Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7399

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-08-2022
Datum publicatie
02-09-2022
Zaaknummer
10/661070-19, 10/652000-21 (ter terechtzitting gevoegd) en 22/003341-14 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van seksueel corrumperen van jeugdigen als bedoeld in artikel 248d Sr. Niet kan worden bewezen dat de aanwezigheid van de minderjarigen heeft bijgedragen aan het seksueel gerief van de verdachte. Daarnaast is er geen bewijs dat de verdachte handelde met de bedoeling de kinderen zodanig te beïnvloeden dat deze in de toekomst eerder geneigd zouden zijn in te stemmen met het ondergaan van ontuchtige handelingen.

Veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden voor driemaal openbare schennis van de eerbaarheid, waarbij tweemaal ten overstaan van minderjarige meisjes en eenmaal ten overstaan van twee volwassenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/661070-19, 10/652000-21 (ter terechtzitting gevoegd) en 22/003341-14 (TUL)

Datum uitspraak: 29 augustus 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum verdachte] op [geboorteplaats verdahcte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte],

raadsvrouw mr. C. Ihataren, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2022.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/661070-19 onder 1 primair, onder 2 primair en het onder parketnummer 10/652000-21 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 215 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsrapport van
    4 juni 2021, met uitzondering van de voorwaarde van begeleid wonen;

  • -

    afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 22/003341-14.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak (feiten 1 primair en 2 primair onder parketnummer 10/661070-19)

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder parketnummer 10/661070-19 onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde aangevoerd dat sprake is van seksueel corrumperen in de zin van artikel 248d van het Wetboek van Strafrecht, omdat de verdachte in beide gevallen bewust de confrontatie heeft gezocht met meisjes die duidelijk jonger waren dan zestien jaar en hij actief heeft gehandeld om hun aandacht te trekken, gericht op het getuige zijn van seksuele handelingen. Verschillende getuigen verklaren specifiek over het naar hen kijken terwijl hij handelingen met zijn penis verrichtte of deze toonde. De opzet om de minderjarigen te confronteren met ontuchtige handelingen staat hiermee vast.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde. Primair blijkt niet uit het dossier dat de verdachte zich heeft gericht tot de in de tenlastelegging genoemde kinderen en/of andere minderjarigen. Subsidiair ontbreekt het ontuchtig oogmerk om de minderjarige ertoe te bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, nu er ook niet gesproken kan worden van seksuele handelingen. Aan de hand van het dossier is niet objectief vast te stellen wat er precies feitelijk is gebeurd, aangezien er kanttekeningen te plaatsen zijn bij de betrouwbaarheid van de verklaringen in het dossier.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, waarbij overigens slechts het tonen van de penis kan worden bewezen.

4.1.3.

Beoordeling

Welke handelingen heeft de verdachte verricht?
De verdachte ontkent voor de beide ten laste gelegde feiten (op 22 september 2019 respectievelijk 9 mei 2020) dat hij masturberende bewegingen heeft gemaakt. Hij verklaart dat het zou kunnen dat hij in het openbaar heeft geplast en dat daarbij zijn geslachtsdeel zichtbaar was.


Feit 1 (22 september 2019)
Van dit feit is aangifte gedaan door de moeders van de beide slachtoffers. De verklaringen van beide moeders, waarin zij beschrijven wat zij van hun dochters hebben gehoord, lopen uiteen wat betreft de handelingen die door de verdachte zouden zijn verricht. [naam 1] verklaart dat de meisjes eerst zeiden dat de verdachte in hun bijzijn aan het plassen was en later dat de verdachte met zijn hand heen en weer bewoog bij zijn piemel. [naam 2] verklaart dat de verdachte zijn piemel aan de meisjes heeft laten zien. Beide minderjarige meisjes, die de verdachte hebben gezien, zijn niet door de politie gehoord. Gelet op de tegenstrijdige verklaringen van de moeders die niet zelf bij het voorval met hun dochters aanwezig waren, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte trekkende bewegingen heeft gemaakt dan wel zich heeft afgetrokken, zoals ten laste gelegd. De verdachte zal van die onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Feit 2 (9 mei 2020)

Ook in deze zaak blijven er te veel twijfels bestaan over de vraag of de verdachte trekkende bewegingen aan zijn penis heeft gemaakt in het bijzijn van de slachtoffers dan wel naar penis heeft gewezen. De drie betrokken meisjes zijn direct na het incident met de verbalisant (tevens moeder van een van de meisjes) in gesprek gegaan en bijna twee jaar daarna gehoord door de rechter-commissaris. Hun verklaringen zijn onvoldoende consistent of nauwkeurig op dit punt om daaruit de conclusie te trekken dat sprake is geweest van genoemde bewegingen, zodat de verdachte ook in deze zaak van die onderdelen zal worden vrijgesproken.

