Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7335

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
83/165263-20, 83/058851-22 en 83/058827-22 (gevoegd bij uitspraak)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft over een periode van 2 jaar geld ter beschikking gesteld voor een groot aantal vrouwen en kinderen die in gevangenkampen in Syrië verbleven. In eerste instantie voor voedsel en goederen, later voor ‘ontsnappingen’ van vrouwen en hun kinderen uit de kampen. De verdachte had daarbij een sturende en essentiële rol: hij gaf opdrachten welke vrouwen moesten worden opgehaald, organiseerde de smokkel en regelde verblijflocaties.

Het ging om voornamelijk Nederlandse vrouwen, die eerder waren uitgereisd naar Syrië, daar langere tijd hebben verbleven en er gehuwd zijn (geweest) met ISIS-strijders/medewerkers.

De verdachte heeft door zijn handelen het risico genomen dat het geld op (indirecte) wijze terecht is gekomen bij ISIS en gebruikt is voor terroristische doeleinden.

Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander een valse aangifte omzetbelasting gedaan en een administratie vervalst door daar een valse factuur in op te nemen.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 83/165263-20, 83/058851-22 en 83/058827-22 (gevoegd bij uitspraak)

Datum uitspraak: 31 augustus 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzittingen

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 7, 8 en 13 juli 2022 (en 31 augustus 2022: sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

2. Tenlasteleggingen

parketnummer 83/165263-20

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen onder de feiten 1, 2 en 3 is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

parketnummer 83/058827-22 en parketnummer 83/058851-22

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de tenlasteleggingen.

De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlagen II en III aan dit vonnis gehecht.

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis, zal het ten laste gelegde feit onder parketnummer 83/058827-22 in het vervolg steeds aangeduid worden als feit 4 en de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 83/058851-22 als de feiten 5 en 6.

Aan de verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd:

1. medeplegen van) het financieren van terrorisme;

2. ( medeplegen van) het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling ISIS en Al-Qaida 2016;

3. ( medeplegen van) het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling terrorisme 2007-II;

4. deelname aan een terroristische organisatie;

5. ( medeplegen van) valsheid in geschrift;

6. ( medeplegen van) het opzettelijk onjuist of onvolledig belastingaangifte doen.

3. Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. A.M. Dingley en F.B.W. Groendijk (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest;

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

4. Geldigheid dagvaarding

4.1.

Standpunt verdediging

Het onder 1 ten laste gelegde gedachtestreepje één of meer andere (tussen)personen is te weinig specifiek omdat niet duidelijk is wie daarmee worden bedoeld. De dagvaarding dient op dat punt partieel nietig te worden verklaard.

4.2.

Beoordeling

Uit het dossier volgt dat met één of meer andere (tussen)personen wordt gedoeld op de onbekend gebleven personen die betrokken waren bij de ontsnappingen van de vrouwen zoals onder meer marktkoopmannen en smokkelaars. De verdachte is op basis hiervan in staat zich tegen het tenlastegelegde te verdedigen.

4.3.

Conclusie

De dagvaarding is geldig.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak feit 4 (deelname terroristische organisatie)

5.1.1.

Standpunt officier van justitie

IS(IS) (hierna: “ISIS”) is na de val van de zelfverklaarde Islamitische Staat doorgegaan met de verwezenlijking van haar doel: het vestigen van een Islamitische Staat. ISIS maakt daarbij gebruik van virtuele propaganda, waarbij in mediacampagnes onder meer wordt opgeroepen tot inzameling van gelden voor de ontsnapping van vrouwen en kinderen uit de Syrische gevangenkampen. Hierbij wordt een koppeling gemaakt met het belang van deze vrouwen voor ISIS, waarmee onder meer wordt gedoeld op de opvoeding van de kinderen naar de leefregels van ISIS; de strijders van de toekomst. Uit verschillende bronnen volgt dat een groot aantal van deze vrouwen in de kampen het extremistische gedachtegoed van ISIS aanhangen en dit actief nastreven.

De verdachte heeft zich ingezet om gelden in te zamelen en heeft een prominente, actieve en coördinerende rol vervuld bij de daadwerkelijke ontsnapping van vrouwen en kinderen uit de kampen. Hij is hiermee gestart op het moment waarop de mediacampagne van ISIS om de vrouwen en kinderen te helpen ontsnappen, aanving. De verdachte had onder meer nauwe contacten met leden van ISIS en uit de chats die zijn aangetroffen op de telefoon van de verdachte blijkt dat hij spreekt over ‘broeders en zusters’ en ‘Al Dawla’, waarmee ISIS met een positieve connotatie wordt aangeduid. Hij heeft bovendien enkel vrouwen in de kampen geholpen die minst genomen een sterke ISIS affiliatie hadden en tot het laatste moment in Baghuz – het laatste bolwerk van ISIS – verbleven.

Op zijn digitale gegevensdragers stond ISIS-gerelateerd materiaal en de verdachte heeft een deel van deze bestanden ook doorgestuurd aan anderen.

Daarnaast volgt onder meer uit de interviews die de verdachte had met verschillende mediakanalen dat hij zich (deels) schaart achter de ideologie van ISIS.

Bij dit alles was het voor de verdachte volstrekt duidelijk dat ISIS het oogmerk heeft op het plegen van terroristische misdrijven.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm, in onderling verband en in samenhang bezien, moeten worden aangemerkt als zozeer gericht op het deelnemen aan ISIS, het daarin een aandeel hebben en het verwezenlijken van het oogmerk van die organisatie, dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte hierop was gericht. Daarmee is er wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie ISIS.

5.1.2.

Beoordeling

Van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie is sprake indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij is het voldoende dat een betrokkene in zijn algemeenheid – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Uit het dossier en de verklaringen van de verdachte blijkt – kort weergegeven – dat hij in de periode van januari 2018 tot medio juni 2020 geld heeft ingezameld ten behoeve van vrouwen en kinderen in Koerdische opvang- en detentiekampen in Noordoost Syrië. Vanaf begin 2019 heeft de verdachte hiertoe onder meer via Whatsapp (deels ISIS-gerelateerde) mediabestanden doorgestuurd. Daarnaast heeft de verdachte vanaf medio 2020 ontsnappingen uit de kampen gepland en gecoördineerd, waarvoor hij onder meer contact heeft gehad met verschillende personen in Syrië.

Beoordeeld dient te worden of de verdachte deze activiteiten heeft ontplooid ten behoeve van de verwezenlijking van de doelen van ISIS en of hij daardoor ook deelnam aan deze organisatie. Dat de verdachte wist dat ISIS het plegen van (terroristische) misdrijven tot oogmerk heeft, blijkt uit zijn verklaring dat hij op de hoogte was van het gedachtegoed van ISIS en de gruwelijkheden die door deze organisatie werden begaan.

Uit het dossier blijkt dat – door of ten behoeve van ISIS – tussen 2019 en 2020 online campagnes werden gevoerd voor hulp aan vrouwen en kinderen in de gevangenkampen en dat hierbij ook werd opgeroepen om hen te bevrijden. Uit het dossier blijkt ook dat soortgelijke campagnes werden gevoerd door andere partijen dan ISIS.

