Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7803

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-08-2022
Datum publicatie
22-09-2022
Zaaknummer
9666060 \ CV EXPL 22-3391
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Annulering opdracht tot verzorgen huwelijksfeest. Annuleringsbeding oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG. Geen aanspraak op vergoeding op grond van artikel 7:411 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 9666060 \ CV EXPL 22-3391

datum uitspraak: 19 augustus 2022

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

1. [eiser 1],

2. [eiser 2]

woonplaats: [woonplaats eisers],

eisers,

gemachtigde: mr. drs. A.J. Trouborst,

tegen

[gedaagde] , die handelt onder de naam [handelsnaam],

woonplaats: [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘[eisers]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding van 12 januari 2022, met bijlagen;

  • -

    het antwoord;

  • -

    de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van de zijde van [eisers] van 11 april 2022, met bijlage;

  • -

    de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eisers];

  • -

    de e-mail van [gedaagde] van 7 juni 2022, met bijlage;

  • -

    de brief van de zijde van [eisers] van 1 juli 2022.

1.2.

Op 25 mei 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren [gedaagde] en de gemachtigde van [eisers] aanwezig.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde] exploiteert onder de naam [handelsnaam] in [plaatsnaam] een tuincafé en buitenhotel. De locatie is onder meer te huur voor bruiloften, feesten en vergaderingen.

2.2.

Tussen partijen is op 19 maart 2021 een overeenkomst tot stand gekomen voor een huwelijksfeest van [eisers] op 22 juli 2022. Overeengekomen is onder meer dat [gedaagde] de locatie ter beschikking zou stellen en diensten zou verrichten, waaronder bediening, faciliteren van de huwelijksceremonie, inrichting van het festivalveld en het verzorgen van de catering. Tevens hebben [eisers] een aantal hotelkamers gereserveerd.

2.3.

In de door [gedaagde] gehanteerde algemene voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

9.5 Annulering andere horecaovereenkomsten.

9.5.1

Voor annulering van alle reserveringen niet vallende onder de artikelen 9.2, 9.3 en 9.4 of een reservering met een reserveringswaarde van € 3000,- of meer zal het navolgende gelden:

(…)

a. Bij annulering meer dan 12 maanden voor bedoeld tijdstip is de klant gehouden 10% van de reserveringswaarde aan het horecabedrijf te betalen.

b. Bij annulering meer dan 6 maanden voor bedoeld tijdstip is de klant gehouden 35% van de reserveringswaarde aan het horecabedrijf te betalen. (…)”.

2.4.

Bij e-mail van 15 september 2021 heeft [gedaagde] aan [eisers] een aanbetalingsfactuur gestuurd. In die factuur is een totaalprijs van € 13.279,00 inclusief btw opgenomen. Het factuurbedrag was 25% van de totaalprijs, te weten € 3.319,75. [eisers] hebben dat bedrag diezelfde dag betaald.

2.5.

Bij e-mail van 27 oktober 2021 hebben [eisers] [gedaagde] laten weten dat de bruiloft geen doorgang zou vinden in verband met de beëindiging van hun relatie. Zij hebben [gedaagde] verzocht het aanbetaalde bedrag terug te betalen.

2.6.

Bij e-mail van 29 oktober 2021 heeft [gedaagde] [eisers] laten weten dat zij de bruiloft heeft geannuleerd en dat er aan annuleringskosten een bedrag ter hoogte van 35% van de totaalprijs verschuldigd is.

2.7.

In het reserveringsoverzicht over de periode van 15 april 2022 tot en met 30 september 2022, door [gedaagde] overgelegd bij akte, en inhoudelijk niet door [eisers] weersproken, is te zien dat in de periode van 22 april tot en met 30 september 2022 op de locatie van [gedaagde] elke vrijdag een bruiloftsfeest is ingepland, met uitzondering van 22 juli 2022 (de door [eisers] geannuleerde reservering) en 29 juli 2022 (eveneens een geannuleerde reservering). Uit het overzicht blijkt dat de tijd tussen het dag van het maken van de reservering voor een bruiloftsfeest en de gereserveerde datum in de genoemde periode sterk varieert, tussen 42 maanden en 19 dagen. Ook blijkt uit het overzicht dat vanaf maart 2022 voor de genoemde periode nog vijftien reserveringen voor bruiloftsfeesten zijn gemaakt.

3. Het geschil

3.1.

