Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7375

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-08-2022
Datum publicatie
01-09-2022
Zaaknummer
C/10/634200 / FA RK 22-1341
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De behoefte van de kinderen wordt afwijkend berekend nu partijen nooit in gezinsverband hebben samengewoond. Daarbij rekent de rechtbank niet met de actuele inkomens van partijen: hoewel het inkomen van de man intussen aanzienlijk is toegenomen, is dat niet hoger dan de toenmalige inkomens van partijen bij elkaar opgeteld. Daarmee wordt de door de Expertgroep Alimentatienormen benoemde ‘drempel’ niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2022-0197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Familierecht

Zaaknummer: C/10/634200 / FA RK 22-1341

Kinderalimentatie

Beschikking van 30 augustus 2022

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende in [woonplaats vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D. Vurdelja,

t e g e n

[naam man],

wonende in [woonplaats man],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.P. Kloppenburg.

1. De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  1. het verzoekschrift tot vaststelling kinderalimentatie met bijlagen 1 tot en met 5, binnengekomen op 28 februari 2022;

  2. het F9-forumulier van mr. Vurdelja met bijlagen, binnengekomen op 20 april 2022;

  3. het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 3, binnengekomen op 2 mei 2022;

  4. het F9-formulier van mr. Vurdelja met bijlagen, binnengekomen op 15 augustus 2022;

  5. het F9-formulier van mr. Kloppenburg met bijlagen 4 tot en met 7, binnengekomen op 17 augustus 2022, en

  6. het F9-formulier van mr. Kloppenburg met bijlagen, binnengekomen op 18 augustus 2022.

1.2.

De mondelinge behandeling vond via videobellen plaats op 25 augustus 2022. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Bij deze behandeling waren aanwezig:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat, en

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. Waar gaat het over?

2.1.

Partijen zijn de ouders van: [naam kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] 2017 in [geboorteplaats kind 1], en [naam kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] 2009 in [geboorteplaats kind 2], hierna te noemen: de kinderen.

2.2.

De kinderen staan ingeschreven op het adres van de vrouw.

2.3.

De vrouw wil dat de man per 1 februari 2022 een kinderalimentatie van € 160,- per kind per maand of per een andere datum een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan haar gaat betalen. Zij stelt behoefte te hebben aan een bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

2.4.

De man is het daar niet mee eens en vraagt de rechtbank het verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij erkent onderhoudsplichtig te zijn tegenover de kinderen, maar stelt een wisselvallig inkomen te hebben dat niet voldoende is om de verzochte bijdrage te voldoen. Daarbij komt dat hij schulden heeft waar (uiteindelijk) op moet worden afgelost.

3. De beoordeling

conclusie

3.1.

De rechtbank beslist dat de man per 1 september 2022 een kinderalimentatie van € 171,- per maand aan de vrouw moet betalen. Dit betekent dat zij het verzoek van de vrouw deels toewijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij alleen in op de standpunten van partijen die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

ingangsdatum

3.2.

De wet1 laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Nu het hier om een eerste vaststelling gaat, liggen twee data als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.

De rechtbank laat de kinderalimentatie ingaan per 1 september 2022. Dat is de eerste dag van de maand volgende op de datum van deze beschikking. Zou de bijdrage eerder ingaan, dan zou dit de man gelet op zijn toenmalige minimale draagkracht en zijn (door de vrouw niet betwiste) schulden mogelijk in financiële problemen kunnen brengen. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling niet heeft betwist dat de man haar in de afgelopen periode zo nu en dan van een bijdrage voor de kinderen heeft voorzien.

behoefte kinderen

3.3.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer zij verdienen, des te meer zij kunnen uitgeven aan de kinderen.

3.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat partijen nooit in gezinsverband hebben samengewoond. Volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen van de Rechtspraak (verder: Expertgroep) wordt de behoefte van een kind in dat geval bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte die is berekend op basis van het inkomen met kindgebonden budget (verder: KGB) van de verzorgende ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de niet-verzorgende ouder. Aan deze laatste ouder wordt daarbij een fictief KGB toegekend.

