Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:6311

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-07-2022
Datum publicatie
29-07-2022
Zaaknummer
83/283423-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval. Het slachtoffer liep tijdens zijn werkzaamheden op hoogte, op roostervloeren die slechts deels vast waren gemaakt. Hij is van een hoogte van ruim 5,5 meter naar beneden gevallen en overleden ten gevolge van de complicaties naar aanleiding van het ongeval. De verdachte heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de veiligheidsrisico’s die aan het verrichten van de werkzaamheden op hoogte waren verbonden. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet tot een geldboete van € 5.000,- en een taakstraf voor de duur van 120 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 83/283423-21

Datum uitspraak: 15 juli 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

[postcode verdachte] [woonplaats verdachte] .

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 juli 2022.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R. Terpstra heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van het onderdeel dat ziet op handelen in strijd met artikel 2.35 van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 5.000,-, te vervangen door 60 dagen hechtenis bij niet betaling en betaalbaar in vijf driemaandelijkse termijnen van
    € 1.000,- en een werkstraf van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis bij niet verrichting.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

De toedracht van het ongeval

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast over de toedracht van het ongeval en het overlijden van het slachtoffer. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 15 december 2020 waren [naam slachtoffer] en [naam persoon 1] , werknemers van [naam bedrijf 1] ingeleend door [eenmanszaak verdachte] , de eenmanszaak van de verdachte, om werkzaamheden te verrichten in de bedrijfshal van [naam bedrijf 2] te [plaats] . [naam slachtoffer] liep die dag tijdens zijn werkzaamheden op hoogte, op roostervloeren die slechts deels vast waren gemaakt. Hij is van een hoogte van ruim 5,5 meter naar beneden gevallen.

[naam slachtoffer] liep bij het ongeval een bloeding in de hersenen op en breuken aan zijn oogkas, heup, bekken en middelvinger. Daarnaast heeft hij schade aan de zenuwuitlopers in de hersenen opgelopen. Hij is op 7 januari 2021 overleden ten gevolge van de complicaties naar aanleiding van het ongeval.

4.2.

Standpunt verdachte

De verdachte heeft bepleit dat wel alle middelen ter beschikking zijn gesteld om veilig te kunnen werken. Er zou gewerkt worden aan de roostervloer vanuit hoogwerkers. Men zou niet lopen op de roostervloeren. Naast de hoogwerkers waren ook valgordels geleverd. Het was bovendien niet de bedoeling dat [naam slachtoffer] en [naam persoon 1] werkzaamheden op hoogte uit zouden voeren en hij heeft daartoe ook niet de opdracht gegeven.

4.3.

Beoordeling

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte als werkgever, opzettelijk, heeft nagelaten de in de tenlastelegging genoemde maatregelen te treffen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit), terwijl hierdoor – naar hij wist of redelijkerwijs moest weten – levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van zijn werknemers in het algemeen en [naam slachtoffer] in het bijzonder ontstond of te verwachten was.

In de Arbowet is verankerd dat werknemers hun werk op een gezonde en veilige manier moeten kunnen verrichten. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt primair bij de werkgever. De werkgever heeft de verplichting een deugdelijk arbobeleid te voeren, gericht op de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers. Die zorgplicht houdt mede in dat de werkgever zijn werknemers moet beschermen tegen eigen fouten of onvoorzichtigheden.

Concreet stelt de rechtbank in deze zaak vast dat de plaats van het ongeval een arbeidsplaats was als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbowet. Het slachtoffer was ten tijde van het ongeval aan [eenmanszaak verdachte] ter beschikking gesteld voor het verrichten van arbeid, zodat sprake was van een werkgever en een werknemer in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a en b, van de Arbowet.

Vooropgesteld wordt verder dat de verklaring van de verdachte dat hij uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij niet wilde dat [naam slachtoffer] en [naam persoon 1] roosters gingen monteren en zij ondersteunende werkzaamheden zouden verrichten op de grond geen steun vindt in het strafdossier. Daar komt bij dat [naam persoon 2] en [naam persoon 1] juist verklaren dat de werkzaamheden van [naam slachtoffer] en [naam persoon 1] bestonden uit het vastzetten van de roosters, wat gebeurde op ruim 5,5 meter hoogte. Dit verweer kan dan ook niet slagen.

Ten aanzien van de concreet in de tenlastelegging genoemde veiligheidsvoorschriften overweegt de rechtbank het volgende.

- Artikel 3.16 van het Arbobesluit

In artikel 3.16 van het Arbobesluit is onder meer voorgeschreven dat bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat het gevaar wordt tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Indien deze voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht, worden voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt.

De werknemers waren aan het werk op een roostervloer op ruim 5,5 meter hoogte waarbij niet alle platen van deze vloer vastzaten. Dat er valgevaar bestond bij het verrichten van de werkzaamheden is evident en geen onderwerp van discussie, en dit gevaar heeft zich ten aanzien van [naam slachtoffer] ook verwezenlijkt. De arbeidsinspectie concludeerde ook dat er valgevaar bestond en heeft vastgesteld dat er geen doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen aanwezig waren of vangnetten waren bevestigd. Tevens waren er geen andere voorzieningen of maatregelen ter voorkoming of beperking van valgevaar aanwezig, zoals doelmatige veiligheidsgordels of andere technische middelen.

Gelet op het voorgaande heeft de verdachte niet voldaan aan de verplichting uit artikel 3.16 van het Arbobesluit.

- Artikel 8 lid 4 van de Arbowet en artikel 8.3 lid 2 van het Arbobesluit

In artikel 8 lid 4 van de Arbowet en 8.3 lid 2 van het Arbobesluit is voorgeschreven dat de werkgever toeziet op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s bij de te verrichten werkzaamheden en op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

De verdachte heeft verklaard dat de montage van de roostervloeren plaats zou vinden vanuit de hoogwerker en dat in de hoogwerker valbeveiliging gedragen zou worden. De verdachte was zelf op de dag het ongeval echter niet aanwezig om op deze werkwijze toe te zien. Evenmin is gebleken dat hij op een andere wijze hierop toezag of liet zien. Zo verklaarde [naam persoon 3] dat er niemand was die toezicht hield als de verdachte niet aanwezig was en waren er zelfs geen voorschriften of instructies. Daar komt bij dat [naam persoon 2] heeft verklaard dat niet werd gewerkt met valgordels, omdat er geen aanlijnpunt was.

Gelet op het voorgaande heeft de verdachte niet voldaan aan de verplichting uit artikel 8 lid 4 van de Arbowet en artikel 8.3 lid 2 van het Arbobesluit.

- Artikel 3.2 van het Arbobesluit

In artikel 3.2 van het Arbobesluit is onder meer voorgeschreven dat arbeidsplaatsen veilig toegankelijk moeten zijn en veilig moeten kunnen worden verlaten.

De arbeidsinspectie heeft vastgesteld dat het monteren van de roostervloerelementen voor wat betreft het legfront van de roostervloer dat zich niet aan de vloerrand bevond onmogelijk vanuit de schaarhoogwerkers kon worden uitgevoerd. De roostervloer moest derhalve betreden worden om de delen die zich niet aan de vloerrand bevonden te monteren. Er is echter nagelaten om een veilige toegangsvoorziening te creëren om de roostervloer te betreden en te verlaten.

Gelet op het voorgaande heeft de verdachte niet voldaan aan de verplichting uit artikel 3.2 van het Arbobesluit.

- Artikel 5 van de Arbowet

In artikel 5 van de Arbowet is onder meer voorgeschreven dat in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastgelegd wordt welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt, met daarbij een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico's.

De verdachte heeft toegegeven dat er geen inventarisatie en evaluatie heeft plaatsgevonden van de risico’s die de werkzaamheden met zich brachten en er geen plan van aanpak was.

Gelet op het voorgaande heeft de verdachte niet voldaan aan de verplichting uit artikel 5 van de Arbowet.

- Artikel 8 lid 1 en 2 van de Arbowet

In artikel 8 lid 1 en 2 van de Arbowet is onder meer voorgeschreven dat de werkgever ervoor zorgt dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico’s te voorkomen of te beperken.

De verdachte was zelf niet aanwezig op de dag dat [naam slachtoffer] en [naam persoon 1] met hun werkzaamheden startten om hen doeltreffend voor te lichten over de te verrichten werkzaamheden, de daaraan verbonden risico’s en maatregelen. Hij heeft hen ook niet persoonlijk gesproken of schriftelijke instructie gegeven. [naam persoon 1] heeft ook verklaard dat hij geen instructies, voorlichting of onderricht heeft ontvangen over veilig werken op de arbeidsplaats en/of het werken op hoogte voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden.

Gelet op het voorgaande heeft de verdachte niet voldaan aan de verplichting uit artikel 8 lid 1 en 2 van de Arbowet.

- Artikel 2.35 van het Arbobesluit

In artikel 2.35 van het Arbobesluit, zoals ten laste gelegd, is onder meer voorgeschreven dat de werkgever verplicht is tot naleving van en medewerking aan het veiligheids- en gezondheidsplan, voor zover en op de wijze als daarin ten aanzien van de door hem te doen verrichten werkzaamheden is bepaald en daarbij rekening te houden met de aanwijzingen van de coördinator voor de uitvoeringsfase.

