Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:6878

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2022
Datum publicatie
23-08-2022
Zaaknummer
9836670
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Premieachterstand, rauwelijks gedagvaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 9836670 \ CV EXPL 22-12857

datum uitspraak: 12 augustus 2022

vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

VGZ Zorgverzekeraar N.V,

vestigingsplaats: Arnhem,

eiseres,

gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding van 12 april 2022, met producties;

  • -

    de e-mail van [gedaagde] van 12 april 2022;

  • -

    het antwoord;

  • -

    de repliek, met producties.

1.2.

[gedaagde] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet gereageerd op de conclusie van repliek.

2. De feiten

2.1.

Tussen partijen is een zorgverzekeringsovereenkomst met polisnummer [polisnummer] tot stand gekomen. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] onder andere verzekeringspremie en zorgkosten vanwege eigen risico en eigen bijdragen verschuldigd.

2.2.

[gedaagde] heeft een achterstand in de betaling van de verzekeringspremie en zorgkostennota’s laten ontstaan.

3. Het geschil

3.1.

VGZ eist samengevat:

  • -

    [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 500,00 aan hoofdsom met rente;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten;

  • -

    het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

VGZ baseert de eis op het volgende. Op grond van de tussen partijen gesloten zorgverzekeringsovereenkomst is [gedaagde] gehouden de maandelijks verschuldigde premie bij vooruitbetaling te voldoen. Daarnaast is [gedaagde] eveneens gehouden eventuele andere facturen, waaronder zorgkostennota’s, aan VGZ te voldoen. Op grond van artikel 3.4.3 van de toepasselijke polisvoorwaarden brengt VGZ bovendien een bedrag van € 1,50 per verzonden factuur in rekening, nu [gedaagde] gekozen heeft voor betaling per acceptgiro.

3.3.

VGZ heeft de uit hoofde van de verzekering verschuldigde bedragen bij [gedaagde] in rekening gebracht. Van deze bedragen heeft [gedaagde] aanvankelijk € 1.275,53 onbetaald gelaten. De betalingsachterstand heeft betrekking op de verschuldigde premie over de periode van februari 2018 tot en met februari 2019, een tweetal zorgkostennota’s met als factuurdata 6 juli 2017 en kosten voor betaling per acceptgiro. Van deze achterstand heeft [gedaagde] een totaalbedrag van € 359,26 aan VGZ voldaan. [gedaagde] is, ondanks aanmaning, in gebreke gebleven met voldoening van het restant, zodat VGZ haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven.

VGZ heeft het volgende te vorderen:

Hoofdsom € 1.275,53

Wettelijke rente tot 09-04-2022 € 81,48

Buitengerechtelijke kosten € 166,30

--------------

Subtotaal € 1.523,31

Voldaan aan VGZ € 359,26 -/-

--------------

Totaal € 1.164,05

3.4.

VGZ beperkt om haar moverende redenen haar vordering tot € 500,00 aan hoofdsom, maar reserveert uitdrukkelijk haar rechten voor het resterende deel.

3.5.

[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. Hoewel [gedaagde] niet betwist dat hij de hoofdsom verschuldigd is, is hij rauwelijks gedagvaard. Hij heeft geen enkele aanmaning ontvangen. [gedaagde] is overgestapt naar een andere zorgverzekeraar en wist niet dat er nog bedragen betaald moesten worden. [gedaagde] heeft van de gemachtigde van VGZ vernomen dat de bij dagvaarding overgelegde brief van 22 maart 2022 per e-mail is verzonden. De gemachtigde van VGZ heeft alle correspondentie naar een verkeerd

e-mailadres gestuurd. [gedaagde] maakt bezwaar tegen de buitengerechtelijke kosten en alle bijkomende kosten.

4. De beoordeling

hoofdsom

4.1.

Door [gedaagde] is niet betwist dat hij een achterstand in de betaling van de verschuldigde premie en zorgkostennota’s heeft laten ontstaan, die aanvankelijk € 1.275,53 bedroeg. Uit de stellingen in de dagvaarding en de bij dagvaarding overgelegde brief van 22 maart 2022 volgt dat [gedaagde] een totaalbedrag van € 359,26 rechtstreeks aan VGZ heeft betaald. Dat betekent dat er een hoofdsom resteert van € 916,27. Nu [gedaagde] de hoogte van het achterstallige bedrag aan premie en zorgkostennota’s niet heeft betwist en gesteld noch gebleken is dat hij meer of anders heeft betaald dan door VGZ in de dagvaarding is aangegeven, ligt het gevorderde, in hoogte beperkte bedrag aan hoofdsom van € 500,00 voor toewijzing gereed. De daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (te weten 12 april 2022) is eveneens toewijsbaar.

buitengerechtelijke incassokosten en rente

4.2.

