Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:595

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-01-2022
Datum publicatie
03-02-2022
Zaaknummer
C/10/606265 / HA ZA 20-1009
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Gemeente op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk wegens gebrekkig kruispunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0138
VR 2022/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/606265 / HA ZA 20-1009

Vonnis van 26 januari 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. D. Bouwmeester te Enschede,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S. de Wit te Rotterdam.

Partijen worden hierna [eiser] en de Gemeente genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 oktober 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 3 mei 2021;

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 september 2021 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen van mr. Bouwmeester.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 26 april 2016 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [eiser] als bestuurder van een motorfiets en mevrouw [persoon A] (hierna: [persoon A] ) als bestuurder van een personenauto betrokken waren. [eiser] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen.

2.2.

Het ongeval vond plaats op de kruising van de Olympiaweg en de (doodlopende) zijstraat naar onder meer [naam garagebedrijf] (hierna: de kruising) in Rotterdam.

2.3.

De Olympiaweg is een vierbaansweg. Beide rijrichtingen bestaan uit twee rijstroken. De rijrichtingen worden gescheiden door een groenstrook die fungeert als middenberm. Ten tijde van het ongeval bestond de Olympiaweg uit een hoofdweg met diverse zijstraten.

2.4.

Ten tijde van het ongeval stonden op de rechterrijstrook tot 2 à 3 meter voor de kruising personenauto’s geparkeerd.

2.5.

Omstreeks 6 april 2016 heeft de Gemeente op 4,6 meter voor de kruising het verkeersbord J8 (gevaarlijk kruispunt) laten plaatsen. Omstreeks 11 mei 2016 is het bord J8 verwijderd.

2.6.

Naar aanleiding van het ongeval heeft een hoofdagent van politie van de Eenheid Rotterdam op 28 april 2016 een onderzoek ingesteld op de plaats van het ongeval. Het door de hoofdagent opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Dhr [persoon B] verklaarde dat hij de verkeerskruising die de uitrit van zijn garagebedrijf als zeer gevaarlijk ervoer. Dat er vaker ongevallen gebeurd waren op deze kruising. (…) Dat hij tevens melding had gemaakt bij de gemeente aangaande de gevaarzetting van de verkeerskruising.”

2.7.

Na het ongeval heeft de Dienst Regionale Recherche Forensische Opsporing een verkeersongevallenanalyse (hierna: VOA) verricht. In het naar aanleiding van deze VOA opgemaakte en op 24 mei 2016 ondertekende proces-verbaal staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

1.7 Onderzoek weginrichting

(…)

1.7.2

Onderzoek uitritconstructie

(…)

Door het aanbrengen van de witte, circa 20 centimeter brede streep, op de aansluiting van het doodlopende gedeelte van de Olympiaweg op de oostelijke rijbaan van de Olympiaweg heeft de wegbeheerder mogelijk bedoeld, dat het hier gaat om een uitritconstructie. Verkeer dat vanuit de uitritconstructie de doorgaande rijbaan op wil rijden, moet het overige verkeer dan voor laten gaan.

Deze constructie op de aansluitende Olympiaweg voldeed niet aan alle kenmerken van een uitrit.

1. Het trottoir was niet op dezelfde hoogte doorgetrokken over de uitrit.

2. De aan de voor en achterzijde van de in/uitrit werd geen gebruik gemaakt van een wegverlaging. Door deze verlaging zijn normaal gesproken zowel de inritzijde als de uitritzijde duidelijk herkenbaar als een overgangsconstructie.

3. het aanwezige trottoir was niet in hetzelfde materiaal doorgetrokken over de uitrit.

4. aan de voor en achterzijde van de inrit werd geen gebruik gemaakt van zogenaamde inritblokken. Door deze blokken zijn normaal gesproken, zowel de inritzijde als de uitritzijde duidelijk herkenbaar als een overgangsconstructie.

Deze constructie op de aansluitende Olympiaweg, voldeed eveneens niet aan de kenmerken van een industriële uitrit. Volgens de Leidraad duurzaam veilige inrichting van bedrijventerreinen, van het CROW (publicatie 192), rubriek 5.2, dienen de uitritten van bedrijven eenduidig en uniform te worden vormgegeven, dit komt met name voort uit juridische aspecten.