Volgens de deskundige dr. [naam deskundige 1] waren er honderden webpagina’s en campagnes die werden gerund door verschillende groepen mensen en individuen, waarbij het ook vaak om oplichting ging. In de periode dat de verdachte mediabestanden doorzond via Whatsapp ten behoeve van de inzameling van gelden voor de vrouwen en kinderen in kampen, waren er dus meerdere (online) campagnes met ditzelfde doel. Omdat deze campagnes door uiteenlopende partijen werden opgezet, kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat de verdachte met zijn inzamelingsacties gehoor gaf aan oproepen van ISIS om vrouwen en kinderen te steunen en te bevrijden en in die zin een bijdrage leverde aan de organisatie.

Dit kan ook niet worden afgeleid uit de overige feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen. Zo had de verdachte contacten met verschillende personen in Syrië in het kader van zijn activiteiten voor de vrouwen en kinderen, maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat deze personen deelnamen aan ISIS of ten behoeve van die organisatie handelden.

Het gebruik in chats van de termen ‘broeders’, ‘zusters’ en ‘Al Dawla’ is onvoldoende om tot een lidmaatschap van ISIS te komen. Het gebruik van ‘broeders’ en ‘zusters’ is algemeen gebruikelijk in de Arabische wereld. In het dossier zijn geen concrete aanwijzingen dat het gebruik van deze woorden door de verdachte een directe relatie heeft met (lidmaatschap van) ISIS. Hoewel het woord Dawla meer door ISIS aanhangers wordt gebruikt, is het gebruiken van dat woord onvoldoende om vast te stellen dat de gebruiker zich achter deze organisatie schaart. Hierbij is van belang dat de verdachte ook het woord ‘Daesh’ gebruikt, dat juist kenmerkend is voor tegenstanders van ISIS.

Dat de verdachte voornamelijk vrouwen hielp die langdurig in ISIS gebied waren geweest, is onvoldoende om vast te stellen dat hij hiermee ook (het oogmerk van) ISIS zou ondersteunen.

5.1.3.

Conclusie

Op basis van dit dossier is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde. Hij zal daarvan dus worden vrijgesproken.

5.2.

Bewijswaardering feiten 1 en 2

5.2.1.

Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, omdat geen sprake is van opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – op het geldelijk steunen van ISIS.

De verdachte werd bij zijn handelen – het sturen van geld ten behoeve van vrouwen en kinderen die verbleven in Syrische gevangenkampen – gedreven door humanitaire motieven. Het geld was bestemd voor het levensonderhoud van de vrouwen en hun kinderen, noodzakelijke medische zorg en werd – later – ook aangewend ten behoeve van de ontsnapping van de vrouwen en hun kinderen uit de kampen.

De verdachte had geen aanleiding om te veronderstellen dat de overgemaakte gelden ten goede zouden kunnen komen aan ISIS omdat het Kalifaat inmiddels was gevallen en de vrouwen ten tijde van het versturen van de gelden verbleven in gevangenkampen.

5.2.2.

Beoordeling

Beoordeeld dient te worden of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het

– kort gezegd – financieren van terrorisme, met andere woorden: heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de gelden die – middellijk – aan de vrouwen ter beschikking werden gesteld uiteindelijk ten behoeve van ISIS zouden komen?

Bij de beantwoording van deze vraag is van belang of de verdachte zich ervan heeft vergewist of de vrouwen die hij hielp geen lid (meer) waren dan wel niet meer waren verbonden met ISIS en/of afstand hadden genomen van het gedachtengoed van ISIS.

Juridisch kader

Artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft onder meer als beschermd belang het bestrijden van terrorisme in de meest brede zin van het woord. Zo mag geen financiering plaatsvinden van de terroristische misdrijven als omschreven in het Wetboek van Strafrecht. Ook mag geen financiering plaatsvinden van een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

De financieringshandelingen kunnen een veelheid aan verschijningsvormen aannemen.

Het is een ruim begrip in die zin dat het gaat om alle wijzen waarop in financieel en economisch opzicht steun wordt geboden aan het plegen van daden van terrorisme of feiten die daarmee direct verband houden. Met opneming van de zinsneden “geheel of gedeeltelijk” en “onmiddellijk of middellijk” wordt bewerkstelligd dat ook financiering van slechts een deel van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan, óf financiering die plaatsvindt via andere personen of rechtspersonen, onder de werking van de strafbepaling valt.

Achtergrond

Eind juni 2014 is door ISIS het door haar verklaarde islamitische kalifaat uitgeroepen.

Dit zorgde voor het afreizen van een grote groep moslims naar Syrië (en Irak), ook vanuit Nederland. In november 2017 stelt de AIVD dat sinds 2012 minstens 80 vrouwen zijn

uitgereisd en dat het merendeel van hen zich bij de Islamitische Staat zou hebben aangesloten.1

Tot 2016 kregen de vrouwen dezelfde behandeling na aankomst in Syrië (en Irak). Ze kwamen in een vrouwenhuis van ISIS terecht totdat ze een huwelijkskandidaat hadden gevonden of totdat hun echtgenoot voldoende was getraind.2 In het begin vond het leven van de vrouwen veelal binnenshuis plaats, wat geleidelijk aan veranderde. Het jihadistische netwerk van de vrouwen werd vergroot. De zorg voor de strijdende man was een belangrijk aspect van het bestaan van de vrouwen in het kalifaat. Daarnaast moesten kinderen via de ISIS-doctrine worden opgevoed en moest online propaganda voor ISIS worden gevoerd. Sommige vrouwen namen ook deel aan de vrouwelijke politie van ISIS, droegen wapens of zelfmoordgordels en kregen wapentraining.3 Tegen het einde van het zelfverklaarde kalifaat waren er ook vrouwen die meevochten.4

Met de herovering van het laatste ISIS bolwerk Baghuz op 23 maart 2019, is het zelfverklaarde kalifaat gevallen. Na de val van het kalifaat werden vrouwen en kinderen naar kampen in handen van de Koerden in het noordoosten van Syrië gebracht, waaronder de kampen Al Hol en Al Roj. De mannen zijn gevangen genomen. [naam deskundige 1] zegt over de vrouwen die in de kampen Al Hol en Al Roj zijn terechtgekomen dat zij allemaal daarvóór in het kalifaat hebben verbleven.5

In de Koerdische kampen was ISIS nog altijd actief. Uit diverse interviews met ISISvrouwen gehouden voor en na de val van Baghuz en (enige tijd) na aankomst van de vrouwen in het Al Hol kamp blijkt dat zij (naar buiten) verschillende houdingen aannemen ten aanzien van ISIS.

[naam deskundige 2] zegt hierover dat een deel van de vrouwen nog steeds loyaal is aan ISIS en zich in woord en houding nadrukkelijk schaart achter het gedachtengoed en doelstellingen van de organisatie en hoopt op een terugkeer van het kalifaat. Een ander deel geeft aan graag terug te willen naar hun land van herkomst.6

Hoewel het kalifaat niet meer bestaat, is ISIS volgens de AIVD alles behalve definitief verslagen. ISIS ‘heeft zich omgevormd tot een voor hen vertrouwde ondergrondse beweging. Ze bereiden zich voor op een wederopstanding in een poging de droom van het kalifaat opnieuw te verwezenlijken.’7

[naam deskundige 2] schrijft dat gebleken is dat IS-ers zich langzaamaan vestigen in (de regio) Idlib en dat daar weer een ISIS-bolwerk ontstaat. Hooggeplaatste leden van IS hebben zich in Idlib gevestigd. De hoogste leider van IS bevond zich ook in de Idlib regio ten tijde van zijn dood. ISIS beschikt in Idlib over middelen en faciliteiten.8

Feiten

De verdachte heeft in de periode van januari 2018 tot medio juni 2020 geld ingezameld ten behoeve van vrouwen en kinderen in de Koerdische kampen. Hij is in de zomer van 2018 begonnen met het financieel steunen van [naam medeverdachte 1] en haar kinderen. [naam medeverdachte 1] en haar kinderen bevonden zich op dat moment nog in ISISgebied.

