Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7549

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-09-2022
Datum publicatie
21-09-2022
Zaaknummer
C/10/618313 / HA ZA 21-415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale bevoegdheid: artikel 7 lid 1 Rv (art. 8 sub 1 Brussel I bis-Vo), misbruik van procesrecht, misbruik van bevoegdheid, forum non conveniens. Verzoek tot aanhouding: litispendentie/connexiteit, artikel 12 Rv, artikel 34 Brussel I bis-Vo, goede procesorde

Deze zaak houdt verband met aardschokken die in maart 2018 en volgens eisers ook in februari 2018 plaatsvonden in bepaalde delen van Maceió, een stad in de staat Alagoas in Brazilië. Door deze aardschokken is schade ontstaan aan onder meer wegen, woningen en andere gebouwen. Eisers stellen dat de aardschokken zijn veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten van Braskem SA en dat zij door deze aardschokken schade hebben geleden. Eisers houden gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Gedaagden hebben nog geen inhoudelijk verweer gevoerd, want er moeten volgens hen eerst beslissingen genomen worden over voorvragen. Over die voorvragen wordt in dit vonnis beslist. Het gaat dan om de internationale rechtsmacht van deze rechtbank en om de vraag of deze zaak moet worden aangehouden in verband met procedures in Brazilië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/618313 / HA ZA 21-415

Vonnis in incident van 21 september 2022

in de zaak van

1. [persoon 1] ,

2. [persoon 2],

3. [persoon 3],

4. [persoon 4],

5. [persoon 5],

6. [persoon 6],

10. [persoon 7],

12. [persoon 8],

13. [persoon 9],

14. [persoon 10],

15. [persoon 11],

allen wonende te Maceió, Brazilië,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. M.N. van Dam te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

BRASKEM S.A.,

gevestigd te Camaçari, Brazilië,

2. BRASKEM NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. BRASKEM NETHERLANDS FINANCE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. BRASKEM NETHERLANDS INC. B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. F.E. Vermeulen te Amsterdam.

Eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als eisers.

Gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het incident, zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als gedaagden en afzonderlijk als Braskem SA, Braskem NL, Braskem NL Finance en Braskem NL Inc. Braskem NL, Braskem NL Finance en Braskem NL Inc zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als de Braskem NL entiteiten.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 november 2020, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, althans verzoek tot aanhouding van de procedure tevens bevattende overige preliminaire verweren, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in de incidenten, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek in de incidenten, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in de incidenten, met producties;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van gedaagden, met producties;

  • -

    de bij gelegenheid van de op 17 mei 2022 gehouden mondelinge behandeling in de incidenten overgelegde pleitnotities van gedaagden en eisers;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de incidenten;

  • -

    de schriftelijke reacties van eisers en gedaagden op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Inleiding

Deze zaak houdt verband met aardschokken die in maart 2018 en volgens eisers ook in februari 2018 plaatsvonden in bepaalde delen van Maceió, een stad in de staat Alagoas in Brazilië. Door deze aardschokken is schade ontstaan aan onder meer wegen, woningen en andere gebouwen. Eisers stellen dat de aardschokken zijn veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten van Braskem SA en dat zij door deze aardschokken schade hebben geleden. Eisers houden gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Gedaagden hebben nog geen inhoudelijk verweer gevoerd, want er moeten volgens hen eerst beslissingen genomen worden over voorvragen. Over die voorvragen wordt in dit vonnis beslist. Het gaat dan om de internationale rechtsmacht van deze rechtbank en om de vraag of deze zaak moet worden aangehouden in verband met procedures in Brazilië.

3. De feiten

In dit stadium van de procedure neemt de rechtbank de volgende feiten tot uitgangspunt, voor zover relevant voor de geschilpunten in het incident.

Gedaagden

3.1.

Braskem SA staat aan het hoofd van het Braziliaanse petrochemische concern Braskem (het Braskem-concern). Het Braskem-concern heeft vestigingen over de hele wereld en maakt – kort gezegd – uit natuurlijke grondstoffen petrochemische producten, zoals fossiele brandstoffen, kunststoffen en biomaterialen.

3.2.