Er was in het geheel geen veiligheids- en gezondheidsplan opgesteld en geen coördinator aangesteld voor de uitvoeringsfase. De verdachte was hier echter niet verantwoordelijk voor. Uit de artikelen 2.28 en 2.29 van het Arbobesluit volgt dat die verantwoordelijkheid ligt bij de opdrachtgever. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het handelen in strijd met artikel 2.35 van het Arbobesluit.

4.3.1.

Opzet

In het economisch strafrecht dient de term opzet in beginsel te worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat het opzet alleen gericht hoeft te zijn op de verweten gedraging, in dit geval het verrichten van de werkzaamheden bij [naam bedrijf 2] op hoogte waarbij het treffen van de nodige veiligheidsmaatregelen was nagelaten, en niet op de wederrechtelijkheid daarvan. De verdachte wordt verondersteld bekend te zijn met de op hem rustende verplichting tot het naleven van de zorgplichten voortvloeiende uit de Arbowet en het Arbobesluit. Uit het bovenstaande volgt dat de verdachte heeft nagelaten de genoemde zorgplichten na te leven.

In deze zaak ligt in het nalaten van de verdachte de benodigde maatregelen te treffen en zodoende de op haar rustende zorgplicht na te leven, het opzet op de gedragingen besloten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

4.3.2.

Levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid

De verdachte wist, althans moest redelijkerwijs weten, dat als gevolg van zijn nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van zijn werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Het is immers evident dat wanneer maatregelen achterwege worden gelaten die gericht zijn op het voorkomen en ondervangen van gezondheids- en veiligheidsrisico’s bij het werken op ruim 5,5 meter hoogte, ongelukken kunnen gebeuren met ernstige gezondheidsschade en zelfs de dood tot gevolg.

4.3.3.

Conclusie

Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij (handelende onder de naam [eenmanszaak verdachte] ) op 15 december 2020 te [plaats] , gemeente [gmeente] , als werkgever opzettelijk

handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen waardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kon ontstaan of te verwachten was,

immers heeft hij als werkgever opzettelijk toen aldaar

werknemers arbeid laten of doen verrichten (als monteur van een staalconstructie)

op een arbeidsplaats, tevens zijnde een bouwplaats, (in een bedrijfshal van [naam bedrijf 2]

), gelegen aan de [adres] te [plaats] ,

bestaande die arbeid uit het monteren van metalen roosters of roostervloeren op

een staalconstructie met een hoogte van ongeveer 5,5 (vijfeneenhalve) meter,

en heeft hij, in strijd

met artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, nagelaten het (val)gevaar

tegen te gaan door het (laten) aanbrengen en in stand houden van doelmatige

hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen en/of het (laten)

aanbrengen van voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige

plaatsen en/of het gebruiken van doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen dan

wel andere technische middelen en

heeft hij, in strijd met artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel

8.3

lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, niet of onvoldoende toegezien op

het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen door de betrokken

werknemers (te weten het gebruik van een veiligheidsharnas of valgordel in verband

met valgevaar door dit aan te trekken en hieraan een of meer vanglijnen te

bevestigen), en

heeft hij, in strijd met artikel 3.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, nagelaten

om een veilige toegangsvoorziening tot de arbeidsplaats te (doen of laten) creëren

en zoveel mogelijk een vaste trapvoorziening toe te (laten) passen, en

heeft hij, in strijd met artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, nagelaten om in

de inventarisatie en evaluatie welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich

brengt, schriftelijk vast te leggen welke specifieke risico's aanwezig zijn tijdens het

monteren van metalen roosters of roostervloeren bovenop een staalconstructie

en het werken op hoogte, alsmede de bijbehorende maatregelen om valgevaar

tegen te gaan en daarvoor een plan van aanpak te maken en

heeft hij, in strijd met artikel 8 (leden 1 en 2) van de Arbeidsomstandighedenwet, er

niet voor gezorgd dat die werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te

verrichten arbeid op de bouwplaats en de daaraan verbonden risico's, te weten het

werken op hoogte op een staalconstructie en het risico van vallen en over de maatregelen die erop gericht waren deze risico's te voorkomen of te beperken

waardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar voor of

ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kon ontstaan of te

verwachten was en levensgevaar voor [naam slachtoffer] ontstond (die door de vloer

van het bouwwerk is gevallen en - op 7 januari 2021 - is overleden).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van het bepaalde bij en krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 15 december 2020 heeft zich een ongeval voorgedaan als gevolg waarvan [naam slachtoffer] , die ingeleend was door de eenmanszaak van de verdachte, om het leven is gekomen. De verdachte droeg als werkgever de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van zijn werknemers op de werkplaats en was uit dien hoofde verplicht passende en adequate maatregelen te treffen tegen de op de arbeidslocatie aanwezige gevaren. Dit heeft de verdachte nagelaten. De verdachte heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de veiligheidsrisico’s die aan het verrichten van de werkzaamheden op hoogte waren verbonden. Hiermee is de verdachte ernstig tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens zijn werknemers in het algemeen en [naam slachtoffer] in het bijzonder.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 december 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een geldboete van na te noemen hoogte opleggen. Rekening houdend met de draagkracht van de verdachte, staat de rechtbank termijnbetaling toe zoals hierna bepaald.

