Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7454

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
06-09-2022
Zaaknummer
C/10/632874 / HA ZA 22-95
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Vordering namens nalatenschap. Gedaagde ontvangt gedurende langere periode bedragen op de rekening van zijn eenmanszaak, afkomstig van zijn inmiddels overleden demente schoonmoeder. Bedragen zijn door zijn (inmiddels ex-) partner, dochter van erflaatster, overgemaakt en worden deels in de gezamenlijke huishouding gebruikt. Geen geldlening want geen daarop gerichte wil van erflaatster vast te stellen. Ook geen sprake van een andere rechtsgrond. Ontvangen en behouden van de gelden buiten medeweten van erflaatster zonder rechtsgrond is minst genomen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Gedaagde moet de schade die erflaatster daardoor lijdt aan de nalatenschap terugbetalen. Hoofdelijke verplichting van gedaagde en zijn ex-partner, die een schuldbekentenis heeft ondertekend, op grond van artikel 6:166 BW. Gedaagden en ex-partner hebben gezamenlijk op onrechtmatige wijze geprofiteerd van de gezondheidssituatie van erflaatster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2022-0269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/632874 / HA ZA 22-95

Vonnis van 24 augustus 2022

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat: mr. C.M. Dreef te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat: mr. W.J.J. Trooster te Vlaardingen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de akte nadere toelichting producties van [eiseres] ,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de brief van de rechtbank van 11 mei 2022, met de oproeping voor een mondelinge behandeling op 11 juli 2022,

  • -

    de brief van de rechtbank van 31 mei 2022, met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling,

  • -

    de akte overlegging producties tevens wijziging/aanvulling van eis van [eiseres] ,

  • -

    het B8-formulier van [eiseres] van 6 juli 2022, met één productie,

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 juli 2022, en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van [eiseres] ,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 juli 2022.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

De moeder van [eiseres] , mevrouw [persoon A] (hierna: moeder [persoon A] ), is op 3 oktober 2020 overleden. [eiseres] is samen met haar zus, [persoon B] (hierna: [persoon B] ), erfgenaam van moeder [persoon A] . De nalatenschap van moeder [persoon A] is nog niet verdeeld.

2.2.

Moeder [persoon A] was dement en woonde tot haar overlijden in een verzorgingshuis.

2.3.

[persoon B] heeft in de periode vanaf 2014 tot 3 oktober 2020 de financiën van moeder [persoon A] beheerd.

2.4.

[persoon B] heeft ongeveer 20 jaar een affectieve relatie gehad met [gedaagde] , met wie zij ook samenwoonde. Aan deze relatie is in 2021 een einde gekomen.

2.5.

[gedaagde] heeft een eenmanszaak genaamd [naam eenmanszaak] , gevestigd te Heinenoord.

2.6.

In de periode 2014 tot aan haar overlijden zijn van de bankrekening van moeder [persoon A] geldbedragen overgemaakt naar een bankrekening van [naam eenmanszaak] bij Rabobank.

2.7.

In een e-mail aan [gedaagde] van 14 juli 2021 heeft [eiseres] het volgende geschreven:

“Beste [voornaam gedaagde] ,

Wij hebben afgelopen donderdag 8 juli 2021 telefonisch contact gehad betreffende het nog terug te betalen, zonder toestemming als lening opgenomen, bedrag van mijn moeders bankrekening, zijnde totaal € 123976,30

Jij gaf aan dat je drukdoende bent om het bedrag te financieren middels een lening bij credits, om mij het bedrag van € 61988.15 geleend door [naam eenmanszaak] en het bedrag €4156.8/2 = € 2078.40 van de priveopnames terug te betalen.

Ik heb aangegeven dat er nu wel een plan van aanpak oftewel data op papier moet komen met einddata wanneer te voldoen of over te stappen naar plan b (verkoop van goederen/bezit) Jij hebt mij beloofd afgelopen zondag 11-07-2021 te reageren op mijn aan jou gestuurde aangetekende brief, die je ontvangen had. Ook zou je met een voorstel reageren. Helaas heb ik nog geen reactie van je mogen ontvangen en betreur dat.

Graag zie ik dan ook een reactie schriftelijk zoals afgesproken tegemoet.

