Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:7073

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
C/10/629161 / HA ZA 21-1009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Miskenning gezag van gewijsde van oordeel over verjaring van rechtsvordering. Tal van cessies. Miskenning devolutieve werking en geen schadevergoeding. Ontbreken belang bij verklaringen voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/629161 / HA ZA 21-1009

Vonnis van 17 augustus 2022

in de zaak van

[eiser] , handelend als lasthebber van mw. [persoon A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KPN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.M. Kingma te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] , en KPN genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 november 2021 met producties 1 tot en met 32;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de oproepingsbrieven van de rechtbank van 25 februari 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brieven van de rechtbank van 2 juni 2022 met een zittingsagenda;

  • -

    de akte tevens vermeerdering van eis met productie 34 van [eiser] ;

  • -

    de akte houdende overlegging productie (aanvullende kostenopgave) met productie 8 van KPN;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 juli 2022, waarbij door [eiser] notities en door KPN een pleitnota is overgelegd;

  • -

    de brief van [eiser] van 25 juli 2022 met opmerkingen over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser] , destijds handelend onder de naam [handelsnaam 1] , [persoon B] , destijds handelend onder de naam [handelsnaam 2] (hierna: [persoon B] ) en vof C.J. Communicatieservice en haar (gewezen) vennoten [persoon C] (hierna: [persoon C] ) en [persoon B] (hierna gezamenlijk ook: de contractanten) hadden in de jaren tachtig van de vorige eeuw overeenkomsten met PTT Telecom B.V. (hierna: de PTT) – de rechtsvoorganger van KPN – afgesloten voor de exploitatie van “06-koopnummers” (sekslijnen). Bij de exploitatie van deze telefoonlijnen maakten de contractanten gebruik van de diensten van [persoon D] (hierna: [persoon D] ). [persoon D] had daartoe samenwerkingsovereenkomsten met elk van de contractanten gesloten.

2.2.

De PTT heeft de overeenkomsten voor voornoemde bestaande en bestelde maar nog niet geleverde extra telefoonlijnen tegen 1 oktober 1989 eenzijdig en tegen de wens van de contractanten beëindigd. De reden voor deze beëindiging was omdat de PTT zich op het standpunt stelde dat de contractanten, met tussenkomst van [persoon D] , bij de exploitatie van die telefoonlijnen hadden gefraudeerd. De contractanten en [persoon D] hebben betwist dat sprake was van fraude.

2.3.

Op 29 augustus 1989 heeft mr. J.A.M. van de Sande, de toenmalige raadsman van [persoon D] , brieven geschreven aan [persoon B] en [persoon C] , waarin afspraken zijn opgenomen over rechtsmaatregelen tegen de PTT, onder meer inhoudende dat [persoon D] , daartoe gemachtigd door [persoon B] en [persoon C] , dergelijke rechtsmaatregelen zou initiëren. Deze brieven zijn voor akkoord ondertekend door [persoon B] en [persoon C] .

2.4.

Naar aanleiding van de beëindiging van de overeenkomsten zijn er verschillende

gerechtelijke procedures gevoerd.

Procedures [persoon D]

2.5.

In de eerste plaats is er een bodemprocedure bij de rechtbank Den Haag aanhangig gemaakt, waarin de PTT van [persoon D] en contractant C.J. Communicatieservice vergoeding heeft gevorderd van de schade die zij als gevolg van de fraude heeft geleden. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 16 februari 1994 de vordering van de PTT afgewezen bij gebrek aan bewijs van de door haar gestelde fraude.

2.6.

In de tweede plaats heeft [persoon D] op 1 juli 1996 een procedure tegen KPN, als rechtsopvolger onder algemene titel van de PTT, aanhangig gemaakt ter verkrijging van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Het gerechtshof Den Haag heeft bij eindarrest van 28 juni 2007 de vordering van [persoon D] gedeeltelijk toegewezen. Het cassatieberoep van KPN tegen dit arrest is door de Hoge Raad bij arrest van 2 oktober 2009 verworpen. Hetzelfde geldt voor het incidentele cassatieberoep dat [persoon D] tegen het arrest van het hof had ingesteld. De contractanten waren in deze procedure tussen [persoon D] en KPN geen partij.

Eerste procedure contractanten

2.7.

In de derde plaats hebben de contractanten, waaronder [eiser] op eigen naam, bij inleidende dagvaarding van 28 november 2008 een procedure tegen KPN aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag. In deze procedure hebben zij zich op het standpunt gesteld dat KPN jegens hen aansprakelijk en schadeplichtig was vanwege de beëindiging van de 06koopnummercontracten in 1989. Zij hebben een schadevergoeding gevorderd van in totaal een bedrag van ruim € 1,1 miljard.

2.8.

Fine Star Trading Ltd (hierna: Fine Star) heeft een vordering tot primair voeging en subsidiair tussenkomst in de onder 2.7 genoemde procedure van de contractanten tegen KPN gedaan. Bij vonnis in het incident van 9 juni 2010 heeft de rechtbank op de incidentele vorderingen van Fine Star vastgesteld (i) dat juist is dat Fine Star door middellijke vertegenwoordiging reeds partij is in deze procedure, en (ii) dat gelet op dit oordeel niet hoeft te worden beslist op de incidentele vorderingen tot voeging althans tussenkomst.

2.9.

Bij vonnis in het (tweede) incident van 15 september 2010 heeft de rechtbank [persoon D] toegestaan om tussen te komen in de hoofdzaak van de procedure van de

contractanten tegen KPN.

2.10.

In laatstgenoemde hoofdzaak hebben de contractanten, alsmede Fine Star, zich beroepen op een aantal hieronder weergegeven (gestelde) cessies van de (gestelde) vorderingen van de partijen [persoon B] en C.J. Communicatieservice op KPN.

2.11.

Volgens de tekst van een op 5 november 1989 gedateerd stuk getiteld

“CESSIEOVEREENKOMST” zouden C.J. Communicatieservice en [handelsnaam 2] , in verband met een door een zekere [persoon E] (hierna: [persoon E] ) verstrekte lening van

fl. 60.000,00 aan [persoon E] in cessie hebben overdragen “alle gelden die de PTT aan [hen] thans verschuldigd is of in de toekomst schuldig mocht worden met betrekking tot de thans onder kontrakt zijnde kooplijnen en de toegezegde uitbreidingen daarvan, schade-uitkeringen daaronder begrepen”.

2.12.

