Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7354

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
01-09-2022
Zaaknummer
C/10/638551 / HA ZA 22-424
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 843a Rv-incident. Inzage in stukken die kunnen aantonen wat er met verstrekte gelden is gebeurd die in vastgoedprojecten zouden worden geïnvesteerd. Aan eisen 843a Rv voldaan. Vordering toegewezen.

De vordering ex art. 843a Rv was in het petitum van de dagvaarding als voorlopige voorziening ingesteld. Een vordering ex artikel 843a Rv heeft echter naar haar aard geen voorlopig karakter. De vordering wordt dan ook opgevat als een incidentele vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/638551 / HA ZA 22-424

Vonnis in incident van 3 augustus 2022

in de zaak van

[eiser01] ,

wonende te [woonplaats01] ,

eiser,

advocaat mr. A. Ourhris te Velsen-Zuid,

tegen

1 . [gedaagde01] ,

wonende te [woonplaats02] ,

2. STICHTING [stichting01] ,

gevestigd te [vestigingsplaats01] ,

3. [bedrijf01] B.V. ,

gevestigd te [vestigingsplaats02] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.P. Hellinga te Zwijndrecht.

Partijen zullen hierna [eiser01] enerzijds en [gedaagde01] c.s. (in meervoud) anderzijds genoemd worden. Als gedaagden sub 1 tot en met 3 afzonderlijk bedoeld zijn zullen zij [gedaagde01] , [stichting01] respectievelijk [bedrijf01] genoemd worden.

1 . De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 mei 2022, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv, met producties 1 tot en met 26.

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 . De vordering in de hoofdzaak

2.1.

[eiser01] heeft in de hoofdzaak de volgende vorderingen ingesteld:
ten aanzien van [gedaagde01] :

1. te verklaren voor recht dat de rechtshandeling(en) waarbij de percelen [perceelnummer01] en [perceelnummer02] aan de [adres01] te [plaats01] door [stichting01] zijn verkocht en overgedragen aan [gedaagde01] paulianeus zijn in de zin van artikel 3:45 BW en vernietigd zijn althans deze rechtshandeling(en) te vernietigen althans te verklaren voor recht dat dat deze rechtshandeling(en) onrechtmatig is/zijn;

2. [gedaagde01] te veroordelen tot het (notarieel) doen (terug)leveren van de onder 1 bedoelde percelen aan de [adres01] aan [stichting01] , binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde01] aan deze veroordeling niet voldoen, met een maximum van € 50.000,-;

3. te bepalen dat de kosten voor het realiseren van voornoemde (terug)levering, in de meest brede zin van het woord, geheel voor rekening van [gedaagde01] komen;

ten aanzien van [gedaagde01] c.s.:

4. [gedaagde01] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser01]

binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis op een door [eiser01] aan te wijzen bankrekening een bedrag van € 90.000,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 januari 2022 althans een door de rechtbank te bepalen datum tot de dag van algehele voldoening;

ten aanzien van [bedrijf01] :

5. te verklaren voor recht dat [bedrijf01] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de hofjes-overeenkomst en de hofjes-overeenkomst partieel is ontbonden op grond van

wanprestatie althans deze partieel te ontbinden dan wel te verklaren voor recht dat de hofjes-overeenkomst partieel is vernietigd op grond van bedrog althans deze te vernietigen dan wel te verklaren voor recht dat de hofjes-overeenkomst partieel is vernietigd op grond van dwaling althans deze te vernietigen;

en ten aanzien van [gedaagde01] c.s. voorts:

[gedaagde01] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten.

2.2.

[eiser01] heeft daaraan - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

2.3.

