Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7250

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2022
Datum publicatie
01-09-2022
Zaaknummer
10058628 VV EXPL 22-337
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil over ontruiming bedrijfsruimte. Beoordelingskader: belangenafweging; Ritzen/Hoekstra niet van toepassing. Belang huurder niet genoeg weersproken, verhuurder heeft geen belang gesteld. Schorsing tot uitspraak in verzetprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 10058628 VV EXPL 22-337

datum uitspraak: 25 augustus 2022

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [woonplaats eiser] ,

eiser,

die zelf procedeert,

tegen

[gedaagde] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats gedaagde] (gemeente [gemeente] ),

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.M. Berkhout.

De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 22 augustus 2022, met bijlagen.

1.2.

Op 23 augustus 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met [eiser] en de gemachtigde van [gedaagde] (via Microsoft Teams) besproken. De gemachtigde van [gedaagde] heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

2. De feiten

2.1.

[eiser] heeft van [gedaagde] gehuurd de bedrijfsruimte aan de [adres] in Rotterdam. [eiser] gebruikt het gehuurde als loods en werkplaats voor zijn onderneming (een klusbedrijf).

2.2.

Op 5 juli 2022 is [eiser] bij verstek veroordeeld om aan [gedaagde] te betalen € 16.347,60 aan achterstallige huur tot en met mei 2022 en buitengerechtelijke kosten. Ook is in dit verstekvonnis de huurovereenkomst betreffende het gehuurde ontbonden en is [eiser] veroordeeld om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.

2.3.

Op 21 juli 2022 is het verstekvonnis van 5 juli 2022 aan [eiser] betekend en is bevel gedaan om het gehuurde binnen veertien dagen te ontruimen.

2.4.

Op 23 augustus 2022 heeft de ontruiming van het gehuurde plaatsgevonden, in die zin dat [eiser] de sleutels van het gehuurde heeft overhandigd. Over het verwijderen van de spullen van [eiser] uit het gehuurde zullen partijen nog afspraken maken. [gedaagde] heeft aan [eiser] toegezegd dat hij de komende weken op afspraak spullen uit het gehuurde kan halen.

2.5.

[eiser] heeft aangekondigd in verzet te komen tegen het verstekvonnis van 5 juli 2022. De concept-verzetdagvaarding is op 22 augustus 2022 door de gemachtigde van [gedaagde] ontvangen.

3. Het geschil

3.1.

Met partijen is besproken dat de eis van [eiser] zo moet worden begrepen dat hij schorsing van de executie van het verstekvonnis van 5 juli 2022 eist, totdat vonnis zal zijn gewezen in de verzetprocedure. Ook vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit kort geding.

3.2.

[eiser] baseert de eis op het volgende. [gedaagde] heeft misbruik gemaakt van haar bevoegdheid om het vonnis te executeren. Zij heeft een te hoge vordering ingesteld; de huurachterstand is veel lager dan [gedaagde] in de dagvaarding heeft vermeld. [gedaagde] is de procedure gestart terwijl zij wist dat [eiser] voor langere tijd op vakantie zou gaan. Als [eiser] het gehuurde moet ontruimen, heeft dat grote (financiële) gevolgen voor zijn bedrijf en daarmee indirect ook voor hem privé. Hij heeft recent een groot project aangenomen waarvan de voortgang in gevaar komt als hij het gehuurde niet meer kan gebruiken. Het is niet eenvoudig om een andere bedrijfsruimte te vinden; bovendien heeft hij in het gehuurde een aantal investeringen gedaan die hij dan zou kwijtraken.

3.3.

[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. [gedaagde] betwist dat [eiser] er belang bij heeft om het gehuurde te kunnen blijven gebruiken. [eiser] kan op zoek gaan naar een andere bedrijfsruimte. [gedaagde] wil niet meer verder met [eiser] , omdat zij [eiser] onbetrouwbaar vindt.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Het spoedeisend belang is bij een executiegeschil als dit een gegeven. [eiser] is dus ontvankelijk in zijn vordering.

Beoordelingskader executiegeschil

4.2.

Dit executiegeschil betreft de tenuitvoerlegging van een vonnis waartegen nog een voorziening open staat. [eiser] kan immers verzet instellen tegen het vonnis en hij heeft aangekondigd dat ook te zullen doen. In het verstekvonnis is niet gemotiveerd waarom het uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Dit betekent dat de kantonrechter moet onderzoeken of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand (bedoeld wordt: dat hij het gehuurde kan blijven gebruiken) zolang in de verzetprocedure niet is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om wel (al) tot ontruiming over te gaan (zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2019, r.o. 5.5.3 en 5.6.2).

4.3.

Het voorgaande betekent dat de kantonrechter niet de beperktere toets als bedoeld in het arrest Ritzen Hoekstra (HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575) hoeft toe te passen. Of het verstekvonnis berust op een kennelijke misslag of dat er een noodtoestand ontstaat aan de zijde van [eiser] , wordt daarom niet beoordeeld.

Belangenafweging

4.4.

[eiser] heeft het nodige naar voren gebracht over zijn belang om het gehuurde te kunnen blijven gebruiken totdat in de verzetprocedure is beslist. [gedaagde] heeft dit belang betwist, maar heeft daarbij enkel naar voren gebracht dat [eiser] eenvoudigweg een andere bedrijfsruimte in gebruik kan nemen. [eiser] heeft in reactie hierop toegelicht dat dat niet zo eenvoudig is, omdat een vergelijkbare bedrijfsruimte een hogere huur met zich brengt, hij dan zijn gedane investeringen kwijtraakt, er nog bestellingen binnenkomen en hij recent een project heeft aangenomen, waarvoor hij het gehuurde nodig heeft om de bestellingen te kunnen opslaan in afwachting van het uitvoeren van voornoemd project.

4.5.

[gedaagde] heeft harerzijds niet toegelicht waarom zij er belang bij heeft om de ontruiming (verder) uit te voeren, anders dan dat zij [eiser] niet vertrouwt. Dit is echter geen concreet belang waaruit volgt dat het nodig is om het gehuurde op dit moment te ontruimen, zonder de uitkomst van de verzetprocedure af te wachten. De kantonrechter gaat er overigens vanuit dat [eiser] er zijnerzijds alles aan zal doen om het vertrouwen te herstellen en dat hij in ieder geval aan zijn lopende betalingsverplichting zal voldoen alsmede de verzetdagvaarding op korte termijn zal doen uit- en aanbrengen.

4.6.

Gelet op wat [eiser] naar voren heeft gebracht, de beperkte betwisting daarvan door [gedaagde] en de omstandigheid dat [gedaagde] zelf niets heeft gesteld over haar eigen belang bij tenuitvoerlegging, valt de belangenafweging in het voordeel van [eiser] uit. Zijn vordering om de executie van het verstekvonnis te schorsen totdat in de verzetprocedure zal zijn beslist, wordt daarom toegewezen.

Proceskosten

4.7.

[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser] tot vandaag vast op € 131,18 aan dagvaardingskosten en € 86,- aan griffierecht. Dit is totaal € 199,18.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.8.

Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 5 juli 2022 van de rechtbank Rotterdam onder zaaknummer 9919106 CV EXPL 22-17295 gewezen tussen [eiser] en [gedaagde] en verbiedt [gedaagde] de ontruiming door te zetten totdat in de verzetprocedure zal zijn beslist;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] tot vandaag vastgesteld op € 199,18;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.

51909