Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7456

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
06-09-2022
Zaaknummer
C/10/634011 / HA ZA 22-159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zzp’er vordert betaling van openstaande facturen. Opdrachtgever voert aan dat zzp’er boetes heeft verbeurd in verband met schending relatiebeding. Rechtbank: beroep op verrekening van boetes met facturen slaagt. Beroep op matiging van de boete slaagt niet. Zzp’er moet resterende betalingsverplichting voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/634011 / HA ZA 22-159

Vonnis van 24 augustus 2022

in de zaak van

[naam01] , handelend onder de naam Thynias ,

wonende te [woonplaats01] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. G.H. Teiken te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CAPWELL B.V. ,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. T. Schutte te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [naam01] en Capwell genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 februari 2022, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties;

  • -

    de oproepingsbrieven van 1 juni 2022 en de zittingsagenda’s van 14 juni 2022, alle voor de mondelinge behandeling op 5 juli 2022;

  • -

    het B3-formulier van 21 juni 2022 met de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 5 juli 2022;

  • -

    de ter mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van mr. Schutte.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Capwell is een onderneming die zich bezighoudt met werven van IT-specialisten om deze ter beschikking te stellen aan haar opdrachtgevers.

2.2.

[naam01] heeft van 21 oktober 2019 tot 20 oktober 2021 als IT-consultant werkzaamheden verricht in opdracht van Capwell. Deze werkzaamheden heeft hij, na tussenkomst van de opdrachtgever van Capwell, uitgevoerd bij het Kennis- en Exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (hierna: KOOP).

2.3.

[naam01] en Capwell hebben hiervoor op 25 oktober 2019 een inhuurovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). Op de overeenkomst zijn de algemene inkoopvoorwaarden van Capwell van toepassing.

2.4.

In de algemene inkoopvoorwaarden staat onder meer:

“[…]

Artikel 14. Relatiebeding

14.1

Het is Consultant niet toegestaan tijdens de looptijd van de Inhuurovereenkomst en binnen twaalf maanden na beëindiging, zonder schriftelijke toestemming van Capwell, soortgelijke werkzaamheden voor Klant dan wel diens relaties, waarvoor Consultant in het kader van dit Project werkzaamheden heeft verricht, direct dan wel indirect te verrichten, op straffe van [een] niet voor vermindering vatbare direct opeisbare boete van € 15000 (vijftienduizend) plus € 500 (vijfhonderd) euro per dag dat de overtreding duurt of geduurd heeft. Consultant dient direct te melden wanneer Klant Consultant beweegt dit verbod / artikel te overtreden.

[…]”

(Onderstreping in origineel)

2.5.

Voor zijn werkzaamheden heeft [naam01] over september 2021 € 17.151,75 en over oktober 2021 € 11.858,00 bij Capwell in rekening gebracht. [naam01] heeft hiervoor op 7 oktober 2021 en 1 november 2021 facturen toegestuurd aan Capwell.

2.6.

Zowel de inhuurovereenkomst tussen KOOP en (de opdrachtgever van) Capwell als de overeenkomst tussen [naam01] en Capwell zijn van rechtswege beëindigd per 20 oktober 2021.

2.7.

Van 20 oktober 2021 tot 22 december 2021 heeft [naam01] dezelfde werkzaamheden verricht bij KOOP. Hiertoe heeft [naam01] een inhuurovereenkomst gesloten met een andere opdrachtgever/leverancier.

2.8.

Op 1 november 2021 heeft [naam01] een email gestuurd aan Capwell waarin onder meer staat:

“[…]

Let even op de laatste dag van mijn contract is 21 oktober. Stuur KOOP dus een factuur voor 112 uur. De uren van 22 oktober en daarna factureer ik via Between.

[…]”

2.9.

Op 30 november 2021 heeft Capwell een e-mail gestuurd aan [naam01] waarin onder meer staat:

“[…]

Zoals zojuist telefonisch [besproken] stuur ik je bij deze de inhuurovereenkomst met bijbehorende voorwaarden zoals deze ook op 25 oktober 2019 door [naam02] naar jou is verstuurd.

Op maandag 1 november heb je ons medegedeeld dat ons contract per 21 oktober is beëindigd, en dat je verder gaat via Between. Uit de door jou toegevoegde urenstaat blijkt ook dat je na 21 oktober nog werkzaamheden verricht bij KOOP. Dit betekent dat je in overtreding bent van het relatiebeding.

