van [verzoekster] een billijke vergoeding toe te kennen van € 106.247,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking tot de datum van betaling;

IV. aan [verweerster] op grond van het bepaalde in artikel 7:611 BW jo. 6:96 BW een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen van € 4.060,52, voor het geval deze kosten geen onderdeel van de verzochte billijke vergoeding plegen te zijn;

V. [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten;

voorwaardelijk tegenverzoek

VI. de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] , voor het geval deze nog mocht bestaan na intrekking door [verzoekster] van haar ontbindingsverzoek, te ontbinden onder toekenning van de transitievergoeding ad € 4.746,75 bruto en een billijke vergoeding ad € 106.247,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van uw beschikking tot de datum van betaling;

VII. aan [verweerster] op grond van het bepaalde in artikel 7:611 BW jo. 6:96 BW een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen van € 4.060,52, voor het geval deze kosten geen onderdeel van de verzochte billijke vergoeding plegen te zijn;

VIII. voor recht te verklaren dat de beëindigingsovereenkomst tussen partijen d.d. 21 maart 2022 is vernietigd en daarmee dat de arbeidsovereenkomst na 21 maart 2022 tussen partijen is voortgezet;

IX. tot betaling van het aan [verweerster] toekomende loon ad € 1.574,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, zulks met terugwerkende kracht vanaf 21 maart 2022 en zulks, op de gebruikelijke wijze en op het gebruikelijke tijdstip, tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

X. tot betaling van de wettelijke verhoging zoals bepaald in artikel 7:625 BW van 50% over het gevorderde bedrag aan achterstallig loon vermeerderd met 8% vakantietoeslag vanaf 21 maart 2022;

XI. tot betaling van de wettelijke rente over hetgeen [verzoekster] aan [verweerster] verschuldigd is vanaf de dag der dagvaarding tot aan het moment van algehele voldoening;

XII. tot betaling aan [verweerster] van € 367,15 bruto aan onbetaald verlof en

€ 1.483,57 bruto aan vakantie-uren, welke bedragen [verzoekster] ten onrechte met het loon van [verweerster] heeft verrekend;

XIII. tot toezending aan [verweerster] van de salarisspecificaties betreffende de door [verzoekster] verschuldigde betalingen, zulks binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag of gedeelte van de dag dat [verzoekster] hieraan geen medewerking verleent;

XIV. [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

[verweerster] voert verder verweer tegen het voorwaardelijk verzoek van [verzoekster] en bestrijdt dat de ontslaggrond ‘een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie’ de werkelijke ontslaggrond betreft. In werkelijkheid wordt [verweerster] disfunctioneren verweten door [verzoekster] . [verweerster] bestrijdt dat daarvan sprake is. In dit geval is de zogenoemde Asscher-escape van toepassing: er wordt ontbinding op de g-grond verzocht omdat de arbeidsovereenkomst verstoord is geraakt doordat de werkgever ten onrechte heeft geprobeerd de werknemer op een andere, onvoldragen grond te ontslaan. [verzoekster] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld, als gevolg waarvan [verweerster] een billijke vergoeding ter hoogte van € 106.247,14 bruto moet worden toegekend. Ook heeft [verweerster] recht op de transitievergoeding.

4.3.

Het tegenverzoek van [verweerster] strekt ertoe de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b BW [de kantonrechter gaat ervan uit dat artikel 7:671c BW is bedoeld] onder de voorwaarde dat [verzoekster] haar ontbindingsverzoek intrekt. [verweerster] verzoekt een transitievergoeding en billijke vergoeding toe te kennen, te verklaren voor recht dat de beëindigingsovereenkomst is vernietigd en [verzoekster] te veroordelen [verweerster] het loon vanaf 21 maart 2022 door te betalen. [verweerster] maakt verder aanspraak op betaling van een aantal bedragen die [verzoekster] volgens haar ten onrechte op de eindafrekening in mindering heeft gebracht. [verweerster] heeft daarbij, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

4.4.