Volgens de tekst van drie andere in het geding gebrachte stukken zou de onder 2.11 bedoelde vordering:

- op 21 december 1991 namens [persoon E] in de Dominicaanse republiek zijn overgedragen aan Vendex International Investment N.V. (hierna: Vendex),

- op 25 juli 1994 (bij overeenkomst opgemaakt te Aruba en getekend te België) door Vendex aan mevrouw [persoon A] (hierna: [persoon A] ) zijn overgedragen en ten slotte

- op 1 augustus 1994 bij “Terugleverings Akte” (onder voorwaarden) door [persoon A] aan C.J. Communicatieservice en [persoon B] zijn overgedragen.

2.13.

Volgens de tekst van een op 2 augustus 1994 gedateerd stuk zouden [persoon B] en

[persoon C] (als voormalige vennoten van C.J. Communicatieservice) en [persoon B] (als voormalig eigenaar van [handelsnaam 2] ) volmacht hebben verleend aan de heer [persoon G] (hierna: [persoon G] ) “om namens hen beide in- en buiten rechten op te treden, dadingen te verrichten en voor finale kwijting namens de volmachtgevers te tekenen en een advokaat-gemachtigde aan te stellen”. [persoon G] heeft dit stuk eveneens ondertekend als “gemachtigde”.

2.14.

Blijkens de tekst van een op 5 juni 2004 gedateerd stuk, getiteld “Agreement of

abandonment”, zou [persoon G] , handelend als gemachtigde van [persoon B] , [persoon C] en [eiser] ,

vorderingen van deze laatsten op KPN hebben overgedragen aan Fine Star, waarbij werd

bepaald dat [persoon G] “will continue representing Fine Star Trading Ltd. in this matter”.

2.15.

Bij brief gedateerd 5 september 2008 van Fine Star aan [persoon G] heeft Fine Star de

instructie gegeven aan [persoon C] , [persoon B] en [eiser] “to act as plaintiffs in the proceedings to collect their share and our share”.

2.16.

Vervolgens is de onder 2.7 genoemde procedure van de contractanten tegen KPN in gang gezet door het aanbrengen van een dagvaarding op de rol van 31 december 2008. [persoon G] heeft mr. Te Pas opdracht gegeven om als behandelend advocaat in deze procedure op te treden.

2.17.

Blijkens de tekst van vijf onderhandse stukken gedateerd 12 december 2008 zouden [persoon B] en [persoon C] , op basis van de op 29 augustus 1989 gemaakte afspraken, hun vorderingen op KPN hebben gecedeerd aan [persoon D] .

2.18.

Op 30 december 2008 heeft [persoon B] aan mr. Te Pas geschreven dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor de overdracht van zijn rechten aan een derde, dat de

Agreement of abandonment” hem onbekend was, dat hij zijn rechten op 29 augustus 1989 heeft overgedragen aan [persoon D] en dat hij op 29 augustus 1994 de machtiging aan

[persoon G] had ingetrokken.

2.19.

Bij brief van 16 juni 2010 heeft [persoon G] , namens Fine Star, aan [persoon B] en [persoon C] bericht dat Fine Star, de aan hen verstrekte last van 5 september 2008 intrekt.

2.20.

De rechtbank Den Haag heeft, kort samengevat en voor zover voor de onderhavige procedure relevant, in haar eindvonnis van 20 juli 2011 het volgende beslist:

( a) Fine Star, die niet is toegelaten als tussenkomende partij, is na de intrekking van de door

[persoon B] en C.J. Communicatieservice gegeven last op 16 juni 2010, in dit geding alleen nog betrokken door tussenkomst van [eiser] . De vordering van [eiser] (op eigen naam) is, zoals de rechtbank reeds in haar tussenvonnis van 19 augustus 2009 had beslist, verjaard.

( b) De vorderingen die Fine Star in dit geding jegens KPN geldend beoogt te maken, komen haar niet toe, aangezien de aan [persoon G] verstrekte volmachten van 2 augustus 1994 hem niet de bevoegdheid gaven deze vorderingen aan Fine Star over te dragen.

2.21.

[eiser] en Fine Star hebben hoger beroep ingesteld tegen het onder 2.20 vermelde eindvonnis van de rechtbank Den Haag. Het hoger beroep is uitsluitend ingesteld tegen KPN. [eiser] en Fine Star zijn in hoger beroep onder meer opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat [persoon B] en C.J. Communicatieservice (en haar vennoten [persoon C] en [persoon B] ) in 2004 hun vorderingen op KPN niet rechtsgeldig hebben overgedragen aan Fine Star, omdat [persoon G] daartoe niet gemachtigd was. Daarbij hebben zij een beroep gedaan op een in hoger beroep overgelegde brief van 21 juni 2012, waarin [persoon A] aan onder meer [persoon C] en [persoon B] heeft bericht dat zij de terugleveringsakte van 1 augustus 1994 ontbindt. Verder hebben zij zich beroepen op een ongetekend en op 26 juni 2012 gedateerd stuk getiteld “statement”, waarin [persoon A] de op 25 juli 1994 aan haar gecedeerde rechten overdraagt aan Fine Star.

2.22.

Het gerechtshof Den Haag heeft op 29 oktober 2013 arrest gewezen

(ECLI:NL:GHDHA:2013:5387). Het hof heeft Fine Star niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat zij in de procedure bij de rechtbank geen formele procespartij is geweest en daarom niet op eigen naam hoger beroep kon instellen. Voorts heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft voor zover voor deze procedure relevant, het volgende overwogen:

“1.17 Als productie 25 bij memorie van grieven is overgelegd een ongetekend en op 26 juni 2012 gedateerd stuk getiteld “statement”, waarin [persoon A] de haar op 25 juli 1994 gecedeerde rechten overdraagt aan Fine Star (…)

4.1

In grief 2 komt [eiser] op tegen het oordeel van de rechtbank, dat [persoon B] en C.J. Communicatieservice (en haar vennoten [persoon C] en [persoon B] ) in 2004 hun vorderingen op KPN niet rechtsgeldig hebben overgedragen aan Fine Star, omdat [persoon G] daartoe niet gemachtigd was.