Daarnaast zal de rechtbank een deels voorwaardelijke taakstraf opleggen. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst de veiligheidsvoorschriften waarmee hij bij zijn werk te maken krijgt niet nauwkeurig na te leven.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht;

- 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 5, 8 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet; en

- 3.16, 3.2 en 8.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis;

bepaalt dat de geldboete in acht (8) gedeelten van € 625,00 mag worden voldaan; de termijn voor de betaling van het tweede en volgende gedeelte wordt gesteld op drie maanden;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 60 (zestig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast;

beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. L. Daum en S.W.H. Bootsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Koek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 15 juli 2022.

De voorzitter, jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij (handelende onder de naam [eenmanszaak verdachte] ) op of omstreeks 14 en/of

15 december 2020 te [plaats] , gemeente [gmeente] , en/of Naaldwijk, gemeente

Westland, en/of elders in Nederland

als werkgever

al dan niet opzettelijk

handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen

waardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest weten,

levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers

kon ontstaan of te verwachten was,

immers heeft hij als werkgever al dan niet opzettelijk toen aldaar één of meer

werknemers arbeid laten of doen verrichten (als monteur van een staalconstructie)

op een arbeidsplaats, tevens zijnde een bouwplaats, (in een bedrijfshal van [naam bedrijf 2]

), gelegen aan de [adres] te [plaats] ,

bestaande die arbeid uit het monteren van metalen roosters of roostervloeren op

een staalconstructie met een hoogte van ongeveer 5,5 (vijfeneenhalve) meter,

althans van aanzienlijk meer dan 2,5 (tweeëneenhalve) meter, en heeft hij, in strijd

met artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, nagelaten het (val)gevaar

tegen te gaan door het (laten) aanbrengen en/of in stand houden van doelmatige

hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen en/of het (laten)

aanbrengen van voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige

plaatsen en/of het gebruiken van doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen dan

wel andere technische middelen en/of

heeft hij, in strijd met artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet en/of artikel

8.3

lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, niet of onvoldoende toegezien op

het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen door de betrokken

werknemers (te weten het gebruik van een veiligheidsharnas of valgordel in verband

met valgevaar door dit aan te trekken en hieraan een of meer vanglijn(en) te

bevestigen), en/of

heeft hij, in strijd met artikel 3.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, nagelaten

om een veilige toegangsvoorziening tot de arbeidsplaats te (doen of laten) creëren

en/of zoveel mogelijk een vaste trapvoorziening toe te (laten) passen, en/of

heeft hij, in strijd met artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, nagelaten om in

de inventarisatie en evaluatie welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich

brengt, schriftelijk vast te leggen welke specifieke risico's aanwezig zijn tijdens het

monteren van metalen roosters of roostervloeren bovenop een staalconstructie

en/of het werken op hoogte, alsmede de bijbehorende maatregelen om valgevaar

tegen te gaan en/of daarvoor een plan van aanpak te maken en/of

heeft hij, in strijd met artikel 8 (leden 1 en 2) van de Arbeidsomstandighedenwet, er

niet voor gezorgd dat die werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te

verrichten arbeid op de bouwplaats en de daaraan verbonden risico's, te weten het

werken op hoogte op een staalconstructie en het risico van vallen (bij het werken op

of aan de metalen roosters of roostervloeren) en/of over de maatregelen die erop

gericht waren deze risico's te voorkomen of te beperken en/of

heeft hij, in strijd met artikel 2.35 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, niet

toegezien op de totstandkoming en/of uitvoering en/of naleving van een

Veiligheids- & Gezondheidsplan (V&G-plan in de zin van artikel 2.28 van het

Arbeidsomstandighedenbesluit) in samenhang met bovengenoemde bouwplaats

en/of arbeidsplaats en/of nagelaten om maatregelen te nemen voor de

samenwerking met andere werkgevers en zelfstandigen op die bouwplaats en/of

nagelaten om toe te zien op de aanstelling van een coördinator in de

uitvoeringsfase,

waardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar (voor) of

ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers kon ontstaan of te

verwachten was en/of levensgevaar voor [naam slachtoffer] ontstond (die door de vloer

van het bouwwerk is gevallen en - op 7 januari 2021 - is overleden).