Op 18 maart 2022 kreeg [verweerster] onverwacht een beëindigingsovereenkomst voorgelegd. Aan [verweerster] werd medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd, omdat [verweerster] vaak ziek of afwezig was. [verzoekster] droeg [verweerster] op de beëindigingsovereenkomst te ondertekenen en deelde mede dat [verweerster] een uitkering bij het UWV kon aanvragen. [verzoekster] gaf aan dat de overeenkomst niet door een advocaat hoefde te worden gecontroleerd, omdat advocaten duur zijn. [verweerster] deelde [verzoekster] mede dat zij de beëindigingsovereenkomst niet begreep. Per e-mail ontving [verweerster] opnieuw de door [verzoekster] getekende beëindigingsovereenkomst met het verzoek deze te ondertekenen. Uiteindelijk heeft [verweerster] de beëindigingsovereenkomst ondertekend. [verweerster] beheerst de Nederlandse taal onvoldoende om de beëindigingsovereenkomst te kunnen begrijpen. Daarnaast wist [verzoekster] , althans had zij in redelijkheid kunnen weten, dat [verweerster] onvoldoende juridische kennis heeft van het Nederlandse arbeidsrecht om de gevolgen van het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst te begrijpen. Van [verzoekster] had mogen worden verwacht dat zij [verweerster] had geadviseerd de beëindigingsovereenkomst juridisch te laten beoordelen en dat zij de kosten hiervan voor haar rekening had genomen. Dit heeft [verzoekster] niet gedaan. De beëindigingsovereenkomst is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en/of misbruik van omstandigheden. Subsidiair stelt [verweerster] dat het beroep van [verzoekster] op de beëindigingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [verweerster] meent dat zij gerechtigd was de beëindigingsovereenkomst te vernietigen, als gevolg waarvan zij recht heeft op loon vanaf 21 maart 2022.

4.5.

De verdere stellingen van [verweerster] en het verweer van [verzoekster] tegen de (voorwaardelijke) verzoeken van [verweerster] worden hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, besproken.

5. De beoordeling

In het (voorwaardelijk) tegenverzoek van [verweerster]

5.1.

De kantonrechter ziet aanleiding allereerst de (voorwaardelijk geformuleerde) tegenverzoeken VIII tot en met XI (zoals weergegeven onder randnummer 4.1) van [verweerster] te beoordelen. Hoewel [verweerster] deze verzoeken heeft opgenomen onder het kopje ‘voorwaardelijk tegenverzoek’, begrijpt de kantonrechter dat [verweerster] - aangezien onduidelijk is wat de voorwaarde is en gelet op het partijdebat tijdens de mondelinge behandeling - deze verzoeken onvoorwaardelijk heeft bedoeld.

Dwaling

5.2.

[verweerster] heeft verzocht voor recht te verklaren dat de beëindigingsovereenkomst tussen partijen is vernietigd en dat daarmee de arbeidsovereenkomst na 21 maart 2022 tussen partijen is voortgezet. [verweerster] verzoekt verder kort gezegd loondoorbetaling vanaf 21 maart 2022 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Hieraan legt [verweerster] ten grondslag dat zij terecht op 4 mei 2022 de beëindigingsovereenkomst heeft vernietigd. [verweerster] heeft gesteld dat sprake is van dwaling (artikel 6:228 BW), omdat ten onrechte relevante informatie door [verzoekster] niet is gegeven. Volgens [verweerster] heeft [verzoekster] haar niet geïnformeerd over de arbeidsrechtelijke en financiële gevolgen van de beëindigingsovereenkomst. [verweerster] beheerst de Nederlandse taal onvoldoende, zodat zij de inhoud van de beëindigingsovereenkomst niet begreep.

5.3.

De kantonrechter stelt voorop dat partijen een schriftelijke beëindigingsovereenkomst zijn overeengekomen (artikel 7:670b BW). [verweerster] heeft geen gebruik gemaakt van het recht de overeenkomst binnen (in dit geval) drie weken zonder opgaaf van redenen te ontbinden (artikel 7:670b lid 3 BW).