3.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat hun relatie in 2018 is geëindigd. De rechtbank rekent om die reden met de inkomens van dat jaar. Uit de door de man overgelegde inkomensverklaring 2018 van de Belastingdienst blijkt een inkomen van € 16.062,- per jaar. Aan de zijde van de vrouw rekent de rechtbank met een bijstandsuitkering van € 11.905,- per jaar, nu dat niet in geschil is tussen partijen. Uit de aangehechte berekening volgt een behoefte van (in totaal) € 266,- per maand.2 Door wettelijke indexering bedraagt de behoefte thans € 292,- per maand, dus € 146,- per kind.

3.6.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat het inkomen van de man intussen zodanig is gestegen dat de behoefte van de kinderen aan de hand van de actuele inkomens van partijen moet worden berekend.

3.7.

Volgens de meest recente aanbevelingen van de Expertgroep bestaat daarvoor aanleiding indien één van de ouders een inkomen verkrijgt dat hoger is dan de toenmalige inkomens van partijen bij elkaar opgeteld. Dat wordt de ‘drempel’ genoemd. Bij de bepaling van de drempel wordt – in tegenstelling tot de berekening van de behoefte – alleen met het destijds door de vrouw ontvangen KGB rekening gehouden. Uit de aangehechte berekening blijkt dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw (inclusief) KGB € 1.254,- per maand en het NBI van de man € 1.206,- per maand bedroeg. De drempel komt daarmee uit op € 2.460,- per maand. Kortom: om de behoefte aan de hand van de actuele inkomens van partijen te berekenen, dient het NBI van de man die drempel te overstijgen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat uit het actuele inkomen van de man een NBI van € 1.807,- per maand volgt, wordt daarmee het drempelbedrag niet overschreden. Dit betekent dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van de kinderen de inkomensgegevens van 2018 als uitgangspunt neemt. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan de stelling van de vrouw.

draagkracht ouders

3.8.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien3.

draagkracht man

3.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de man op basis van zijn meest recente inkomen € 171,- per maand bedraagt. De rechtbank neemt om die reden dat bedrag als uitgangspunt.

draagkracht vrouw

3.10.

Nu onweersproken vaststaat dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt, kent de rechtbank haar gelet op de aanbevelingen van de Expertgroep als verzorgende ouder geen draagkracht toe.

verdeling kosten

3.11.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

3.12.

Een vergelijking is hier niet nodig nu alleen de man draagkracht heeft en die niet voldoende is om in alle kosten van de kinderen te voorzien. De man dient daarom zijn volledige draagkracht te gebruiken. Dit betekent dat hij met € 171,- per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

zorgkorting

3.13.

Partijen zijn het met elkaar over eens dat bij de huidige (feitelijke) zorgregeling een zorgkorting past van 20% van de behoefte: € 58,- per maand.

3.14.

In dit geval past de rechtbank geen zorgkorting toe, omdat er sprake is van een groot tekort aan draagkracht. Het zou namelijk niet eerlijk zijn als de rechtbank de kosten die de man al voor de kinderen maakt in mindering brengt op de kinderalimentatie. Daarmee komt het hele tekort op de schouders van de vrouw te rusten, terwijl zij die niet kan dragen. Dat de vrouw thans een aanvullende bijstandsuitkering ontvangt, maakt dit niet anders. Dit betekent dat de man een kinderalimentatie van € 171,- per maand moet betalen.

uitvoerbaar bij voorraad

3.15.

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beslist dat de man per 1 september 2022 en kinderalimentatie van € 171,- per maand, steeds vóór de eerste van de maand, aan de vrouw moet betalen;

4.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, en

4.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit is de beslissing van rechter mr. A.E. Sutorius-van Hees die tot stand is gekomen in
samenwerking met griffier mr. N. Kum. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
30 augustus 2022 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Bijlage 1: berekening behoefte kinderen

1 Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek

2 Zie bijlage 1.

3 Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek