Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:6510

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
C/10/621689 / HA ZA 21-601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis, ECLI:NL:RBROT:2022:2516. Verdeling na echtscheiding. Verdeling polis. Geen vordering uit hoofde van verdeling van de waarde van de aandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/621689 / HA ZA 21-601

Vonnis van 3 augustus 2022

in de zaak van

[naam man] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. B. Özates te Rotterdam,

tegen

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.J. de Bruin te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 maart 2022 en de daarin vermelde processtukken;

  • -

    de akte namens de man, met bijlagen;

  • -

    de antwoordakte namens de vrouw, met producties 26 en 27;

  • -

    de akte vermeerdering van eis namens de man;

  • -

    het bericht van de rechtbank van 7 juli 2022, waarin de vermeerdering van eis van de man is geweigerd en de man in de gelegenheid is gesteld alsnog de bescheiden in het geding te brengen ten aanzien van de waarde van de polis bij Nationale Nederlanden op de peildatum;

  • -

    de akte namens de man, met bijlagen;

  • -

    de akte namens de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Het vonnis van 30 maart 2022

2.1.

In het vonnis van 30 maart 2022 heeft de rechtbank een deel van de vorderingen in conventie en in reconventie afgedaan. Over twee onderwerpen dient nog nader te worden beslist, te weten over de polis bij Nationale Nederlanden met polisnummer [polisnummer] en over de aandelen in [naam bedrijf] . Voorts dient nog te worden beslist over de proceskosten.

De polis bij Nationale Nederlanden met polisnummer [polisnummer]

2.2.

In het vonnis van 30 maart 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de polis aan de vrouw wordt toegedeeld onder de voorwaarde dat zij de helft van de waarde van de polis op de peildatum (22 april 2016) vergoedt aan de man. Indien de man premie heeft voldaan in de periode vanaf de peildatum tot de datum van wijziging van de tenaamstelling van de polis op naam van de vrouw, dient de vrouw ook deze bedragen aan de man te vergoeden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de waarde van de polis op de peildatum en de eventuele premies die door de man zijn voldaan na de peildatum.

2.3.

De vrouw voert in haar eerste akte na het tussenvonnis (opnieuw) aan dat de polis zonder nadere verrekening aan haar moet worden toebedeeld, omdat de man de boedel heeft benadeeld door geen premies te betalen na de peildatum. Ook de redelijkheid en billijkheid verzet zich tegen vergoeding van de helft van de waarde op de peildatum aan de man, aldus de vrouw. De rechtbank passeert deze stellingen, omdat reeds is vastgesteld dat de polis in de gemeenschap valt en dat de waarde op de peildatum om die reden bij helfte dient te worden verdeeld. Ook heeft de man aangetoond premies te hebben betaald na de peildatum. Wat de vrouw aanvoert in haar akte is een herhaling van zetten en kan dus niet tot een andere beslissing leiden.

2.4.

De man heeft (pas) bij nadere akte een e-mailbericht van Nationale Nederlanden overgelegd, waaruit volgt dat de waarde van de polis op de peildatum € 15.058,- bedroeg. De vrouw heeft de waarde van de polis op de peildatum niet betwist. De rechtbank gaat dan ook uit van deze waarde. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 7.529,-, zijnde de helft van de waarde op de peildatum, aan de man dient te vergoeden.

2.5.

De vrouw heeft met de door haar overgelegde betaalbewijzen bewezen – en dit is door de man ook niet betwist - dat zij in de periode vanaf de peildatum tot en met november 2019 de maandelijkse premie van de polis heeft betaald. De man heeft ook betaalbewijzen overgelegd. Hieruit blijkt dat de man in februari 2019 en in de periode maart 2020 tot en met juli 2022 de maandelijkse premie van de polis heeft betaald, zijnde, zoals door de man onbetwist gesteld, 30 maanden van € 61,87 per maand. De man heeft dus in totaal

€ 1.856,10 aan premies na de peildatum voldaan. De vrouw dient ook dit bedrag aan de man te vergoeden.