4.2

Als het hof [eiser] goed begrijpt houdt zijn betoog allereerst in dat [persoon A] op 1 augustus 1994 de bewuste vorderingen (onder voorwaarden) heeft overgedragen aan [persoon C] en [persoon B] , dat daarbij is bepaald dat [persoon C] en [persoon B] dienden mee te werken aan de overdracht van deze vorderingen aan een door [persoon A] aan te wijzen partij en dat [persoon G] , tegen de achtergrond van deze verplichting van [persoon C] en [persoon B] jegens [persoon A] , op basis van de aan hem verleende volmacht bevoegd was de vorderingen aan Fine Star over te dragen. Dit betoog faalt reeds omdat [eiser] zelf stelt dat de (terug)levering door [persoon A] geen eigendomsovergang beoogde of ten gevolg had. Indien dat juist is hebben [persoon C] en [persoon B] de vorderingen ook niet aan Fine Star kunnen overdragen. Art. 3:88 BW kan deze onbevoegdheid ook niet repareren, zoals [eiser] aanvoert. De onbevoegdheid van [persoon C] en [persoon B] is immers niet het gevolg van de ongeldigheid van een vroegere overdracht, maar het gevolg van de omstandigheid (volgens [eiser] ) dat [persoon A] de eigendom niet aan hen heeft overgedragen.

4.3

[eiser] voert vervolgens aan dat, ook indien de cessie van 1 augustus 1994 een werkelijk bedoelde cessie is, [persoon G] in 2004 geen eigendom van [persoon C] en [persoon B] vervreemdde, maar voldeed aan de contractuele verplichting van [persoon C] en [persoon B] uit de overeenkomst van 1 augustus 1994 en dat die actie dus wel gedekt was door de volmacht. Dit betoog, voor zover begrijpelijk, faalt. Indien [persoon C] en [persoon B] wel eigenaar waren van de vorderingen maar [persoon G] die eigendom niet vervreemdde, is Fine Star geen eigenaar geworden, of [persoon G] nu handelde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid of niet. Art. 3:88 BW is ook hier niet van toepassing, [persoon C] en [persoon B] waren immers in het hier veronderstelde geval bevoegd over de vorderingen te beschikken. Het hof tekent bij dit betoog nog aan dat niet blijkt dat de aan [persoon G] verleende volmacht inhield dat hij bevoegd was namens [persoon C] en [persoon B] door hen gesloten overeenkomsten na te komen, en nog veel minder dat hij ter nakoming van een dergelijke overeenkomst bevoegd was de vorderingen op KPN over te dragen, hetzij in eigendom hetzij als cessie ter incasso.

4.4

[eiser] betoogt voorts dat, voor zover [persoon G] toch onbevoegd moet worden geacht, [persoon A] de overeenkomst van 1 augustus 1994 heeft ontbonden en de vorderingsrechten op 26 juni 2012 alsnog aan Fine Star heeft overgedragen. KPN voert hiertegen terecht aan dat een dergelijke ontbinding geen terugwerkende kracht heeft, zoals ook [eiser] zich lijkt te realiseren (memorie van grieven onder 80), zodat [persoon A] geen eigenaar van de vorderingen is geworden en deze ook niet aan Fine Star heeft kunnen overdragen. (…)”

2.23.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van

10 juli 2015 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiser] met toepassing van artikel

81 Wet op de Rechterlijke Organisatie verworpen.

Tweede procedure [eiser] als lasthebber van Fine Star

2.24.

In de vierde plaats heeft [eiser] op 22 april 2016, deze keer als lasthebber van Fine Star, KPN gedagvaard voor de rechtbank Den Haag. In haar eindvonnis van 12 april 2017 oordeelde de rechtbank dat de stelling die [eiser] aan zijn vordering ten grondslag legde, namelijk dat Fine Star door de cessie van 26 juni 2012 rechthebbende is geworden van de vordering op KPN, in de procedure van de contractanten tegen KPN al inhoudelijk door het Hof is beoordeeld en beslist. Datzelfde gold voor de stelling van [eiser] dat Fine Star (reeds) in 2004 de vorderingsrechten op KPN zou hebben verworven. Omdat het arrest van het Hof van 29 oktober 2013 gezag van gewijsde heeft gekregen, zijn de vorderingen van [eiser] afgewezen. [eiser] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dit eindvonnis van de rechtbank.

Derde procedure [eiser] als lasthebber van Fine Star

2.25.

In de vijfde plaats heeft [eiser] op 29 december 2017, wederom als lasthebber van Fine Star, KPN gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en zich wederom op het standpunt gesteld dat KPN aansprakelijk en schadeplichtig was vanwege de beëindiging van de 06koopnummercontracten in 1989 en een schadevergoeding gevorderd van ruim € 1,1 miljard. Aan zijn vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [persoon A] de vorderingsrechten van de contractanten op 25 juli 1994 heeft verworven en vervolgens op 14 november 2017 aan Fine Star heeft geleverd. Daarbij heeft [eiser] een beroep gedaan op een in het geding gebracht stuk waarin is opgenomen dat de onder 2.11 bedoelde vorderingen op 14 november 2017 door [persoon A] aan Fine Star zijn overgedragen.

2.26.

In haar eindvonnis van 10 april 2019 oordeelde de rechtbank dat als Fine Star al een rechtsvordering zou hebben gehad op KPN, deze is verjaard. De rechtbank overweegt hierover onder meer als volgt:

( a) In de procedures tot dusver is nog geen beslissing genomen over de vraag of [persoon A] op 25 juli 1994 rechthebbende is geworden van de litigieuze vorderingsrechten op KPN.

( b) Indien vastgesteld kan worden dat [persoon A] de vorderingsrechten wel op 25 juli 1994 heeft verkregen (en deze niet op 1 augustus 1994 heeft teruggeleverd aan [persoon C] en [persoon B] ), kan niet worden vastgesteld dat van de zijde van [persoon A] tijdig een daad van rechtsvervolging is verricht om een verjaring te stuiten. Niet is gesteld of gebleken dat de gestelde vorderingen van [persoon A] op KPN in de periode van 25 juli 1994 tot aan de beweerdelijke cessie aan Fine Star op 14 november 2017 is gestuit.

2.27.

[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het onder 2.26 vermelde eindvonnis van de rechtbank Rotterdam en is daarbij onder andere opgekomen tegen het verjaringsoordeel.

2.28.

Het gerechtshof Den Haag heeft op 9 februari 2021 arrest gewezen

(ECLI:NL:GHDHA:2021:141, hierna: het Arrest). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en, voor zover voor deze procedure relevant, als volgt (geciteerd zonder weergave van de noten) overwogen:

“7. [eiser] beroept zich vele malen op het gezag van gewijsde van diverse rechterlijke beslissingen in voormelde procedures. Daarbij miskent hij niet alleen veelal de ‘devolutieve werking’, maar ook de essentie van het begrip ‘gezag van gewijsde’.
Daarnaast leest [eiser] bij herhaling rechterlijke uitspraken niet juist. Wanneer de rechter slechts een standpunt van een partij weergeeft, betekent dit niet dat dit het standpunt van de rechter zelf is laat staan dat dit door de rechter als vaststaand is aangemerkt.