Braskem NL is een op 28 september 2006 opgerichte dochtervennootschap van Braskem SA. Braskem NL fungeert onder meer als holdingvennootschap voor de werkmaatschappijen van het Braskem-concern buiten Zuid-Amerika. Daarnaast heeft Braskem NL operationele activiteiten; zo levert zij grondstoffen aan het Braskem-concern ten behoeve van de productie van petrochemische producten en verkoopt zij in Brazilië, Duitsland, Mexico en de Verenigde Staten van Amerika geproduceerde petrochemische producten door aan klanten in Europa en Azië.

3.3.

Braskem NL Finance is een op 17 november 2014 opgerichte dochtervennootschap van Braskem NL. Braskem NL Inc is een op 18 december 2014 opgerichte dochtervennootschap van Braskem NL. Beide zijn financieringsmaatschappijen die als doel hebben het aangaan van financiële transacties; zowel het aantrekken van vreemd vermogen van investeerders als het verstrekken van leningen binnen het Braskem concern.

De mijnbouwactiviteiten

3.4.

Braskem SA exploiteerde in de Braziliaanse staat Alagoas zoutmijnen ten behoeve van de productie van PVC. De eerste zoutmijn werd in de jaren ’70 in gebruik genomen. In mei 2019 zijn de laatste vier zoutmijnen gesloten. In de tussenliggende periode zijn door Braskem SA in totaal 35 zoutmijnen in Alagoas geëxploiteerd.

De aardschokken

3.5.

In maart 2018 en volgens eisers ook in februari 2018 werden aardschokken gevoeld in Maceió. De aardschokken veroorzaakten een grote ravage in de (woon)wijken Pinheiro, Mutagne, Bom Parto en Bebedouro. Er ontstond schade aan onder meer wegen, woningen en andere gebouwen. Honderden gezinnen zijn vanwege instortingsgevaar gedwongen hun woning te verlaten. Ondernemers hebben hun onderneming moeten staken.

De procedures in Brazilië

3.6.

Naar aanleiding van de aardschokken is Braskem SA in Brazilië in tal van procedures betrokken.

3.7.

Zo zijn verschillende collectieve procedures, zogenaamde Civil Public Actions (kortweg CPA’s), aanhangig gemaakt tegen Braskem SA, waaronder (i) een collectieve procedure ter vergoeding van materiële en immateriële schade van de bewoners in de door de aardschokken getroffen regio (“Residents CPA”) en (ii) een collectieve procedure ter vergoeding van de sociaalecologische schade geassocieerd met de aardschokken (“Socio-Environmental CPA”).

3.8.

In zowel de Residents CPA als de Socio-Environmental CPA zijn schikkingen bereikt. Die schikkingen zijn door de Braziliaanse rechter geratificeerd. Beide CPA’s zijn daarmee beëindigd.

3.9.

Een eerste schikking in de Residents CPA werd op 3 januari 2020 door Braskem SA ondertekend (“Residents Schikking”) en op dezelfde dag door de Braziliaanse rechter geratificeerd. Braskem SA verplichtte zich daarmee om – kort gezegd – het Financial Compensation and Relocation Support Program (het “PCF-Programma”) uit te voeren. Dit PCF-Programma bestaat uit 2 fases; een verhuisfase, waarin Braskem SA bewoners binnen de “protected area” helpt bij hun verhuizing naar een andere woning en bepaalde kosten daarvoor vergoedt, en de schadevergoedingsfase, waarin een aanbod tot geldelijke compensatie wordt gedaan. Daarbij wordt geprobeerd om overeenstemming te bereiken over de door Braskem SA te betalen vergoeding van materiële en immateriële schade conform de in het PCF-Programma overeengekomen kaders.

3.10.

Voor degenen die niet instemmen met het aanbod van Braskem SA voor geldelijke compensatie in het kader van het PCF-Programma (onder wie eisers) bestaat de mogelijkheid om “liquidation proceedings” in te leiden bij de Braziliaanse overheidsrechter.

4. Het geschil in de hoofdzaak

Eisers vorderen dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort en zakelijk weergegeven:

voor recht verklaart dat gedaagden gezamenlijk en/of ieder voor zich onrechtmatig hebben gehandeld jegens eisers en aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden en nog te lijden schade;

gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan eisers van de als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagden door eisers geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente.

5. Het geschil in het incident

5.1.