De financiële steun zag in eerste instantie op de eerste basisbehoeften zoals levensmiddelen en later – in 2019 – op de ontsnapping van [naam medeverdachte 1] en haar kinderen uit Baghuz en eenmaal in kamp Al Hol op de eerste levensbehoeften daar. In kamp Al Hol verbleven meer Nederlandse vrouwen.

Na een optreden in de media werd de verdachte vanaf april/mei 2019 benaderd door familieleden van uitgereisde vrouwen met de vraag of zij via de verdachte geld konden versturen naar hun dochters in de kampen.

Vanaf februari 2020 is de verdachte de ontsnappingen van de vrouwen uit de kampen gaan coördineren. Het ging om zowel Nederlandse, als buitenlandse vrouwen. De verdachte zamelde geld in bij familieleden en vrienden van de uitgereisde vrouwen. Ook stuurde hij aan eigen contacten verzoeken om donaties. Het ingezamelde geld werd buiten het reguliere financiële systeem om via geldtransfers verstuurd door middel van hawala’s waarna het terecht kwam bij de vrouwen in de kampen of bij personen die betrokken waren bij de ontsnappingen van de vrouwen en kinderen uit de kampen. Naast het inzamelen van geld bepaalde de verdachte welke vrouwen moesten worden opgehaald, coördineerde hij de ontsnappingen met verschillende tussenpersonen in en om de kampen en regelde hij verblijflocaties voor de vrouwen na de ontsnapping.

De in de tenlastelegging genoemde vrouwen zijn na het uitroepen van het kalifaat in juni 2014 – of kort daarvoor – uit ideologische overwegingen naar Syrië gereisd.

Ze zijn gehuwd (geweest) met (meerdere) ISIS-strijders en woonden in door ISIS gecontroleerd gebied. [naam medeverdachte 1] was gehuwd met [naam medeverdachte 2] , die in 2019 zou zijn omgekomen in het strijdgebied. [naam medeverdachte 3] was gehuwd met [naam medeverdachte 4] , een bekend lid van ISIS. [naam medeverdachte 5] was gehuwd met [naam medeverdachte 6] , een hooggeplaatst lid van ISIS die wordt verdacht van diverse aanslagen. [naam medeverdachte 7] was gehuwd met [naam medeverdachte 8] , veroordeeld voor deelname aan een terroristische organisatie.

Alle vrouwen – op [naam medeverdachte 7] , [naam medeverdachte 9] en [naam medeverdachte 10] na – zijn tot de val van ISIS in het laatste ISIS-bolwerk in Baghuz gebleven. Daarna zijn zij (onvrijwillig) in de Koerdische kampen

Al Hol of Al Roj in Noord-Syrië terecht gekomen terwijl hun mannen gevangen zijn gezet.

Een groot deel van de vrouwen is in 2016 of 2017 geplaatst op de Nationale Sanctielijst Terrorisme.

Zeven vrouwen zijn teruggekeerd naar Nederland. Vier van hen ( [naam medeverdachte 11] [naam medeverdachte 12] , [naam medeverdachte 13] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 14] ) zijn inmiddels onherroepelijk veroordeeld ter zake van de artikelen 140a en 96 lid 2 Sr. De andere drie ( [naam medeverdachte 7] , [naam medeverdachte 10] en [naam medeverdachte 9] ) worden voor die feiten vervolgd. De twee Finse vrouwen [naam medeverdachte 15] en [naam medeverdachte 3] zijn teruggekeerd naar Finland. Tegen de overige vrouwen9 is een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Vermoedelijk bevindt een deel van hen zich in Idlib.

Wetenschap verdachte

De verdachte was op de hoogte van de ontwikkelingen in Syrië en had zich verdiept in het ISIS-gedachtengoed. Hij hielp voornamelijk vrouwen met ISIS-affiliatie: alle vrouwen zijn uitgereisd met het doel zich bij ISIS te voegen, wat zij ook hebben gedaan. De verdachte wist dat bijna alle vrouwen tot het einde in het kalifaat hadden doorgebracht en vanuit Baghuz in de Koerdische gevangenkampen terecht waren gekomen omdat zij bij ISIS hoorden. Uit het dossier blijkt niet dat de vrouwen in de tussenliggende periode niet hebben kunnen vluchten. Ook blijkt uit niets dat zij het ISIS-gebied wilden verlaten en daartoe pogingen hebben ondernomen. Zij zijn uit vrije wil in het kalifaat gebleven. De verdachte kende de echtgenoten van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 7] met wie hij contact onderhield en van wie hij wist dat zij ISISstrijders waren. Ook had de verdachte kennis van de Nationale Sanctielijst terrorisme waarop personen staan die betrokken zijn bij terroristische activiteiten waardoor hij wist welke vrouwen daarop vermeld stonden. Hij wist dat het versturen van geld naar personen die op de lijst staan strafbaar was.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat de verdachte wist dat de betrokken vrouwen lid waren van of verbonden waren met ISIS. Uit niets blijkt dat hij onderzocht heeft of de vrouwen niet meer waren verbonden met en/of afstand hadden genomen van ISIS.

Door onder die omstandigheden die vrouwen financieel te ondersteunen heeft de verdachte minst genomen het risico genomen dat het geld terecht kwam bij vrouwen die geen afstand hadden genomen van ISIS en dus (nog) deel uitmaakten van een terroristische organisatie en daarmee dat het geld terecht is gekomen bij ISIS en gebruikt is voor terroristische gedragingen/handelingen.

5.2.3.

Conclusie

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gehandeld zodat ook het ten laste gelegde medeplegen bewezen kan worden verklaard.

5.3.

Bewijswaardering feit 3

5.3.1.

Standpunt verdediging

De Sanctieregeling 2007-II moet onverbindend geacht worden omdat deze niet in overeenstemming is met EU-recht. De verdediging heeft ter onderbouwing een opinie van de Europese Commissie overgelegd waarin de Commissie concludeert dat unilaterale nationale bevriezingsmaatregelen om doelen van Buitenlandsbeleid en Veiligheidsbeleid te dienen, niet in overeenstemming zijn met EU-recht. De opinie van de Commissie heeft betrekking op nationale maatregelen om de doelen als omschreven in artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (hierna: VwEU) te realiseren.

De verdachte moet voorts worden vrijgesproken van het verrichten van financiële diensten omdat zijn handelingen geen bedrijfsmatig karakter in de zin van artikel 4 Richtlijn 2015/2366 hadden.

5.3.2.

