Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7306

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-08-2022
Datum publicatie
12-09-2022
Zaaknummer
C/10/643072 / KG ZA 22-705
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding / afgifte kind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie

zaaknummer / rolnummer: C/10/643072 / KG ZA 22-705

Vonnis in kort geding van 19 augustus 2022

in de zaak van

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,

tegen

[naam man] ,

wonende te [woonplaats man] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. W.N. Sardjoe te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    het schriftelijke bericht van de vrouw van 17 augustus 2022;

  • -

    de eis in reconventie.

1.2.

De zaak is behandeld op 18 augustus 2022.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .

1.3.

Zoals ter zitting met partijen afgesproken, heeft de raad navraag gedaan over de huidige betrokkenheid van Veilig Thuis. De raad heeft de voorzieningenrechter en partijen hierover op 19 augustus 2022 per email geïnformeerd.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2020 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 3 juli 2020 is die beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2015 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.3.

De minderjarige heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.

2.4.

Bij beschikking van 3 juli 2020 van de rechtbank Rotterdam is ten aanzien van de minderjarige een zorgregeling vastgesteld. De rechtbank heeft in het dictum onder 3.2. bepaald:

(…) dat [voornaam minderjarige] in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zal zijn als volgt, waarbij het halen en brengen van de minderjarige tussen partijen wordt afgewisseld:

basisregeling:

  1. [voornaam minderjarige] verblijft in een cyclus van twee weekenden achter elkaar bij de man van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en vervolgens één weekend bij de vrouw,

  2. waarbij de vrouw vier keer per jaar – in onderling overleg te bepalen wanneer en door de vrouw uiterlijk twee weken van tevoren aan te kondigen – een extra mogelijkheid heeft van vrijdag uit school tot zaterdag 17:00 uur met [voornaam minderjarige] door te brengen in een weekend waarin [voornaam minderjarige] op grond van de basisregeling bij de man verblijft, waarna [voornaam minderjarige] vanaf zo een zaterdag 17.00 uur de rest van het weekend bij de man verblijft;

regeling feestdagen, bijzondere dagen en vakanties:

- op haar verjaardag verblijft [voornaam minderjarige] de avond voor haar verjaardag vanaf het avondeten (17.30 uur) tot de volgende ochtend na het ontbijt (8:30 uur) of indien het een schooldag is na school bij de ene ouder en gaat zij vervolgens naar de andere ouder tot de volgende ochtend na het ontbijt (8:30 uur). Het jaar daarna is dit andersom;

- [voornaam minderjarige] verblijft de helft van de algemene feestdagen bij de man, in onderling overleg nader te bepalen;

- [voornaam minderjarige] verblijft op Vaderdag bij de man en op Moederdag bij de vrouw;

- [voornaam minderjarige] verblijft op de verjaardag van de man bij de man en op de verjaardag van de vrouw bij de vrouw;

- [voornaam minderjarige] verblijft in de meivakantie één week, in de zomervakantie drie weken en in de kerstvakantie één week bij de man, in onderling overleg nader te bepalen.

3. Het geschil in conventie

3.1.

De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de man zal veroordelen om [voornaam minderjarige] binnen een dag na het in deze te wijzen vonnis toe te vertrouwen aan de vrouw, c.q. [voornaam minderjarige] aan de vrouw af te geven. Dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- met een maximum van € 20.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de man daartoe in gebreke blijft;

2. zal bepalen dat de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking d.d. 3 juli 2020 tot nadere order wordt opgeschort;

3. voor zover het onder 2 gevorderde niet kan worden toegewezen, de man zal veroordelen om tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking d.d. 3 juli 2020, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 met een maximum van € 20.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de man daartoe in gebreke blijft;

4. de man zal veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten.

3.2.

De man voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1.

De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de minderjarige voorlopig – in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure – zal toevertrouwen aan de man;

2. zal bepalen dat er begeleide omgang zal zijn tussen moeder en [voornaam minderjarige] , via een omgangshuis dan wel soortgelijke hulpverlening;

3. de vrouw zal veroordelen in de kosten van dit geding, uitvoerbaar bij voorraad.

4.2.

De vrouw voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Wegens samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen hierna tegelijk worden besproken.

5.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang is gelegen in de aard van de vorderingen.

Afgifte minderjarige aan de vrouw

5.3.

Het gaat in deze zaak met name om de vraag of de man de minderjarige in strijd met de geldende zorgregeling bij zich mag houden of dat hij gehouden is de minderjarige aan de vrouw af te geven.

5.4.

De voorzieningenrechter neemt bij de beantwoording van deze vraag tot uitgangspunt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw is en dat de minderjarige volgens de geldende zorgregeling vanaf maandag 15 augustus 2022 weer bij de vrouw zou moeten zijn. Er moet sprake zijn van zwaarwegende omstandigheden wil van dit uitgangspunt worden afgeweken.