Gedaagden vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

primair

i. zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van eisers, althans eisers niet-ontvankelijk verklaart in hun vorderingen, althans deze vorderingen afwijst in de preliminaire fase, althans de vordering van eisers die reeds een individuele schikkingsovereenkomst met Braskem SA hebben gesloten in deze preliminaire fase afwijst;

subsidiair

de behandeling van de hoofdzaak aanhoudt totdat (a) bij onherroepelijke uitspraak is beslist op de door eisers in Brazilië aanhangig gemaakte individuele procedures tegen Braskem SA en (b) het collectieve schikkingsprogramma ten aanzien van elk van de eisers is afgerond, doordat ofwel een individuele schikking met een eiser is bereikt, ofwel een eiser Braskem SA heeft geïnformeerd (I) het schikkingsvoorstel onherroepelijk af te wijzen en (II) geen procedure in Brazilië aanhangig te zullen maken tegen Braskem SA en/of de Braskem NL entiteiten;

meer subsidiair

tussentijds hoger beroep toestaat;

in alle gevallen

eisers hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit incident, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met wettelijke rente.

5.2.

Eisers concluderen tot afwijzing van de incidentele vorderingen bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van het incident.

6. De beoordeling in het incident

6.1.

De incidentele vorderingen van gedaagden, zoals hiervoor onder 5.1 weergegeven, strekken – kort gezegd – primair tot onbevoegdverklaring wegens het ontbreken van internationale rechtsmacht (dan wel het op andere gronden nu reeds eindbeslissingen nemen) en subsidiair tot aanhouding van de zaak wegens litispendentie en/of connexiteit.

Internationale rechtsmacht

6.2.

Vooropgesteld wordt dat, nu de Braskem NL entiteiten in Nederland gevestigd zijn, de rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van deze gedaagden op grond van de in artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgenomen hoofdregel. Dit staat tussen partijen overigens ook niet ter discussie. In geschil is of aan de rechtbank ook ten aanzien van Braskem SA rechtsmacht toekomt.

6.3.

Bij het onderzoek ter beantwoording van de vraag of aan de rechtbank ten aanzien van Braskem SA rechtsmacht toekomt, is uitgangspunt dat Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Vo) niet van toepassing is, omdat Braskem SA geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Ook andere internationale regelingen op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid missen in deze zaak toepassing.

6.4.

Dat betekent dat de internationale bevoegdheid van de rechtbank beoordeeld dient te worden aan de hand van de in de artikelen 1-14 Rv neergelegde regels van Nederlands commuun internationaal privaatrecht. Voor de uitleg van deze artikelen zijn de in Brussel I bis-Vo opgenomen artikelen met een vergelijkbare inhoud niet zonder betekenis, omdat de Nederlandse wetgever blijkens de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de artikelen 1-14 Rv heeft willen aansluiten bij (voorlopers van) de Brussel I bis-Vo en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) daarover.

6.5.

De rechter die onderzoekt of hem rechtsmacht toekomt, moet zich bij dit onderzoek niet beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, (ook) op de stellingen van de gedaagde. Het onderzoek naar de rechtsmacht mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende partij gekozen grondslag van haar vordering.

6.6.

De voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen, de rechtszekerheid en de eisen van een doelmatige rechtsbedeling verlangen dat de nationale rechter zich over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken. Indien de gedaagde de stellingen van de eiser betwist, hoeft de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid te geven voor bewijslevering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, omdat daarmee op het onderzoek naar de gegrondheid van de vorderingen zou worden vooruitgelopen. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van deze vraag in beginsel beperkt tot een prima facie oordeel.

6.7.

Het hierboven weergegeven beoordelingskader geldt ook, wanneer de Nederlandse rechter het commune internationaal privaatrecht toepast bij de beantwoording van de vraag of hem rechtsmacht toekomt, zodat ook dan, zoals hier aan de orde, slechts een prima facie oordeel wordt gegeven.

Artikel 7 Rv

6.8.

Eisers hebben betoogd dat de rechtbank op grond van artikel 7 Rv ten aanzien van Braskem SA rechtsmacht toekomt, onder verwijzing naar de Braskem NL entiteiten als ankergedaagden.

6.9.

Nu de Nederlandse rechter ten aanzien van de Braskem NL entiteiten rechtsmacht heeft, komt hem deze op grond van artikel 7 lid 1 Rv ook toe ten aanzien van Braskem SA, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige (feitelijke en juridische) samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

6.10.