Beoordeling

De Sanctieregeling 2007-II

Deze regeling is onder meer gebaseerd op het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 (2001/930/GBVB) inzake terrorismebestrijding. In artikel 2 van dit Gemeenschappelijke Standpunt staat dat alle tegoeden en andere financiële of economische middelen van personen die terroristische daden plegen of pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken, worden bevroren. Daarnaast is de regeling gebaseerd op VN Resolutie 1373, waarin onder andere staat dat alle staten moeten overgaan tot het bevriezen van tegoeden en andere financiële of economische middelen van personen die terroristische daden plegen, pogen te plegen dan wel daaraan deelnemen of de uitvoering ervan vergemakkelijken.

De personen en organisaties jegens wie de sancties op grond van de Sanctieregeling 2007-II van toepassing zijn, worden door middel van een afzonderlijk besluit aangewezen. Dit gebeurt wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat betrokkenen gerekend kunnen worden tot de kring van personen en organisaties, bedoeld in Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van 28 september 2001 of Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 (2001/930/GBVB) inzake terrorismebestrijding. Het primaire doel van de plaatsing van personen op de nationale sanctielijst is het bestrijden van terrorisme.

Artikel 215 VwEU heeft betrekking op besluiten tot het verbreken of geheel of gedeeltelijk beperken van economische en financiële betrekkingen met derde landen of personen of organisaties. Wanneer een dergelijk besluit is genomen dient de Raad maatregelen daarvoor vast te stellen. In het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/930/GBVB heeft de Raad in artikel 2 dergelijke maatregelen vastgesteld. De Sanctieregeling 2007-II geeft hier uitvoering aan. Er is dan ook geen sprake van eenzijdige nationale maatregelen die onverenigbaar zouden zijn met het Unierecht, zodat er geen aanleiding is de Sanctieregeling 2007-II buiten toepassing te laten

Financiële diensten

De verdachte heeft gelden ingezameld en deze met gebruikmaking van een hawala netwerk naar het buitenland verstuurd. De werkzaamheden van deze hawala-kantoren kunnen worden aangemerkt als bedrijfswerkzaamheden als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten (richtlijn 2007/64/EG), waarbij de verdachte van deze diensten gebruik maakte. Hij heeft deze betaaldiensten niet zelf verricht. Dat gedeelte van de tenlastelegging kan dan ook niet bewezen worden verklaard.

5.3.3.

Conclusie

De Sanctieregeling 2007-II kan worden toegepast. Het verweer wordt verworpen.

5.3.

Bewijswaardering feiten 5 en 6

5.3.1.

Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – op de ten laste gelegde feiten.

5.3.2.

Beoordeling

De verdachte had een administratiekantoor. Hij maakte gebruik van boekhoudsoftware van Exact Online om de administratie van klanten te verwerken. Op 14 april 2020 heeft de verdachte over de telefoon een gesprek met een klant, voor wie hij de administratie verzorgt, over de af te dragen BTW. De klant zegt tegen de verdachte dat hij met iemand gesproken heeft over spookfacturen. De klant wil deze facturen gebruiken om de BTW afdracht te verlagen. De verdachte zegt hem dat hij met een aantal dingen rekening moet houden als hij een dergelijke factuur wil gebruiken en dat het hem allemaal niet uit maakt, als hij de facturen maar op tijd krijgt om aangifte te kunnen doen.

Bij Exact Online is de administratie van het bedrijf van de klant opgevraagd. Hieruit blijkt dat op 27 april 2020 om 17.06 uur een factuur van [naam bedrijf 1] is ingeboekt met mutatiedatum 31 januari 2020, boekingsstuknummer 202001002 en transactienummer 20600180. De factuur heeft betrekking op administratie Q1-2020 voor de periode januari-maart 2020. In de factuur is een bedrag van € 1260,00 aan omzetbelasting opgenomen.

Deze factuur is onder meer verwerkt in de grootboekrekening “Te vorderen BTW”.

Ook is op diezelfde dag in de administratie een kasopname verwerkt met als mutatiedatum 17 maart 2020 en boekingsstuknummer 202001002. De kasopname is afgeboekt op de factuur van [naam bedrijf 1] . De factuur is in het systeem van Exact Online geüpload vanaf het gebruikersadres van de verdachte.

Op 27 april 2020 om 17:14 uur is de aangifte omzetbelasting van de klant over het eerste kwartaal 2020 door de Belastingdienst ontvangen. De aangifte is vanuit software van Exact Online gedaan en om 17.09 uur opgemaakt. Bij “contactpersoon” staat de naam en het telefoonnummer van de verdachte.

Uit onderzoek blijkt dat het bedrijf [naam bedrijf 1] niet bestaat. De laptop van de klant is onderzocht en daarop is de factuur van [naam bedrijf 1] aangetroffen.

De factuur van [naam bedrijf 1] die in de administratie van de klant is aangetroffen is vals. Het bedrijf bestaat niet en de klant heeft verklaard dat dit een proeffactuur was die per abuis door de verdachte in de administratie zou zijn opgenomen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de verdachte samen met de klant deze factuur heeft gemaakt. Hij heeft de klant wel aanwijzingen gegeven hoe hij hiermee om moest gaan in relatie tot het bedrag, de kas en de tegoeden op zijn bankrekening, maar dat is onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte moet van het ten laste gelegde onder feit 5 primair worden vrijgesproken.

Dat geldt niet voor het onder 5 subsidiair ten laste gelegde. De verdachte wist dat de klant gebruik wilde maken van spookfacturen om de af te dragen omzetbelasting te verlagen. Hij heeft hem hier ook de gelegenheid voor gegeven door te zeggen dat het hem niet uitmaakte. Uit het feit dat de factuur van [naam bedrijf 1] 3 minuten vóór het opmaken van de aangifte omzetbelasting is geüpload en de factuur toen geboekt is op de grootboekrekening “Te Vorderen BTW” volgt dat verdachte deze handelingen verricht moet hebben. Onduidelijk is of de verdachte de factuur gecontroleerd heeft. Van de verdachte mag dat als boekhouder wel worden verwacht. Bij een controle zou hij gezien hebben dat de factuur betrekking had op een administratie. Dit is opmerkelijk aangezien de verdachte de administratie voor het bedrijf verzorgde. De verdachte had moeten zien dat de factuur niet deugde.

Door het niet of onvoldoende controleren van de factuur heeft de verdachte het risico genomen dat de klant inderdaad valse facturen zou gebruiken. Hij moest daarmee rekening houden omdat de klant dit op 14 april had gezegd en de verdachte hem daar niet van heeft weerhouden. Door die factuur vervolgens in de administratie op te nemen heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij door het opnemen van een valse factuur de administratie valselijk zou opmaken.

Door de door de klant aangeleverde valse factuur in de administratie op te nemen en vanuit die administratie aangifte omzetbelasting te doen, zonder de factuur (voldoende) te controleren heeft de verdachte ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een onjuiste aangifte deed en dat als gevolg daarvan een te laag bedrag aan af te dragen omzetbelasting werd geheven.

5.3.3.

Conclusie

Het onder 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

5.4.

Bewezenverklaring

In bijlage IV heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

in de periode van 1 januari 2018 tot en met 23 juni 2020,

te Rotterdam, Capelle aan den IJssel, Vlaardingen en Turkije en Syrië en Irak,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen anderen, te weten:

- [naam medeverdachte 7] ,

- [naam medeverdachte 10] ,

- [naam medeverdachte 9] ,

- [naam medeverdachte 16] ,

- [naam medeverdachte 17] ,

- [naam medeverdachte 18] ,

- [naam medeverdachte 19] ,

- [naam medeverdachte 20] ,

- [naam medeverdachte 21] ,

- [naam medeverdachte 12] ,

- [naam medeverdachte 22] ,

- [naam medeverdachte 23] ,

- [naam medeverdachte 24] ,

- [naam medeverdachte 5] ,

- [naam medeverdachte 25] ,

- [naam medeverdachte 1] ,

- [naam medeverdachte 15] ,

- [naam medeverdachte 26] ,

- [naam medeverdachte 14] ,

- [naam medeverdachte 13] ,

- [naam medeverdachte 27] ,

- [naam medeverdachte 28] ,

- [naam medeverdachte 29] ,

- [naam medeverdachte 3] , en

- ( tussen)personen

opzettelijk middelen heeft verschaft, en opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en aan voornoemde anderen heeft verschaft, te weten:

- ( een gedeelte van) 4.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 7] , [naam medeverdachte 10] en/of [naam medeverdachte 9] ),

- ( een gedeelte van) 2.500,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 13] en/of [naam medeverdachte 14] ),

- ( een gedeelte van) 20.500,00 EURO

( [naam medeverdachte 16] , ),

- ( een gedeelte van) 20.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 28] , [naam medeverdachte 16] , [naam medeverdachte 13] , [naam medeverdachte 23] , [naam medeverdachte 21] , [naam medeverdachte 17] , [naam medeverdachte 26] , [naam medeverdachte 22] ,

[naam medeverdachte 19] , [naam medeverdachte 27] , [naam medeverdachte 20] , [naam medeverdachte 25] , [naam medeverdachte 24] , [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 29] , ),

- ( een gedeelte van) 7.500,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 18] , ),

- ( een gedeelte van) 5.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 21] ),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 21] , ),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 12] , ),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 23] , ),

- ( een gedeelte van) 11.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 5] ),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 1] , ),

- ( een gedeelte van) 8.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 1] , ),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 1] , ),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 EURO of US Dollar

( [naam medeverdachte 15] , AMB-120, ),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 26] , ), en/of

- ( een gedeelte van) 12.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 3] , )

die geheel en/of gedeeltelijk, onmiddellijk en/of middellijk dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 en/of artikel 83b van het Wetboek van Strafrecht en/of aan het plegen van een misdrijf omschreven in artikel 421 lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht;

2.

hij

in de periode van 1 januari 2018 tot en met 23 juni 2020,

te Rotterdam, Capelle aan den IJssel, Vlaardingen en Turkije en Syrië en Irak,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977

vastgestelde verbod van artikel 2 van de Sanctieregeling ISIS en AL-Qaida 2016 jo. artikel 2, tweede lid van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van

27 mei 2002 heeft gehandeld door aan of ten behoeve van /ISI/Islamic State in Iraq and the Levantzijnde een groep of entiteit als bedoeld in artikel 2 lid 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002,

indirect tegoeden ter beschikking te stellen, te weten:

- ( een gedeelte van) 4.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 7] , [naam medeverdachte 10] en/of [naam medeverdachte 9] ),

- ( een gedeelte van) 2.500,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 13] en/of [naam medeverdachte 14] ),

- ( een gedeelte van) 20.500,00 EURO

(V-017-02, [naam medeverdachte 16] ),

- ( een gedeelte van) 20.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 28] , [naam medeverdachte 16] , [naam medeverdachte 13] , [naam medeverdachte 23] , [naam medeverdachte 21] , [naam medeverdachte 17] , [naam medeverdachte 26] , [naam medeverdachte 22] , [naam medeverdachte 19] , [naam medeverdachte 27] , [naam medeverdachte 20] ,

[naam medeverdachte 25] , [naam medeverdachte 24] , [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 29] ),

- ( een gedeelte van) 7.500,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 18] ),

- ( een gedeelte van) 5.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 21] ),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 21] ),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 12] ),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 23] ),

- ( een gedeelte van) 11.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 5] ),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 1] ),

- ( een gedeelte van) 8.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 1] ),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 1] ),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 EURO of US Dollar

(, , [naam medeverdachte 15] ),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar

(, [naam medeverdachte 26] ), en/of

- ( een gedeelte van) 12.000,00 US Dollar

( [naam medeverdachte 3] )

;

3.

hij

in de periode van 1 januari 2018 tot en met 23 juni 2020,

te Rotterdam, Capelle aan den IJssel, Vlaardingen en Turkije en Syrië en Irak,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977

vastgestelde verbod van artikel 2, vierde lid, van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II jo.

Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties

middellijk middelen, te weten:

- ( een gedeelte van) 4.000,00 US Dollar ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 7] , [naam medeverdachte 10] en/of [naam medeverdachte 9] ,

- ( een gedeelte van) 20.500,00 EURO ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 16] (),

- ( een gedeelte van) 20.000,00 US Dollar ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 16] , [naam medeverdachte 23] , [naam medeverdachte 21] , [naam medeverdachte 17] , [naam medeverdachte 22] , [naam medeverdachte 19] , [naam medeverdachte 20] , [naam medeverdachte 25] , [naam medeverdachte 24] en/of [naam medeverdachte 5] (),

- ( een gedeelte van) 7.500,00 US Dollar ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 18] (),

- ( een gedeelte van) 5.000,00 US Dollar ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 21] (),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 21] (),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 12] (),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 US Dollar ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 23] (),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 1] ()

terwijl

- [naam medeverdachte 7] bij besluit van 25 april 2017,

- [naam medeverdachte 10] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 9] bij besluit van 2 november 2017,

- [naam medeverdachte 16] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 17] bij besluit van 24 maart 2017,

- [naam medeverdachte 18] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 19] bij besluit van 25 april 2017,

- [naam medeverdachte 20] bij besluit van 20 juli 2017,

- [naam medeverdachte 21] bij besluit van 24 februari 2017,

- [naam medeverdachte 12] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 22] bij besluit van 25 april 2017,

- [naam medeverdachte 23] bij besluit van 24 maart 2017,

- [naam medeverdachte 24] bij besluit van 24 maart 2017,

- [naam medeverdachte 25] bij besluit van 7 december 2016

- [naam medeverdachte 1] bij besluit van 5 maart 2020

door de Minister van Buitenlandse Zaken en in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Financiën zijn aangewezen als personen jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is;

5. subsidiair.

hij,

in de periode van 31 januari 2020 tot en met 27 april 2020,

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

geschriften (bedrijfsadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt ,

immers heeft hij, verdachte in de bedrijfsadministratie van eenmanszaak [naam bedrijf 2] , zijnde een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen,

een valse factuur, te weten

- een factuur ten name van [naam bedrijf 1] gericht aan [naam bedrijf 2] ,

opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt,

bestaande die valsheid hierin -zakelijk weergegeven- dat valselijk in strijd met de waarheid opdie factuur was vermeld

dat [naam bedrijf 1] een bedrag van 7.260,00 euro heeft gefactureerd aan eenmanszaak [naam bedrijf 2] endat [naam bedrijf 1] (administratieve en/of adviserings)werkzaamheden heeft verricht vooreenmanszaak [naam bedrijf 2] ,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

6.

hij

in de periode van 1 januari 2020 tot en met

27 april 2020,

in Nederland,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een digitale/elektronischekwartaalaangifte voor de omzetbelasting ten

name van eenmanszaak [naam eenmanszaak] (BSN: [BSN-nummer] ) betreffende een aangiftetijdvak gelegen in de periode januari 2020 tot en met maart 2020, te weten 1e kwartaal 2020 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te ‘s-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde digitale/elektronischekwartaalaangifte voor de omzetbelasting een te laag bedrag aan omzetbelasting over genoemde periode en een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven , terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feiten

6.1.

Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe is een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand gedaan.

De verdachte werd geconfronteerd met vrouwen en kinderen die zich in zeer erbarmelijke omstandigheden bevonden en zag zich genoodzaakt om hen humanitaire hulp te bieden. Dit maakt dat de door de verdachte verrichte handelingen niet strafbaar zijn.

6.2.

Beoordeling

Overmacht in de zin van noodtoestand heeft betrekking op gevallen waarin sprake is van een ernstig belangenconflict waarin het maken van een keuze onvermijdelijk is. De verdachte moet daarbij zijn genoodzaakt te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen en de zwaarstwegende hebben laten prevaleren.

Bij de beoordeling van een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijke rol: stond het belang dat door het handelen van de verdachte wordt beschermd wel in redelijke verhouding tot het belang dat door de wetsovertreding wordt geschaad (proportionaliteit) en stond er niet een minder ingrijpende weg voor de verdachte open om een bepaald belang te beschermen, zonder de wet te overtreden (subsidiariteit).

Uit de verklaring van verdachte valt niet op te maken dat hij bij zijn keuze het belang dat de strafbepalingen dienen heeft betrokken. Van belang voor de beoordeling van de proportionaliteit is de beslissing op 22 november 2019 van de rechter in hoger beroep10 (later bevestigd door de Hoge Raad11) dat er voor de Nederlandse overheid geen plicht bestond vrouwen uit kampen in Syrië terug te halen, onder meer gelet op de nationale veiligheid in Nederland en de Schengen-landen, die in gevaar zou komen wanneer de uitgereisde vrouwen naar Nederland zouden terugkeren. Het belang van de strafbepalingen met betrekking tot het financieren van terrorisme leggen, mede gezien deze uitspraak, meer gewicht in de schaal dan (het financieren van) de terugkeer van deze vrouwen of het lenigen van hun nood aangezien in de kampen internationale hulporganisaties actief waren. Het handelen van verdachte was aldus niet proportioneel. Ook had de verdachte geld kunnen inzamelen ten behoeve van humanitaire organisaties die in de kampen actief waren.

Het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand wordt verworpen.

6.3.

Conclusie en kwalificatie

De feiten zijn strafbaar.

De bewezen feiten leveren op:

De eendaadse samenloop van:

1.

medeplegen van financieren van terrorisme, meermalen gepleegd;

en

2.

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens art. 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

en

3.

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens art. 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

5. subsidiair

medeplegen van valsheid in geschrift;

6.

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

7. Strafbaarheid verdachte

7.1.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft gehandeld uit psychische overmacht en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft gehandeld in een situatie van actuele en concrete nood waar hij geen weerstand aan kon bieden, te weten de erbarmelijke omstandigheden in de kampen waar een aantal vrouwen en kinderen zich bevonden.

De verdachte heeft daarmee voldaan aan de criteria voor het inroepen van de zogenaamde humanitaire exceptie zoals besproken in een arrest van de Hoge Raad van 16 mei 2017 wat – kort gezegd – inhoudt dat handelen op humanitaire gronden onder omstandigheden op grond van een algemene strafuitsluitingsgrond in de weg kan staan aan de strafbaarheid van het feit of de dader.

7.2.

Beoordeling

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een zodanige druk.

Het handelen van de verdachte levert, mede gelet op de ernst van de feiten, geen situatie van psychische overmacht op. Het financieren van terrorisme is strafbaar en de verdachte mocht in de gegeven omstandigheden geen prioriteit geven aan zijn wens de vrouwen en kinderen financieel te ondersteunen.

Het handelen van de verdachte voldeed bovendien niet aan het grondbeginsel van onpartijdigheid van humanitaire hulp zoals dat door de EU is onderschreven.12 Onpartijdigheid wil zeggen dat de humanitaire hulp enkel mag worden verleend op basis van de behoefte, zonder discriminatie tussen of binnen de getroffen bevolkingsgroepen. Daarvan is geen sprake nu de verdachte vrijwel uitsluitend Nederlandse ISIS-vrouwen heeft geholpen. Bovendien bestaat humanitaire hulp in de regel niet uit het verstrekken van financiële middelen, maar uit het verstrekken van goederen, voedsel en (medische) zorg.

Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

7.3.

Conclusie

De verdachte is strafbaar

8. Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft gedurende ruim twee jaar op grote schaal, buiten het formele geldcircuit om, geld ter beschikking gesteld ten behoeve van vrouwen en hun kinderen die zich in de kampen Al Hol of Al Roj in Syrië bevonden. In eerste instantie voor voedsel en goederen, later ten behoeve van ‘ontsnappingen’ van vrouwen en hun kinderen uit de kampen.

De verdachte had daarbij een sturende en essentiële rol: hij gaf opdrachten welke vrouwen moesten worden opgehaald, organiseerde de smokkel en regelde verblijflocaties. Het ging om voornamelijk Nederlandse vrouwen, die eerder waren uitgereisd naar Syrië, daar langere tijd hebben verbleven en aldaar gehuwd zijn (geweest) met ISIS-strijders/medewerkers.

Hij had ook rechtstreeks contact met deze vrouwen.

De verdachte heeft zich er niet van vergewist of de betreffende vrouwen geen lid meer waren/niet meer waren verbonden met/afstand hadden genomen van ISIS. Een deel van hen is nog altijd niet teruggekeerd naar Nederland en heeft zich vermoedelijk in door ISIS gecontroleerde gebieden gevestigd.

De verdachte heeft door zijn handelen minst genomen het risico genomen dat het geld op indirecte wijze terecht is gekomen bij ISIS en gebruikt is voor terroristische gedragingen/handelingen. Dergelijke terroristische groeperingen hebben geld nodig voor het verrichten van terroristische activiteiten, maar ook voor andere zaken als het beïnvloeden van de media, het verkrijgen van politieke invloed, het uitvoeren van sociale programma’s en het rekruteren van aanhangers.

Een deel van die vrouwen stond op de Nationale Sanctielijst, maar ook ISIS is geplaatst op een sanctielijst. De verdachte was zich hiervan bewust, heeft zelfs juridisch advies ingewonnen, maar heeft er desondanks voor gekozen deze regelgeving naast zich neer te leggen. De rechtbank neemt hem dat kwalijk omdat die regelgeving zowel nationaal als internationaal gezien van groot belang is. Het doel ervan is te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid, alsmede de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen.

Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander een valse aangifte omzetbelasting gedaan en een administratie vervalst door daar een valse factuur in op te nemen.

8.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Alles overziend kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op:

- de ernst van de feiten;

- de rapporten van de Reclassering Nederland van 8 december 2020 en 29 juni 2022;

- het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in Nederland eerder ter zake van terroristische feiten is veroordeeld.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop van deze procedure, waarbij de redelijke termijn is overschreden. Gezien de korte overschrijding zal de rechtbank volstaan met deze constatering.

