Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7550

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2022
Datum publicatie
09-09-2022
Zaaknummer
C/10/626585 / HA ZA 21-890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2020:2860). Na tussentijds hoger beroep is eiseres in conventie niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet voldoen aan vordering tot garantiestelling. In reconventie wordt verklaring voor recht uitgesproken dat overeenkomst is opgezegd door eiseres in reconventie. Op grond van contractuele bepaling dient deze partij 25% van contractsom te betalen en heeft zij recht op vergoeding van gemaakte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/626585 / HA ZA 21-890

Vonnis van 10 augustus 2022

in de zaak van

rechtspersoon naar buitenlands recht

PAYESH GOSTARAN PISHRO LTD,

gevestigd te Teheran (Iran),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F. Havers te Deventer,

tegen

1. de commanditaire vennootschap

PIPE SURVEY INTERNATIONAL C.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P & L PIPE SURVEY B.V., zijnde de beheren vennoot van gedaagde sub 1,

gevestigd te Hellevoetsluis,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. W.M. van Agt te Amsterdam.

Eiseres in conventie zal hierna PGP worden genoemd. Gedaagde 1 in conventie zal hierna Pipe Survey worden genoemd en gedaagden gezamenlijk PS c.s. (in vrouwelijk enkelvoud).

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 april 202 in de zaak met kenmerk C/10/572099 / HA ZA 19-352 en de daarin genoemde procestukken;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie;

  • -

    het bericht van PS c.s. dat appel is ingesteld tegen het tussenvonnis waarna de zaak is verwezen naar de parkeerrol;

  • -

    het arrest van het hof Den Haag van 7 september 2021;

  • -

    akte eisvermeerdering in reconventie in de hoofdzaak van PS c.s.;

  • -

    de oproep van de rechtbank voor een mondelinge behandeling van 2 december 2021;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 21 maart 2022, alsmede de door PS c.s. overgelegde spreekaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Waar gaat het om?

2.1.

Deze zaak betreft een voortzetting van een geschil na tussentijds appel van het tussenvonnis van deze rechtbank van 1 april 2020 (hierna: het tussenvonnis). In deze zaak twisten partijen over de vraag of Pipe Survey haar contractuele verplichtingen in Iran mocht opschorten vanwege aangekondigde Amerikaanse sancties tegen Iran. In de visie van PS c.s. mocht Pipe Survey dit doen omdat zij bang was dat PGP haar betalingsverplichtingen niet zou nakomen door deze sancties. Daarnaast was het de vraag of PGP ontvankelijk is in haar vordering tegen PS c.s. ondanks het niet voldoen aan het vonnis in incident van 14 augustus 2019 (hierna: het incidentvonnis) van deze rechtbank, waarin PGP was veroordeeld tot het stellen van zekerheid.

2.2.

De uitkomst is dat PGP in conventie niet-ontvankelijk zal worden verklaard. In reconventie zal de door PS c.s. meer subsidiair gevorderde verklaring voor recht, inhoudende dat zij de overeenkomst d.d. 5 mei 2017 (hierna: de overeenkomst) heeft opgezegd, worden toegewezen en zal zij EUR 36.000,- als gemaakte kosten toegewezen krijgen.

3. De eiswijziging in reconventie en de beoordeling daarvan

3.1.

PS c.s. heeft in haar akte eisvermeerdering in reconventie haar vorderingen vermeerderd. Hoe de vorderingen van PS c.s. thans luiden is precies verwoord in de akte. Samengevat houdt deze eisvermeerdering in dat PS c.s. de rechtbank verzoekt een aantal gewijzigde verklaringen voor recht uit te spreken, te weten - wederom samengevat - primair dat PGP de overeenkomst heeft opgezegd, subsidiair dat Pipe Survey de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, althans om de overeenkomst op verzoek van Pipe Survey te ontbinden en meer subsidiair dat PS c.s. de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd c.q. geannuleerd in de zin van artikel 14 van de overeenkomst en dat PS c.s. (hoogstens) gehouden is tot betaling van de in dat artikel gefixeerde schadevergoeding van 15, danwel 25% van de lump sum contract waarde.