(…)”

2.8.

[gedaagde] heeft hierop als volgt gereageerd in een e-mail aan [eiseres] van 14 juli 2021:

“Dag [voornaam eiseres] ,

In het door jou genoemde telefoongesprek heb ik aan jou aangeven dat ik deze casus moest en zou voorleggen aan het bureau waar ik momenteel zaken mee doe voor wat betreft de voorbereiding tot het verkrijgen van een bedrijfsmatige financiering.

Tot op heden heb ik nog geen reactie ontvangen op mijn vragen die ik heb neergelegd bij dat bureau.

Vooralsnog zal uit mijn boekhouding gaan blijken om welke bedragen het gaat.

Zo spoedig mogelijk zal ik met een voorstel komen.

(…)”

2.9.

In een e-mail aan [gedaagde] van 6 oktober 2021 heeft [persoon B] , voor zover van belang, het volgende geschreven:

“Goedenavond [voornaam gedaagde] ,

Zoals ik per WhatsApp heb gevraagd wil ik graag een afspraak met je hebben om eea te bespreken om tot een nette oplossing te komen. Voor zover ik heb begrepen ben je hiermee akkoord gegaan.

Wat mij betreft zouden de volgende onderwerpen aan de orde moeten komen:

Ik wil het graag hebben over jouw belofte aan mij om een plan (zwart op wit) aan mij te laten zien hoe je de leningen die je bij mij en bij mijn moeder in ruste hebt af te lossen. Je begrijpt vast wel dat ik dat plan wil zien.

Ik wil ook graag weten wanneer je [voornaam eiseres] haar deel van de lening die je bij mijn moeder hebt, dus haar erfenis, gaat aflossen.

(…)”

2.10.

Op 21 december 2021 heeft [persoon B] een schuldbekentenis ondertekend, waarin zij erkent een bedrag van € 132.289,90 te hebben onttrokken en derhalve verschuldigd te zijn aan de onverdeelde nalatenschap van moeder [persoon A] .

2.11.

Met een op 22 december 2021 verkregen verlof van de Voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft [eiseres] op 5 januari 2022 meerdere conservatoire beslagen laten leggen ten laste van [gedaagde] .

2.12.

[persoon B] heeft in een, in mei 2022 ondertekend, document met het opschrift ‘volmacht’ verklaard dat zij met ingang van 1 december 2021 [eiseres] een volledige volmacht heeft verstrekt om de nalatenschap van moeder [persoon A] te vereffenen en meer specifiek om zelfstandig namens de nalatenschap rechtsmaatregelen tegen [gedaagde] te treffen.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na eiswijziging -samengevat- dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair: [gedaagde] veroordeelt om aan de nalatenschap van moeder [persoon A] te betalen een bedrag van € 123.976,30, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten;

- subsidiair:voor recht verklaart dat [gedaagde] een bedrag van € 123.976,30 aan het vermogen van moeder [persoon A] heeft onttrokken, danwel dat dit bedrag onverschuldigd aan hem is betaald, althans dat [gedaagde] wat betreft de onttrekkingen onrechtmatig heeft gehandeld dan wel dat sprake is van onbehoorlijke zaakwaarneming, althans dat de rechtbank de daaraan ten grondslag liggende rechtshandelingen vernietigt wegens misbruik van omstandigheden, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van genoemd bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten;

- primair en subsidiair: [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de beslagkosten.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] primair ten grondslag dat [persoon B] het bedrag van € 123.976,30 ten titel van geldlening heeft overgemaakt van de bankrekening van moeder [persoon A] naar de bankrekening van [naam eenmanszaak] , de eenmanszaak van [gedaagde] . [gedaagde] moet deze geldlening terugbetalen en heeft dat niet gedaan. Subsidiair stelt [eiseres] dat sprake is van misbruik van omstandigheden en/of onbehoorlijke zaakwaarneming door [gedaagde] , dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en dat sprake is van onverschuldigde betaling aan [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De overboekingen naar de bankrekening van [naam eenmanszaak]