5.4.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:228 BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en die bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar indien:

a. de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. sprake is van wederzijdse dwaling, tenzij de wederpartij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had hoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

5.5.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van dwaling dient vooropgesteld te worden dat niet in geschil is dat de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst is aan te merken als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. Dit brengt met zich dat de kantonrechter een beroep op dwaling ex artikel 6:228 BW met terughoudendheid dient toe te passen en dat partijen in beginsel geen beroep op dwaling toekomt ten aanzien van hetgeen waarover juist werd getwist of onzekerheid bestond (HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4400). Blijkt echter een misvatting te bestaan ten aanzien van hetgeen partijen als zeker en onbetwist aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd, dan is een beroep op dwaling wel mogelijk.

5.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gebleken dat [verweerster] de inhoud van de beëindigingsovereenkomst niet heeft begrepen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerster] verklaard dat tijdens het gesprek op 18 maart 2022 is gesproken over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst en dat zij toen heeft gevraagd of zij een uitkering zou krijgen. [verzoekster] heeft [verweerster] hierover vervolgens geïnformeerd (zie over de WW-uitkering hierna overweging 5.10). Op 21 maart 2022 heeft [verzoekster] de beëindigingsovereenkomst per e-mail aan [verweerster] toegezonden, met daarbij de afsluitende opmerking dat mocht [verweerster] nog vragen hebben, zij dit kan laten weten. [verweerster] heeft vervolgens geen vragen gesteld waaruit kan worden afgeleid dat zij de inhoud van de beëindigingsovereenkomst niet begreep. Integendeel; uit de Whatsapp-correspondentie over het ondertekenen van de overeenkomst blijkt geenszins dat [verweerster] niet begreep dat haar arbeidsovereenkomst zou eindigen. [verweerster] vraagt op 23 maart 2022 zelf aan [verzoekster] wanneer haar de documenten, die zij kennelijk nog niet had ontvangen, worden toegestuurd om te ondertekenen. Ook uit de e-mail van [verweerster] aan [verzoekster] van 1 april 2022, waarin [verweerster] vraagt om een eindafrekening, blijkt dat zij wel degelijk begrepen heeft dat haar arbeidsovereenkomst is geëindigd. Verder heeft [verzoekster] onweersproken gesteld dat [verweerster] reeds vijftien jaar in Nederland is en zij altijd met elkaar in het Nederlands communiceerden. Uit de door [verzoekster] overgelegde Whatsapp-correspondentie tussen partijen (productie 5 bij het voorwaardelijke verzoek van [verzoekster] ) blijkt ook dat [verzoekster] en [verweerster] gedurende het dienstverband in het Nederlands met elkaar communiceerden. Dat [verweerster] de Nederlandse taal in het geheel niet machtig is, volgt de kantonrechter derhalve niet. Toegegeven dat het wel bevreemdt dat in de beëindigingsovereenkomst een einddatum van 21 maart 2022 is opgenomen, terwijl de overeenkomst door [verweerster] pas op 24 maart 2022 is ondertekend – [verzoekster] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat sprake is van onwetendheid aan haar kant – maakt dit niet dat daarmee het beroep op dwaling slaagt.

5.7.

Hoewel uit de correspondentie tussen partijen niet blijkt dat [verzoekster] [verweerster] heeft aangeraden juridisch advies in te winnen en de kosten daarvan voor haar rekening te nemen - partijen verschillen erover van mening of [verzoekster] tijdens het gesprek op 18 maart 2022 al dan niet tegen [verweerster] heeft gezegd zich te laten
adviseren - is onvoldoende gebleken dat [verzoekster] ontoelaatbare druk op [verweerster] heeft uitgeoefend om de beëindigingsovereenkomst te ondertekenen. Zoals hiervoor reeds overwogen, mocht [verweerster] het laten weten als zij nog vragen had en heeft [verweerster] zelf in een Whatsappbericht van 23 maart 2022 aan [verzoekster] gevraagd ‘wanneer haar de documenten worden toegestuurd om te ondertekenen’, waarna [verzoekster] heeft gereageerd dat deze al per e-mail waren toegestuurd, dat dit nogmaals zal worden gedaan en de documenten ook via Whatsapp aan [verweerster] worden toegezonden. Uit deze gang van zaken blijkt niet dat [verzoekster] [verweerster] de mogelijkheid heeft onthouden desgewenst advies in te winnen over de consequenties van het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst of dat [verzoekster] [verweerster] heeft bewogen tot het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst.

5.8.