Artikel 7 lid 1 Rv is gebaseerd op (de voorloper van) artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo. Dat artikelonderdeel bepaalt dat een verweerder voor het gerecht van de woonplaats van een andere verweerder in een lidstaat kan worden opgeroepen op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

6.11.

Uit de jurisprudentie van het HvJEU volgt dat het aan de nationale rechter is om, rekening houdend met alle relevante elementen van het dossier, te beoordelen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat.

6.12.

Het gevaar van onverenigbare beslissingen moet worden begrepen als het gevaar van tegenstrijdige beslissingen. De rechtsgrondslag van de vorderingen zal de rechter in zijn beschouwing moeten betrekken, waarbij niet is vereist dat de vorderingen dezelfde rechtsgrondslag hebben. Overeenstemming van de rechtsgrondslag vormt echter wel een relevante factor bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn. Verder geldt dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht in de zin van artikel 8 Brussel I bis-Vo op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil; vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Daarbij kan van belang zijn of de gedaagden onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Wanneer de tegen de verschillende gedaagden ingestelde vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben (bijvoorbeeld een verschil in toepasselijk recht), staat dat op zichzelf niet aan toepassing van artikel 8 Brussel I bis-Vo in de weg, mits voor de gedaagden voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats heeft.

6.13.

Mede in het licht van de uitleg die aan artikel 8 Brussel I bis-Vo gegeven wordt, dient artikel 7 Rv als uitzondering op de hoofdregel van artikel 2 Rv restrictief te worden uitgelegd. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat regels omtrent nationale rechtsmacht een hoge mate van voorspelbaarheid dienen te hebben. Het is niet in het belang van de rechtszekerheid als men van tevoren geen redelijke inschatting kan maken van de jurisdicties waarin men zou kunnen worden gedagvaard in verband met een bepaalde gedraging.

6.14.

Gedaagden hebben aangevoerd dat aan de rechtbank jegens Braskem SA geen rechtsmacht toekomt, omdat er geen sprake is van een nauwe (feitelijke en juridische) samenhang tussen de tegen Braskem SA ingestelde vorderingen enerzijds en de tegen de Braskem NL entiteiten ingestelde vorderingen anderzijds. Deze procedure ziet op een uitsluitend Braziliaanse kwestie, waarin de Braskem NL entiteiten slechts figuranten zijn. Er wordt al sinds het plaatsvinden van de aardschokken in 2018 in Brazilië geprocedeerd en geschikt over de schadevergoedingsplicht van Braskem SA. Eisers stellen een groot aantal bijzonder gecompliceerde Braziliaansrechtelijke vragen aan de orde. De aansprakelijkheid van de ankergedaagden wordt gestoeld op een interpretatie van het Braziliaanse concept van de indirect polluter die geen basis kent in de huidige stand van het Braziliaanse recht. De Nederlandse rechter zou dan ook Braziliaans recht moeten toepassen en zelfs vormen, terwijl juist de Braziliaanse rechter beschikt over expertise op het gebied van Braziliaanse aansprakelijkheids- en milieurecht en de enige is die daaraan een gezaghebbende uitleg kan geven. De Braziliaanse rechter heeft bovendien toegang tot al het in de Portugese taal gestelde bewijs en heeft ook een veel directere band met en zicht op de relevante feiten in Brazilië. Door het aannemen van bevoegdheid zou de Nederlandse rechter een deconcentratie van procedures bewerkstelligen in plaats van een concentratie daarvan. Dit werkt het risico van conflicterende uitspraken in de hand, vergroot de kans dat de getroffen inwoners van Maceió ongelijk worden behandeld en doet af aan de efficiënte rechtspleging die artikel 7 Rv juist nastreeft. Op grond van het voorgaande rechtvaardigen redenen van doelmatigheid in de visie van gedaagden niet dat de vorderingen gezamenlijk door deze rechtbank worden behandeld en berecht.

6.15.

Eisers hebben bestreden dat de vereiste samenhang ontbreekt. Er is sprake van dezelfde vorderingen, op basis van (vrijwel) dezelfde juridische grondslag. Daarmee is sprake van een gelijke situatie rechtens. Het gaat bovendien om aansprakelijkheid voor dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenissen, waarmee tevens sprake is van dezelfde feitelijke situatie, aldus eisers.

6.16.