PS c.s. vordert voorts zowel primair, subsidiair als meer subsidiair - in plaats van het in eerste instantie gevorderde bedrag van € 72.000,- - thans het bedrag van € 181.919,65 als vergoeding van kosten van door Pipe Survey verrichte werkzaamheden.

3.2.

PGP heeft ter zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen deze eisvermeerdering. Aangezien deze eisvermeerdering naar het oordeel van de rechtbank geen strijdigheid oplevert met de eisen van een goede procesorde, zal de rechtbank dan ook op deze vermeerderde eis recht doen.

4. De verdere beoordeling

in conventie

4.1.

Het hof heeft in zijn arrest van 7 september 2021 - anders dan de rechtbank in eerste aanleg - geoordeeld dat PGP alsnog in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard. Het hof heeft in dit kader - kort samengevat - geoordeeld dat de feiten en omstandigheden die voor deze rechtbank aanleiding waren om terug te komen op het incidentvonnis, niet tot het oordeel hadden kunnen leiden dat de in het incidentvonnis vervatte beslissing gebaseerd was op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. De rechtbank is dan ook naar het oordeel van het hof in het tussenvonnis ten onrechte teruggekomen op een bindende eindbeslissing. Het hof heeft zelf geen niet-ontvankelijk verklaring kunnen uitspreken omdat PGP niet had gegriefd tegen het incident-vonnis. Het hof heeft de zaak daartoe (terug)verwezen naar deze rechtbank.

4.2.

De rechtbank zal, gelet op genoemd arrest van het hof en het oordeel dat PGP alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard, PGP niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering in conventie.

in reconventie

4.3.

Vast staat dat de overeenkomst niet is uitgevoerd zoals was voorzien door partijen. Er is echter onduidelijkheid over de status van de overeenkomst, te weten of deze is opgezegd of ontbonden door één van partijen, danwel dat deze nog voortduurt.

4.4.

Deze onduidelijkheid kan worden verklaard door artikel 14 van de overeenkomst. Dit artikel luidt als volgt:

“14. Order Cancellation

Both parties reserve the right to charge, to the maximum of 25% of lump sum for order cancellation, excluded from reasons of force major and up to 15% for reasons including force major. Any work that has been completed by Pipesurvey International shall be invoiced and payable to 30 days.”

Voornoemd artikel verbindt aan opzegging van de overeenkomst dus een zogenoemde opzegpremie van ofwel 25% ofwel 15%, afhankelijk van de omstandigheden die hebben geleid tot opzegging.

Heeft PGP de overeenkomst opgezegd?

4.5.

PGP heeft zowel buitenrechtelijk als in deze procedure meermalen betwist dat zij de overeenkomst heeft opgezegd. In de brief van 15 november 2019 schrijft de heer [persoon A] namens PGP in dit kader: “PGP ontkent en betwist expliciet dat zij de overeenkomst op heeft gezegd dan wel heeft geannuleerd alsook dat zij enige mededeling zou hebben gedaan waaruit zou kunnen volgen dat zij zich niet aan haar verplichtingen, voortvloeiend uit de vorenbedoelde overeenkomst, zal houden. Sterker nog, PGP heeft vele malen uw cliënte aangemaand dan wel dringend verzocht om tot nakoming over te gaan en uw cliënte heeft meerdere malen aangegeven te zullen leveren, doch tevergeefs.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat PGP geen expliciete mededeling heeft gedaan aan Pipe Survey, althans PS c.s. dat zij de overeenkomst opzegt. Volgens PS c.s. moet echter uit het feit dat PGP meerdere malen, voor het eerst in haar brief van 31 oktober 2018, duidelijk heeft gemaakt dat zij geen nakoming van de overeenkomst meer wenst, worden afgeleid dat PGP de facto de overeenkomst heeft opgezegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.7.