[…]”

2.10.

Capwell heeft de door [naam01] verstuurde facturen onbetaald betalen.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[naam01] vordert samengevat - veroordeling van Capwell tot betaling van € 29.009,75, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover, € 1.075,00 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3.2.

[naam01] legt aan de vorderingen ten grondslag dat hij in opdracht van Capwell werkzaamheden heeft verricht. Op basis van de overeenkomst is Capwell gehouden om hiervoor een vergoeding aan [naam01] te betalen. Nu deze vergoeding niet binnen de afgesproken termijn is voldaan, is Capwell in verzuim geraakt. [naam01] stelt dat Capwell daarom ook de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. Van verrekening kan geen sprake zijn, onder andere omdat Capwell de boete alleen maar gebruikt om onder betaling van facturen uit te komen.

3.3.

De conclusie van Capwell strekt tot afwijzing van de vorderingen dan wel (subsidiair) tot het toewijsbaar verklaren van de vorderingen eerst nadat volledige betaling heeft plaatsgevonden van de boete die [naam01] aan Capwell verschuldigd is, althans (meer subsidiair) tot het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een veroordeling van Capwell, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [naam01] in de proceskosten en de nakosten.

3.4.

Capwell voert als primair verweer dat de openstaande bedragen zijn voldaan door verrekening met de boete die [naam01] verschuldigd is aan Capwell omdat hij het relatiebeding heeft geschonden. Deze boete is hoger dan de bedragen die [naam01] in rekening heeft gebracht. Subsidiair beroept Capwell zich op opschorting; zij is bevoegd haar betalingsverplichting tegenover [naam01] op te schorten totdat betaling van de boete heeft plaatsgevonden.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

Capwell vordert

voor recht te verklaren dat [naam01] het relatiebeding heeft geschonden en dientengevolge een boete heeft verbeurd van € 38.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, welke boete dient te worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf het moment van het intreden van het verzuim alsmede de buitengerechtelijke incassokosten die door Capwell worden berekend op een bedrag van € 1.115,00;

en primair:

voor recht te verklaren dat Capwell bevoegd is om de vorderingen van [naam01] te verrekenen met de door de rechtbank vastgestelde boete;

alsmede [naam01] te veroordelen (na verrekening van de over en weer staande vorderingen) tot betaling van diens resterende betalingsverplichting aan Capwell;

en subsidiair:

indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat Capwell niet bevoegd is tot verrekening van de over en weer staande vorderingen, [naam01] te veroordelen tot betaling van de door de rechtbank vastgestelde boete;

met veroordeling van [naam01] in de kosten van de procedure, waaronder ook de nakosten. De rechtbank merkt op dat er geen vordering i is; dat nummer is door Capwell gebruikt voor de conclusie in conventie.

3.7.

[naam01] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van Capwell in de proceskosten en de nakosten. [naam01] doet een beroep op matiging van de boete op grond van artikel 6:94 lid 1 BW. [naam01] wilde zijn werkzaamheden bij KOOP afronden. Omdat Capwell niet meer tot de mantelpartijen behoorde waarmee KOOP zaken deed, kon dit niet via haar. Er is geen schade geweest aan de kant van Capwell en de boete staat daarom in geen verhouding tot de schade. Onverkorte toepassing van het boetebeding leidt tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. Capwell heeft de hoogte van de boetes eenzijdig bepaald in de algemene voorwaarden en deze hoogte niet gemotiveerd.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De rechtbank ziet aanleiding de conventie en reconventie tezamen te behandelen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam01] in opdracht van Capwell werkzaamheden heeft verricht bij KOOP en dat Capwell gehouden is om de daarvoor overeengekomen vergoeding à € 29.009,75 te betalen. Behoudens verrekening met de door Capwell gevorderde boete ligt de vordering van [naam01] dan ook in zoverre voor toewijzing gereed. De rechtbank zal daarom eerst de in reconventie gevorderde boete bespreken.

4.3.

Capwell stelt zich op het standpunt dat [naam01] het relatiebeding heeft geschonden en daardoor een boete verschuldigd is aan Capwell. [naam01] erkent het relatiebeding te hebben geschonden.

Hoogte van de boete

4.4.

Capwell stelt dat een boete verbeurd is van € 38.000,00. Dit bedrag is opgebouwd uit een eenmalige boete van € 15.000,00 plus € 500,00 per dag dat de schending heeft geduurd, hetgeen volgens Capwell 46 werkdagen was en wat neerkomt op € 23.000,00.