[eisers] eisen samengevat:

  • -

    [gedaagde] te veroordelen aan hen te betalen € 3.319,75 met rente;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente;

  • -

    het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

[eisers] baseren de eis - verkort weergegeven - op het volgende. [eisers] hebben de overeenkomst geannuleerd en het aanbetaalde bedrag is daarom onverschuldigd betaald. Het annuleringsbeding in artikel 9.5 van de algemene voorwaarden (hierna: het annuleringsbeding) is in strijd met de wet en vernietigbaar; het beding is tevens onredelijk bezwarend en oneerlijk.

3.3.

[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert - samengevat - het volgende aan. Het annuleringsbeding is redelijk en niet vernietigbaar. Het treffen van voorbereidingen voor een bruiloft gebeurt minimaal een jaar van tevoren, waardoor het voor [gedaagde] praktisch onmogelijk is om nog een andere bruiloft in te plannen als er acht maanden voor de gereserveerde datum geannuleerd wordt. Voordat de bruiloft geannuleerd werd, heeft [gedaagde] andere aanvragen voor de gereserveerde datum moeten afwijzen. De inkomsten van [gedaagde] komen voornamelijk uit het organiseren van bruiloften; als [gedaagde] geen beroep zou kunnen doen op het annuleringsbeding, dan zou zij binnen een à twee jaar failliet gaan wegens het niet behalen van de benodigde omzet.

4. De beoordeling

De hoofdsom

Overeenkomst van opdracht

4.1.

In artikel 7:400 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de overeenkomst van opdracht een overeenkomst is waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten (met uitzondering van bepaalde in dat artikel genoemde werkzaamheden). De overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde] ziet niet alleen op de huur van een locatie, maar heeft voor een belangrijk deel ook betrekking op verschillende diensten en op door [gedaagde] te verrichten werkzaamheden. Die werkzaamheden vallen niet onder de werkzaamheden die volgens artikel 7:400 lid 1 BW zijn uitgezonderd. De overeenkomst moet daarom worden gezien als een overeenkomst van opdracht (vgl. Rb Den Haag 03-09-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:11367).

4.2.

Een opdrachtgever kan te allen tijde de overeenkomst van opdracht opzeggen (artikel 7:408 lid 1 BW). Als de opdrachtgever een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (hierna: een niet-professionele opdrachtgever), dan is die in geval van opzegging geen schadevergoeding aan de opdrachtnemer verschuldigd, anders dan een vergoeding voor de onkosten van de opdrachtnemer, voor zover die niet in het loon zijn inbegrepen (artikelen 7:406 lid 1 en 408 lid 3 BW).

4.3.

Indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging van de opdracht, dan heeft de opdrachtgever recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling daarvan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd (artikel 7:411 lid 1 BW). Er kunnen echter ook andere omstandigheden in de beoordeling worden betrokken, zoals bijvoorbeeld eventuele gederfde inkomsten doordat een bepaald tijdvak of een bepaalde locatie is gereserveerd en het gereserveerde tijdvak of de gereserveerde locatie niet ten behoeve van een andere opdrachtgever kunnen worden aangewend.

4.4.

Van artikel 7:408 lid 3 BW kan niet worden afgeweken. Van artikel 7:411 BW kan niet worden afgeweken in het nadeel van een niet-professionele opdrachtgever. Een beding dat van die bepalingen afwijkt is op grond van artikel 3:40 lid 2 BW nietig of vernietigbaar.

4.5.

[eisers] zijn niet-professionele opdrachtgevers en de verschuldigdheid van de overeengekomen prijs was afhankelijk van de volbrenging van de opdracht (het verzorgen van het bruiloftsfeest). Dit betekent dat als het annuleringsbeding niet zou zijn overeengekomen, [gedaagde] bij opzegging van de overeenkomst aanspraak zou hebben gehad op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon en op vergoeding van onkosten, voor zover die niet in het loon zijn inbegrepen. Als het annuleringsbeding [gedaagde] recht geeft op een hoger bedrag dan dat, dan wijkt dat beding ten nadele van [eisers] af van de genoemde wetsbepalingen en is het nietig of vernietigbaar. Of dat het geval is, zal hierna worden besproken, in samenhang met de vraag of het een oneerlijk beding betreft.

Is het annuleringsbeding een oneerlijk beding?

4.6.