PGP schrijft in haar brief van 31 oktober 2018 het volgende over nakoming van de overeenkomst: “(…) Al het voorgaande maakt dat cliënte zich thans genoodzaakt heeft gezien om u hierbij aansprakelijk te stellen voor alle door haar geleden schade. Cliënte behoeft u thans geen nadere termijn voor levering te gunnen doordat u thans klaarblijkelijk blijvend in verzuim bent, ondanks het feit dat cliënte u thans bij meerdere gelegenheden aangemaand en gesommeerd heeft om tot levering over te gaan. Een redelijke termijn om tot levering over te gaan is aldus u bij meerdere gelegenheden verstrekt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat PGP in deze tekst niet schrijft dat zij in het geheel geen nakoming meer wenst van de overeenkomst door Pipe Survey. Hetgeen PGP terzake schrijft, moet worden begrepen als onderbouwing voor de stelling van PGP dat Pipe Survey van rechtswege in verzuim is komen te verkeren, zodat haar geen termijn meer hoeft te worden gegeven voor nakoming. Deze brief kan dan ook niet als een opzegging van de overeenkomst worden aangemerkt. Niet in geschil is dat PGP in de diverse door partijen gevoerde procedures het standpunt heeft ingenomen dat zij – inmiddels – geen nakoming meer wenst van de overeenkomst door Pipe Survey. Deze mededelingen, die gedaan zijn nadat partijen buitengerechtelijk geen oplossing konden vinden voor hun geschil, kunnen evenmin als opzegging van de overeenkomst worden beschouwd. Niet alleen omdat deze zijn gedaan in reactie op het – inmiddels in rechte vaststaande – tekortschieten van de zijde van Pipe Survey (waarover hieronder meer), maar ook gelet op het feit dat PGP in diezelfde procedures het standpunt heeft ingenomen dat zij geen afstand wenst te doen van de overeenkomst en haar schadevergoedingsvordering daarop baseert.

4.8.

De rechtbank zal de primair gevorderde verklaring voor recht, dat PGP de overeenkomst heeft opgezegd en de overige primaire vorderingen, dan ook afwijzen.

Heeft PS c.s. de overeenkomst ontbonden?

4.9.

PS c.s. stelt subsidiair dat zij de overeenkomst middels haar brief van 17 oktober 2019 heeft ontbonden. In deze brief heeft PS c.s. - voor zover relevant - het volgende geschreven:

“Voor zover in rechte niet zou worden aangenomen dat PGP de overeenkomst d.d. 5 mei 2017 heeft opgezegd c.q. geannuleerd, hebben de stellingen en mededelingen van PGP te gelden als mededelingen van een schuldenaar waaruit Pipe Survey als schuldeiser moet afleiden dat PGP in de nakoming zal tekortschieten ex artikel 6:80 lid 1 sub b BW. (…)

Zekerheidshalve ontbinden Pipe Survey en/of P&L bij dezen de overeenkomst d.d. 5 mei 2017 als gevolg van deze mededelingen van PGP en de (toekomstige) toerekenbare tekortkoming(en) in de nakoming door PGP, voor zover de overeenkomst d.d. 5 mei 2017 niet al is opgezegd c.q. geannuleerd door PGP zelf. (…)

Voor zover deze voorgaande buitengerechtelijke ontbinding in rechte geen stand zou houden, stellen Pipe Survey en P&L vast dat de overeenkomst d.d. 5 mei 2017 thans in ieder geval is uitgewerkt, althans niet meer van kracht is ex artikel 29 van de overeenkomst d.d. 5 mei 2017 en dat Pipe Survey en P&L derhalve gekweten zijn van enige (verdere) verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst d.d. 5 mei 2017.”

4.10.

Het beroep van PS c.s. op ontbinding strandt. Het hof heeft immers geoordeeld dat Pipe Survey door haar handelswijze het recht verwerkt heeft om op 9 september 2018 haar eigen verplichtingen op te schorten. Het hof heeft voorts geoordeeld dat, omdat Pipe Survey de overeengekomen inspectiewerkzaamheden niet binnen de overeengekomen fatale termijn heeft verricht, zij tekort is geschoten in de nakoming van haar eigen contractuele verplichtingen. Nu Pipe Survey de partij was die al in 2018 in verzuim was, kon zij ingevolge artikel 6:266 lid 1 BW niet bij brief van 17 oktober 2019 de overeenkomst ontbinden vanwege een gestelde tekortkoming aan de zijde van PGP. De terzake gevorderde verklaring voor recht en overige subsidiaire vorderingen worden dan ook afgewezen.