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat er in de jaren 2014 tot aan haar overlijden op 3 oktober 2020 geldbedragen zijn overgemaakt van de bankrekening van moeder [persoon A] naar de bankrekening van [naam eenmanszaak] , de eenmanszaak van [gedaagde] . Deze geldbedragen zijn daarmee in het vermogen van [gedaagde] terecht gekomen. Volgens [eiseres] gaat het in totaal om een bedrag van € 132.289,90, waarvan een bedrag van € 8.313,60 voor privé-uitgaven van [persoon B] en [gedaagde] . Het restant van (€ 132.289,90 -

€ 8.313,60 =) € 123.976,30 is volgens [eiseres] ten titel van geldlening overgemaakt naar [naam eenmanszaak] .

Is er sprake van een geldlening?

4.2.

De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of sprake is van een geldlening tussen moeder [persoon A] en [gedaagde] .

4.3.

Ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van een geldlening wijst [eiseres] in de eerste plaats op de omschrijvingen die zijn meegegeven aan de overboekingen en op de hierboven onder 2.7 en 2.9 gedeeltelijk geciteerde e-mails, waarin over terugbetaling van de lening wordt gesproken. Verder wijst zij erop dat [persoon B] heeft verklaard dat sprake is van een geldlening.

4.4.

[gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord betwist dat sprake is van een geldlening. Hij voert als verweer dat [persoon B] de bedragen heeft overgemaakt en dat [eiseres] om die reden de bedragen van haar moet terugvorderen. Bij de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] vervolgens verklaard dat hij heeft kunnen vaststellen dat een bedrag van € 60.500,00 op de rekening van [naam eenmanszaak] is ontvangen dat afkomstig is van de bankrekening van moeder [persoon A] . [gedaagde] verklaart dat [persoon B] en hij dit bedrag hebben verbruikt in de gezamenlijke huishouding en dat zij dit bedrag samen van moeder [persoon A] hebben geleend.

4.5.

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). Het aanbieden en aanvaarden zijn eenzijdig gerichte rechtshandelingen. Het zijn dus wilsverklaringen, die vormvrij kunnen geschieden (artikel 3:37 lid 1 BW). De rechtbank moet dan ook beoordelen of er wilsovereenstemming bestond tussen moeder [persoon A] en [gedaagde] over het als lening verstrekken van gelden aan [gedaagde] .

4.6.

De rechtbank overweegt dat uit de in deze procedure vaststaande feiten niet is af te leiden dat sprake is van een verklaring van moeder [persoon A] , waaruit volgt dat zij geldbedragen aan [gedaagde] heeft willen lenen. Zij heeft de overboekingen vanaf haar bankrekening niet zelf verricht en gesteld noch gebleken is dat zij opdracht heeft gegeven aan [persoon B] om de bedragen als lening aan [gedaagde] over te maken. Dat de overboekingen de omschrijving lening kennen is dan ook zonder belang. Ook het gegeven dat [persoon B] verklaart dat sprake is van een lening maakt nog niet dat dit het geval is. Daarvoor is immers een wilsuiting van moeder [persoon A] vereist en die is, als gezegd, niet vast te stellen. Hetzelfde geldt voor het feit dat er in de aangehaalde correspondentie tussen [eiseres] en [gedaagde] over ‘de lening’ wordt gesproken. Ook het gegeven dat [gedaagde] bij de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij en [persoon B] van moeder [persoon A] hebben geleend, brengt niet met zich mee dat daarmee sprake is van een daarop gerichte wilsverklaring van moeder [persoon A] . De conclusie is dan ook dat er geen sprake is van een geldlening. De vorderingen van [eiseres] kunnen dan ook niet op die grondslag worden toegewezen.

Is er een andere rechtsgrond voor terugbetaling door [gedaagde] ?

4.7.

De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of er een andere rechtsgrond is op basis waarvan [gedaagde] een bedrag moet terugbetalen aan de nalatenschap van moeder [persoon A] . [eiseres] heeft subsidiair meerdere rechtsgronden aan haar primaire vorderingen ten grondslag gelegd. Zij stelt onder meer dat sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde] en [persoon B] door de wijze waarop zij de zaken van moeder [persoon A] hebben waargenomen. Meer specifiek ten aanzien van [gedaagde] stelt zij dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door de gelden van moeder [persoon A] te behouden die zonder rechtsgeldige onderliggende titel aan hem zijn voldaan. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen deze grondslag.

