Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:6718

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-08-2022
Datum publicatie
11-08-2022
Zaaknummer
10/178250-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor 10a Opiumwet tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/178250-21

Datum uitspraak: 9 augustus 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

uit anderen hoofde gedetineerd in de PI Rotterdam, locatie de Schie,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 juli 2022.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. Coenen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet de persoon is achter het Signal-account [accountnaam 1] en dat zelfs als dat wel aangenomen zou worden, geen opzet op de invoer van harddrugs vastgesteld kan worden.

4.2.

Oordeel van de rechtbank

Het Signal-account [accountnaam 1] is gekoppeld aan een witte iPhone 6. [accountnaam 1] was deelnemer aan een groepschat genaamd “[naam chatgroep]”, die was gestart op 9 juni 2021. Verbalisanten hebben deze iPhone in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte aangetroffen, waarbij hij heeft geprobeerd om deze aan het zicht van de verbalisanten te onttrekken. Verder heeft het Snapchataccount dat op de iPhone is geregistreerd, op 10 juni 2021 tussen 02.35u en 23.49u meermalen contact gehad met de vriendin van de verdachte, onder andere over het kind van zijn vriendin. Daarnaast zijn op de iPhone diverse foto’s opgeslagen waarop de verdachte staat, onder meer samen met zijn vriendin.

[accountnaam 1] heeft een aantal chatberichten verstuurd in de Turkse taal. De verdachte zegt geen Turks te spreken. De medeverdachte [naam medeverdachte 1] spreekt echter wel Turks (blijkens de stukken heeft hij zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit). Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ten tijde van het versturen van die chatberichten in de Turkse taal in gezelschap is geweest van [naam medeverdachte 1], terwijl uit het onderzoek niet is gebleken van een aan [naam medeverdachte 1] toe te schrijven telefoon of Signal-account, kan enkel uit die chatberichten in de Turkse taal niet afgeleid worden dat de verdachte niet mede gebruik heeft gemaakt van het account [accountnaam 1].

Al deze omstandigheden wijzen erop dat de witte iPhone 6s gedurende de ten laste gelegde periode in gebruik is geweest bij de verdachte. Daaruit volgt dat de verdachte, met het account [accountnaam 1], heeft deelgenomen aan de groepschat “[naam chatgroep]”. Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chats volgt dat [accountnaam 1], de verdachte, zich met voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne heeft beziggehouden. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat zijn opzet, in voorwaardelijke zin, ook daarop is gericht geweest en zal uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt.

De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, op het voor hen verboden Rotterdamse haventerrein begeven. De verdachte heeft daarnaast deelgenomen aan de groepschat “[naam chatgroep]”. In die groepschat wordt gesproken over het zo snel mogelijk over een hek klimmen, verblijf in een bak, het stack voor stack afzoeken van een terrein, een zogenaamde switchbak, het meenemen van goederen zoals voedsel, een slijptol, een klimset en powerbanks. Verder wordt in de groepschat door een persoon, die de accountnaam [accountnaam 2] gebruikt, [containernummer] genoemd, waarna de gebruiker met de naam [naam] een foto van een container met dat nummer en een satellietfoto van een deel van het containerterrein stuurt met de toevoeging “kijk boys bak is hier” en dat er tassen achter de deur staan. Medeverdachte [naam medeverdachte 2] (accountnaam [accountnaam 3]) heeft daarop gevraagd om hoeveel tassen het ging. [naam] heeft daarop gereageerd: “6 tassen van 50”. In container [containernummer] is 301 kilo cocaïne aangetroffen. De rechtbank kan het vorenstaande, in het licht van de bewijsmiddelen, niet anders uitleggen dan dat wordt gesproken over zes tassen met elk 50 kilo cocaïne, derhalve de in container [containernummer] aangetroffen 301 kilo cocaïne. Daarmee is een directe link tussen het handelen van de verdachte en de aangetroffen cocaïne een gegeven. Daar komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat via containers in de Rotterdamse haven cocaïne wordt ingevoerd. De verdachte heeft zijn aanwezigheid op het haventerrein niet verklaard.

Gelet op de bewijsmiddelen, de bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien en naar hun uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld, heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij betrokken zou raken bij de voorbereiding van de (verlengde) invoer van cocaïne in Nederland.