Heeft PS c.s. de overeenkomst opgezegd?

4.11.

PS c.s. voert als meer subsidiaire grondslag voor haar vordering aan dat wanneer de brief van 17 oktober 2019 niet als ontbindingsbrief kan worden beschouwd, deze brief door conversie te gelden heeft als opzegging/annulering van de overeenkomst door PS c.s. Ter zitting heeft PS c.s. aangevoerd dat de overeenkomst middels voornoemde brief “op 17 oktober 2019 linksom of rechtsom [is] geëindigd.

4.12.

De rechtbank stelt vast dat PS c.s. met voornoemde brief een einde heeft willen maken aan de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst. Nu zij de overeenkomst niet heeft kunnen beëindigen middels ontbinding, resteert opzegging van de overeenkomst, welke situatie door artikel 14 wordt geregeld. Ter zitting van 6 februari 2020 hebben beide partijen in dit kader te kennen gegeven dat artikel 14 een mogelijkheid biedt voor beide partijen om op enig moment de order/overeenkomst op te zeggen zonder dat er een reden hoeft te worden gegeven of een tekortkoming hoeft te zijn. Dat PGP deze brief ook als opzegging van de overeenkomst zag, volgt uit de reactie daarop van PGP van 15 november 2019 waarin PGP het volgende schrijft: “Het voorgaande kan tot geen andere conclusie leiden dan dat uw cliënte de vorenbedoelde overeenkomst thans op heeft gezegd dan wel heeft geannuleerd.” De rechtbank overweegt tot slot dat de brief van 17 oktober 2019 van eerdere datum is dan de dagvaarding die PGP in een nieuwe bodemprocedure met kenmerk C/10/627422 / HA ZA 21-927 heeft uitgebracht, in welke dagvaarding PGP vordert dat de rechtbank de overeenkomst ontbindt. Het feit dat PGP de overeenkomst inmiddels wenst te laten ontbinden door de rechtbank staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling dat PS c.s. op een eerder moment de overeenkomst heeft opgezegd.

4.13.

De conclusie is dat PS c.s. de overeenkomst heeft opgezegd middels de brief van 17 oktober 2019.

Wat is door wie verschuldigd op grond van artikel 14

4.14.

Vervolgens is het de vraag wat de consequenties zijn van de opzegging van de overeenkomst door PS c.s. op grond van artikel 14. Dit artikel legt allereerst een betalingsverplichting van 25% danwel 15% van de contractsom op aan de partij die de overeenkomst opzegt. Die partij is PS c.s. Zij stelt terzake dat het percentage van 15% van toepassing is nu er voor beide partijen sprake was van een overmacht situatie.

4.15.

Uit artikel 14 volgt dat wanneer de opzegging van de overeenkomst het gevolg was van force major voornoemd percentage van toepassing is. Artikel 15 van de overeenkomst vult in wanneer sprake is van force major. In het tussenvonnis heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat van force major geen sprake was. Het hof heeft hierover geen oordeel geveld zodat dit oordeel in stand is gebleven en ook in dit vonnis als uitgangspunt wordt genomen. Dit leidt ertoe dat de betalingsverplichting van PS c.s. niet wordt gebaseerd op 15% maar op 25% van de contractsom van EUR 360.000,-, hetgeen neerkomt op het bedrag van EUR 90.000,-. De rechtbank zal de terzake door PS c.s. meer subsidiair gevorderde verklaring overeenkomstig toewijzen.

4.16.

Naast een betalingsverplichting voor de partij die de overeenkomst opzegt, bepaalt artikel 14 ook dat “Any work that has been completed by Pipesurvey International shall be invoiced and payable to 30 days.” Tussen partijen is in geschil of er een betalings-verplichting voor PGP voortvloeit uit dit artikel.

4.17.

PS c.s. vordert op grond van voornoemde bepaling het bedrag van EUR 181.919,65 van PGP. Volgens PS c.s. heeft zij voor dit bedrag aan kosten gemaakt ter uitvoering van de werkzaamheden uit de overeenkomst. Uit de als productie 38 overgelegde factuur blijkt dat het overgrote deel van de gefactureerde kosten – omstreeks EUR 150.000,- – ziet op materiaal- en arbeidskosten in verband met het vervaardigen van een TFI tool, hetgeen één van de inspectietools was die gebruikt zou worden voor de inspectie van de pijpleidingen in Iran. PGP betwist dat de kosten van de TFI tool, danwel de andere gefactureerde kosten voor vergoeding in aanmerking komen onder artikel 14.