4.8.

Volgens de wet is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, verplicht om de schade die de ander daardoor lijdt, te vergoeden (artikel 6:162 lid 1 BW). Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW).

4.9.

De rechtbank heeft hiervoor onder 4.2 tot en met 4.6 overwogen dat geen sprake is van een geldlening. Uit de in deze procedure vaststaande feiten is ook geen andere rechtsgrond af te leiden voor de overboekingen van geldbedragen van de bankrekening van moeder [persoon A] naar de bankrekening van [naam eenmanszaak] . Door buiten haar medeweten zonder enige rechtsgrond grote geldbedragen van moeder [persoon A] te ontvangen en te behouden, heeft [gedaagde] minst genomen gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zijn handelen is dus onrechtmatig ten opzichte van moeder [persoon A] . Hij moet dan ook de schade die moeder [persoon A] daardoor heeft geleden aan haar nalatenschap betalen.

Welk bedrag moet [gedaagde] terugbetalen?

4.10.

Volgens [eiseres] is er in totaal een bedrag van € 132.289,90 naar [naam eenmanszaak] overgemaakt, waarvan een bedrag van € 8.313,60 voor privé-uitgaven van [persoon B] en [gedaagde] . Het restant van (€ 132.289,90 - € 8.313,60=) € 123.976,30 vordert [eiseres] in deze procedure namens de nalatenschap van moeder [persoon A] terug van [gedaagde] . Zij heeft dit bedrag onderbouwd met bankafschriften van de bankrekening van moeder [persoon A] en met een Excel-overzicht waarin alle overboekingen zijn gerubriceerd en onder elkaar zijn gezet.

4.11.

Zoals hiervoor al is weergegeven, heeft [gedaagde] bij de mondelinge behandeling verklaard dat hij heeft kunnen vaststellen dat een bedrag van € 60.500,00 op de rekening van [naam eenmanszaak] is ontvangen dat afkomstig is van de bankrekening van moeder [persoon A] . Voor het overige voert [gedaagde] aan dat hij de administratie van [naam eenmanszaak] nog niet compleet heeft en dat hij nog wacht op bankafschriften van de betreffende bankrekening om de bedragen te kunnen controleren.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft erkend dat er een bedrag van

€ 60.500,00 op de rekening van [naam eenmanszaak] is ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat [gedaagde] ook de rest van het door [eiseres] gevorderde bedrag heeft ontvangen. [gedaagde] heeft immers de onderbouwing van [eiseres] van het op de bankrekening van [naam eenmanszaak] overgemaakte bedrag onvoldoende gemotiveerd weersproken. Uit de hiervoor in 2.8 gedeeltelijk geciteerde e-mail van 14 juli 2021 volgt dat hij op dat moment al heeft aangegeven dat uit zijn boekhouding zou blijken om welke bedragen het gaat. Tijdens de mondelinge behandeling circa een jaar later zegt hij niets anders. [gedaagde] heeft nagelaten om een gespecificeerd overzicht in het geding te brengen van de bedragen die zijn ontvangen, terwijl dit wel van hem verwacht mocht worden in het kader van de onderbouwing van zijn betwisting. De rechtbank heeft hem dat ook nog expliciet gevraagd in de brief van 31 mei 2022 met instructies voor de mondelinge behandeling. Daarmee is komen vast te staan dat [gedaagde] het gevorderde bedrag van € 123.976,30 van moeder [persoon A] heeft ontvangen.

4.13.