De rechtbank komt tot een veel lagere straf dan de eis van de officier van justitie. In de eerste plaats omdat de verdachte wordt vrijgesproken van deelneming aan een terroristische organisatie. Daarnaast biedt het dossier onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat de verdachte door zijn handelen opzettelijk ISIS heeft willen steunen.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9. In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aan de rechtbank een beslaglijst (Bijlage V) overgelegd met daarop de volgende goederen:

1. een laptop, merk HP;

2. een laptop, merk Dell;

3. een mobiele telefoon, merk I-phone X;

4. een mobiele telefoon, merk Samsung.

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren.

Daarnaast heeft de officier van justitie buiten de beslaglijst een drietal in beslag genomen geldbedragen aan de rechtbank voorgelegd te weten € 6.150, € 950 en € 500.

De bedragen zijn in de woning van mevrouw [naam medeverdachte 30] in beslag genomen. Zij verklaarde dat de geldbedragen aan de verdachte toebehoren.

De bedragen van € 6.150 en € 500 zijn aangetroffen in witte enveloppen waarvan één met opschrift en het bedrag van € 950 zat in een heuptasje.

De officier van justitie heeft gevorderd tevens de in beslag genomen geldbedragen verbeurd te verklaren.

9.2.

Standpunt verdediging

Alle inbeslaggenomen goederen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

9.3.

Beoordeling

De in beslag genomen geldbedragen van € 6.150 en € 500 zullen worden verbeurd verklaard.

De bedragen behoren aan de verdachte toe en zijn door middel van het strafbare feit onder 1 verkregen. De verdachte heeft over het bedrag van € 500 verklaard dat hij dit geld had ontvangen van enkele ouders om door te sturen naar een persoon in Al Hol. Het bedrag van € 6.150 is in hetzelfde nachtkastje, ook in een witte envelop aangetroffen. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij meerdere geldbedragen ontving in het kader van zijn activiteiten. Gelet op deze omstandigheden, acht de rechtbank het aannemelijk dat de verdachte ook dit bedrag door middel van het strafbare feit heeft verkregen.

Ten aanzien van de in beslag genomen telefoons en laptops en het geldbedrag van € 950 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

10 .Voorlopige hechtenis

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie om opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af. De verdachte heeft in totaal 389 dagen in detentie doorgebracht voordat de voorlopige hechtenis werd geschorst. In de hierop volgende periode (van 412 dagen) is de verdachte niet in aanraking geweest met justitie, zodat het recidivegevaar met de huidige voorwaarden voldoende lijkt te zijn ingeperkt. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dit in de periode na dit eindvonnis anders zal zijn, mede gezien de resterende detentieperiode van – indien de verdachte in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidsstelling – ongeveer zeven maanden. Het risico op recidive is dus voldoende ingeperkt, zodat de schorsing kan voortduren onder de huidige voorwaarden, met uitzondering van de niet langer toepasselijke voorwaarden 6 en 8.

11 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

- 33, 33 a, 47, 55, 57, 421 en 225 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 3 van de Sanctiewet 1977;

- 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten

- 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

11 .Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 83/058827-22 ten laste gelegde feit (in het vonnis aangeduid als feit 4) en het onder parketnummer 83/058851-22 feit 1 primair (in het vonnis aangeduid als feit 5 primair) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 83/165263-20 en 83/058851-22 ten laste gelegde feiten (in het vonnis aangeduid als feiten 1, 2, 3, 5 subsidiair en 6), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1: € 6.150 en € 500;

- gelast de teruggave aan verdachte van:

- € 950,

- laptop, merk HP,

- laptop, merk Dell,

- mobiele telefoon, merk I-phone X,

- mobiele telefoon, merk Samsung.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter,

en mrs. D.C.J. Peeck en D.F. Smulders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 31 augustus 2022.

Bijlage I

Tekst (nader omschreven) tenlastelegging

Parketnummer 83/165263-20

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 23 juni 2020,

te Rotterdam, Capelle aan den IJssel, Vlaardingen en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, zich en/of een of meer anderen, te weten:

- [naam medeverdachte 7] ,

- [naam medeverdachte 10] ,

- [naam medeverdachte 9] ,

- [naam medeverdachte 16] ,

- [naam medeverdachte 17] ,

- [naam medeverdachte 18] ,

- [naam medeverdachte 19] ,

- [naam medeverdachte 20] ,

- [naam medeverdachte 21] ,

- [naam medeverdachte 12] ,

- [naam medeverdachte 22] ,

- [naam medeverdachte 23] ,

- [naam medeverdachte 24] ,

- [naam medeverdachte 5] ,

- [naam medeverdachte 31] ,

- [naam medeverdachte 25] ,

- [naam medeverdachte 1] ,

- [naam medeverdachte 15] ,

- [naam medeverdachte 26] ,

- [naam medeverdachte 14] ,

- [naam medeverdachte 13] ,

- [naam medeverdachte 27] ,

- [naam medeverdachte 28] ,

- [naam medeverdachte 29] ,

- [naam medeverdachte 3] , en/of

- één of meer andere (tussen)personen

opzettelijk middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, en/of opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of aan een/voornoemde ander(en) heeft verschaft, te weten:

- ( een gedeelte van) 4.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 7] , [naam medeverdachte 10] en/of [naam medeverdachte 9] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 2.500,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 13] en/of [naam medeverdachte 14] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 20.500,00 EURO, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 16] , V-017-02, DOC-103),

- ( een gedeelte van) 20.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 28] , [naam medeverdachte 16] , [naam medeverdachte 13] , [naam medeverdachte 23] , [naam medeverdachte 21] , [naam medeverdachte 17] , [naam medeverdachte 26] , [naam medeverdachte 22] ,

[naam medeverdachte 19] , [naam medeverdachte 27] , [naam medeverdachte 20] , [naam medeverdachte 31] , [naam medeverdachte 25] , [naam medeverdachte 24] , [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 29] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 7.500,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 18] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 5.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 21] DOC-103),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 21] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 12] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 23] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 11.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 5] DOC-103),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 1] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 8.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 1] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 1] , DOC-103),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 EURO of US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 15] , AMB-120, DOC-103),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 26] , DOC-103), en/of

- ( een gedeelte van) 12.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

( [naam medeverdachte 3] , DOC-103)

althans een of meer geldbedragen,

die geheel en/of gedeeltelijk, onmiddellijk en/of middellijk dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 en/of artikel 83b van het Wetboek van Strafrecht en/of aan het plegen van een misdrijf omschreven in artikel 421 lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht;

2.

hij

in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 23 juni 2020,

te Rotterdam, Capelle aan den IJssel, Vlaardingen en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 van de Sanctieregeling ISIS en AL-Qaida 2016 jo. artikel 2, tweede lid van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 heeft gehandeld door aan of ten behoeve van Islamic State of Iraq/ISI/Islamic State in Iraq and the Levant en/of Al-Qaida/Al-Qaida in Iraq, dan wel een groep of entiteit die hieraan is gelieerd, zijnde een groep of entiteit als bedoeld in artikel 2 lid 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002, direct of indirect tegoeden ter beschikking te stellen, te weten:

- ( een gedeelte van) 4.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 7] , [naam medeverdachte 10] en/of [naam medeverdachte 9] ),

- ( een gedeelte van) 2.500,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 13] en/of [naam medeverdachte 14] ),