Dat [verzoekster] haar onderzoeksplicht heeft geschonden en [verweerster] (psychisch) ziek was op het moment dat zij de beëindigingsovereenkomst ondertekende - zoals [verweerster] heeft gesteld - volgt de kantonrechter niet. [verzoekster] heeft [verweerster] geïnformeerd over de consequenties van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, in het bijzonder met betrekking tot de WW-uitkering. Niet in geschil is dat [verweerster] sinds 1 juni 2022 een WW-uitkering (en geen ZW-uitkering) ontvangt. Bovendien bevestigt [verweerster] in het verweerschrift (randnummer 58) in reactie op het voorwaardelijk verzoek van [verzoekster] dat er geen opzegverbod van toepassing. Dit valt niet te rijmen met de stelling van [verweerster] dat zij feitelijk ziek is.

Misbruik van omstandigheden

5.9.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat (ook) geen sprake is van misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW). Ter zitting heeft [verweerster] verwezen naar de uitspraak HR 5 februari 1999, NJ 1999/652 (Ameva/Van Venrooij). De Hoge Raad heeft in die zaak geoordeeld dat van misbruik van omstandigheden met name sprake zal zijn indien (i) de werkgever wist of had moeten begrijpen dat de werknemer door bijzondere omstandigheden (zoals bijvoorbeeld afhankelijkheid of onervarenheid) bewogen werd tot het geven van instemming, en (ii) hij (desalniettemin) de instemming van de werknemer bevorderde terwijl hetgeen hij wist of had moeten begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden. In die zaak had de werknemer direct een aan hem tijdens een gesprek voorgelegde beëindigingsovereenkomst ondertekend, zodat alleen al om die reden de vergelijking met die zaak niet op gaat. [verweerster] heeft immers pas enkele dagen nadat zij er door [verzoekster] van op de hoogte was gesteld dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst van [verweerster] met wederzijds goedvinden wilde beëindigen en haar een beëindigingsovereenkomst was toegestuurd, de overeenkomst ondertekend. Niet gezegd kan worden dat [verweerster] in dit geval door bijzondere omstandigheden door [verzoekster] bewogen is tot het geven van instemming dan wel dat [verzoekster] de instemming van [verweerster] bevorderde, terwijl zij wist of had moeten begrijpen dat zij haar daarvan had behoren te weerhouden.

Onjuiste informatie WW-uitkering

5.10.

Wel is naar het oordeel van de kantonrechter komen vast te staan dat [verzoekster] [verweerster] onjuist heeft geïnformeerd over de ingangsdatum van haar WW-uitkering. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] verklaard dat hij de vraag van [verweerster] of zij (direct) recht heeft op een WW-uitkering bevestigend heeft beantwoord. Verder heeft [verzoekster] verklaard dat hij niet wist dat [verweerster] pas met ingang van
1 juni 2022 een WW-uitkering zou krijgen. Als gevolg van de onjuiste inlichtingen door [verzoekster] over de ingangsdatum van de WW-uitkering, is sprake van dwaling aan de zijde van [verweerster] . Nu het voor [verweerster] belangrijk was dat zij na het eindigen van haar arbeidsovereenkomst direct een uitkering zou ontvangen en zij [verzoekster] daar ook expliciet naar heeft gevraagd, is aannemelijk dat zij bij een juiste voorstelling van zaken niet met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 21 maart 2022, maar wel met een beëindiging per 1 juni 2022 akkoord zou zijn gegaan. De kantonrechter acht het, nu alleen ten aanzien van de ingangsdatum van de WW-uitkering sprake is van dwaling, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) onaanvaardbaar om over te gaan tot volledige vernietiging van de beëindigingsovereenkomst. De dwaling over de ingangsdatum van de WW-uitkering vormt reden om de beëindigingsovereenkomst gedeeltelijk te vernietigen, in die zin dat de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst (zoals opgenomen in artikel 4.1 van de beëindigingsovereenkomst) niet op 21 maart 2022, maar op 1 juni 2022 wordt vastgesteld. Hiermee is ook het nadeel van [verweerster] als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 BW (waar [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling een beroep op heeft gedaan) opgeheven. Anders dan [verweerster] subsidiair heeft aangevoerd, is gelet op hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen het beroep van [verzoekster] op de beëindigingsovereenkomst (uitgaande van een beëindigingsdatum van
1 juni 2022) niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

5.11.

