Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:6433

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-07-2022
Datum publicatie
02-08-2022
Zaaknummer
10/080101-22 / TUL VV: 10/209005-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal. Oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij. Afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/080101-22

Parketnummer vordering TUL VV: 10/209005-20

Datum uitspraak: 20 juli 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2022

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. Linnenbank heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD) voor de duur van 2 jaren;

  • -

    afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/209005-20.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 16 februari 2022, te Dordrecht een fiets, die geheel of ten dele aan [naam slachtoffer] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets. Diefstal is een ergerlijk feit dat naast materiële schade, hinder voor de gedupeerde veroorzaakt. De verdachte heeft geen enkel respect getoond voor andermans eigendom en uitsluitend oog gehad voor zijn eigen behoefte, namelijk het hebben van een werkende fiets om naar huis te gaan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 mei 2022, waaruit blijkt dat de verdachte vele malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Bouman GGZ (Fivoor) afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd op 25 mei 2022. Dit rapport houdt – kort gezegd – het volgende in.

De voornaamste criminogene factoren die het recidiverisico bepalen zijn de hardnekkige verslavingsproblematiek van betrokkene in combinatie met een verstandelijke beperking. Betrokkene maakt onoverwogen, sterk impuls gestuurde gedragskeuzes waarbij hij tot delinquent gedrag in staat blijkt om zijn behoefte (middelengebruik) te bevredigen. Omgekeerd verzwakt zijn middelengebruik zijn al gecomprimeerde impulscontrole, alsook zijn agressieregulatie. De mate van leerbaarheid en veranderbaarheid is zeer minimaal gebleken als gevolg van voornoemde cognitieve beperkingen en pathologisch verslavingsgedrag. Rechterlijke machtigingen, diverse voorwaardelijke veroordelingen met uiteenlopende bijzondere voorwaarden, een voorwaardelijke ISD-maatregel en een onvoorwaardelijke ISD-maatregel hebben niets afgedaan aan het recidiverisico. Een stabiel maatschappelijk bestaan heeft hier ook niet aan bijgedragen. Het advies is om de ISD-maatregel onvoorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 mei 2022 in de vijf jaren voorafgaande aan het door hem begane feit ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. Het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen en maatregelen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is beëindigd.

Voorts onderschrijft de rechtbank de conclusies van de reclassering dat oplegging van de ISD-maatregel is aangewezen. De verdediging heeft bepleit om over te gaan tot oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel, waarbij het gedrag van de verdachte door middel van bijzondere voorwaarden gecontroleerd kan worden. De rechtbank ziet hier geen aanleiding voor. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte tot op heden op vrijwel alle leefgebieden de noodzakelijke begeleiding is geboden, maar dat hij desondanks overgaat tot het plegen van strafbare feiten, terwijl hij ten tijde van het plegen van deze strafbare feiten een voorwaardelijk straf boven het hoofd had hangen. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen andere mogelijkheid meer is dan oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

Gelet op de door hem steeds weer veroorzaakte overlast en schade staat thans het belang van de samenleving voorop. De veiligheid van personen of goederen vereist dat aan de verdachte de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren wordt opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de maatregel er mede toe strekt de maatschappij te beveiligen en de recidive van verdachte te beëindigen, waarbij het doel is om middels een begeleidend programma – waarbij rekening gehouden wordt met de cognitieve beperking van de verdachte – te werken naar een delictvrij bestaan.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen maatregel passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit: [naam slachtoffer] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 259,94 aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gehele vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is voldoende onderbouwd aan de hand van het aankoopbewijs.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verdachte – gelet op diens bekennende verklaring – bereid is om de geleden schade te vergoeden. Hij heeft verklaard ook over voldoende geld te beschikken om de benadeelde partij te betalen.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering gedeeltelijk worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat enkel het aankoopbedrag van de fiets voor vergoeding in aanmerking komt en niet tevens de destijds betaalde verzendkosten. De ingediende vordering zal dan ook voor dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 16 februari 2022.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 239,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2022.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 17 december 2020 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van onder andere diefstal veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan een gedeelte, groot 4 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De proeftijd is ingegaan op 31 december 2020.

9.2.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank ziet echter in de op te leggen ISD-maatregel reden die last niet te geven en de gevorderde tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen.

10 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 239,99 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer] te betalen € 239,99 (hoofdsom, zegge: tweehonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 239,99 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 17 december 2020 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

En mrs. J.J. Klomp en G. Alagahgi, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.H. Frerichs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 16 februari 2022, in elk geval in of omstreeks de periode van 14 februari 2022 tot en met 17 februari 2022, te Dordrecht een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;