[eiser01] is op 29 augustus 2018 een overeenkomst aangegaan op grond waarvan [eiser01] een bedrag van € 100.000,- ter beschikking heeft gesteld aan de heer [naam01] (hierna: [naam01] ), [stichting01] en [bedrijf01] , teneinde dit door hen in een drietal, nader te bepalen (bouw)projecten te investeren (hierna: de overeenkomst). Overeengekomen is dat [eiser01] zijn inleg terug ontvangt als de projecten zijn afgerond, dan wel als het onroerend goed aan de [adres01] te [plaats01] , dat diende als zekerheid voor de vordering van [eiser01] onder de overeenkomst, zou zijn verkocht. [eiser01] heeft - ondanks herhaald aandringen - geen enkele inzage gekregen in de projecten waarin zijn inleg zou zijn geïnvesteerd. Daarmee is sprake van toerekenbaar tekortschieten in de overeenkomst, hetgeen maakt dat de vordering van [eiser01] tot terugbetaling van het bedrag van € 100.000,- opeisbaar is. [naam01] is inmiddels overleden. Zijn erfgenaam en dochter [gedaagde01] , tevens bestuurder van [bedrijf01] en [stichting01] , is overgegaan tot verkoop van twee percelen aan de [adres01] te [plaats01] (aan zichzelf). Ook dat maakt dat de vordering van [eiser01] tot terugbetaling van het bedrag van € 100.000,- opeisbaar is.

2.4.

[gedaagde01] heeft als bestuurder van [stichting01] paulianeus en onrechtmatig gehandeld jegens [eiser01] door twee percelen aan de [adres01] te [plaats01] aan zichzelf te verkopen. [gedaagde01] is gehouden om de schade die [eiser01] daardoor lijdt te vergoeden.

2.5.

Op 9 augustus 2019 is [eiser01] met [bedrijf01] een overeenkomst aangegaan gericht op het ontwikkelen van kleinschalige woongroepen (hierna: de hofjes-overeenkomst). Het was [bedrijf01] toegestaan het op grond van de overeenkomst door [eiser01] verstrekte bedrag van € 100.000,- te gebruiken voor het project met betrekking tot de ontwikkeling van de hofjes. [bedrijf01] is toerekenbaar tekortgeschoten in nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de hofjes-overeenkomst. Van het exploiteren van het hofjes-project door [bedrijf01] is niets terechtgekomen. De hofjes-overeenkomst is dan ook (partieel) ontbonden, althans vernietigbaar omdat zij onder invloed van bedrog dan wel dwaling tot stand is gekomen.

2.6.

Van het bedrag van € 100.000,- is € 10.000,- aan [eiser01] terugbetaald.

2.7.

[gedaagde01] c.s. hebben in de hoofdzaak nog geen verweer gevoerd.

3 . De vordering in het incident

3.1.

[eiser01] vordert bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, [gedaagde01] c.s. te veroordelen om aan [eiser01] ter inzage af te geven de (financiële) bescheiden met betrekking tot de (status) van de projecten die onder de overeenkomst en de hofjes-overeenkomst zijn althans zouden worden uitgevoerd, op straffe van een door [gedaagde01] c.s. te verbeuren dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat [gedaagde01] c.s. daarmee in gebreke blijven, met veroordeling van [gedaagde01] c.s. in de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagde01] c.s. concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser01] in de proceskosten en nakosten, en een ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling nader ingegaan.

4 . De beoordeling in het incident

4.1.

[eiser01] heeft zijn vordering ex artikel 843a Rv tot inzage in stukken in het petitum van de dagvaarding als voorlopige voorziening ingesteld. Een vordering ex artikel 843a Rv heeft echter naar haar aard geen voorlopig karakter. De vordering zal dan ook worden opgevat als een incidentele vordering.

4.2.

Artikel 843a Rv bepaalt dat degene die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

4.3.

Deze zaak draait in de kern om de stelling van [eiser01] dat aan de overeenkomst en de hofjes-overeenkomst geen uitvoering is gegeven en dat het door hem verstrekte bedrag van € 100.000,- niet is gebruikt voor de door partijen overeengekomen doelen. [eiser01] stelt op die grond vorderingen in tegen [gedaagde01] c.s. uit toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatige daad.

4.4.