Het voorgaande betekent dat de kantonrechter het verzoek van [verweerster] tot betaling van het loon over de periode van 21 maart 2022 tot 1 juni 2022, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, zal toewijzen. De verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente komen wegens de te late betaling van het loon op grond van de wet voor toewijzing in aanmerking. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 20%. De verzoeken VIII tot XI van [verweerster] zullen voor het overige worden afgewezen.

Onbetaald verlof en vakantie-uren

5.12.

[verweerster] heeft verder verzocht [verzoekster] te veroordelen tot betaling van in totaal € 1.850,72 aan onbetaald verlof en vakantie-uren die [verzoekster] volgens [verweerster] ten onrechte met het loon heeft verrekend (verzoek XII). Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerster] ten aanzien van dit verzoek verklaard dat zij heeft bedoeld dit verzoek onvoorwaardelijk in te dienen. [verzoekster] heeft verklaard dit ook als zodanig te hebben begrepen. Tevens heeft [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling verklaard haar verzoek ter zake onbetaald verlof en vakantie-uren te verminderen tot € 850,00 bruto. [verzoekster] heeft de verschuldigdheid van dit bedrag erkend. [verzoekster] zal derhalve worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

Ontbinding op verzoek [verweerster]

5.13.

Voor het geval [verzoekster] haar ontbindingsverzoek intrekt, verzoekt [verweerster] (verzoek VI) de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Nu uit hetgeen de kantonrechter hierna oordeelt (overweging 5.32) volgt dat aan [verzoekster] niet de mogelijkheid wordt geboden haar ontbindingsverzoek in te trekken en de voorwaarde daarmee niet in werking treedt, wordt aan de bespreking en beoordeling van het ontbindingsverzoek van [verweerster] niet toegekomen.

Salarisspecificaties

5.14.

[verweerster] heeft verzocht (verzoek XIII) [verzoekster] te veroordelen binnen een week na betekening van deze uitspraak salarisspecificaties aan haar te verzenden betreffende de door [verzoekster] verschuldigde betalingen, op straffe van een dwangsom van
€ 1.000,00 per dag of gedeelte van de dag dat [verzoekster] hieraan geen medewerking verleent.

5.15.

De kantonrechter zal [verzoekster] veroordelen binnen één maand na betekening van deze beschikking salarisspecificaties aan [verweerster] te verzenden betreffende de door [verzoekster] verschuldigde betalingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] kenbaar gemaakt aan deze veroordeling te zullen voldoen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [verzoekster] deze toezegging nakomt en ziet dan ook geen reden aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden.

In het voorwaardelijk verzoek van [verzoekster]

Voorwaardelijk ontbindingsverzoek

5.16.

[verzoekster] heeft verzocht de arbeidsovereenkomst van [verweerster] te ontbinden, voor het geval in rechte komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet reeds op 21 maart 2022 op rechtsgeldige wijze is geëindigd. Zoals de kantonrechter hiervoor ten aanzien van het tegenverzoek van [verweerster] heeft geoordeeld, is de beëindigingsovereenkomst gedeeltelijk vernietigd en is de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst gesteld op 1 juni 2022. Dat betekent dat inmiddels de arbeidsovereenkomst al rechtsgeldig met wederzijds goedvinden is geëindigd.

5.17.

Dit neemt echter niet weg dat [verzoekster] desondanks belang heeft bij beoordeling van haar voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Mocht namelijk hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, dan kan op voorhand niet worden uitgesloten dat het hof tot een ander oordeel dan de kantonrechter komt en (alsnog) in rechte komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet (op 21 maart 2022 of 1 juni 2022) rechtsgeldig door de beëindigingsovereenkomst is geëindigd. Met andere woorden: de voorwaarde waaronder door [verzoekster] om ontbinding is verzocht (te weten dat in rechte komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet reeds op 21 maart 2022 op rechtsgeldige wijze is geëindigd en de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat) kan dan wel intreden.

5.18.