Op grond van artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Deze bepaling moet worden uitgelegd in het licht van de Europese Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG is van toepassing op overeenkomsten tussen een professionele verkoper of dienstverlener en een consument, zoals in dit geval [eisers] In artikel 3 lid 1 van die richtlijn is bepaald dat een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Het beslissende moment is het moment waarop de overeenkomst gesloten is; als het beding op dat moment al de verstoring van het evenwicht in zich droeg, dan is het beding oneerlijk, ook als deze verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden zou kunnen voordoen (vgl. HvJ EU 27-01-2021, ECLI:EU:C:2021:68, par. 55).

4.7.

Het moet worden aangenomen dat als volgens dwingend consumentenrecht (dat wil zeggen dwingend recht ter bescherming van een consument in zijn verhouding tot een professionele wederpartij) een beding nietig of vernietigbaar is, het beding daarmee ook geldt als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (conclusie AG Valk 08-07-2022, ECLI:NL:PHR:2022:678, par. 5.42 – 5.49). Als wordt geoordeeld dat het beding oneerlijk is, dan kan de gebruiker van de algemene voorwaarden zich niet met succes op dat beding beroepen.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat het annuleringsbeding oneerlijk is en dat [gedaagde] zich daarom niet daarop kan beroepen. De kantonrechter komt tot dat oordeel op de volgende gronden.

4.9.

Het annuleringsbeding valt binnen het bereik van Richtlijn 93/13/EEG, omdat [gedaagde] een professionele dienstverlener is en [eisers] consumenten zijn in de zin van de richtlijn. Het beding is opgenomen in algemene voorwaarden, waarover partijen niet afzonderlijk hebben onderhandeld.

4.10.

Het annuleringsbeding geeft [gedaagde] recht op een vergoeding van 35% van de reserveringswaarde, indien de opdracht wordt geannuleerd in een periode van twaalf tot zes maanden voorafgaand aan de reserveringsdatum. Zoals hiervoor overwogen, is het annuleringsbeding nietig of vernietigbaar op grond van artikelen 7:406 lid 1, 408 lid 3 en/of 411 BW als die vergoeding hoger is dan een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon en op vergoeding van onkosten, voor zover die niet in het loon zijn inbegrepen. Omdat het bepalingen van dwingend recht ter bescherming van consumenten betreft, moet het annuleringsbeding in dat geval worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG.

4.11.

In het kader van de beoordeling of het annuleringsbeding een oneerlijk beding is, moet bij de bepaling of het beding in strijd is met artikelen 7:406 lid 1, 408 lid 3 en/of 411 BW worden gekeken naar de situatie op het moment van het sluiten van de overeenkomst, te weten op 19 maart 2021. Omstandigheden die zich na dat moment hebben voorgedaan zijn voor die beoordeling dus niet van belang.

4.12.

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij ter voorbereiding van de bruiloft van [eisers] geen noemenswaardige onkosten heeft gemaakt. Er is niet gesteld of gebleken dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst te verwachten was dat [gedaagde] dergelijke onkosten in de periode van twaalf tot zes maanden voor de reserveringsdatum zou maken. Een aanspraak op vergoeding voor onkosten is daarom niet aan de orde.

4.13.

Bij de bepaling van het deel van het loon, waar [gedaagde] recht op zou hebben gehad als het annuleringsbeding niet zou zijn overeengekomen, moet rekening worden gehouden met de omstandigheden. Het staat vast dat [gedaagde] geen noemenswaardige werkzaamheden heeft verricht en dat [eisers] geen voordeel hebben gehad van door [gedaagde] verrichte werkzaamheden; het is niet gesteld of gebleken dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst te verwachten was dat dergelijke werkzaamheden gedurende de periode van twaalf tot zes maanden voor de reserveringsdatum wel zouden worden verricht. Wel zou mogelijk, zoals [gedaagde] stelt, sprake kunnen zijn van gederfde inkomsten doordat de ruimte niet opnieuw is verhuurd; ook die kunnen worden betrokken bij het bepalen van het gedeelte van het loon waarop [gedaagde] recht zou hebben gehad als het annuleringsbeding niet overeen zou zijn gekomen.

4.14.