De rechtbank overweegt als volgt. De vorderingen tegen zowel Braskem SA als de Braskem NL entiteiten kennen een delictuele grondslag. In de hoofdzaak worden naast Braskem SA ook de Braskem NL entiteiten als onderdeel van het Braskem-concern hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de(zelfde) schadelijke gevolgen van de aardschokken (ten gevolge van mijnbouwactiviteiten) op grond van het volgens eisers in Brazilië bestaande milieuaansprakelijkheidsrecht in het algemeen en het leerstuk van de aansprakelijkheid van de indirect polluter in het bijzonder. In die zin zijn de vorderingen tegen enerzijds de Braskem NL entiteiten en anderzijds Braskem SA onlosmakelijk met elkaar verbonden. De rechtbank is hoe dan ook bevoegd om de vorderingen tegen de Braskem NL entiteiten te beoordelen. Die beoordeling vergt dat de rechtbank zich verdiept in de situatie, zowel feitelijk als rechtens, in Brazilië, want eisers baseren zich op doen en nalaten van Braziliaanse entiteiten, waaronder Braskem SA, in Brazilië, voor de schadelijke gevolgen waarvan de Braskem NL entiteiten in hun visie (mede) aansprakelijk zijn. De omstandigheid dat aan ieder van gedaagden afzonderlijk specifieke verwijten worden gemaakt (in die zin dat ieders rol een andere is geweest) doet er niet aan af dat de gestelde inbreuk op de rechten van eisers dezelfde is en dat voor de beoordeling van die verwijten een aantal gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen moet worden beantwoord. In zoverre is er sprake van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, waarin mogelijk nader onderzoek geïndiceerd is. Reeds hierom is sprake van een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen enerzijds de Braskem NL entiteiten en anderzijds Braskem SA rechtvaardigen. Of de rechtsgrondslag van de vorderingen tegen zowel de Braskem NL entiteiten als Braskem SA deugdelijk is, in de zin dat de vorderingen (deels) toewijsbaar zijn, dient in de hoofdzaak te worden beoordeeld.

6.17.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen tegen de Braskem NL entiteiten en Braskem SA zodanig samenhangen dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke behandeling en berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. De rechtbank heeft daarom op grond van het bepaalde in artikel 7 Rv (ook) rechtsmacht ten aanzien van Braskem SA.

6.18.

Het Braskem-concern, en daarmee Braskem SA als topholding van het concern, heeft ervoor gekozen om de entiteiten die financiële beslissingen nemen, en haar Europese hoofdkantoor, in Rotterdam te vestigen. Braskem SA kon tegen die achtergrond in redelijkheid voorzien dat, als niet alleen die entiteiten maar ook zij – als topholding – gedagvaard zou(den) worden, dat voor deze rechtbank zou kunnen gebeuren.

Misbruik van procesrecht / misbruik van bevoegdheid

6.19.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de samenhang van de vorderingen, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat eisers de vorderingen enkel hebben ingesteld om Braskem SA aan het gerecht van haar woonplaats te onttrekken, zoals gedaagden hebben betoogd.

6.20.

Over het beroep van gedaagden op misbruik van (proces)recht, in de zin dat tegen de Braskem NL entiteiten vorderingen worden ingesteld die evident kansloos zijn, met het oogmerk om bevoegdheid van de Nederlandse rechter te creëren voor de beoordeling van haar vorderingen jegens Braskem SA, wordt voorts het volgende overwogen. Vooropgesteld wordt dat slechts bij uitzondering sprake is van misbruik van (proces)recht door het instellen van een vordering. Dit doet zich met name voor indien een vordering is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan de eiser de (evidente) onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan de eiser op voorhand moest begrijpen dat deze geen (enkele) kans van slagen hadden en dus volstrekt ondeugdelijk waren.

6.21.

De stellingen van gedaagden nopen niet tot de conclusie dat de vorderingen van eisers reeds nu, op het eerste gezicht, als volstrekt ondeugdelijk of volstrekt kansloos in de hiervoor bedoelde zin kunnen worden aangemerkt. De feiten aangaande de aardschokken staan voor een groot deel vast, gedaagden erkennen dat sprake is van schadelijke gevolgen daarvan, en eisers hebben hun stellingen aangaande het leerstuk van de aansprakelijkheid van de indirect polluter onderbouwd met verwijzingen naar de Braziliaanse wetgeving en jurisprudentie. Of de door eisers gestelde rechtsgrondslag van hun vorderingen deugdelijk is, dient in de hoofdzaak te worden beoordeeld. Dat brengt met zich dat in dit stadium van de procedure, anders dan gedaagden thans (onder i, subsidiair) vorderen, nog geen plaats is voor een inhoudelijk oordeel over de vorderingen in de hoofdzaak of de ontvankelijkheid van eisers of een of meer van hen daarin.