De Hoge Raad heeft in zijn Mediant-uitspraak van 23 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2998) een aantal ‘spelregels’ gegeven voor de voorwaardelijke ontbindingsprocedure in geval van een ontslag op staande voet. In die zaak was sprake van een door de werkgever verleend ontslag op staande voet, waarvan door de werknemer de vernietiging was ingeroepen. De Hoge Raad wijst in rechtsoverweging 3.12.2 op het systeem van artikel 7:683 BW en de aldaar gegeven mogelijkheid voor een werknemer om bij de kantonrechter en vervolgens bij het gerechtshof een door de werkgever verleend ontslag op staande voet aan te vechten, en voor een werkgever om, veelal op dezelfde of samenhangende gronden, ontbinding of beëindiging van de arbeidsovereenkomst na te streven. De Hoge Raad overweegt (rechtsoverweging 3.13.1) dat met het systeem van artikel 7:683 BW “onverenigbaar is dat de kantonrechter desverlangd de voorwaardelijk verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst (ook) zou uitspreken voor het geval de appel- of verwijzingsrechter, anders dan de kantonrechter, het op staande voet gegeven ontslag zou vernietigen.” Van een ontslag op staande voet of de vernietiging daarvan is in casu echter geen sprake. [verzoekster] heeft immers voorwaardelijk, voor het geval in rechte komt vast te staan dat [verweerster] de beëindigingsovereenkomst terecht heeft vernietigd, ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht, op grond van - kort gezegd - een verstoorde arbeidsverhouding. Dit is een geheel andere grond en situatie dan het geschil ten aanzien van de beëindigingsovereenkomst (vgl. hof Amsterdam 25 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2138). In dit geval is ook geen sprake van vernietiging van een opzegging op grond van artikel 7:681 BW, zoals in de Mediant-zaak wel aan de orde was. Bovendien zou het gerechtshof in dit geval in hoger beroep de beëindigingsovereenkomst alsnog kunnen vernietigen, terwijl bij een ontslag op staande voet het gerechtshof in hoger beroep niet alsnog tot vernietiging van de opzegging kan overgaan, maar hooguit de arbeidsovereenkomst kan herstellen. Om deze redenen gaat de vergelijking met de Mediant-zaak niet op en is in het onderhavige geval als de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk wordt ontbonden geen sprake van het “voor de voeten” lopen van de appelrechter door de kantonrechter. Dit betekent dat de kantonrechter toekomt aan de beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek.

5.19.

Ingevolge artikel 7:669 lid 1 BW kan de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever alleen worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, waarbij in lid 3 van dat wetsartikel nader is omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

5.20.

[verweerster] heeft erkend dat geen opzegverbod van toepassing is, zodat de opzegverboden niet aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staan. Zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat [verweerster] wel ziek is - zoals de gemachtigde van [verweerster] in de brief van 4 mei 2022 stelt - en het opzegverbod (artikel 7:670 lid 1 onderdeel a BW) in beginsel van toepassing is, is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek geen verband houdt met de omstandigheden waarop de opzegverboden betrekking hebben (artikel 7:671b lid 6 sub a BW). De reden waarom [verzoekster] de arbeidsovereenkomst met [verweerster] wil ontbinden, is dat er volgens haar sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Het opzegverbod staat dan ook niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg.

5.21.

Aan haar ontbindingsverzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Volgens [verzoekster] heeft de houding en gedrag van [verweerster] geleid tot een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie die dusdanig van aard is dat herstel niet (meer) mogelijk is.

5.22.

Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een voldragen g-grond. Uit de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het de kantonrechter - gelet op de verwijten die partijen elkaar over en weer maken - voldoende gebleken dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. [verweerster] stelt weliswaar dat de werkelijke ontslaggrond is gelegen in disfunctioneren (artikel 7:669 lid 3 sub d BW), maar zij ontkent niet dat inmiddels (ook) sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Zij stelt immers onder I van haar verweer zich te refereren aan het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden en zij heeft bovendien zelf ook om (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat een vruchtbare samenwerking tussen partijen niet meer tot de mogelijkheden behoort.

5.23.