De devolutieve werking en het gezag van gewijsde

8. De partij die in eerste aanleg gelijk heeft gekregen (zoals in dit geval KPN in ‘de 1ste procedure’, ‘de 2e procedure’ en de ‘3e procedure’) hoeft niet incidenteel in hoger beroep te gaan tegen in eerste aanleg niet-besproken of verworpen stellingen (de devolutieve werking). Achtergrond hiervan is, kort gezegd, dat die partij (in dit geval KPN) toch al gelijk heeft gekregen, zodat deze partij in zoverre geen belang heeft bij hoger beroep. In verband met de afwenteling van het geschil op de hogere rechter, moet de hogere rechter bovendien bij het slagen van een of meer grieven toch de weren van de wederpartij bespreken. Het andersluidende betoog van [eiser] is niet juist.

9. Op grond van artikel 236 Rv (over het gezag van gewijsde) komt bindende kracht toe aan onherroepelijke beslissingen die tussen dezelfde partijen in een ander geding zijn genomen. In essentie strekt het leerstuk van gezag van gewijsde ertoe een einde te maken aan geschillen die in wezen dezelfde rechtsbetrekking betreffen. Bij pluraliteit van partijen moet uit de eerdere rechterlijke uitspraak blijken jegens welke partij de beslissing is genomen. Negatieve beslissingen (zoals een niet-ontvankelijkheid) kunnen niet in een andere procedure met een a-contrario-redenering worden omgezet in een positieve beslissing over de ontvankelijkheid van een andere partij. [eiser] miskent telkens voormelde uitgangspunten wanneer hij zich beroept op de bindende kracht van beslissingen in andere procedures. (…)”


Betekenis voor deze procedure

10. Toegespitst op deze zaak betekent dit alles het volgende.

(…)
c) KPN heeft in de andere procedures waarbij [eiser] en/of Fine Star betrokken waren/was, uiteindelijk steeds gelijk gekregen. Dit betekent dat over de weren van KPN die in die procedures niet besproken of verworpen zijn, geen beslissingen zijn genomen die in de zin van artikel 236 Rv tussen partijen gelden. De rechter (in eerste aanleg en/of in hoger beroep) heeft deze immers niet (verder) hoeven te bespreken, zodat hierover niet is beslist in voormelde zin.
d) De door [eiser] gestelde aansprakelijkheid, schadehoogte en de geldigheid van cessies zijn in eerdere procedures tussen partijen niet met gezag van gewijsde vastgesteld. (…)

11. Met inachtneming van het voorgaande overweegt het hof verder als volgt. Zoals reeds is overwogen, is in deze ‘3e procedure’ tegen KPN weer de rechtsvordering tot betaling van de door contractanten geleden schade aan de orde. Volgens [eiser] heeft Fine Star deze vordering op 14 november 2017 van [persoon A] verkregen. De rechtbank heeft het meest verstrekkende verweer van KPN, namelijk dat de rechtsvordering is verjaard, geaccepteerd. Volgens de rechtbank (in overweging 4.8) is gesteld noch gebleken dat de vordering van [persoon A] op KPN in de periode 25 juli 1994 tot aan de beweerdelijke cessie aan Fine Star op 14 november 2017 is gestuit. De rechtbank is daarom niet aan de andere weren van KPN toegekomen.

12. Het hof zal evenals de rechtbank (voor de discussie; dus niet als vaststaand) veronderstellenderwijs aannemen (i) dat [persoon A] de vorderingen op 25 juli 1994 heeft verworven en (ii) dat [persoon A] de vorderingen vervolgens op 17 november 2017 aan Fine Star heeft geleverd. De grieven 1 en 2 (over de verwerving door [persoon A] in 1994 en de voorwaardelijke uitbreiding van grondslag) hoeven daarom niet besproken te worden.

De grieven 3, 4 en 5

13. Deze grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen zijn verjaard. Op grond van artikel 6:145 BW kan KPN (als aangesproken schuldenaar) zich ook jegens Fine Star (als verkrijger van de vordering) op verjaring beroepen.

14. Het hof stelt voorop dat KPN in eerste aanleg (en ook in hoger beroep) wel degelijk het verweer heeft gevoerd dat de vordering is verjaard (…). Dit betekent dat [eiser] dient aan te tonen dat de vordering steeds tijdig door [persoon A] (als schuldeiseres) is gestuit gedurende de ruim 23 jaren dat [persoon A] in de visie van [eiser] rechthebbende is geweest op de vordering. Niet in geschil is immers dat de verjaringstermijn 5 jaar bedraagt.

15. Stuiting in de zin van artikel 3:317 BW is niet aan de orde. Niet is immers gesteld of gebleken dat [persoon A] als schuldeiseres in die periode door een schriftelijke aanmaning of mededeling (in de zin van artikel 3:317 BW) de verjaring heeft gestuit.

16. [eiser] doet een beroep op stuiting in de zin van artikel 3:316 BW.

17. Naar het hof begrijpt beroept [eiser] zich in 70 tot en met 75 memorie van grieven (overigens niet met de vereiste nauwkeurigheid) op de bindende kracht (het gezag van gewijsde) van beslissingen in eerdergenoemde uitspraken. Dit beroep gaat niet op. Het hof verwijst daartoe naar zijn overwegingen 7 tot en met 10.

18. Daarnaast beroept [eiser] zich (in 79 memorie van grieven) op stuitingshandelingen van Fine Star als koper in 2004 en 2008. Deze stelling verdraagt zich niet met het door [eiser] verkondigde standpunt, tevens uitgangspunt in deze procedure, dat Fine Star in 2017 koper van de vordering is geweest. Het hof gaat reeds hierom aan deze stelling voorbij. Het hof gaat eveneens voorbij aan de stelling van [eiser] (in 80 en 81 memorie van grieven) dat [persoon A] zich al in 2004 had verbonden om de vorderingsrechten aan Fine Star te leveren, zodat toen al een rechtsverhouding tussen [persoon A] en Fine Star tot stand is gekomen die mede de bevoegdheid tot stuiting inhield. Welke rechtsverhouding [eiser] hier op het oog heeft is onduidelijk gebleven, waardoor enerzijds KPN zich daartegen niet verder kan verweren dan zij heeft gedaan en het hof niet kan nagaan of die rechtsverhouding, wat die overigens zou inhouden, de bevoegdheid tot stuiting inhield.