2.6.

De rechtbank zal de man gelasten zijn medewerking te verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling van de polis op naam van de vrouw nadat de vrouw de helft van de waarde van de polis (€ 7.529,-) en de door de man betaalde premies (€1.856,10), in totaal

€ 9.385,10, ten behoeve van de man, op de derdengeldenrekening van de advocaat van de man heeft gestort, waarvoor de vrouw een termijn van twee maanden na de datum van dit vonnis wordt gegund.

2.7.

Indien de vrouw het bedrag van € 9.385,10 niet tijdig stort op de derdengeldenrekening van de advocaat van de man, wordt de polis aan de man toegedeeld onder de voorwaarde dat de man in dat geval € 7.529,- aan de vrouw voldoet door middel van storting op de derdengeldenrekening van de advocaat van de vrouw en bovendien de premies die de vrouw na de peildatum tot en met november 2019 heeft voldaan, zijnde 43 maanden van € 61,87 = € 2.660,41. Dus in totaal dient de man dan € 10.189,41 te vergoeden en te storten op voormelde derdengeldenrekening binnen vier maanden na de datum van dit vonnis.

2.8.

Indien ook de man niet tijdig aan voormelde voorwaarde voldoet, dient de polis te worden afgekocht. De rechtbank zal voor dat geval partijen gelasten hieraan hun medewerking te verlenen. Hetgeen de vrouw en de man aan premies hebben voldaan sedert de peildatum zal eerst aan hun toekomen. Dit betekent dat van de actuele afkoopwaarde van de polis eerst (in ieder geval) € 1.856,10 aan de man toekomt en € 2.660,41 aan de vrouw en het sinds 1 augustus 2022 betaalde premiebedrag zal eerst toekomen aan degene die dat heeft voldaan. Het restant moet bij helfte tussen partijen worden gedeeld.

De aandelen in [naam bedrijf] .

2.9.

In door (de advocaat van) de man voorafgaand aan de procedure met de (advocaat van) de vrouw gevoerde correspondentie is aangegeven dat de vennootschap is ontbonden met een schuld van omstreeks € 100.000,- (bijlage bij de akte van 27 april 2022). De man heeft op verzoek van de rechtbank een uittreksel uit het Handelsregister overgelegd, waaruit blijkt dat [naam bedrijf] . per 5 januari 2018 is uitgeschreven uit het Handelsregister, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn per 20 december 2017. De rechtbank heeft de man in de gelegenheid gesteld de onderbouwde visie van zijn accountant ten aanzien van de (eventuele) waarde van de aandelen van deze vennootschap op de peildatum (22 april 2016) in het geding te brengen. De man heeft in dat kader een e-mailbericht van 26 april 2022 van zijn accountant in het geding gebracht, waarin de accountant aangeeft dat het vermogen van de holding enkel bestond uit vorderingen op partijen in privé. Volgens de accountant hadden de aandelen op de peildatum boekhoudkundig gezien een waarde van
€ 63.860,-, maar een economische waarde van € 0,-. De vrouw heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de holding op de peildatum een vermogen had van € 63.860,- conform de balans van het jaar 2016 en dat van dit bedrag dient te worden uitgegaan bij de bepaling van de waarde van de aandelen.

2.10.