- ( een gedeelte van) 20.500,00 EURO, althans enig geldbedrag

(V-017-02, DOC-103, [naam medeverdachte 16] ),

- ( een gedeelte van) 20.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 28] , [naam medeverdachte 16] , [naam medeverdachte 13] , [naam medeverdachte 23] , [naam medeverdachte 21] , [naam medeverdachte 17] , [naam medeverdachte 26] , [naam medeverdachte 22] , [naam medeverdachte 19] , [naam medeverdachte 27] , [naam medeverdachte 20] ,

[naam medeverdachte 31] , [naam medeverdachte 25] , [naam medeverdachte 24] , [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 29] ),

- ( een gedeelte van) 7.500,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 18] ),

- ( een gedeelte van) 5.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 21] ),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 21] ),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 12] ),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 23] ),

- ( een gedeelte van) 11.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 5] ),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 1] ),

- ( een gedeelte van) 8.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 1] ),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 1] ),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 EURO of US Dollar, althans enig geldbedrag

(AMB-120, DOC-103, [naam medeverdachte 15] ),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 26] ), en/of

- ( een gedeelte van) 12.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag

(DOC-103, [naam medeverdachte 3] )

althans een of meer geldbedragen;

3.

hij

in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 23 juni 2020,

te Rotterdam, Capelle aan den IJssel, Vlaardingen en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal al dan niet opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2, derde lid, van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II jo. Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft gehandeld doordat hij en/of zijn mededader(s) financiële diensten, te weten één of meerdere betalingsdienst(en) (geldtransfer(s)) heeft/hebben verricht voor of ten behoeve van één of meerdere begunstigde(n), te weten:

- [naam medeverdachte 7] ,

- [naam medeverdachte 10] ,

- [naam medeverdachte 9] ,

- [naam medeverdachte 16] ,

- [naam medeverdachte 17] ,

- [naam medeverdachte 18] ,

- [naam medeverdachte 19] ,

- [naam medeverdachte 20] ,

- [naam medeverdachte 21] ,

- [naam medeverdachte 12] ,

- [naam medeverdachte 22] ,

- [naam medeverdachte 23] ,

- [naam medeverdachte 24] ,

- [naam medeverdachte 5] ,

- [naam medeverdachte 31] ,

- [naam medeverdachte 25] en/of

- [naam medeverdachte 1]

door van (één of meer) betaler(s) geldmiddelen te ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken aan die (genoemde) begunstigde(n) of aan een andere, voor rekening van die begunstigde(n) handelende betalingsdienstaanbieder

terwijl

- [naam medeverdachte 7] bij besluit van 25 april 2017,

- [naam medeverdachte 10] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 9] bij besluit van 2 november 2017,

- [naam medeverdachte 16] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 17] bij besluit van 24 maart 2017,

- [naam medeverdachte 18] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 19] bij besluit van 25 april 2017,

- [naam medeverdachte 20] bij besluit van 20 juli 2017,

- [naam medeverdachte 21] bij besluit van 24 februari 2017,

- [naam medeverdachte 12] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 22] bij besluit van 25 april 2017,

- [naam medeverdachte 23] bij besluit van 24 maart 2017,

- [naam medeverdachte 24] bij besluit van 24 maart 2017,

- [naam medeverdachte 5] bij besluit van 5 maart 2020,

- [naam medeverdachte 31] bij besluit van 24 februari 2017,

- [naam medeverdachte 25] bij besluit van 7 december 2016, en/of

- [naam medeverdachte 1] bij besluit van 5 maart 2020

door de Minister van Buitenlandse Zaken en in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën is/zijn aangewezen als personen

jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is;

en/of

in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 23 juni 2020,

te Rotterdam, Capelle aan den IJssel, Vlaardingen en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal al dan niet opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2, vierde lid, van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II jo. Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties rechtstreeks dan wel middellijk middelen, te weten:

- ( een gedeelte van) 4.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 7] , [naam medeverdachte 10] en/of [naam medeverdachte 9] (DOC-103),

- ( een gedeelte van) 20.500,00 EURO, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 16] (V-017-02, DOC-103),

- ( een gedeelte van) 20.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 16] , [naam medeverdachte 23] , [naam medeverdachte 21] , [naam medeverdachte 17] , [naam medeverdachte 22] , [naam medeverdachte 19] , [naam medeverdachte 20] , [naam medeverdachte 31] , [naam medeverdachte 25] , [naam medeverdachte 24] en/of [naam medeverdachte 5] (DOC-103),

- ( een gedeelte van) 7.500,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 18] (DOC-103),

- ( een gedeelte van) 5.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 21] (DOC-103),

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 21] (DOC-103),

- ( een gedeelte van) 2.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 12] (DOC-103),

- ( een gedeelte van) 13.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 23] (DOC-103),

- ( een gedeelte van) 11.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 5] (DOC-103),

- ( een gedeelte van) 8.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 1] (DOC-103), en/of

- ( een gedeelte van) 10.000,00 US Dollar, althans enig geldbedrag, ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 1] (DOC-103)

terwijl

- [naam medeverdachte 7] bij besluit van 25 april 2017,

- [naam medeverdachte 10] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 9] bij besluit van 2 november 2017,

- [naam medeverdachte 16] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 17] bij besluit van 24 maart 2017,

- [naam medeverdachte 18] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 19] bij besluit van 25 april 2017,

- [naam medeverdachte 20] bij besluit van 20 juli 2017,

- [naam medeverdachte 21] bij besluit van 24 februari 2017,

- [naam medeverdachte 12] bij besluit van 7 december 2016,

- [naam medeverdachte 22] bij besluit van 25 april 2017,

- [naam medeverdachte 23] bij besluit van 24 maart 2017,

- [naam medeverdachte 24] bij besluit van 24 maart 2017,

- [naam medeverdachte 5] bij besluit van 5 maart 2020,

- [naam medeverdachte 31] bij besluit van 24 februari 2017,

- [naam medeverdachte 25] bij besluit van 7 december 2016 en/of

- [naam medeverdachte 1] bij besluit van 5 maart 2020

door de Minister van Buitenlandse Zaken en in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Financiën is/zijn aangewezen als pers(o)on(en jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.

1 AIVD-publicatie, Jihadistische vrouwen, een niet te onderschatten dreiging, november 2017.

2 Kennisdocument Vrouwen van de Islamitische Staat, dr. J. Jolen, d.d. 13 april 2021 (DOC-147)

3 Kennisdocument Vrouwen van de Islamitische Staat na de Val van het kalifaat, dr. J. Jolen, d.d. 1 december 2020 (DOC-104)

4 DOC-104

5 DOC-164

6 DOC-147

7 AIVD-publicatie, De erfenis van Syrië Mondiaal jihadisme blijft dreiging voor Europa, november 2018

8 DOC-104

9 [naam medeverdachte 16] , [naam medeverdachte 17] , [naam medeverdachte 18] , [naam medeverdachte 19] , [naam medeverdachte 20] , [naam medeverdachte 21] , [naam medeverdachte 22] , [naam medeverdachte 23] , [naam medeverdachte 24] , [naam medeverdachte 5] , [naam medeverdachte 25] , [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 27] en [naam medeverdachte 28]

10 Gerechtshof Den Haag 22 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3208

11 Hoge Raad 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1148

12 Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Europese Commissie (2008/C 25/01), Europese consensus betreffende humanitaire hulp