In- en uitritten bij bedrijven kunnen op drie juridisch juiste manieren worden vormgegeven

 via een doorgetrokken, niet in het verlengde van een eventuele kantlijn, 20 centimeter brede witte streep.

 via een doorgetrokken, eventueel verlaagd liggende trottoirband.

 via een uitritconstructie met in-/uitritblokken (zoals veel toegepast op kruispunten tussen 30 km/u zones en gebiedsontsluitingswegen. Deze uitritconstructies met inritblokken zijn echter niet altijd wenselijk in verband met het grote discomfort voor met name vrachtauto's.

Bij voorkeur dient een verschil in type verharding en kleur aangebracht te worden, tussen de doorgaande weg en de aansluiting met het bedrijf. Bij voorkeur dient de poort van het bedrijf, voor de bestuurder op de hoofdrijbaan, vanuit de ooghoeken zichtbaar te zijn. Het uitzicht vanaf de uitrit, op de openbare weg moet voldoende zijn. Bij een afgesloten terrein moet dus na de afsluiting voldoende opstelruimte aanwezig zijn, om veilig de openbare weg op te kunnen rijden.

Wij zijn van mening dat hier niet aan werd voldaan.

Er was op het aansluitende doodlopende gedeelte van de Olympiaweg, alleen gebruik gemaakt van een andere wegbestrating (klinkers), in een afwijkende kleur dan de hoofdrijbaan (zwart asfalt) en op de aansluiting was door middel van witte klinkers een 20 centimeter brede witte streep aangebracht.

In dit geval was er geen sprake van de aansluiting van een bedrijfsterrein op de openbare weg. In dit geval was sprake van een doodlopende weg, welke toegang verschaft tot aan die weg gelegen bedrijfspanden en een achtergelegen voetbalterrein. Er is geen sprake van een, vanaf de rijbaan zichtbaar zijnde toegangspoort, met een na de afsluiting aanwezig zijnde opstelruimte.”

2.8.

De officier van justitie heeft eveneens onderzoek gedaan naar de ongevalslocatie. In een op 14 juni 2016 ondertekende notitie schrijft de officier van justitie, voor zover van belang, het volgende:

“Uit het casusoverleg van 4 mei jl. is naar voren gekomen dat een ernstige aanrijding op bovengenoemde locatie heeft plaatsgevonden en dat de oorzaak van de aanrijding mogelijk (mede) was gelegen in de verwarrende en (daardoor) onveilige verkeerssituatie ter plaatse. (…)

Overige kruisingen op de Olympiaweg:

Op de Olympia zijn meerdere kruisingen gelegen waarbij ook sprake is van een witte doorgetrokken streep. Op die kruisingen zijn borden geplaatst die aangeven dat het verkeer op de zijstraten voorrang moet verlenen aan het verkeer op de Olympiaweg.

(…)

Verbeteren van de verkeersveiligheid op de locatie:

(…)

Mijn voorstel is om de wegbeheerder:

- in de zijstraat thv nr [nummer] een bord B6 (voorrang verlenen) te laten plaatsen;

- na een waarschuwingsperiode het parkeren op de rechter rijstrook van de Olympiaweg te verbieden en daarop te handhaven (plaatsen van een parkeerverbod);

- indien het voorgaande voorstel (parkeerverbod) niet mogelijk is, het bord J8 (gevaarlijke kruising) op de Olympiaweg op ruime afstand (ongeveer 20 meter) vóór de kruising te laten (ver)plaatsen dan wel de eerste 2 parkeerplaatsen op te laten heffen/af te kruisen, zodat het zicht naar links van de bestuurder die voorrang moet verlenen wordt verruimd en verbeterd.”

2.9.

In een brief van 25 oktober 2017 schrijft de Gemeente aan de advocaat van [eiser] , voor zover van belang, het volgende:

Situatie voorafgaand aan verkeersbesluit 22 september 2016

De zijweg die leidt naar [naam garagebedrijf] aan de [adres] diende gekwalificeerd te worden als een in- en uitrit die naar een bedrijventerrein leidt. Verkeer dat de in- en uitrit verlaat diende op grond van artikel 54 RVV 1990 ook voorrang te geven aan het verkeer op de Olympiaweg. Aan de bedoelde status als in- en uitrit is uitdrukking gegeven door de doorgetrokken witte streep en het verschil in het type verharding. Begin 2016 heeft (tijdelijk) ter hoogte van vernoemde kruising het verkeersbord J8 (gevaarlijk kruispunt) gestaan. In die periode diende de kruising als gelijkwaardig opgevat te worden omdat verkeerstekens boven verkeersregels gaan.”