Doorslaggevend bij de beoordeling van de vorderingen van de vrouw aangaande de aandelen in [naam bedrijf] . is, dat de vrouw niet heeft betwist en dat dus vaststaat dat de enige activa van de BV op de peildatum een vordering van de vennootschap op partijen in privé betrof, met andere woorden, op de huwelijksgemeenschap, van € 63.860,=, en dat de vennootschap verder (al dan niet) slechts schulden had. De waarde van de aandelen van de vennootschap kan gelet op het voorgaande niet méér zijn geweest dan de hoogte van de vordering op partijen in privé, en minder zijn, afhankelijk van of er wel of geen schulden van de vennootschap waren ten tijde van de peildatum, maar nooit minder dan nul gelet op de beperkte aansprakelijkheid. De vordering van de vennootschap op de huwelijksgemeenschap betreft een schuld van de huwelijksgemeenschap aan de vennootschap. Partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig voor die schuld. Waar de vrouw meent aanspraak te kunnen maken op de helft van de waarde van de aandelen, die zij stelt op € 63.860,=, heeft zij niet betwist dat zij tevens die helft zelf nog verschuldigd is aan de vennootschap, zodat er per saldo voor haar geen vordering uit hoofde van verdeling van de waarde van de aandelen kan resteren, hetgeen overigens ook voor de man geldt. Er is gelet op het voorgaande ook geen aanleiding en geen grond te veronderstellen dat de man opzettelijk bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap de aandelen in [naam bedrijf] . heeft verzwegen. Feitelijk was er niets te verdelen, omdat de waarde van de aandelen slechts uit de schuld van partijen bestond.

De vorderingen van de vrouw met betrekking tot de (verdeling van de) aandelen in [naam bedrijf] zullen dus worden afgewezen.

De proceskosten

2.11.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd zodat elk der partijen de eigen kosten moet dragen. Er is in deze procedure geen aanleiding af te wijken van dit gebruikelijke uitgangspunt bij ex-echtelieden.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

deelt de polis bij Nationale Nederlanden met polisnummer [polisnummer] toe aan de vrouw onder de voorwaarde dat de vrouw binnen twee maanden na de datum van dit vonnis een bedrag van € 7.529,= , zijnde de helft van de waarde van de polis op de peildatum, en de som van vanaf de peildatum tot de wijziging van de tenaamstelling door de man betaalde premies (tot en met juli 2022 bedragend € 1.856,10) op de derdengeldenrekening van de advocaat van de man heeft gestort, en gelast de man onmiddellijk na die storting zijn medewerking te verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van de polis op naam van de vrouw;

3.2.

voor het geval de vrouw niet tijdig en volledig voldoet aan hetgeen onder 3.1 is vermeld: deelt de polis bij Nationale Nederlanden met polisnummer [polisnummer] toe aan de man onder de voorwaarde dat de man binnen vier maanden na de datum van dit vonnis een bedrag van € 7.529,=, zijnde de helft van de waarde van de polis op de peildatum, en de som van vanaf de peildatum tot het moment van de hierna genoemde storting door de man, door de vrouw betaalde premies (tot en met juli 2022 bedragend € 2.660,41) op de derdengeldenrekening van de advocaat van de vrouw heeft gestort, en gelast de vrouw onmiddellijk na die storting, voor zover nog nodig, mee te werken aan tenaamstelling van de polis op naam van de man;

3.3.

gelast partijen de polis bij Nationale Nederlanden met polisnummer [polisnummer] af te kopen indien (ook) de man niet tijdig en volledig voldoet aan de in 3.2 genoemde voorwaarde en gelast partijen de verzekeringsmaatschappij in dat geval gezamenlijk te verzoeken de afkoopsom aldus uit te betalen dat een bedrag van € 2.660,41 aan de vrouw wordt uitbetaald en een bedrag van € 1.856,10 aan de man wordt uitbetaald (ter zake van de door ieder van hen na de peildatum tot en met juli 2022 betaalde maandelijkse premies) en bovendien de som van de sinds 1 augustus 2022 betaalde premiebedragen uit te betalen aan degene die ze aan de verzekeringsmaatschappij heeft voldaan, en het restant van de afkoopsom gelijkelijk te verdelen tussen partijen en dus aan iedere partij de helft uit de betalen van dat restant; gelast partijen zelf het resultaat van de bovenstaande verdeling van de uitkoopsom te bewerkstelligen indien de verzekeringsmaatschappij (deels) niet aan dat verzoek voldoet;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

3.6.

wijst al het overige gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.

3608/1861/638