Is sprake geweest van corrumperen?

De rechtbank stelt vast dat de verdachte in de onder 1 en 2 ten laste gelegde gevallen zijn ontblote geslachtsdeel heeft getoond aan minderjarigen. De rechtbank acht de verklaringen van de minderjarigen hierover betrouwbaar. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan corrumperen als bedoeld in artikel 248d Sr.

Art. 248d luidt:

"Hij die een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe beweegt getuige te zijn van seksuele handelingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."

De geschiedenis van de totstandkoming van art. 248d Sr houdt onder meer het volgende in:

"Artikel 22 van het Verdrag verplicht tot het strafbaar stellen van het opzettelijk een kind laten aanschouwen van seksueel misbruik of seksuele handelingen voor seksuele doeleinden. Deze strafbaarstelling beoogt het kind te beschermen tegen schadelijke invloeden op de persoonlijke en seksuele ontwikkeling. In het bijzonder strekt de bepaling tot bescherming tegen gedragingen die tot doel hebben een kind vatbaar te maken voor seksuele uitbuiting of seksueel misbruik. Wanneer een kind voor seksuele doeleinden wordt geconfronteerd met seksueel misbruik of seksuele handelingen, kan een kind toekomstige gedragingen die als ontucht moeten worden aangemerkt, als normaal gaan ervaren. Tegen een dergelijke scheefgroei in de seksuele en persoonlijke ontwikkeling dient een kind te worden beschermd. Voor strafbaarheid is niet vereist dat het kind zelf actief participeert in de seksuele handelingen waarvan hij of zij getuige is. Het met ontuchtig oogmerk confronteren van het kind met seksuele handelingen volstaat.

Het voorgestelde artikel 248d Sr geeft uitvoering aan de in artikel 22 van het Verdrag opgenomen verplichting tot strafbaarstelling van het corrumperen van kinderen. Artikel 22 van het Verdrag verwijst naar artikel 18, tweede lid, van het Verdrag, dat staten partijen verplicht de leeftijd te bepalen waaronder een kind naar nationaal recht seksueel minderjarig is. In de Nederlandse zedelijkheidswetgeving zijn personen beneden de leeftijd van zestien jaar seksueel minderjarig. De strafbepaling beoogt deze categorie opgroeiende kinderen tegen schadelijke beïnvloeding van hun seksuele en persoonlijke ontwikkeling te beschermen.

Het Verdrag spreekt over het opzettelijk getuige laten zijn van «seksueel misbruik óf seksuele activiteiten». Om die reden is in het voorgestelde artikel 248d Sr gekozen voor het ruime begrip «seksuele handelingen», dat mede ontuchtige handelingen kan omvatten."

(Kamerstukken II, 2008-2009, 31810, nr. 3, p. 5-8).

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte met het tonen van zijn ontblote geslacht aan de jonge meisjes, ongeacht zijn bedoeling hiermee, een sociaal-ethische norm heeft overtreden. Kinderen zouden niet met zulke handelingen moeten worden geconfronteerd.

De rechtbank dient echter vast te stellen of het hier gaat om een situatie waarin de wetenschap van de waarneming van de seksuele handelingen door de minderjarige meisjes heeft bijgedragen aan het seksuele gerief van de verdachte. Hierbij dient de bedoeling van de wetgever niet uit het oog te worden verloren. De wetgever kwalificeert het bepaalde in artikel 248d Sr als daadwerkelijk seksueel misbruik. Voor een dergelijke aanname heeft de rechtbank te weinig aanknopingspunten gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de aanwezigheid van de minderjarigen heeft bijgedragen aan het seksueel gerief van de verdachte. De verdachte heeft dat telkens ontkend en wordt daarin gesteund door de rapportage van 4 juni 2021, waarin de psycholoog stelt dat de dieper gaande drijfveer voor het tonen van zijn geslachtsdeel eerder lijkt te zijn gelegen in het dempen van zijn depressieve gevoelens (door ‘voor even’ te worden bewonderd) dan in een eventuele seksuele opwinding die hij daarbij zou ervaren. Er zijn geen bewijsmiddelen waaruit het tegendeel blijkt.

Daarnaast is er geen bewijs dat de verdachte handelde met de bedoeling de kinderen zodanig te beïnvloeden dat deze in de toekomst eerder geneigd zouden zijn in te stemmen met het ondergaan van ontuchtige handelingen. Hierbij is het ook van belang dat het gaat om een eenmalige ontmoeting van de verdachte met de voor hem onbekende minderjarigen op een openbare plek.

4.1.4.