6.22.

Ook als de vorderingen in de hoofdzaak ongewenste doelen zouden beogen of ongewenste effecten zouden hebben, daargelaten dat niet op voorhand duidelijk is vanuit welk gezichtspunt die ongewenstheid zou moeten worden beoordeeld, is dat niet voldoende om te concluderen dat misbruik van (proces)bevoegdheid wordt gemaakt. Dat het instellen van deze vorderingen in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde hebben gedaagden niet deugdelijk onderbouwd. Daartoe volstaat niet dat de vorderingen ertoe zouden kunnen leiden dat de Braskem NL entiteiten verantwoordelijk worden gehouden voor verbintenissen van Braskem SA, zoals gedaagden aanvoeren.

Forum non conveniens

6.23.

Voor dagvaardingszaken kent Rv geen zogenaamde “forum non conveniens-correctie” waar gedaagden een beroep op (lijken te) doen. Ook indien, zoals gedaagden aanvoeren, deze zaak geen binding heeft met de rechtssfeer van Nederland (behoudens de vestigingsplaats van de Braskem NL entiteiten) of als een gerecht in Brazilië in een veel geschiktere positie verkeert om de zaak te behandelen, biedt de wet geen ruimte om om die reden, in afwijking van artikel 2 in samenhang met artikel 7 Rv, aan te nemen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt. Ook eventuele complicaties bij de behandeling van de zaak door de Nederlandse rechter of bij de tenuitvoerlegging van een Nederlands vonnis vormen onvoldoende grond om artikel 2 in samenhang met artikel 7 Rv opzij te zetten. Indien aan de voorwaarden voor rechtsmacht is voldaan, dient de Nederlandse rechter te oordelen over de zaak. De Nederlandse rechter kan geen rechtsmacht weigeren omdat hij vindt dat de rechter in een ander land zich over de vordering(en) zou moeten (of beter zou kunnen) uitspreken (vergelijk artikel 26 Rv).

Tussenconclusie

6.24.

Uit al het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter ten aanzien van de Braskem NL entiteiten op grond van artikel 2 Rv rechtsmacht toekomt. Ten aanzien van Braskem SA komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van artikel 7 lid 1 Rv. De vordering tot onbevoegdverklaring zal dus worden afgewezen.

In dit stadium van de procedure is, anders dan gedaagden thans (onder i, subsidiair) vorderen, nog geen plaats om een inhoudelijk oordeel te geven over de vorderingen in de hoofdzaak of de ontvankelijkheid van eisers of een of meer van hen daarin, ook niet op de grond dat reeds een individuele schikkingsovereenkomst met Braskem SA zou zijn gesloten. Bij dat laatste is van belang dat eisers betwisten dat met (een van) hen overeenkomsten zijn gesloten die in de weg staan aan het instellen van vorderingen in deze zaak.

Hierna wordt onderzocht of het verzoek tot aanhouding van de onderhavige procedure toewijsbaar is.

Verzoek tot aanhouding

6.25.

Gedaagden zijn van mening dat de rechtbank de zaak wegens litispendentie dient aan te houden totdat in Brazilië definitief is beslist over vorderingen die vrijwel hetzelfde luiden als de vorderingen van eisers en over daarmee samenhangende vorderingen. Ten aanzien van de Braskem NL entiteiten hebben gedaagden daartoe verwezen naar artikel 34 Brussel I bis-Vo en ten aanzien van Braskem SA naar artikel 12 Rv. Voorts hebben zij een beroep gedaan op de goede procesorde in verband met een doelmatige rechtspleging.

Artikel 12 Rv

6.26.

Op grond van artikel 12 Rv kan, indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat daarin door die buitenlandse rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. Deze regeling beoogt te voorkomen dat er gelijktijdig twee procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp worden gevoerd, wat inefficiënt is en het gevaar van tegenstrijdige uitspraken in zich bergt. De rechter is in deze situatie echter niet verplicht tot aanhouding; het betreft een discretionaire bevoegdheid.

6.27.