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren:

a. primair: dat de Gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is, primair op grond van artikel 6:174 BW, althans subsidiair op grond van artikel 6:162 BW en derhalve de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

b. subsidiair: dat weggebruikers op de Olympiaweg ten tijde van het ongeval voorrang dienden te krijgen van het [de, opm. rb.] weggebruikers komend uit de zijstraat bij [naam garagebedrijf] ;

II. de Gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure en tevens te bepalen dat de Gemeente de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling verschuldigd zal zijn, indien en voor zover betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee weken na aanschrijving van het ten deze te wijzen vonnis heeft plaatsgevonden;

III. de Gemeente te veroordelen tot betaling van een som van € 11.439,26 inclusief btw voor de in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten voor juridische bijstand;

IV. de Gemeente te veroordelen tot betaling van nakosten van het geding.

3.2.

De Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de primaire vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

[eiser] legt aan zijn primaire vordering om voor recht te verklaren dat de Gemeente op grond van artikel 6:174 BW jegens hem aansprakelijk is, het volgende ten grondslag.

De voorrangsituatie op de kruising was onduidelijk en deze onduidelijkheid creëerde een gevaarlijke situatie. Op het moment dat [eiser] de kruising naderde, heeft hij het bord J8 niet gezien. Hij heeft het bord ook niet kunnen zien omdat het op slechts 4,6 meter afstand van de kruising was geplaatst en geparkeerde auto’s langs de weg hem (tijdig) zicht op het bord en verkeer komend uit de zijstraat ontnamen. [eiser] was er ook niet op bedacht dat hij voorrang moest verlenen aan het verkeer komend uit de zijstraat. Bij de overige zijstraten die op de Olympiaweg uitkomen, had [eiser] immers ook voorrang en korte tijd vóór 26 april 2016 hoefde [eiser] op de kruising geen voorrang te verlenen. Voorts ontbraken waarschuwingsborden voor de gewijzigde verkeerssituatie. Het had voor de hand gelegen om op geruime afstand van de kruising een bord te plaatsen met de tekst: “let op, voorrangssituatie gewijzigd”. Daarnaast had de Gemeente de gewijzigde voorrangssituatie bekend kunnen maken via social media of de Staatscourant. Er waren voldoende niet bezwaarlijke en niet kostbare veiligheidsmaatregelen te treffen.

4.2.

De Gemeente betwist dat sprake was van een onduidelijke en gevaarlijke verkeersituatie. Gelet op de fysieke kenmerken van de zijstraat, kon [eiser] er terecht van uitgaan dat sprake was van een in- en uitrit en dat hij voorrang had moeten krijgen van [persoon A] . De in- en uitrit werd immers gekenmerkt door een doorgetrokken witte streep, een verschil in type verharding, een op dezelfde hoogte doorgetrokken fietspad, een schuin vlak om het hoogteverschil tussen het fietspad en de Olympiaweg te overbruggen en een bestemmingsdoel naar het garagebedrijf aan een doodlopende en naamloze weg. De in- en uitrit was dan ook niet gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW. Voorts heeft het bord J8 weliswaar voor verwarring kunnen zorgen maar [eiser] heeft dit bord niet gezien zodat het ongeval dat hem is overkomen niet is veroorzaakt door de aanwezigheid van het J8-bord. Door de aanwezigheid van het bord, kan [eiser] dus niet in verwarring zijn geraakt. [persoon A] kan evenmin in verwarring zijn geraakt door de aanwezigheid van het bord omdat zij, komend uit de zijstraat van de Olympiaweg, het bord niet kon zien. Het causaal verband tussen de plaatsing van het J8 bord en het ongeval ontbreekt dan ook, aldus de Gemeente.

4.3.

Bij de beoordeling of de verkeerssituatie een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW vertoonde, stelt de rechtbank het volgende voorop.

4.4.

Op grond van artikel 6:174 lid 1 BW is de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling (onrechtmatige daad) zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend. Ingevolge artikel 6:174 lid 2 BW rust op de Gemeente als wegbeheerder de aansprakelijkheid voor de openbare weg. Niet in geschil is dat de zijstraat van de Olympiaweg als weglichaam en het bord J8 als weguitrusting onderdeel uitmaken van de openbare weg, een en ander als bedoeld in artikel 6:174 lid 6 BW.

4.5.

In het arrest van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2283, Nijmeegse markt) heeft de Hoge Raad over de aansprakelijkheid van de wegbeheerder overwogen (r.o. 3.5.2 en verder) dat op de wegbeheerder de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (vgl. onder meer het nog onder het oude recht gewezen arrest HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547 (Bussluis)). Deze verplichting is in artikel 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155 (Wilnis), r.o. 4.4.3 (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 (Reaal/Deventer)). Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (het arrest Wilnis, r.o. 4.4.4). Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik)).