Conclusie

Dit betekent dat de onder parketnummer 10/661070-19 onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan vrij.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering (feiten 1 en 2 subsidiair onder parketnummer 10/661070-19 en parketnummer 10/652000-21)

De ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3

Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/661070-19 1 subsidiair en 2 subsidiair en het feit onder parketnummer 10/652000-21 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

parketnummer 10/661070-19

1. subsidiair

hij op 22 september 2019 te Rotterdam de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Rietveldpark, door zijn ontblote penis te tonen aan [naam 3] (geboren in [jaartal 1]) en [naam 4] (geboren in [jaartal 2])

2 subsidiair

hij op 09 mei 2020 te Simonshaven en/of Zuidland de eerbaarheid heeft geschonden

op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Bernisse

strand en/of het beverbos, door zijn, verdachtes, ontblote penis te tonen ;


parketnummer 10/652000-21

hij op 23 juni 2020 te gemeente Rotterdam de eerbaarheid heeft geschonden

op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in het park

Rozenburg, door zichzelf af te trekken en/ zijn ontblote penis te tonen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

parketnummer 10/661070-19 onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en
parketnummer 10/652000-21, telkens:

schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer negen maanden driemaal schuldig gemaakt aan openbare schennis van de eerbaarheid door zijn ontblote penis te tonen, waarbij tweemaal ten overstaan van minderjarige meisjes in een recreatiegebied/ natuurspeeltuin en eenmaal in een park ten overstaan van twee volwassen vrouwen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor minderjarigen een angstaanjagende ervaring kan zijn wanneer zij volkomen onverwacht en ongewenst met een dergelijk handelen worden geconfronteerd, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van de enkele van de betrokken meisjes. Daarnaast wordt dergelijk gedrag, ook ten aanzien van volwassenen, in het algemeen als onfatsoenlijk en aanstootgevend beschouwd en kan het ook gevoelens van onveiligheid meebrengen.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen rekening heeft gehouden met de gevolgen die zijn handelen voor de slachtoffers zou kunnen hebben, terwijl hij door eerdere veroordelingen al met dergelijke gevolgen was geconfronteerd.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 juli 2022, waaruit blijkt dat de verdachte diverse malen is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportage, d.d. 4 juni 2021, opgemaakt door GZ-psycholoog [naam 5]. Daarin wordt geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een matige depressie en vele recidiverende depressieve episodes in zijn leven, hechtingsproblematiek en een vermijdende coping. Volgens de verdachte komt hij in diepe somberheid terecht op het moment dat hij zich realiseert dat hij wel altijd aandacht aan de ander geeft, maar nooit de affectie terugkrijgt die hij verwacht, waarna hij mede door zijn vermijdende (seksuele) coping, een moment zoekt waarin hij gevoelsmatig in het middelpunt van de aandacht staat, waarbij de verkregen aandacht een afleiding is voor zijn depressieve gevoelens. Er kan worden geconcludeerd dat het antisociale gedrag (het exhiberen) van de verdachte een reactie is geweest op zijn depressie, waarbij de behoefte aan het vermijden van de wanhoopsituatie groter is geweest dan zijn inlevingsvermogen ten aanzien van slachtoffers van zijn gedrag. Dit alles afwegend, is er sprake geweest van enige doorwerking van de ziekelijke stoornis (depressie) in het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt dan ook om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De reclassering heeft een tweetal rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 februari 2021 en 4 juni 2021. Laatstgenoemd rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte is al vanaf 44-jarige leeftijd bekend met het onderhavige delictgedrag; dit vormt een patroon door de jaren heen. Hij is langdurig in behandeling geweest en uitbehandeld in therapieën voor seksuele delictplegers. Het risico op herhaling is onverminderd hoog. Dat heeft te maken met het verband tussen gevoelens van onwelbevinden, die altijd kunnen optreden en de coping van betrokkene om door oneerbaar gedrag met daardoor verworven aandacht het rotgevoel te onderdrukken. Het hoge risico op herhaling kan naar inschatting worden beperkt door voortzetting en intensivering van de Fivoor-behandeling, gecombineerd met activerende begeleiding zoals door [naam 6]. Een aan de Fivoor-behandeling verbonden verplichting tot een maximaal zeven weekse opname is nodig om bij crisis of destabilisatie te kunnen ingrijpen. Vanuit slachtofferbewust denken kan voor de pleeglocatie een locatieverbod worden opgelegd. Vanwege het structurele karakter van het delictgedrag en de structureel nodige zorg om dit te beperken wordt een lange proeftijd geadviseerd. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met onder andere de onderstaande bijzondere voorwaarden:

- meldplicht bij reclassering;

- ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname;

- locatieverbod (met politietoezicht).

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door de bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte waaronder zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Uit genoemde rapportages blijkt immers dat het herhalingsrisico, zonder intensieve behandeling en begeleiding, als hoog wordt ingeschat. De verdachte heeft verklaard bereid te zijn zich aan deze voorwaarden te houden.