19. [eiser] heeft (in 81 memorie van grieven) ook nog gesteld dat het beoordelen van stuitingshandelingen van vóor 10 juli 2015 (het arrest van de HR in ‘de 1ste procedure’) in strijd is met het gezag van gewijsde. Deze stelling is reeds besproken (in overwegingen 7 tot en met 10 en overweging 17) en wordt verworpen. Wat [eiser] bedoelt met zijn stelling dat het beoordelen van stuitingshandelingen van vóór 10 juli 2015 in strijd is met het Unierecht, ontgaat het hof.

20. Tot slot heeft [eiser] nog een beroep gedaan op het tweede lid van artikel 3:316 BW (memorie van grieven 82 tot en met 86 en samenvatting op blz 31). Het hof begrijpt dit beroep als volgt. Na ‘de 1ste procedure’ (geëindigd met het arrest van de HR van 10 juli 2015) heeft [eiser] opnieuw de afgewezen eis in rechte herhaald, hetgeen een rechtsgeldige stuiting oplevert.
Ook deze stelling faalt. Los van het feit dat de grondslag van de procedures verschillend is, miskent [eiser] hiermee dat ‘de 2e procedure’ pas bij dagvaarding van 22 april 2016 aanhangig is gemaakt. Dit is later dan de vereiste zes maanden. Bovendien is de eis in deze ‘de 2e procedure’ afgewezen bij vonnis van 12 april 2017. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld. Aan de tweede cumulatieve eis van art 3:316 lid 2 BW is evenmin voldaan.

21. Het beroep van [eiser] (memorie van grieven 87) op de redelijkheid en billijkheid, dan wel op strijd met een goede procesorde, wordt als ongegrond gepasseerd, evenals het beroep op het EVRM.

22. De grieven 3, 4 en 5 worden eveneens verworpen. (…)

24. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. (…) Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Er zijn geen concrete feiten te bewijzen aangeboden. (…)”

2.29.

[eiser] heeft geen cassatie ingesteld tegen het Arrest.

2.30.

Bij brief van 23 juli 2021 van Fine Star aan [persoon A] heeft Fine Star [persoon A] bericht dat zij [persoon A] naar aanleiding van het Arrest in gebreke stelt “due to faulty delivery and because we can in no way enforce the claim rights anymore”. Verder schrijft Fine Star dat zij de cessie van [persoon A] aan Fine Star van 14 november 2017 ontbindt, de vorderingsrechten op KPN aan [persoon A] teruglevert en [persoon A] aansprakelijk houdt voor de door haar geleden schade.

2.31.

Fine Star heeft KPN bij brief van 12 oktober 2021 mededeling gedaan van de beweerdelijke teruglevering van de vorderingsrechten aan [persoon A] .

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na vermeerdering van eis om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat [persoon A] op 25 juli 1994 de vorderingsrechten heeft

verkregen die [persoon C] en [persoon B] op 5 november 1989 aan [persoon E] hebben

geleverd;

2. voor recht te verklaren dat [persoon A] op 14 november 2017 bevoegd was om de

vorderingsrechten aan Fine Star te leveren;

3. voor recht te verklaren dat vanwege de ontbindingsverklaring van Fine Star van 23 juli 2021 en acceptatie van de teruglevering van de vorderingsrechten, [persoon A] weer eigenaresse van de vorderingsrechten is;

4. voor recht te verklaren dat de vorderingsrechten tot op heden niet zijn verjaard;

5. voor recht te verklaren dat door de rechtbank in haar vonnis van 20 juli 2011 de hoogte van de litigieuze vorderingsrechten van [persoon A] is vastgesteld op de door [eiser] gestelde schade;

6. KPN te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 1.100.000.000,00 (zegge: een miljardhonderdmiljoen euro), te vermeerderen met de vervallen enkelvoudige wettelijke rente vanaf 28 november 2008, zijnde de dag waarop de eerste dagvaarding is uitgebracht tot de dag der algehele voldoening;

7. indien en voor zover de verjaring wel is opgetreden, voor recht te verklaren dat KPN, door het verjaringsverweer in de eerste procedure op te geven en in de tweede procedure niet te voeren, schade voor [persoon A] heeft veroorzaakt omdat zij een kort geding heeft moeten voeren om de bewijspositie van Fine Star in de derde procedure te verbeteren en omdat [persoon A] de onderhavige procedure moet voeren om zich te kunnen verdedigen tegen claims van Fine Star vanwege haar cessies in 2012 en 2017;

8. indien en voor zover de vordering van [persoon A] vanwege het verjaard zijn niet wordt gehonoreerd, KPN te veroordelen tot betaling van de werkelijk door [persoon A] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

9. KPN te veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief de nakosten.

3.2.

Aan de vorderingen 1 tot en met 6 legt [eiser] – kort weergegeven – ten grondslag dat [persoon A] , door de eerste drie cessies en door ontbinding van de vierde cessie van [persoon A] aan Fine Star van 14 november 2017 en (terug)levering door Fine Star van de vorderingsrechten op KPN op 23 juli 2021, opnieuw rechthebbende is geworden op de vorderingen van de contractanten op KPN uit hoofde van wanprestatie ten bedrage van € 1,1 miljard. De vorderingen 7 en 8 zijn gegrond op de uit artikel 6:101 lid 1 BW voortvloeiende schadebeperkingsplicht.

3.3.

KPN voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen althans tot afwijzing van de vorderingen, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten van KPN en de daarover verschuldigde wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis en de nakosten. KPN betwist de schadevergoedingsvorderingen en de gevorderde verklaringen voor recht en voert als verweer aan dat de vorderingen 1 tot en met 4 en 6 van [eiser] afstuiten op gezag van gewijsde van de oordelen die in de derde procedure in het Arrest zijn gegeven, dan wel dat de schadevergoedingsvordering is verjaard.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Lastgeving [persoon A] aan [eiser]

4.1.

In deze vierde procedure treedt [eiser] uitsluitend op als lasthebber van [persoon A] en niet (mede) namens zichzelf. KPN heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de vraag of de door [persoon A] aan [eiser] verleende lastgeving ziet op alle bij de dagvaarding ingestelde vorderingen. In de ter zitting als productie 34 overgelegde aanvulling op de bij de dagvaarding als productie 2 overgelegde lastgeving bekrachtigt [persoon A] alle rechtshandelingen en claims van [eiser] in deze procedure. Gelet hierop is voldoende komen vast te staan dat de lastgeving van [persoon A] zich uitstrekt over alle onder 3.1 weergegeven vorderingen.