Aan het door [gedaagde] bij antwoord aangevoerde verweer tegen de buitengerechtelijke incassokosten wordt voorbij gegaan nu VGZ haar vordering uitdrukkelijk heeft beperkt tot een bedrag van € 500,00 aan hoofdsom. Dat betekent dat er in deze procedure geen buitengerechtelijke incassokosten worden gevorderd. Hetzelfde geldt voor de vóór dagvaarding vervallen wettelijke rente over de achterstallige premie en zorgkostennota’s.

proceskosten

4.3.

[gedaagde] heeft gesteld dat hij rauwelijks is gedagvaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij geen enkele aanmaning heeft ontvangen. Ten aanzien van de door VGZ bij dagvaarding overgelegde aanmaning van 22 maart 2022 heeft [gedaagde] gesteld dat hij van de gemachtigde van VGZ vernomen heeft dat deze (slechts) per e-mail is verzonden, maar dat daarbij gebruik is gemaakt van een onjuist e-mailadres. Vooropgesteld wordt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW). Gelet op de betwisting door [gedaagde] van de ontvangst van de brief van 22 maart 2022, had het dan ook op de weg van VGZ gelegen te bewijzen dat die brief door [gedaagde] is ontvangen. VGZ heeft in dat kader gesteld dat de brief zowel per e-mail als per post is verzonden. Met de enkele stelling dat de brief ook per post is verzonden, heeft VGZ echter niet aangetoond dat deze ook daadwerkelijk door [gedaagde] is ontvangen.

4.4.

Ten aanzien van het gehanteerde e-mailadres ([e-mailadres]) heeft VGZ voorts gesteld dat dit het bij VGZ bekende e-mailadres van [gedaagde] is. Uit de door VGZ bij conclusie van repliek overgelegde gespreksnotitie van het telefoongesprek tussen [gedaagde] en de gemachtigde van VGZ op 12 april 2022 volgt dat [gedaagde] tijdens dit gesprek heeft medegedeeld dat het gehanteerde e-mailadres al jaren niet meer in gebruik is. In dat kader heeft VGZ terecht aangevoerd dat het de verantwoordelijkheid van [gedaagde] is eventuele wijzigingen ten aanzien van zijn e-mailadres tijdig door te geven aan VGZ. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] aan VGZ heeft doorgegeven dat hij het e-mailadres [e-mailadres] niet meer in gebruik had en dat hij het nieuwe e-mailadres aan VGZ heeft verstrekt. Nu daarnaast niet gesteld of gebleken is dat VGZ een melding heeft ontvangen dat de door haar naar voornoemd e-mailadres gezonden berichten niet bezorgd konden worden, mocht VGZ er redelijkerwijs van uit gaan dat [gedaagde] op het gehanteerde e-mailadres kon worden bereikt. Dat de e-mail met de brief van 22 maart 2022 niet door [gedaagde] is ontvangen, komt onder de gegeven omstandigheden dan ook voor zijn rekening en risico.

4.5.

Door VGZ is daarnaast bij conclusie van repliek een groot aantal brieven overgelegd, ten aanzien waarvan zij heeft gesteld dat zij deze aan [gedaagde] heeft verzonden. [gedaagde] heeft niet meer op de conclusie van repliek gereageerd en heeft de ontvangst van die brieven dus ook niet meer betwist. Dat betekent dat er van uit gegaan wordt dat [gedaagde] de brieven heeft ontvangen. Van rauwelijks dagvaarden is alleen daarom al geen sprake. Uit de brieven van 30 september 2018, 28 oktober 2018 en 18 november 2018 en 9 december 2018 volgt dat VGZ [gedaagde] in kennis heeft gesteld van het feit dat er sprake is van een betalingsachterstand en dat zij gewezen heeft op de consequenties, indien [gedaagde] zou verzuimen alsnog tot betaling over te gaan. Nu vast staat dat [gedaagde] de betalingsachterstand destijds niet (volledig) heeft aangezuiverd, wist hij of had hij daarom kunnen weten dat VGZ op enig moment alsnog aanspraak kon maken op betaling van de verschuldigde bedragen. VGZ is dan ook op terechte gronden tot dagvaarding overgegaan. Het verweer van [gedaagde] op dit punt wordt verworpen.

4.6.

[gedaagde] krijgt, gelet op het bovenstaande, ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van VGZ tot vandaag vast op € 127,43 (inclusief btw) aan dagvaardingskosten, € 128,00 aan griffierecht en € 150,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 75,00). Dit is in totaal € 405,43. Voor kosten die VGZ maakt na deze uitspraak moet [gedaagde] ook een bedrag betalen van

€ 37,50 (1/2 punt x € 75,00,-). Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak.

uitvoerbaarheid bij voorraad

4.7.

Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen € 500,00 aan hoofdsom, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 12 april 2022 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van VGZ tot vandaag vastgesteld op € 405,43;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.

44487