Ondanks dat de rechtbank de verdachte, anders dan door de officier van justitie geëist, vrijspreekt van het seksueel corrumperen van minderjarige meisjes, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, passend. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verdachte telkens in herhaling valt en de slachtoffers in twee van de drie zaken minderjarig waren.

8. Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Arrest waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij arrest van 4 mei 2016 van het gerechtshof te Den Haag is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan een gedeelte groot 129 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar.

8.2.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering af te wijzen. De verdediging heeft eveneens afwijzing bepleit.

8.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit arrest en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het arrest verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden, gelet op de toegepaste straf in de hoofdzaak en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte waaronder zijn woning en lopende hulpverlening, evenwel redenen aanwezig geacht die last niet te geven. De vordering zal daarom worden afgewezen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 239 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair van parketnummer 10/661070-19 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair van parketnummer 10/661070 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer 10/652000-21 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte ter zake van de feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van
215 dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 100 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 5 (vijf) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland aan de Marconistraat te Rotterdam, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht, meewerken aan behandeling door Fivoor-forensische polikliniek of een door de reclassering te bepalen soortgelijke zorgverlener. De veroordeelde zal zich daarbij houden aan de huisregels en de aanwijzingen van zorgverlener voor de behandeling.

De behandeling zal bestaan uit ambulante en/of psychiatrische intensieve thuiszorg;

3. de veroordeelde laat zich begeleiden door [naam 6] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

4. de veroordeelde zal zich niet bevinden in het recreatiegebied tussen Simonshaven en Zuidland, het Rietveldpark en het Park Rozenburg, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt, waarbij de politie toeziet op handhaving van dit locatieverbod;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte die bij eerdere beslissing is geschorst;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof te Den Haag aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf (parketnummer 22/003341-14).

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut, voorzitter,

en mrs. M. Timmerman en G. Alagahgi, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 29 augustus 2022.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

parketnummer 10/661070-19

1.

hij op of omstreeks 22 september 2019 te Rotterdam, een of meer personen, van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) in het zicht en/of ten overstaan van [naam 3] (geboren in [jaartal 1]) en/of [naam 4] (geboren in [jaartal 2]), en/of één of meer andere minderjarige personen, zichzelf afgetrokken en/of zijn ontblote penis getoond aan die [naam 1] en/of [naam 4] en/of die onbekend gebleven personen, waarbij hij, verdachte de aandacht van die [naam 1] en/of die [naam 4] en/of die onbekend gebleven personen trok door - in hun richting te komen en/of hen (indringend) aan te kijken en/of (vervolgens) zijn, verdachtes ontblote penis te tonen aan die [naam 1] en/of die [naam 4] en/of onbekend gebleven personen en/of met zijn, verdachtes hand trekkende bewegingen te maken aan zijn ontblote penis;

subsidiair

hij op of omstreeks 22 september 2019 te Rotterdam de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Rietveldpark, door zichzelf af te trekken en/of zijn ontblote penis te tonen aan [naam 3] (geboren in [jaartal 1]) en/of [naam 4] (geboren in [jaartal 2]) en/of één of meer andere (minderjarige) personen;

2.

hij op of omstreeks 9 mei 2020 te Simonshaven, gemeente Nissewaard, een of meer personen, van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) in het zicht en/of ten overstaan van [naam 7] (geboren op [geboortedatum 1] 2008) en/of [naam 8] (geboren op [geboortedatum 2] 2009) en/of [naam 9] (geboren op [geboortedatum 3] 2008), zichzelf afgetrokken en/of zijn ontblote penis getoond aan die [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9], waarbij hij, verdachte, de aandacht van [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] trok door meermalen in hun richting te komen en/of hen (indringend) aan te kijken en/of (vervolgens) zijn, verdachtes ontblote penis te tonen aan die [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of met zijn, verdachtes hand trekkende bewegingen te maken aan zijn ontblote penis en/of naar zijn, verdachtes, ontblote penis te wijzen;

subsidiair

hij op of omstreeks 09 mei 2020 te Simonshaven en/of Zuidland, in elk geval

in de gemeente Nissewaard, de eerbaarheid heeft geschonden

op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Bernisse

strand en/of het beverbos, door zijn, verdachtes, ontblote penis te tonen en/of met zijn, verdachtes, hand trekkende bewegingen te maken aan zijn ontblote penis en/of naar zijn,

verdachtes, ontblote penis te wijzen.

parketnummer 652000-21

hij op of omstreeks 23 juni 2020 te gemeente Rotterdam de eerbaarheid heeft geschonden

op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in het park

Rozenburg, door zichzelf af te trekken en/of zijn ontblote penis te tonen;