Inleiding

4.2.

De eerste drie cessies (zie onder 2.11 en de als eerste twee genoemde cessies onder 2.12) waarop [eiser] zich in deze procedure beroept, zijn al in eerdere procedures aan de orde gekomen. In deze procedure stelt [eiser] (wederom) dat [persoon A] de beweerdelijke vorderingsrechten op KPN op 25 juli 1994 zou hebben verworven en vervolgens op 14 november 2017 aan Fine Star heeft geleverd. Als nieuwe grondslag beroept [eiser] zich op de in 2.30 genoemde brief van 23 juli 2021 van Fine Star, waarmee Fine Star de onder 2.25 genoemde cessie van [persoon A] aan Fine Star van 14 november 2017 zou hebben ontbonden en de vorderingsrechten aan [persoon A] zou hebben teruggeleverd, en beroept hij zich op de op 12 oktober 2021 door Fine Star aan KPN gedane mededeling.

Gezag van gewijsde van de oordelen in de derde procedure

4.3.

KPN heeft aangevoerd dat een deel van de vorderingen van [eiser] afstuit op het gezag van gewijsde van het oordeel van het hof over de verjaring van de vorderingen van Fine Star. KPN stelt dat het hof in de derde procedure, op basis van precies dezelfde feitelijke stellingen als die [eiser] in deze procedure inneemt, heeft geoordeeld dat [persoon A] in de periode van 25 juli 1994 tot 14 november 2017 de verjaring van de gestelde rechtsvorderingen op KPN niet rechtsgeldig heeft gestuit. Het gezag van gewijsde van het Arrest strekt zich in deze procedure ook uit over [persoon A] als de door [eiser] gestelde cessionaris van de beweerde vorderingsrechten, aldus KPN.

4.4.

Volgens [eiser] kan het verjaringsoordeel in het Arrest geen gezag van gewijsde hebben omdat de rechtsvorderingen op KPN in de eerste procedure niet verjaard zijn verklaard en hier in de tweede procedure helemaal niet over is gedebatteerd. Dit maakt volgens [eiser] dat het hof het definitief geworden oordeel in het vonnis van 20 juli 2011 van de rechtbank Den Haag dat geen sprake is van verjaring, niet ambtshalve kon terugdraaien in het Arrest. Daarnaast voert [eiser] aan dat de rechtbank zich in de derde procedure nog niet over de verjaringskwestie in deze vierde procedure heeft uitgelaten en dat deze procedure is gestart uit naam van [persoon A] en niet uit naam van Fine Star. De verjaring van de rechtsvorderingen ten opzichte van Fine Star maakt volgens [eiser] niet dat de rechtsvorderingen ten opzichte van [persoon A] ook zijn verjaard. Dat Fine Star de stuiting in de derde procedure bij de rechtbank onvoldoende heeft belicht en dit in het hoger beroep niet heeft kunnen rechtzetten, is [persoon A] als cedent niet aan te rekenen. Zij was in de eerdere procedures niet direct partij en mag niet de dupe worden van de slechte toelichting van Fine Star op haar vorderingen in de derde procedure, aldus [eiser] .

4.5.

De vraag die partijen verdeeld houdt is dus of [eiser] (als lasthebber van [persoon A] ) het verjaringsoordeel uit de derde procedure ook in deze procedure tegen zich moet laten gelden. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van KPN dat het Arrest in dit geschil gezag van gewijsde heeft, slaagt. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.6.

Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (artikel 236 lid 1 Rv). Dat betekent dat het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Heeft het andere geding (mede) betrekking op andere geschilpunten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschilpunten. Dit is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vraagt om uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust.

4.7.

Indien een vordering met kracht van gewijsde is afgewezen, en de afwijzing erop is gebaseerd dat de voor de vordering aangevoerde grondslag niet is komen vast te staan of dat deze grondslag de vordering niet kan dragen, kan tot uitgangspunt dienen dat de beslissingen aangaande het ontbreken of niet toereikend zijn van deze grondslag, in een ander geding tussen dezelfde partijen gezag van gewijsde hebben. Dit betekent onder meer dat bij een beroep op gezag van gewijsde, feiten en bewijsmiddelen die in de eerdere procedure niet ter staving van de gestelde grondslag zijn aangevoerd, in een ander geding niet alsnog in het kader van dezelfde grondslag aan de vordering ten grondslag kunnen worden gelegd. Het gezag van gewijsde kan er echter niet aan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden (zie Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, r.o. 3.1.3.1.4).

4.8.

Niet in geschil is dat het Arrest moet worden aangemerkt als een in kracht van gewijsde gegane uitspraak in de zin van artikel 236 lid 1 Rv. [eiser] (als lasthebber van Fine Star) en KPN hebben immers geen cassatieberoep ingesteld tegen het Arrest binnen de daarvoor geldende termijn. Beoordeeld dient vervolgens te worden of het Arrest ook gezag van gewijsde heeft. Daarvoor is allereerst nodig dat het in deze zaak gaat om dezelfde partijen als in het Arrest.

4.9.

[eiser] voert aan dat de onderhavige procedure is gestart uit naam van [persoon A] en dat zij in de eerdere procedures niet direct partij was. Voor zover [eiser] hiermee heeft willen betogen dat de partijen in deze procedure niet dezelfde partijen zijn als de partijen in de derde procedure, gaat dat niet op. Zoals KPN terecht stelt, wordt onder partijen namelijk mede begrepen de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, tenzij uit de wet anders voortvloeit (artikel 236 lid 2 Rv). Aangezien rechtverkrijging kan geschieden door overdracht van rechten (cessie) en [eiser] zelf stelt dat [persoon A] na het Arrest de vorderingsrechten weer van Fine Star gecedeerd heeft gekregen, brengt dit met zich dat sprake is van “dezelfde partijen” in de zin van artikel 236 Rv. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat uit de wet anders voortvloeit. [eiser] lijkt zich dit ook te realiseren door te stellen dat het evident is dat [persoon A] als rechtverkrijgende onder bijzondere titel eerdere gegeven definitieve beoordelingen in voorgaande procedures kan inroepen.