Gelet op de ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, is de kantonrechter van oordeel dat herplaatsing binnen een redelijke termijn in dit geval niet in de rede ligt. Er is ook niet gesteld of gebleken dat er daadwerkelijk herplaatsingsmogelijkheden zijn.

5.24.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter concluderend van oordeel dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het voorwaardelijke verzoek wordt daarom ingewilligd.

Datum ontbinding

5.25.

Nu het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt ingewilligd, dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. De kantonrechter bepaalt dit einde op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, waarbij de duur van de periode die aanvangt op de datum van ontvangst van het verzoek in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat een termijn van minstens een maand resteert (artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder a BW). In dit geval leidt dat er toe dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2022 zal worden ontbonden.

Transitievergoeding

5.26.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerster] recht heeft op de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW. Partijen zijn het er ook over eens dat het bruto maandloon van [verweerster] € 1.574,56 bedraagt, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Dat betekent dat de transitievergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 november 2022 € 4.701,05 bruto bedraagt. [verzoekster] heeft verzocht het reeds (op grond van de beëindigingsovereenkomst) aan [verweerster] betaalde bedrag van € 3.194,34 bruto met de transitievergoeding te verrekenen c.q. hierop in mindering te brengen. Als de beëindigingsovereenkomst wordt vernietigd, komt de grondslag voor betaling van de in die overeenkomst opgenomen vergoeding van € 3.194,34 bruto te vervallen. Het verzoek van [verzoekster] dit bedrag te verrekenen met de transitievergoeding wordt derhalve toegewezen. Dat betekent dat een transitievergoeding ter hoogte van € 1.506,71 bruto (€ 4.701,05 - € 3.194,34) resteert. [verzoekster] zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

5.27.

De door [verweerster] verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding zal de kantonrechter op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toewijzen vanaf 1 december 2022, zijnde een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Billijke vergoeding

5.28.

[verweerster] heeft verzocht om toekenning van een billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen door [verzoekster] . Zij voert daartoe het volgende aan. [verzoekster] verwijt [verweerster] in werkelijkheid disfunctioneren. Deze ontslaggrond is niet voldragen. Zo heeft [verweerster] niet een serieuze en reële gelegenheid gekregen haar functioneren te verbeteren en is het gestelde disfunctioneren niet tijdig aan [verweerster] kenbaar gemaakt. [verweerster] beroept zich op de zogenoemde Asscher-escape: de arbeidsrelatie is verstoord geraakt doordat de werkgever ten onrechte getracht heeft de werknemer op een andere, onvoldragen grond te ontslaan. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, heeft [verzoekster] die situatie met haar handelen zelf gecreëerd. Nadat [verweerster] tegen de onder druk van [verzoekster] gecreëerde beëindiging opkwam, heeft [verzoekster] geen enkele poging ondernomen om tot een oplossing van de verstoring te komen. Ook is [verzoekster] volledig passief gebleven naar aanleiding van de (herhaalde) melding van [verweerster] in haar brief van 4 mei 2022 aan [verzoekster] , dat zij psychische klachten heeft als gevolg van grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer, aldus [verweerster] . Onder verwijzing naar de uitspraken New Hairstyle (ECLI:NL:HR:2017:1187), ServiceNow (ECLI:NL:HR:2020:955) en Zinzia (ECLI:NL:HR:2018:878) van de Hoge Raad stelt [verweerster] dat de billijke vergoeding moet worden begroot op een bedrag van € 106.247,14 bruto.

5.29.

De kantonrechter wijst het verzoek van [verweerster] om toekenning van een billijke vergoeding af, aangezien geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verzoekster] . Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 34). Van een dergelijke situatie is in deze zaak niet gebleken.

5.30.

