Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7159

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
06-09-2022
Zaaknummer
C/10/634033 / HA ZA 22-172
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Arbitragebeding. Beroep op arbitragebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/634033 / HA ZA 22-172

Vonnis in incident van 24 augustus 2022

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. N.J. Margetson te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf B] ,

gevestigd te [vestigingsplaats B] ,

2. [persoon B],

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. W.E. Boonk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [persoon A] en [bedrijf B] c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd worden. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [bedrijf B] en [persoon B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 februari 2022;

  • -

    de akte houdende overlegging producties, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met productie;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident, met producties;

  • -

    de akte in het incident zijdens [bedrijf B] c.s., met producties;

  • -

    de antwoordakte in het incident zijdens [persoon A] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten, voor zover van belang in het incident

2.1.

Op 28 december 2017 is een maatschapsovereenkomst ten behoeve van de exploitatie van het schip de [naam vaartuig] tot stand gekomen. [bedrijf B] is in de maatschapsovereenkomst aangeduid als eigenaar van de [naam vaartuig] en [persoon B] , [persoon A] en [persoon C] als opvarenden. Deze maatschapsovereenkomst bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

Eigenaar van het vaartuig en de leden van de maatschap zijn aangesloten bij de Eerste Urker Onderlinge (E.U.O.V.), gevestigd te Urk en onderwerpen zich aan het arbitrage-regelement van de Federatie van Visserijverenigingen.

(…)

Artikel A Doelstelling

1. Partijen hebben een maatschap gevormd tot uitoefening van het visserijbedrijf (hierna: 'de maatschap'), welke maatschap wordt beheerst door de Algemene Maatschapsvoorwaarden (hierna: 'AMV'), van de Corp. Producentenorganisatie voor de visserij Urk / Ver. Visserijbelangen (i.s.m. de E.U.O.V.), welke deel uitmaken van deze overeenkomst en waarmee partijen zich geheel bekend en akkoord verklaren.
De AMV zijn gedeponeerd ter griffie van de arrondissementsrechtbank te Zwolle.

(…)

Artikel M Geschillen

1. Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst, dan wel van nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen met uitsluiting van de gewone rechter worden beslist door arbitrage als bedoeld in artikel 21 van de AMV.

2. Vorderingen dienen aanhangig te worden gemaakt binnen vijf weken na het ontstaan van de oorzaak van het geschil.

3. Bij niet-inachtneming van de termijn als bedoeld onder 2. van dit artikel, vervalt de bevoegdheid het geschil aanhangig te maken.

(…)”

2.2.

Artikel 21 van de Algemene Maatschapsvoorwaarden (AMV) luidt als volgt:

“Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst dan wel van nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen met uitsluiting van de gewone rechter worden beslecht door arbitrage overeenkomstig het Arbitrage-Reglement van de Federatie van Visserijverenigingen. Vorderingen dienen aanhangig te worden gemaakt binnen vier weken na het ontstaan van de oorzaak van het geschil. Bij niet-inachtneming van deze termijn vervalt de bevoegdheid om het geschil aanhangig te maken.”

2.3.

Het arbitragereglement van de Federatie van Visserijverenigingen (hierna: het arbitragereglement) bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

2.1

Iedere vereniging aangesloten bij de Federatie kent een Commissie.

(…)

2.4

De Commissie wordt gekozen door de algemene vergadering van de betrokken vereniging.

2.5

De voorzitter van de Commissie en zijn plaatsvervanger mogen niet direct of indirect betrokken zijn bij een visserijbedrijf; meer in het bijzonder mogen zij geen (mede) eigenaar van een visserijbedrijf, aandeelhouder van een rechtspersoon, welke rechtspersoon een visserijbedrijf uitoefent, of opvarende in de visserij zijn.

2.6

Indien de Commissie bestaat uit drie leden moet een lid van de Commissie de hoedanigheid hebben van opvarende of gewezen opvarende en wordt hij gekozen op de algemene vergadering van de betreffende vereniging alleen door die leden van de vereniging, welke opvarenden zijn. Hetzelfde geldt voor de plaatsvervanger van dit lid. Bij een commissie van vijf leden geldt het bovenstaande t.a.v. twee leden van de Commissie.

2.7

Indien de Commissie bestaat uit drie leden moet een lid de hoedanigheid hebben van (mede) eigenaar van een visserijbedrijf en/of aandeelhouder en/of directeur van een rechtspersoon, welke een visserijbedrijf uitoefent. Hij wordt gekozen op de algemene vergadering van de desbetreffende vereniging alleen door de leden, welke (mede) eigenaar zijn en/of aandeelhouder en/of directeur van een rechtspersoon, welke een visserijbedrijf uitoefent. Hetzelfde geldt voor de plaatsvervanger van dit lid. Bij een Commissie van vijf leden geldt het bovenstaande t.a.v. twee leden van de Commissie.