4.5.

[naam01] heeft erkend dat de door Capwell gehanteerde tarieven zijn overeengekomen, maar heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat er sprake is van 31 dagen overtreding en niet van 46 dagen. De rechtbank passeert deze stelling, omdat die onvoldoende gemotiveerd is, gezien het tussen partijen vaststaande gegeven dat de overtreding is aangevangen op (woensdag) 20 oktober 2021 en is geëindigd op (woensdag) 22 december 2021. Beide woensdagen meegerekend is dit een periode van 64 dagen, waarin 18 weekenddagen vielen. Dan blijven er 46 niet-weekenddagen over; het aantal boetedagen dat Capwell stelt. Hoe [naam01] dan (toch) uitkomt op 31, is de rechtbank niet duidelijk. Het uitgangspunt is dan ook dat [naam01] een boete van € 38.000,00 heeft verbeurd.

Matiging van de boete?

4.6.

[naam01] verzoekt om de bedongen boete te matigen tot nihil dan wel tot een symbolisch bedrag.

4.6.1.

Op grond van het eerste lid van artikel 6:94 BW kan de rechter een bedongen boete matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Op grond van het derde lid, is ieder beding dat hiermee strijdig is, nietig, zodat de rechtbank voorbij gaat aan de bepaling in het relatiebeding dat de boete niet voor vermindering vatbaar zou zijn. De maatstaf van het eerste lid brengt mee dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De stelplicht, en eventuele bewijslast van voor de beoordeling van dit beroep op matiging relevante omstandigheden rust op [naam01] , nu hij de partij is die zich beroept op de rechtsgevolgen hiervan.

4.6.2.

[naam01] stelt dat er een grote wanverhouding bestaat tussen de door Capwell geleden schade, namelijk nihil, en de hoogte van de boete. Capwell betwist dat de schade nihil is. Naast misgelopen inkomsten vanwege het niet kunnen doorbemiddelen van [naam01] is er ook sprake van reputatieschade. Partijen twisten aldus over (de hoogte van) deze geleden schade, maar onderbouwen dit beide niet. Echter, de strekking van het relatie- en boetebeding is, zoals Capwell onweersproken heeft gesteld, het beschermen van de door Capwell gedane investering in de IT-professionals die zij werft en levert aan haar opdrachtgevers. De rechtbank gaat er in deze zaak dan ook van uit dat de contractuele boete niet alleen tot doel heeft om eventuele schade te fixeren, maar, zoals Capwell aanvoert, tevens om [naam01] ervan te weerhouden het relatiebeding te schenden.

4.6.3.

Een prikkel tot nakoming moet groot genoeg zijn om nakoming te bevorderen. Dat is precies wat er in deze situatie is gebeurd: [naam01] heeft besloten te stoppen met de schending van het relatiebeding, omdat het te betalen boetebedrag hem te hoog werd. Dat maakt in elk geval dat de boete effectief is geweest. Zij heeft de nakoming bevorderd van een verbintenis van [naam01] tot nalaten. Hieruit volgt ook dat van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW) van Capwell geen sprake is.

4.6.4.

Onweersproken is tijdens de zitting aangevoerd dat het eenmalige boetebedrag in de orde van grootte ligt van wat een consultant per maand kan declareren en eveneens is onweersproken dat de dagelijkse verhoging in de orde van grootte ligt van het dagelijks verdienpotentieel van een consultant als [naam01] . Daarom is er geen sprake van een wanverhouding tussen overtreding en boete. De stelling van [naam01] , dat het bedrag van € 15.000,00 ineens te hoog is, omdat hij dat ook zou verbeuren als hij het relatiebeding maar vijf minuten zou schenden, wordt gepasseerd, omdat het niet ziet op het geval dat hier aan de orde is. Immers, [naam01] heeft het relatiebeding twee maanden lang overtreden.

4.6.5.

[naam01] stelt voorts dat het voor hem niet mogelijk was om zijn werkzaamheden voor KOOP op een andere manier voort te zetten dan via een andere tussenpersoon. Niet valt in te zien waarom deze omstandigheid relevant zou kunnen zijn voor de matiging van de boete. De rechtbank betrekt daarbij ook dat [naam01] geen enkele poging heeft gedaan om over (de mogelijkheden van) deze voortzetting het gesprek aan te gaan met Capwell. Daarnaast was de voorzetting van de werkzaamheden een eigen keuze van [naam01] . Hij was hiertoe op geen enkele manier verplicht. Dat er enige noodzaak was om bij KOOP werkzaam te blijven is niet gesteld.