Vast staat dat in de Braziliaanse procedures niet dezelfde partijen zijn betrokken als in de onderhavige procedure. Immers, de Braskem NL entiteiten zijn in Brazilië geen procespartij. Reeds daarom is niet voldaan aan alle vereisten van artikel 12 Rv.

Artikel 34 Brussel I bis-Vo

6.28.

Ook voor aanhouding op de voet van artikel 34 Brussel I bis-Vo is geen aanleiding. Voor zover al sprake is van samenhangende vorderingen in de zin van dit artikel, is geen sprake van een situatie waarin gezamenlijke behandeling en beslissing passend is teneinde onverenigbare beslissingen bij afzonderlijke behandeling te vermijden. De rechtbank acht het voor een goede rechtsbedeling niet nodig om deze procedure aan te houden. Daarbij weegt met name mee dat aannemelijk is dat de door eisers gestarte liquidation proceedings thans in Brazilië voor langere tijd zijn/worden aangehouden (ambtshalve dan wel op verzoek van Braskem SA), zodat niet valt te verwachten dat daarin binnen een redelijke termijn inhoudelijk uitspraak wordt gedaan. Dat gedaagden ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben aangeboden “er alles aan te zullen doen om ervoor te zorgen dat in Brazilië met voortvarendheid wordt (door)geprocedeerd en dat er binnen de liquidation proceedings door gedaagden actief zal worden gevraagd om de procedure niet langer aan te houden” maakt dat niet anders, nog daargelaten dat eisers gemotiveerd stellen dat de proceshouding van Braskem SA in Brazilië tot op heden in dit verband weinig vertrouwen inboezemt.

6.29.

Ook is de rechtbank van oordeel dat het verband tussen de feiten van deze zaak en de partijen en Brazilië niet zodanig is dat een goede rechtsbedeling tot aanhouding noopt. De Braziliaanse procedures hebben hoe dan ook geen betrekking op het handelen of nalaten van de Braskem NL entiteiten (zie r.o. 6.27). Daarbij komt dat partijen diepgaand van mening verschillen over de aard, voortgang en relevantie van de Braziliaanse procedures, terwijl de juistheid van de stellingen van gedaagden daarover niet op voorhand aannemelijk is geworden.

Goede procesorde

6.30.

Buiten de litispendentiebepalingen, aan de voorwaarden voor toepassing waarvan in dit geval niet is voldaan, bestaat er geen algemene regel die partijen het recht geeft de uitkomst van een andere procedure af te wachten. Bij de beoordeling van een verzoek om aanhouding dient in aanmerking te worden genomen dat onredelijke vertraging van de procedure moet worden voorkomen. Dit betekent dat een eenzijdig verzoek tot aanhouding wegens (gestelde) samenloop slechts onder uitzonderlijke en zwaarwegende omstandigheden wordt toegewezen. Feiten en omstandigheden die tot die conclusie zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. De enkele stelling dat in Brazilië een toereikende rechtsgang bestaat, is, wat daarvan overigens ook zij, daartoe in elk geval niet voldoende.

6.31.

Gelet op dit alles zal de rechtbank geen gebruik maken van haar discretionaire bevoegdheid tot aanhouding. De vordering tot aanhouding wordt dus afgewezen.

Tussentijds hoger beroep

6.32.

Gedaagden hebben gevorderd het instellen van tussentijds hoger beroep toe te staan. Ingevolge artikel 337 lid 2 Rv kan van een tussenvonnis slechts tegelijk met dat van het eindvonnis hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door gedaagden aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden die maken dat in het onderhavige geval van de wettelijke hoofdregel moet worden afgeweken. Ook het belang van een voortvarende procesvoering brengt mee dat de vordering om tussentijds hoger beroep toe te staan moet worden afgewezen.

Proceskosten

6.33.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het incident, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd. De kosten worden vastgesteld op € 1.689,00 (3 punten x € 563,00 (tarief II)).

7. De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1.

wijst de vorderingen af;

7.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, aan de zijde van eisers tot op heden vastgesteld op € 1.689,00;

7.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

7.4.

verwijst de zaak naar de rol van 1 februari 2023 voor het nemen van een conclusie van antwoord door gedaagden;

7.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. A.J.P. van Essen en mr. B. van Velzen, rechters, in aanwezigheid van mr. M. Boot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2022.1

1 801/106/196/3194