(…)

3.1

De Commissie neemt kennis van alle geschillen welke aan haar worden voorgelegd, op schriftelijk verzoek van een partij, indien die partij contractspartij is van een maatschapsovereenkomst waaraan ook de partij tegen wie zich het verzoek richt contractant is en waarin schriftelijk is overeengekomen dat alle geschillen worden beslecht door arbitrage overeenkomstig dit reglement.

(…)

4.1

De arbitrage voor de Commissie wordt aanhangig gemaakt op schriftelijk verzoek van een partij tot de secretaris van de Federatie.

Het schriftelijk verzoek bevat een omschrijving van het geschil en van de vordering en dient te zijn vergezeld van een kopie van de maatschapsovereenkomst.

4.2

De secretaris van de Federatie zendt het verzoek zo snel mogelijk aan de secretaris van de bevoegde Commissie en verwittigt de verzoeker welke Commissie bevoegd is.

(…)

8.1

De beslissing van de Commissie zal bindend zijn voor partijen, tenzij partijen of één der partijen binnen 30 dagen na de dag waarop bij aangetekend schrijven door de secretaris van de Commissie de beslissing aan partijen is toegezonden tijdig in beroep zijn of is gekomen bij het College.

(…)

9.1

Er is een College van Beroep voor de maatschapsvisserij.

9.2

Het College bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden. Ieder lid heeft één

plaatsvervanger.

Het bestuur van de Federatie benoemt iedere vier jaar de leden van het College. De leden van het College zijn ieder voor periodes van twee jaar hernoembaar.

(…)”

2.4.

Op 31 juli 2018 heeft een ongeval plaatsgevonden aan boord van de [naam vaartuig] , waarbij [persoon A] gewond is geraakt (hierna: het ongeval).

3. De vordering in de hoofdzaak

3.1.

[persoon A] vordert in de hoofdzaak - samengevat en zakelijk weergegeven - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat primair [bedrijf B] c.s. hoofdelijk, subsidiair [bedrijf B] en meer subsidiair [persoon B] voor 100% aansprakelijk is voor de schade die [persoon A] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval.

3.2.

[persoon A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [bedrijf B] als toenmalig eigenaar van de [naam vaartuig] op grond van de artikelen 8:541, 8:542 en 8:544 BW aansprakelijk is voor de schade die [persoon A] heeft geleden als gevolg van het ongeval op 31 juli 2018. [persoon B] is volgens [persoon A] aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW.

4. Het geschil in het incident

4.1.

[bedrijf B] c.s. vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van [persoon A] , met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.

4.2.

[bedrijf B] c.s. legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.

4.2.1.

Alle procespartijen zijn partij bij de maatschapsovereenkomst. Op grond van de maatschapsovereenkomst zijn geschillen tussen partijen aan arbitrage onderworpen. Onderhavig geschil is ontstaan naar aanleiding van de maatschapsovereenkomst, zodat het geschil onder de reikwijdte van het arbitragebeding valt. Op grond van het arbitragereglement dient [persoon A] het geschil aanhangig te maken bij de Commissie van de Eerste Urker Onderlinge. De rechtbank is daarom onbevoegd om van de vorderingen van [persoon A] kennis te nemen.

4.3.

[persoon A] voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van de incidentele vordering. Samengevat betoogt [persoon A] het volgende.

4.3.1.

Het arbitragebeding is niet overeengekomen tussen [persoon A] en [persoon B] . Het geschil valt ook niet onder de reikwijdte van het arbitragebeding. Daarnaast is [persoon A] in de gegeven omstandigheden niet gebonden aan het arbitragebeding, omdat de korte termijn van artikel M naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bovendien is de Federatie van Visserijverenigingen ontbonden. Als de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren, heeft dat tot gevolg dat [persoon A] geen mogelijkheid heeft om in rechte op te treden tegen [bedrijf B] c.s., hetgeen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en artikel 6 EVRM.

4.3.2.

Als het zo is dat [persoon A] het geschil dient voor te leggen aan de Commissie van de Eerste Urker Onderlinge, dan vreest [persoon A] dat deze commissie op voorhand de kant van hun dorpsgenoot zal kiezen. Dat is in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.4.

[persoon A] vordert subsidiair - in geval van toewijzing van de incidentele vordering - om voor recht te verklaren dat (I) het geschil in arbitrage niet mag worden beslecht door de Commissie zoals bedoeld in artikel 3 van het arbitragereglement en (II) elke partij haar/zijn eigen arbiter benoemt en dat die arbiters samen een niet-Urkse derde arbiter benoemen.

5. De beoordeling in het incident

5.1.