[verweerster] stelt weliswaar dat de werkelijke ontslaggrond is gelegen in disfunctioneren, doch uit het verzoekschrift van [verzoekster] blijkt niet dat de werkgever [verweerster] enige verwijten maakt ten aanzien van haar functioneren. [verzoekster] heeft de d-grond ook niet aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd. Het beroep van [verweerster] op de zogenoemde Asscher-escape gaat dan ook niet op. Verder heeft [verweerster] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer. [verweerster] verwijst naar haar brief van 4 mei 2022 waarin zij voorbeelden noemt van grensoverschrijdend gedrag en zij één van de werknemers die zich daar volgens haar schuldig aan heeft gemaakt expliciet noemt, [verweerster] onderbouwt deze stellingen verder niet (bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van collega’s). [verweerster] verwijt [verzoekster] verder na 4 mei 2022 geen actie te hebben ondernomen ten aanzien van haar melding over grensoverschrijdend gedrag. De kantonrechter volgt [verweerster] hierin niet. Immers, wat er ook zij van het gestelde grensoverschrijdend gedrag, in de visie van [verzoekster] was de arbeidsovereenkomst op
4 mei 2022 reeds met wederzijds goedvinden geëindigd. Niet gesteld of gebleken is dat [verweerster] eerder, tijdens het dienstverband, bij [verzoekster] melding heeft gemaakt van door haar ervaren grensoverschrijdend gedrag.

5.31.

Gelet op de verwijten die partijen elkaar over een weer maken, onder meer rondom de gang van zaken met betrekking tot de beëindigingsovereenkomst en het door [verweerster] gestelde grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer, is een verstoorde arbeidsrelatie ontstaan. Niet gezegd kan worden dat het aandeel van [verzoekster] hierin zodanig is, dat dit tot de conclusie zou moeten leiden dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verzoekster] . Het verzoek van [verweerster] haar een billijke vergoeding toe te kennen, zal de kantonrechter afwijzen.

Intrekken ontbindingsverzoek

5.32.

Aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt alleen een door [verzoekster] aan [verweerster] te betalen transitievergoeding verbonden (en geen billijke vergoeding). Er bestaat dan ook geen aanleiding om [verzoekster] op de voet van artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid te stellen het ontbindingsverzoek in te trekken, mede omdat [verzoekster] dat ook niet heeft verzocht (HR 29 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1812, Bam Infra).

In het voorwaardelijk verzoek van [verzoekster] en in het (voorwaardelijk) tegenverzoek van [verweerster]

Proceskosten

5.33.

De kantonrechter zal, zowel in het voorwaardelijk verzoek van [verzoekster] als in het (voorwaardelijk) tegenverzoek van [verweerster] bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten dragen, omdat geen van beide partijen in overwegende mate in het ongelijk is gesteld. Dit bekent dat de verzoeken van [verweerster] (onder IV en VII) haar op grond van artikel 7:611 BW jo. artikel 6:96 BW een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 4.060,52 toe te kennen wordt afgewezen. Naar de kantonrechter (op basis van randnummer 48 van het verweerschrift) begrijpt, heeft [verweerster] dit verzoek ook alleen ingediend voor het geval het resultaat van de onderhavige procedure een bedrag van € 15.873,50 bruto of meer bedraagt. Aan die voorwaarde is niet voldaan, zodat ook om die reden de verzoeken van [verweerster] ter zake de kosten van rechtsbijstand zullen worden afgewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.34.

Deze beschikking wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behoudens de beslissing ten aanzien van de voorwaardelijke ontbinding en de voorwaardelijk toegekende transitievergoeding.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in het voorwaardelijk verzoek van [verzoekster] , alleen voor het geval in rechte komt vast te staan dat de beëindigingsovereenkomst op goede gronden door [verweerster] is vernietigd en de arbeidsovereenkomst nog bestaat:

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2022;

6.2.

veroordeelt [verzoekster] aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen ter hoogte van € 1.506,71 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2022 tot de dag van algehele voldoening;

6.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

in het (voorwaardelijk) tegenverzoek van [verweerster] :

6.5.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerster] van het loon ter hoogte van
€ 1.574,56 bruto per maand vermeerderd met 8% vakantietoeslag over de periode van 21 maart 2022 tot 1 juni 2022, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% ex artikel 7:625 BW en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW, vanaf 18 juli 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.6.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerster] van € 850,00 bruto ter zake van onbetaald verlof en vakantie-uren;

6.7.

veroordeelt [verzoekster] binnen één maand na betekening van deze beschikking salarisspecificaties aan [verweerster] te verstrekken met betrekking tot de door [verzoekster] aan [verweerster] verschuldigde betalingen (zoals hiervoor onder 6.5 en 6.6 vermeld);

6.8.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

6.9.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.

44483