4.18.

Ter beantwoording van de vraag welke kosten onder artikel 14 in rekening kunnen worden gebracht door PS c.s. komt het aan op een uitleg van artikel 14.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat deze bepaling moet worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium. Dat bepaalt dat de rechtsgevolgen van een overeenkomst in de eerste plaats worden bepaald door hetgeen partijen zijn overeengekomen, waarbij het niet alleen aankomt op een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst maar ook op de betekenis die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij zijn alle omstandigheden van het geval van betekenis, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

4.19.

PS c.s. wijst er in dit kader op dat partijen onderhandeld hebben over artikel 14, zoals volgt uit haar productie 34.

De rechtbank maakt uit deze productie op dat de tekst van de overeenkomst afkomstig was van Pipe Survey. [persoon B] stuurt namens Pipe Survey namelijk een mail aan PGP met de inhoud: “Attached is a draft version of the contract. Please go through all the details and revert.” In de door Pipe Survey opgestelde versie was artikel 14 beperkt tot de volgende zin “Pipesurvey International reserve the right to charge, to the maximum 25% of lump sum for order cancellation.” Vervolgens stuurt PGP, in de persoon van [persoon C] , het contract terug met tekstsuggesties voor diverse artikelen, waaronder artikel 14. In het tekstvoorstel voor artikel 14 wordt de 25% cancellation fee wederkerig gemaakt, zodat deze ook door PGP in geval van cancellation kan worden geïnd. De door PGP voorgestelde tekst is niet gelijk aan de tekst uit de ondertekende overeenkomst, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen nog één of meerdere malen (onder andere) over dit artikel hebben gecommuniceerd voordat zij tot overeenstemming kwamen. Partijen hebben echter geen verdere toelichting gegeven op deze onderhandelingen, zodat de rechtbank op grond van de pre-contractuele stukken niet kan vaststellen wat de precieze bedoeling van partijen is geweest met artikel 14.

4.20.

Dit betekent dat de rechtbank voor de uitleg van het artikel met name zal afgaan op de tekst daarvan, gelezen in het licht van de overeenkomst als geheel.

Op grond van deze uitleg is de rechtbank van oordeel dat er een verband moet zijn tussen het werk dat Pipe Survey mocht factureren na een opzegging van de overeenkomst en het werk waarvoor zij op grond van die overeenkomst werd betaald. In artikel 3 is het volgende vastgelegd over de ‘scope of work’: “Parties agree on Geometric and MFL-TFI with speed control Inspection of Pipelines 24" as per attached table located onshore in Iran.” In artikel 30 en 30.4 is vervolgens vastgelegd wanneer Pipe Survey voor welk werk zou worden betaald. Op basis van deze artikelen stelt de rechtbank vast dat van de contractsom van EUR 360.000,- slechts het bedrag van EUR 36.000,- bestemd was voor de eerste fase van het werk, te weten de tool mobilization. De resterende contractsom was door PGP verschuldigd na uitvoering van de inspectiewerkzaamheden in Iran door Pipe Survey. Met deze contractuele afspraken verhoudt zich niet dat PS c.s. thans een bedrag van EUR 150.000,- vordert op grond van gemaakte kosten voor het vervaardigen van een inspectietool voorafgaand aan de inspectiewerkzaamheden. Tussen partijen is ook niet in geschil dat deze tool eigendom bleef van Pipe Survey en dat de tool in beginsel ook voor inspectie van andere pijpleidingen kan worden gebruikt. Ook om deze redenen kan PS c.s. de door haar gemaakte kosten van de TFI tool niet op PGP afwentelen.

4.21.