Uit artikel 1022 Rv volgt dat indien een geschil bij een Nederlandse rechter aanhangig wordt gemaakt en de gedaagde een beroep op een arbitraal beding doet dat voorziet in arbitrage, de rechter zich onbevoegd dient te verklaren, tenzij het arbitraal beding niet geldig tussen partijen is overeengekomen.

Het bestaan van het arbitrage-instituut

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Federatie van Visserijverenigingen (FvV) is ontbonden per 1 november 2019. Partijen verschillen van mening over de gevolgen daarvan.

5.3.

Anders dan [bedrijf B] c.s. meent, leidt de ontbinding van de FvV naar het oordeel van de rechtbank tot onoverkomelijke problemen in dit geschil.

5.3.1.

Om te beginnen kan arbitrage niet meer aanhangig worden gemaakt op de in het arbitragereglement bepaalde wijze, namelijk door een verzoek van een partij, te richten aan de secretaris van de FvV. Bij gebreke van de FvV is er immers ook geen secretaris van de FvV meer. Artikel 1025, eerste lid, Rv biedt geen soelaas: partijen zijn een andere wijze van aanhangig maken overeengekomen, waartoe het tweede lid van artikel 1025 Rv de mogelijkheid opent. De overeengekomen wijze van aanhangig maken treedt, naar de formulering van dat tweede lid, in de plaats van de wettelijke wijze.

5.3.2.

Bij gebreke van FvV is er ook geen sprake meer van lidverenigingen. De ontbinding van de FvV hoeft niet aan het voortbestaan van haar voormalige leden in de weg te staan – kennelijk bestaat in elk geval de Eerste Urker Onderling Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen U.A. nog –, maar die voormalige leden hebben niet meer de status van lidvereniging. Als zodanig kunnen zij dus niet langer een commissie als bedoeld in het arbitragereglement instellen.

5.3.3.

Voorts stelt het arbitragereglement hoger beroep open tegen beslissingen van de arbitragecommissie van de lidvereniging. Dit hoger beroep dient voor het College van Beroep, waarvan de leden door de FvV worden benoemd. Met de ontbinding van de FvV is logischerwijs ook dit College van Beroep opgehouden te bestaan.

5.3.4.

Artikel 1027 Rv biedt geen soelaas voor de benoeming van arbiters. Immers, het geding kan niet meer aanhangig worden gemaakt, dus is een voorwaarde voor benoeming door de voorzieningenrechter – het verstrijken van drie maanden nadat de zaak aanhangig is gemaakt – onvervulbaar.

5.3.5.

Ten slotte heeft de rechtbank gelet op de achtergrond van de leden van de commissie die het arbitraal geding zouden moeten leiden. Naast een voorzitter die juist geen binding heeft met de visserij, moet de commissie bestaan uit ten minste één arbiter die (gewezen) opvarende is en één arbiter die – kort gezegd – visserijondernemer is. Zij worden gekozen door hun achterban. Hieruit leidt de rechtbank af, dat partijen hebben gekozen voor deze wijze van arbitrage vanwege de specifieke kennis en instelling van de op te treden arbiters. In dat geval is het wegvallen van het arbitrage-instituut – er is immers geen vereniging meer die als lidvereniging van de FvV kwalificeert – een contra-indicatie voor benoeming van arbiters op andere wijze.

5.4.

Dat ten tijde van ongeval de FvV nog bestond, maakt dit alles niet anders. In het algemeen moet de rechter zijn bevoegdheid onderzoeken op het moment dat de vordering bij hem aanhangig wordt gemaakt en in elk geval op dat moment bestond de FvV al niet meer.

5.5.

Onder deze omstandigheden is een beroep van [bedrijf B] c.s. op het arbitragebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat het ertoe zou leiden dat [persoon A] van de rechter wordt afgehouden, zonder dat daarvoor een alternatief wordt geboden. De incidentele vordering van [bedrijf B] c.s. wordt dan ook afgewezen.

5.6.

Hetgeen meer of anders is aangevoerd behoeft geen bespreking.

Proceskosten

5.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [bedrijf B] c.s. veroordeeld in de kosten van het incident (1 punt liquidatietarief à € 563,00). De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat het verzoek daartoe is gegrond op de wet en het niet is weersproken.

6. Ambtshalve beoordeling in de hoofdzaak

6.1.

In de hoofdzaak is nog niet geconcludeerd voor antwoord. De rechtbank zal de zaak daarom naar de rol verwijzen.

7. De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1.

wijst de vordering af;

7.2.

veroordeelt [bedrijf B] c.s. hoofdelijk in de kosten van het incident, aan de zijde van [persoon A] tot op heden begroot op € 563,00;

7.3.

verklaart onderdeel 7.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

7.4.

verwijst de zaak naar de rol van 5 oktober 2022 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter en door deze in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2022.

3537/1407