4.10.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het hof in het Arrest een (bindende en dragende) beslissing heeft genomen die de rechtsbetrekking in het geschil van deze zaak betreft. Onder rechtsbetrekking moet worden verstaan het geschilpunt of de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt. Het gaat erom of de beslissing in de derde procedure in de weg staat aan een nieuw oordeel over de rechtsbetrekking, in die zin dat dit nieuwe oordeel zou kunnen leiden tot een uitspraak die zich naar zijn uitkomst niet met de eerdere uitspraak verdraagt. [eiser] heeft zich in deze procedure weliswaar op een nieuw rechtsfeit beroepen (zie r.o. 4.2), maar onderdeel van die nieuwe grondslag is de stelling dat de vorderingen van [persoon A] op KPN afdwingbaar zijn omdat [persoon A] de verjaring daarvan in de periode van 25 juli 1994 tot aan de beweerdelijke cessie aan Fine Star op 14 november 2017 heeft gestuit. De beslissing in de derde procedure tot afwijzing van de vorderingen van Fine Star omdat deze zijn verjaard, berust op een beslissing over datzelfde geschilpunt.

4.11.

In de derde procedure is dit geschilpunt namelijk zoals hierboven weergegeven onder 2.26 en in de onder 2.28 weergegeven rechtsoverwegingen 11 tot en met 24 van het Arrest aan de orde geweest. Daaruit volgt dat de stelling dat de rechtsvorderingen van Fine Star zijn verjaard, onderdeel was van de grondslag van het verweer van KPN. [eiser] (als lasthebber van Fine Star) heeft het verjaringsverweer in de derde procedure zowel bij de rechtbank als bij het hof inhoudelijk weersproken. De stuiting van de verjaring is in die procedures immers aan bod gekomen als onderdeel van de grondslag van het verweer van [eiser] (als lasthebber van Fine Star) tegen het verjaringsverweer van KPN. Het hof heeft geoordeeld dat de gestelde rechtsvorderingen van Fine Star zijn verjaard omdat geen sprake is geweest van bijtijdse stuitingshandelingen van [persoon A] in de zin van de artikelen 3:316 en 3:317 BW.

4.12.

Geconcludeerd wordt dan ook dat de stelling die [eiser] in deze procedure aan een deel van zijn vorderingen ten grondslag legt – namelijk dat [persoon A] de verjaring van de gestelde rechtsvorderingen heeft gestuit – in de derde procedure inhoudelijk al door het hof is beoordeeld, dat het hof op dat geschilpunt heeft beslist en dat de afwijzing van de vorderingen van Fine Star op die beslissing berust. KPN kan dan ook een beroep doen op het gezag van gewijsde van dit oordeel.

4.13.

Onjuist is het standpunt van [eiser] dat het [persoon A] als cedent niet kan worden tegengeworpen dat Fine Star de stuiting in de derde procedure onvoldoende zou hebben belicht en [persoon A] daar niet de dupe van kan worden. Op [eiser] (als lasthebber van Fine Star) rustte in de derde procedure immers de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast over de vraag of sprake is geweest van rechtsgeldige stuitingen door [persoon A] , en het hof heeft geoordeeld – zo legt de rechtbank het Arrest uit – dat zijn stellingen faalden of onvoldoende waren onderbouwd. Het hof heeft [eiser] (als lasthebber van Fine Star) bij gebreke van een toereikend bewijsaanbod niet in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren.

4.14.

De stelling van [eiser] dat in 2011 door de rechtbank Den Haag anders is geoordeeld over de verjaringskwestie, zodat het hof dit oordeel niet heeft kunnen terugdraaien in het Arrest, gaat niet op. Voor zover hierin moet worden gelezen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van verjaring en dat KPN daarom geen beroep op het gezag van gewijsde toekomt, miskent [eiser] dat als hij het oordeel onjuist achtte, hij cassatieberoep tegen het Arrest had moeten instellen. Nu hij (als lasthebber van Fine Star) daarvan heeft afgezien, kan dit – mede gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – in deze procedure geen rol meer spelen.

4.15.

Slotsom is dat het verjaringsoordeel in het Arrest tussen partijen bindend is en dit geschilpunt niet opnieuw in deze procedure aan de orde kan worden gesteld. Als uitgangspunt geldt dat in deze zaak onbetwistbaar vaststaat dat geen sprake is geweest van tijdige stuitingshandelingen door [persoon A] . De overige inhoudelijke stellingen van [eiser] behoeven bij die stand van zaken niet besproken te worden.

4.16.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook indien in deze procedure een deel van de vorderingen van [eiser] niet zou afstuiten op het gezag van gewijsde van het Arrest en vastgesteld zou kunnen worden dat [persoon A] de verjaring van de gestelde rechtsvorderingen wel rechtsgeldig heeft gestuit, dat deel van de vorderingen van [eiser] evenmin toewijsbaar is. Het hof heeft in het Arrest namelijk geoordeeld dat de door [eiser] (als lasthebber van Fine Star) gestelde aansprakelijkheid, schadehoogte en de geldigheid van cessies in eerdere procedures tussen partijen niet met gezag van gewijsde is vastgesteld en [eiser] (als lasthebber van Fine Star) daarnaast onder meer gewezen op de werking van het gezag van gewijsde (zie onder 2.28 onder rechtsoverweging 10(d) en 7 tot en met 10) en uitgelegd waarom zijn verwijzingen naar onderdelen uit uitspraken in de eerdere procedures niet opgaan. Desondanks heeft [eiser] nagelaten zijn schadevergoedingsvordering in deze procedure van enige inhoudelijke toelichting en onderbouwing te voorzien. Onterecht is [eiser] dan ook bij zijn stelling gebleven dat de rechtbank en het hof in de eerste en tweede procedures met de weergave van stellingnames in de feitenvaststelling in de uitspraken de verschuldigdheid en hoogte van de gestelde vorderingsrechten als vaststaande feiten heeft vastgesteld. Voor die opvatting van [eiser] ontbreekt een basis in het recht. Bij gebreke van voldoende feiten en omstandigheden waaruit een grondslag, de schadeplichtigheid en de hoogte van de schade kan worden afgeleid, bestaat ook langs deze weg geen grond om de vorderingen van [eiser] toe te toewijzen.

Tussenconclusie

4.17.

De slotsom is dat als [persoon A] al een rechtsvordering zou hebben op KPN, reeds in het Arrest is geoordeeld dat de verjaring daarvan niet is gestuit. Die rechtsvorderingen zijn dus verjaard. De gevorderde verklaring voor recht dat de vorderingsrechten niet zijn verjaard (onder 3.1 onder 4) en de vordering tot betaling van een bedrag van € 1.1 miljard (onder 3.1 onder 6) worden daarom afgewezen. De gevorderde verklaring voor recht dat de rechtbank in de eerste procedure de schadehoogte heeft vastgesteld wordt ook afgewezen (onder 3.1 onder 5). Anders dan [eiser] stelt is van een vaststelling van de schadehoogte in de eerste procedure geen sprake. De rechtbank verwijst naar hetgeen in het Arrest onder 7, 9 en 10 onder d) en hetgeen hierboven onder 4.16 is overwogen.