4.6.6.

Daarnaast stelt [naam01] onweersproken dat hij bij het aangaan van de overeenkomst niet heeft kunnen onderhandelen over het relatie- en boetebeding. Zelfs als dat zo zou zijn, is die omstandigheid op zichzelf is geen aanleiding de boete te matigen. [naam01] heeft immers ingestemd met het beding, terwijl hij ook had kunnen afzien van het aangaan van de overeenkomst met Capwell.

4.6.7.

Het feit dat de hoogte van de boetetarieven niet (eerder) is gemotiveerd door Capwell, is geen aanleiding om de boete kennelijk onbillijk te oordelen.

4.6.8.

De rechtbank ziet in dit alles geen aanleiding om het boetebedrag van € 38.000,00 te matigen.

Conclusie in conventie

4.7.

Omdat de boete is vastgesteld in reconventie, verwerpt de rechtbank het beroep op artikel 6:136 BW. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat Capwell haar boetevordering mocht verrekenen met de openstaande facturen van [naam01] en dat deze boetevordering (€ 38.000,00) de hoogte van deze factuurbedragen (€ 29.009,75) overtreft, leidt dat tot de conclusie dat de vorderingen van [naam01] in conventie worden afgewezen. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

Vordering iv in reconventie

4.8.

Nu de boete is vastgesteld op € 38.000,00 en de vordering van [naam01] op Capwell € 29.009,75 bedroeg, houdt dit in dat er aan de zijde van [naam01] nog een betalingsverplichting resteert van € 8.990,25.

Rente

4.9.

Capwell vordert de wettelijke handelsrente over het boetebedrag. Een boetevordering is echter geen verbintenis waarop artikel 6:119a van toepassing is. De rechtbank zal de gewone wettelijke rente toewijzen over de resterende betalingsverplichting van [naam01] zoals hierna bij de beslissing is vermeld.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.10.

Capwell maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.115,00. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Capwell heeft met verwijzing naar en onder overlegging van de brief van 18 maart 2022 voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Echter, Capwell heeft een verkeerde grondslag genomen voor de berekening van de buitengerechtelijke incassokosten. Verrekening werkt terug (artikel 6:129, eerste lid, BW) en dus is een deel van de vordering van Capwell tenietgegaan nog vóór het intreden van het verzuim. Daarom moet het – ten tijde van het gestelde intreden van het verzuim – resterende bedrag (€ 8.990,25) als grondslag worden genomen voor de buitengerechtelijke incassokosten en niet de oorspronkelijke vordering. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 824,51.

Vorderingen ii en iii in reconventie

4.11.

Capwell wordt niet-ontvankelijk verklaard in deze vorderingen, omdat zij – in het licht van de veroordeling tot betaling die in reconventie wordt uitgesproken – bij de gevorderde verklaringen geen belang heeft.

Vordering v in reconventie

4.12.

Aan de beoordeling van deze subsidiair ingestelde vordering komt de rechtbank niet toe.

Proceskosten

In conventie

4.13.

[naam01] zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Capwell worden begroot op:

- griffierecht € 2.837,00

- salaris advocaat € 1.442,00 (2,0 punten × tarief € 721,00)

Totaal € 4.279,00

Rente over de proceskosten kan worden toegewezen als gevorderd.

In reconventie

4.14.

[naam01] zal als de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op nihil.

Nakosten

4.15.

Uit het arrest van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853, rechtsoverweging 2.3) leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.16.

Het vonnis wordt, voor zover het veroordelingen betreft die ten uitvoer kunnen worden gelegd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat dit door Capwell is gevorderd of verzocht en door [naam01] niet is weersproken.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [naam01] in de proceskosten, aan de zijde van Capwell tot op heden begroot op € 4.279,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart onderdeel 5.2 van dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

verklaart Capwell niet-ontvankelijk in de vorderingen ii en iii;

5.5.

veroordeelt [naam01] om aan Capwell te betalen een bedrag van € 9.814,76, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 8.990,25 met ingang van 26 maart 2022 tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt [naam01] in de proceskosten, aan de zijde van Capwell tot op heden begroot op nihil;

5.7.

verklaart onderdeel 5.5 van dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van Egmond en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2022.

3525/1407