Uit het overzicht dat [gedaagde] heeft overgelegd blijkt dat reserveringen voor grote bruiloften (met een reserveringswaarde van meer dan € 8.000,00) die op haar locatie gepland zijn voor 2022 in bepaalde gevallen tot wel drie en een half jaar van tevoren zijn gemaakt. Uit dat overzicht blijkt echter ook dat grote bruiloften vaak veel korter van tevoren worden gepland, in een geval zelfs tot slechts 19 dagen van tevoren. Vanaf maart 2022, na het vervallen van de coronamaatregelen die in december 2021 van kracht waren geworden, zijn voor 2022 nog vier grote bruiloften gepland. Daarnaast zijn na die datum nog elf kleinere bruiloften (met reserveringswaarden van € 1.505,00 tot € 7.962,50) voor 2022 gepland.

4.15.

Op basis van de bovengenoemde gegevens kan niet worden gezegd dat het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met zekerheid te verwachten was dat, als [eisers] de opdracht twaalf tot zes maanden voor de reserveringsdatum zouden annuleren, [gedaagde] daardoor inkomsten zou derven, en zeker niet dat die gederfde inkomsten tenminste 35% van de reserveringswaarde zouden bedragen. De stelling van [gedaagde] dat zij, als zij zich niet op het annuleringsbeding zou kunnen beroepen, binnen korte termijn failliet zou gaan wegens gebrek aan inkomsten, wordt niet ondersteund door deze gegevens en is ook anderszins niet met feiten onderbouwd. Dit raakt bovendien de bedrijfsorganisatie en kan op zichzelf bezien niet aan [eisers] worden tegengeworpen.

4.16.

In de Uniforme Voorwaarden Horeca van Koninklijke Horeca Nederland, die door [eisers] in het geding zijn gebracht, is ook een annuleringsbeding opgenomen. Voor een reservering als de onderhavige geldt op grond artikel 9.4.2 van die voorwaarden dat bij annulering tot zes maanden voor de gereserveerde datum geen annuleringsvergoeding verschuldigd is. Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van [eisers] onbetwist gesteld dat de uit de voorwaarden van Koninklijke Horeca Nederland blijkt wat gebruikelijk is in de branche. Als een beding afwijkt van modelvoorwaarden die gangbaar zijn in de branche leidt dat niet automatisch tot de conclusie dat daarmee sprake is van een onredelijk bezwarend beding (Hof Arnhem 27-11-2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB8630), maar bij de invulling van de norm van artikel 7:411 BW moet met heersende opvattingen in de branche wel rekening worden gehouden (vgl. conclusie AG Valk 08-07-2022, ECLI:NL:PHR:2022:678, par. 3.42). In dit geval ziet de kantonrechter ook daarin een aanwijzing dat de hoogte van de annuleringsvergoeding die voortvloeit uit het door [gedaagde] gehanteerde annuleringsbeding te hoog is.

4.17.

Naast de omstandigheden genoemd onder 4.13 - 4.16 is niet gebleken van andere omstandigheden waarmee bij het vaststellen van het loon rekening moet worden gehouden.

4.18.

Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de bedongen annuleringsvergoeding hoger is dan het bedrag waarop [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst naar verwachting recht zou hebben gehad als het annuleringsbeding niet had bestaan. Het beding is daarmee oneerlijk.

Geen andere rechtsgrond voor vergoeding

4.19.

In het geval dat een beding is aangemerkt als oneerlijk en daarom terzijde is gesteld, kan de partij die zich op het beding heeft beroepen geen aanspraak maken op vergoeding op grond van een wettelijke bepaling die zonder dat beding van toepassen zou zijn geweest (HvJ EU 27-01-2021, ECLI:EU:C:2021:68, par. 62-67). Dit betekent dat [gedaagde] ook op grond van artikel 7:411 BW geen aanspraak kan maken op een vergoeding.

4.20.

Op grond van het bovenstaande oordeelt de kantonrechter dat de hoofdsom zonder rechtsgrond, en daarmee onverschuldigd, door [eisers] aan [gedaagde] is betaald. De gevorderde hoofdsom zal dan ook worden toegewezen.

Rente

4.21.

De rente wordt toegewezen, omdat uit de stellingen van [eisers] volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] deze stellingen niet heeft betwist.

Proceskosten

4.22.

[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eisers] tot vandaag vast op € 135,88 aan dagvaardingskosten, € 244,00 aan griffierecht en € 545,00 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 218,00 tarief). Dit is totaal € 924,88. De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.23.

Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen € 3.319,75 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eisers] tot vandaag vastgesteld op € 924,88 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.

[33179/52890]