5.5.

In dit verband stelt de man dat hij zich zorgen maakt over de thuissituatie bij moeder. Deze zorgen zijn ingegeven door dingen die de minderjarige kort voor 15 augustus 2022 aan hem heeft verteld. Volgens de man heeft de minderjarige in kind-woordjes verteld over situaties bij haar moeder, die erop neerkomen dat zij door de vrouw in de armen wordt geknepen, op de trap wordt gesmeten en met haar voorhoofd op de trap wordt gebonkt. Daarnaast zou sprake zijn van psychische mishandeling, waarbij de vrouw tegen de minderjarige zegt dat zij haar in een pleeggezin zal plaatsen of dat de vrouw het liefst dood zou neervallen. De man stelt dat de minderjarige, ondanks positieve stimulering door haar vader, in tranen vertelt dat zij niet terug wil naar haar moeder. Haar toch naar de vrouw brengen, zou voor de man voelen alsof hij zijn dochter verraadt.

De man vertelt dat hij al langer zorgen heeft over hoe het bij de vrouw thuis gaat. Ook gebeurde het wel vaker dat de minderjarige aan het einde van een zorgweekend bij de man wil blijven, en niet naar de vrouw terug wilde.

5.6.

De vrouw betwist alle aantijgingen. Zij vertelt dat zij de minderjarige wel eens stevig heeft beetgepakt en op de trap heeft gezet. Het is mogelijk dat de minderjarige dit als knijpen heeft ervaren. Van mishandeling is echter geen sprake geweest. De vrouw vindt het niet gek als de minderjarige na een weekend bij de man niet terug wil naar haar moeder. In de weekenden bij de man hoeft er niet zoveel en kan de minderjarige wat langer opblijven. Bij moeder moet zij meestal eerder naar bed, omdat ze de volgende dag naar school moet, aldus de vrouw.

5.7.

De voorzieningenrechter ziet onvoldoende grond om de minderjarige bij de vrouw weg te houden en licht dit als volgt toe.

5.8.

Behalve de uitlatingen van de minderjarige zijn er geen concrete aanwijzingen dat sprake is geweest van mishandeling door de vrouw. De man heeft bij de minderjarige geen blauwe plekken of verwondingen gezien.

5.9.

Ter zitting is naar voren gekomen dat jeugdbescherming in het verleden bij het gezin betrokken is geweest en dat er in die tijd verschillende anonieme meldingen bij Veilig Thuis zijn gedaan. Veilig Thuis is betrokken geweest tot maart 2022. Na die tijd zijn er geen meldingen meer geweest en is het dossier overgedragen aan het Jeugdteam Hardinxveld-Giessendam, dat kennelijk geen aanleiding heeft gezien om verdere actie te ondernemen.

5.10.

Ten slotte is van belang dat het hier gaat om een zesjarig meisje dat zich al jarenlang moet redden in een (emotioneel) onveilige situatie waarbij de verstandhouding tussen haar ouders ernstig is verstoord. De ouders uiten ook tijdens de mondelinge behandeling over en weer veel – meer en minder ernstige – beschuldigingen. Van enige vorm van samenwerken als ouders in het belang van de minderjarige lijkt geen sprake te zijn. Zoals namens de raad tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, moeten de uitlatingen van de minderjarige worden gezien tegen de achtergrond van het loyaliteitsconflict waarin zij verkeert door de jarenlange strijd tussen haar ouders. Onder deze omstandigheden kan er niet zonder meer vanuit gegaan worden dat wat de minderjarige verteld heeft ook feitelijk zo is gebeurd.

5.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minderjarige terstond moet worden afgegeven aan de vrouw. Aan de betreffende veroordeling zal een dwangsom worden verbonden van € 500,- per dag met een maximum van € 5.000,-.

Toevertrouwing en zorgregeling

5.12.

Onder verwijzing naar wat hiervoor is overwogen, oordeelt de voorzieningenrechter dat het het meest in het belang van de minderjarige is dat de bij beschikking van 3 juli 2020 vastgestelde zorgregeling van kracht blijft. Voor de door de vrouw gevorderde schorsing en de door de man gevorderde toevertrouwing en begeleide omgang ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond, zodat deze vorderingen zullen worden afgewezen.

5.13.

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat beide partijen na de afgifte van de minderjarige aan de vrouw weer getrouw uitvoering zullen geven aan de geldende zorgregeling. Om deze reden zal ook het verzoek om aan de nakoming van de zorgregeling een dwangsom te verbinden worden afgewezen.

5.14.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

in conventie en in reconventie

De voorzieningenrechter

6.1.

veroordeelt de man om de minderjarige binnen een dag na de datum van dit vonnis af te geven aan de vrouw,

6.2.

veroordeelt de man om een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 6.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt,

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Wieman-Bart en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2022.