PGP heeft niet gemotiveerd betwist dat Pipe Survey wel werkzaamheden heeft uitgevoerd ter voorbereiding van de inspectiewerkzaamheden in Iran, onder andere middels het werkbezoek van [persoon D] aan Iran en het klaarmaken van de inspectietools. Onbetwist is dat Pipe Survey daar ook kosten voor zal hebben gemaakt. Voor het vaststellen van de hoogte van deze kosten, sluit de rechtbank aan bij het oordeel van het hof in r.o. 6.22 van het arrest. Het hof neemt daar “op grond van de onweersproken stellingen van Pipe Survey aan dat op 9 september 2018 de in artikel 30 van de overeenkomst vermelde "Tool mobilization", waaraan in dat artikel een prijs van € 36.000 is verbonden, (nagenoeg) gereed was.” Het hof oordeelt verder dat “niet is gesteld of gebleken dat Pipe Survey op dat moment al andere werkzaamheden had uitgevoerd”. De rechtbank gaat er dan ook in rechte vanuit dat PS c.s. op grond van artikel 14 recht heeft op betaling door PGP van het bedrag van EUR 36.000,- vanwege het (nagenoeg) afronden van de tool mobilization fase. Dit bedrag komt ook in de buurt van het bedrag van EUR 31.919,65 dat resteert wanneer de kosten voor de TFI tool van EUR 150.000,- worden afgetrokken van het totaal gefactureerde bedrag van EUR 181.919,65.

4.22.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat PS c.s. op grond van artikel 14 aan PGP een bedrag van EUR 90.000,- is verschuldigd vanwege annulering van de overeenkomst, alsmede dat PGP op haar beurt een bedrag van EUR 36.000,- is verschuldigd aan PS c.s. vanwege door deze laatste gemaakte kosten ter uitvoering van de overeenkomst. De terzake door PS c.s. ingestelde vordering zal dan ook worden toegewezen tot laatstgenoemd bedrag.

4.23.

PS c.s. heeft tot slot nog twee verklaringen voor recht gevorderd, te weten allereerst dat PS c.s. door verrekening niets meer verschuldigd is aan PGP, althans te verklaren dat PS c.s. zich rechtsgeldig heeft of kan beroepen op verrekening. De tweede verklaring voor recht houdt in dat Pipe Survey gekweten is van al haar (verdere) verplichting(en) voortvloeiende uit de overeenkomst.

4.24.

Wat betreft de eerste verklaring voor recht overweegt de rechtbank dat het eerste deel zal worden afgewezen nu in dit vonnis is vastgesteld dat de betalingsverplichting van PS c.s. groter is dan die van PGP. PS c.s. is dan ook nog geld verschuldigd aan PGP. Het tweede deel van de verklaring voor recht houdt niet meer in dan vaststelling van het recht op verrekening waarop een schuldenaar recht heeft op grond van 6:127 BW. Om die reden zal dit deel van de verklaring voor recht ook niet worden toegewezen.

4.25.

De tweede verklaring voor recht kan evenmin worden toegewezen. PGP kan immers in deze procedure geen vordering (meer) instellen terzake van het bedrag van EUR 90.000,- dat haar op grond van artikel 14 toekomt, danwel terzake van overige door haar in de dagvaarding gevorderde (en nog niet nader beoordeelde) schade. Het geschil dat partijen verdeeld houdt, is dan ook met dit vonnis niet beslecht. De rechtbank zal dan ook niet voor recht verklaren dat PS c.s. van al haar (verdere) verplichting(en) voortvloeiende uit de overeenkomst is gekweten.

in conventie en reconventie

Proceskosten

4.26.

In de omstandigheid dat PGP in conventie in het ongelijk is gesteld, maar in reconventie is vastgesteld dat zij recht heeft op een groter bedrag dan waarop PS c.s. recht heeft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart PGP niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

in reconventie

5.2.

verklaart voor recht dat PS c.s. de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd c.q. geannuleerd (in de zin van artikel 14 van de overeenkomst), de overeenkomst niet meer van kracht is tussen partijen en PS c.s. gehouden is tot betaling van de schadevergoeding van 25% van de contractsom ex artikel 14 van de overeenkomst (te weten een bedrag ad EUR 90.000,-),

5.3.

veroordeelt PGP tot betaling van het bedrag van EUR 36.000,-,

5.4.

verklaart de veroordeling onder r.o. 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en reconventie

5.6.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2022.

2054/3246