4.18.

KPN heeft aangevoerd dat de vorderingen 1 tot en met 3, die zien op de (beweerde) cessies van de vorderingsrechten, wegens het ontbreken van voldoende belang moeten worden afgewezen. Niet (voldoende) gesteld of gebleken is dat [persoon A] bij afwijzing van de vordering tot schadevergoeding een voldoende rechtens te respecteren belang heeft bij de vaststelling in rechte van het op 25 juli 1994 verkrijgen van de vorderingsrechten op KPN en het weer eigenaresse worden van de vorderingsrechten op 23 juli 2021. Hetzelfde geldt voor de gevorderde verklaring dat [persoon A] op 14 november 2017 de vorderingsrechten heeft kunnen leveren aan Fine Star. Het ter zitting door [eiser] genoemde belang om op die manier de door [eiser] gestelde cessieketen in stand te houden en de omstandigheid dat het hof nooit uitspraak heeft gedaan over de vraag of de vorderingsrechten in 2017 rechtsgeldig zijn geleverd, volstaan – zonder bijkomende argumentatie – in elk geval niet. De vorderingen onder 3.1 onder 1 tot en met 3 worden daarom ook afgewezen.

Schadevergoeding

4.19.

In de dagvaarding heeft [eiser] geen grondslag voor zijn vorderingen onder 7 en 8 aangevoerd. Ter zitting stelt [eiser] dat KPN vanwege de schadebeperkingsplicht gehouden is tot het vergoeden van de door hem geleden schade nader op te maken bij staat. Doordat KPN in de eerste procedure het verjaringsverweer heeft opgegeven en pas na tien of elf jaar in de derde procedure het verjaringsverweer weer heeft aangevoerd, zijn in de tussenliggende periode onnodige procedures gevoerd en heeft [eiser] onnodige proceskosten gemaakt. [eiser] was er namelijk van uitgegaan dat de vordering niet was verjaard. Als het verjaringsverweer eerder dan in de derde procedure zou zijn gevoerd, dan zou er volgens hem eerder zijn gestopt met procederen. KPN betwist de aansprakelijkheid voor enige schade in dit verband.

4.20.

Het betoog van [eiser] faalt. Daargelaten dat KPN gemotiveerd heeft weersproken dat zij het verjaringsverweer zou hebben opgegeven, valt onder meer niet in te zien dat de schade waar [eiser] over spreekt mede een gevolg is van een omstandigheid die aan KPN kan worden toegerekend. [eiser] heeft dit onvoldoende gesteld. Op KPN rust immers geen verplichting om een verjaringsverweer te voeren, zodat enig onrechtmatig handelen dat aan haar zou moeten worden toegerekend, niet is komen vast te staan. De rechtbank verwijst in dit verband naar de opmerkingen van het hof in het Arrest over de devolutieve werking (zie 2.28 onder r.o. 8 en 10 onder c).

4.21.

Het voorgaande brengt met zich dat de onder 3.1 onder 7 gevorderde verklaring voor recht en de onder 3.1 onder 8 gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.

Proceskosten

4.22.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. KPN heeft verzocht om [eiser] te veroordelen in haar volledige proceskosten, omdat [eiser] misbruik van procesrecht zou hebben gemaakt en onrechtmatig jegens haar zou hebben gehandeld. Hiertoe voert KPN aan dat [eiser] in deze procedure dezelfde stellingen aan zijn vorderingen ten grondslag legt als in de derde procedure, terwijl hier al onherroepelijk over is geoordeeld. Daarom moeten de vorderingen van [eiser] gelet op het gezag van gewijsde van de in die procedure gegeven oordelen als op voorhand kansloos worden aangemerkt.

4.23.

Uitgangspunt is dat de proceskostenregeling in de artikelen 237 tot en met 240 Rv, een limitatieve en exclusieve regeling bevat van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Alleen in buitengewone omstandigheden is een volledige vergoedingsplicht van proceskosten (en dus in afwijking van het liquidatietarief) denkbaar. Hierbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Uit vaste rechtspraak volgt dat hiervan sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366.) Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

4.24.

Dat de vorderingen van [eiser] zijn afgestuit op het gezag van gewijsde is op zichzelf dus niet voldoende om misbruik van procesrecht aan te nemen. Het gaat erom of [eiser] op voorhand moest begrijpen dat deze procedure tot niets zou leiden. Gelet op de rechtsoverwegingen van het Arrest en de daarbij vooraf geplaatste procesrechtelijke opmerkingen van het hof, had [eiser] op voorhand de onjuistheid van een groot deel van zijn stellingen behoren te kennen. De stelling van [eiser] dat de verjaring van de rechtsvorderingen van [persoon A] rechtsgeldig is gestuit en het oordeel van het Hof in het Arrest in deze procedure niet zou gelden, was niet kansrijk. De rechtbank acht echter relevant dat deze vierde procedure met de door [eiser] ingestelde vorderingen onder 3.1 onder 7 en 8 ook betrekking heeft op andere geschilpunten dan die waarover in de derde procedure met gezag van gewijsde is beslist. Daar komt bij dat [eiser] in de onderhavige zaak een andere grondslag heeft aangevoerd in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:2099) en dat het bij de beoordeling van de vraag of een oordeel gezag van gewijsde heeft, gaat om uitleg van een vonnis of arrest in kwestie (zie het onder 4.6 aangehaalde toetsingskader). Enige beoordelingsruimte – hoewel in deze zaak in de marge – is dan nog aanwezig.

4.25.

Tegen deze achtergrond is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen geen sprake, zodat geen grond bestaat voor toewijzing van een proceskostenveroordeling op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Die vordering wordt afgewezen.

4.26.

De kosten aan de zijde van KPN worden volgens liquidatietarief begroot op:

- griffierecht € 4.200,00

- salaris advocaat € 7.998,00 (2,0 punten × tarief € 3.999,00)

Totaal € 12.198,00

4.27.

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente wordt als onweersproken toegewezen met inachtneming van de hierna in de beslissing te bepalen termijn.

4.28.

Uit de uitspraak van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853), onder nummer 2.3, leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van KPN tot op heden begroot op € 12.198,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel, mr. P.C. Santema en mr. E.M. Rocha en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2022.

1573/32/3497