De vraag rijst vervolgens of [gedaagde] dit hele bedrag aan de nalatenschap moet terugbetalen of een gedeelte daarvan. [persoon B] heeft immers erkend een bedrag van € 132.289,90, waarvan het bedrag van € 123.976,30 onderdeel uitmaakt, te hebben onttrokken en derhalve verschuldigd te zijn aan de onverdeelde nalatenschap van moeder [persoon A] . [eiseres] stelt dat sprake is van een hoofdelijke verplichting van [gedaagde] en [persoon B] , zodat [gedaagde] het hele bedrag moet terugbetalen. Zij beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 6:166 BW, dat kort gezegd gaat over de hoofdelijke aansprakelijk voor onrechtmatig handelen van tot een groep behorende personen. [eiseres] stelt dat [persoon B] en [gedaagde] gezamenlijk misbruik hebben gemaakt van de kwetsbare en afhankelijke positie waarin moeder [persoon A] als gevolg van haar dementie verkeerde. Zij hebben daarmee onrechtmatig gehandeld, aldus [eiseres] . [gedaagde] heeft zich tijdens de mondelinge behandeling met betrekking tot de vraag of sprake is van een hoofdelijke verplichting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.14.

Als één van tot een groep behorende personen onrechtmatige schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, dan zijn zij hoofdelijk aansprakelijk als deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend (artikel 6:166 lid 1 BW).

4.15.

De rechtbank overweegt dat met de in deze procedure vaststaande feiten genoegzaam is komen vast te staan dat [gedaagde] en [persoon B] gezamenlijk op onrechtmatige wijze hebben geprofiteerd van de gezondheidssituatie van moeder [persoon A] . Er zijn buiten haar medeweten grote geldbedragen overgeboekt van haar bankrekening naar de bankrekening van [naam eenmanszaak] . Deze bedragen hebben [persoon B] en [gedaagde] voor een belangrijk gedeelte gebruikt in hun gezamenlijke huishouding. Dat kwam omdat de eenmanszaak van [gedaagde] onvoldoende inkomsten genereerde om van te kunnen leven, zoals [gedaagde] bij de mondelinge behandeling heeft verklaard. Het is duidelijk dat [gedaagde] en [persoon B] daarbij hebben geopereerd als groep in de zin van artikel 6:166 lid 1 BW. Zij zijn dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de aan moeder [persoon A] toegebrachte schade. Die schade bestaat uit de onrechtmatig van moeder [persoon A] onttrokken gelden. Voor deze procedure betekent dit dat [gedaagde] het hele gevorderde bedrag van € 123.976,30 aan de nalatenschap van moeder [persoon A] moet terugbetalen. De rechtbank zal de primaire vordering dan ook toewijzen.

Wettelijke rente

4.16.

[eiseres] vordert de wettelijke rente over het door [gedaagde] terug te betalen bedrag. Bij de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat de wettelijke rente begint te lopen vanaf de dag van de dagvaarding of anders vanaf de datum van de akte aanvulling van de eis. [gedaagde] heeft tegen de gevorderde wettelijke rente geen afzonderlijk verweer gevoerd.

4.17.

Volgens artikel 6:119 BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] op de dag van het uitbrengen van de dagvaarding, zijnde 13 januari 2022, in ieder geval in verzuim was. Het verzuim treedt immers zonder ingebrekestelling in wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad en niet terstond wordt nagekomen (artikel 6:83 aanhef en onder b BW). De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen met ingang van deze dag.

Buitengerechtelijke kosten

4.18.

[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank overweegt dat de toe te wijzen vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin dit besluit van toepassing is. De schadevordering op grond van onrechtmatige daad is immers een verbintenis op grond van de wet. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Gelet op de aanbevelingen van dit rapport zal de rechtbank de vordering afwijzen. [eiseres] heeft immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als kosten waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Beslagkosten

4.19.

[eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten tot een bedrag van € 2.413,10. Zij onderbouwt dit bedrag met een factuur van de deurwaarder die de beslagen heeft gelegd. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen deze vordering. De gevorderde beslagkosten zijn op grond van het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De rechtbank stelt deze vast op het gevorderde bedrag van € 2.413,10.

Proceskosten

4.20.

[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] als volgt vastgesteld:

  • -

    kosten dagvaarding € 135,32

  • -

    griffierecht € 2.277,00

  • -

    salaris advocaat € 4.425,00 (2,5 punten x tarief € 1.770,00)

---------------------

Totaal € 6.837,32

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeenschap van de nalatenschap van mevrouw [persoon A] te betalen een bedrag van € 123.976,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 13 januari 2022, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.413,10,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot dit vonnis vastgesteld op € 6.837,32,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2022.
[1729/1918]