Een overeenkomst heeft niet alleen de tussen partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Uit de met [eiser01] gesloten overeenkomsten vloeit voort dat hij er aanspraak op kon en kan maken dat hij inzage krijgt in de (financiële) bescheiden met betrekking tot (de status van) de projecten die onder de overeenkomst en de hofjes-overeenkomst zijn althans zouden worden uitgevoerd. [eiser01] heeft er belang bij vast te kunnen stellen wat er met het bedrag van € 100.000,- al dan niet is gedaan om zo zijn eventuele rechten uit die overeenkomsten en/of uit onrechtmatige daad jegens ieder van [gedaagde01] c.s. inzichtelijk te krijgen en geldend te kunnen maken. De enkele stelling van [gedaagde01] c.s. dat de vorderingen van [eiser01] gebaseerd op de overeenkomst en de hofjes-overeenkomst niet opeisbaar zijn, verandert dat niet. Juist de informatie om te kunnen vaststellen jegens welke rechtspersonen en/of natuurlijk persoon hij welke aanspraken heeft uit overeenkomst en/of onrechtmatige daad ontbeert [eiser01] .

4.5.

De door artikel 843a Rv vereiste rechtsbetrekking betreft de overeenkomsten en/of onrechtmatige daad, zo volgt uit hetgeen onder 4.3 is overwogen.

4.6.

Het gaat hier om bepaalde bescheiden. Het gaat immers om alle (financiële) bescheiden met betrekking tot (de status van) de projecten die onder de overeenkomst en de hofjes-overeenkomst zijn althans zouden worden uitgevoerd. Voor [gedaagde01] c.s. is daarmee bepaalbaar welke bescheiden het betreft. Meer specifiek kan [eiser01] de bescheiden niet omschrijven omdat hem de relevante informatie met betrekking tot de projecten tot op heden zonder goede grond is onthouden.

4.7.

Duidelijk is dat [gedaagde01] c.s. de bescheiden onder zich hebben. Het bestaan ervan is door hen niet ontkend, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de bescheiden bestaan. Het verweer dat niet duidelijk is wie van [gedaagde01] c.s. welke bescheiden precies onder zich zouden hebben, kan niet worden gehonoreerd. Gelet op het nauw aan elkaar gelieerd zijn van [gedaagde01] c.s. kan in deze context van ieder van hen worden gezegd dat zij de bescheiden “te zijner beschikking of onder zijn berusting” hebben. Dat geldt juist temeer voor [gedaagde01] , de natuurlijk persoon die ook beide rechtspersonen beheerst.

4.8.

De vordering zal worden toegewezen. Er zal een termijn van 30 dagen worden gesteld voor het verstrekken van afschrift van de bescheiden en de dwangsom zal worden gemaximeerd in die zin dat ieder van [gedaagde01] c.s. niet meer dan maximaal € 100.000,- aan dwangsommen zullen verbeuren en met dien verstande dat zij gezamenlijk ter zake van de eventueel te verbeuren dwangsommen niet meer dan € 100.000,- aan [eiser01] hoeven te betalen.

4.9.

De beslissing omtrent de proceskosten wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak een eindvonnis wordt gewezen.

5 . De beslissing

De rechtbank

in het incident:

5.1.

gebiedt [gedaagde01] c.s. om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis afschrift te verstrekken aan [eiser01] van de (financiële) bescheiden met betrekking tot (de status van) de projecten die onder de overeenkomst en de hofjes-overeenkomst zijn althans zouden worden uitgevoerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagde01] c.s. in gebreke blijven daaraan te voldoen, met een maximum van € 100.000,- in die zin dat ieder van [gedaagde01] c.s. niet meer dan maximaal € 100.000,- aan dwangsommen verbeurt en met dien verstande dat zij gezamenlijk ter zake van de eventueel te verbeuren dwangsommen niet meer dan € 100.000,- aan [eiser01] hoeven te betalen;

5.2.

verklaart 5.1 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 september 2022 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.

[1861/1729]