De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld in bewuste en nauwe samenwerking met anderen, namelijk de personen met wie hij contact heeft gehad via Signal (groepschat “[naam chatgroep]”) en met de gelijktijdig met hem aangehouden personen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 09 juni 2021 tot en met 11 juni 2021 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in

het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te

bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen,

van 301 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

  • -

    zich en/of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen

  • -

    voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door

  • -

    met mededaders via de app “Signal” contacten te onderhouden en informatie uit te wisselen en afspraken te maken over het zoeken naar de container [containernummer] en het afleveren en uithalen en verstrekken en vervoeren van de cocaïne, en

  • -

    over het hek van het terrein van de APM2-terminal, gelegen aan de [adres] te klimmen en zich aldus onbevoegd op die terminal te begeven, en

  • -

    in een container op de terminal te verblijven, en

  • -

    op de terminal op zoek te gaan naar container [containernummer], waarin die cocaïne zich bevond, en

  • -

    klimset, een slijptol, een (beton)schaar, powerbanks en (organisatie)telefoons voorhanden te hebben.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen begeven op een voor hen verboden haventerrein. Zij hebben daar twee dagen lang gezocht naar een container, waarin een grote partij cocaïne was aangetroffen. Ook heeft hij contact onderhouden met andere aanwezigen op het haventerrein en met informatieverstrekkers. Dit alles met maar één doel: het uithalen van de cocaïne, met het oog op de verdere distributie daarvan.

De invoer van cocaïne is een ernstig feit. Cocaïne is een stof die schadelijk is voor de volksgezondheid en is sterk verslavend. Daarnaast vormt de cocaïnehandel een ernstig maatschappelijk probleem, nu hij vaak gepaard gaat met geweld, corruptie, witwassen en wapenbezit. Hiermee wordt ernstige schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij, het gevoel van veiligheid en het vertrouwen van de samenleving in de integriteit van publieke instanties. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij hieraan een bijdrage heeft geleverd, vermoedelijk om er zelf veel geld aan te verdienen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclasseringsrapport

De verdachte komt al vanaf jonge leeftijd in aanraking met politie en justitie en heeft in dat verband al begeleiding gehad van de jeugdreclassering. De beschuldigingen die nu voorliggen zijn allemaal drugsgerelateerd. De verdachte heeft niet verklaard over de huidige beschuldigingen, waardoor geen directe verbanden kunnen worden gelegd tussen delictgedrag en het bestaan van eventuele criminogene factoren. De verdachte heeft zijn leven niet op orde: hij heeft geen vaste en zinvolle dagbesteding, waardoor hij geen structureel inkomen heeft, en hij is regelmatig in contact gekomen met politie en justitie. Om toe te werken naar een constructief delictvrij bestaan is begeleiding door de reclassering geïndiceerd.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij in 2020 en 2021 maar liefst negen keer eerder is aangehouden op de afgesloten terreinen van de Rotterdamse haven, waarbij het aannemelijk is dat hij daar steeds weer in de functie van “uithaler” aanwezig was.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal zich melden bij de reclassering na oproep en op afspraak, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;

de veroordeelde zal actief deelnemen aan de gedragsinterventie COVA of een andere -door de reclassering te bepalen - gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, met bepaling dat de veroordeelde zich zal houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

de veroordeelde zal een opleiding volgen voor het verkrijgen van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt;

de veroordeelde zal zich inspannen om een structureel legaal inkomen te verkrijgen;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking

verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als

bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mrs. A. Bonder en M.J.C. Spoormaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 9 augustus 2022.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 09 juni 2021 tot en met 11 juni 2021 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in

het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te

bevorderen, te weten

  • -

    het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen,

  • -

    het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren

van 301 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

  • -

    een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

  • -

    zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen

  • -

    voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door

  • -

    met één of meer mededader(s) (via de app “Signal”) contacten te onderhouden en/of informatie uit te wisselen en/of afspraken te maken over het zoeken naar de container [containernummer] en/of het afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van de cocaïne,

  • -

    over het hek van het terrein van de APM2-terminal, gelegen aan de [adres] te klimmen en/of zich (aldus) onbevoegd op die terminal te begeven, en/of

  • -

    in een container op de terminal te verblijven, en/of

  • -

    op de terminal op zoek te gaan naar container [containernummer], waarin die cocaïne zich bevond,

  • -

    meerdere tassen, klimsets, een slijptol, een (beton)schaar, powerbanks met en/of drie (organisatie)telefoons voorhanden te hebben.