4.6.

Tevens is van belang dat het enkele feit dat de weg ter plaatse gevaar oplevert, onvoldoende is voor het oordeel dat de weg niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. In het hiervoor reeds aangehaalde Bussluis-arrest waarin sprake was van een tot de weg, het weglichaam en de weguitrusting behorend object, overwoog de Hoge Raad:

“Vooropgesteld moet worden dat in het algemeen op de gemeente die moet zorgen dat een openbare weg in goede staat verkeert, de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Hieruit vloeit voort dat, wanneer de gemeente ter fysieke ondersteuning van verkeersmaatregelen een weg zodanig inricht dat deze zonder beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert voor personen of zaken, zij door deugdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals waarschuwingen, ervoor zorg behoort te dragen dat de veiligheid van personen en zaken voldoende gewaarborgd blijft, waarbij de gemeente mede in aanmerking heeft te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. Indien deze veiligheid niet voldoende kan worden gewaarborgd, dient de gemeente van een zodanige inrichting van de weg af te zien.”

Uit deze overweging volgt dat indien sprake is van objecten die behoren tot de weg, het weglichaam of de weguitrusting, de gebrekkigheid als bedoeld in artikel 6:174 BW ook kan zijn gelegen in de omstandigheid dat voor een gevaarlijke situatie onvoldoende is gewaarschuwd (vgl. ook met de uitspraak van het Hof Den Haag van 20 mei 1999, ECLI:NL:GHSGR:1999:AD3054).

4.7.

Voor het antwoord op de vraag of de kruising ten tijde van het ongeval voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld, acht de rechtbank het volgende van belang.

4.7.1.

In de eerste plaats blijkt uit de door de politie na het ongeval verrichte VOA van een onduidelijke verkeerssituatie. Uit de VOA en het vervolgens opgemaakte proces-verbaal (zie 2.7) volgt immers dat, voor zover de wegbeheerder de aansluiting van het doodlopende gedeelte van de Olympiaweg op de oostelijke rijbaan van de Olympiaweg bedoeld heeft te typeren als een uitritconstructie, deze constructie niet voldeed aan alle kenmerken van een uitrit. De constructie voldeed eveneens niet aan de kenmerken van een industriële uitrit. De Gemeente heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat zij zich niet kan vinden in de door de politie verrichte VOA maar aan dit verweer gaat de rechtbank voorbij. De politierechercheurs die de VOA hebben uitgevoerd moeten bij uitstek bekend worden geacht met de toepasselijke verkeersregelgeving. Het had dan ook op de weg van de Gemeente gelegen om met een voldoende onderbouwd verweer tegen de VOA te komen, hetgeen zij heeft nagelaten.

4.7.2.

Voorts blijkt uit de notitie van de officier van justitie van 14 juni 2016 dat sprake was van een onduidelijke situatie. De officier van justitie schrijft dat “de oorzaak van de aanrijding mogelijk (mede) was gelegen in de verwarrende en (daardoor) onveilige verkeerssituatie ter plaatse.” Dat bovendien sprake was van een gevaarlijke situatie volgt uit het feit dat tot kort voor de kruising (ongeveer 2 à 3 meter) auto’s geparkeerd stonden die [eiser] (tijdig) zicht op verkeer komend uit de zijstraat ontnamen. De kans op verwezenlijking van gevaar is daarbij groot. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat [eiser] een ongeval is overkomen op de kruising maar ook uit de door de politie genoteerde verklaring van [persoon B] waaruit volgt dat er vaker ongevallen hebben plaatsgevonden op de kruising en dat hij bij de Gemeente melding had gemaakt van de gevaarlijke verkeerssituatie.

4.7.3.

De rechtbank acht tevens van belang dat de Gemeente kort voor het ongeval het bord J8 heeft geplaatst, waarmee de Gemeente kennelijk beoogde te waarschuwen voor een gevaarlijke kruising. Dit waarschuwingsbord heeft er echter niet toe geleid dat de situatie er duidelijker en daarmee veiliger op is geworden. Integendeel, het bord bevond zich op slechts 4,6 meter van de kruising, wat gelet op de toepasselijke CROW-richtlijnen te dicht op de kruising is. Voornoemde richtlijnen schrijven op een weg als de Olympiaweg een afstand van 30 tot 75 meter voor. Bovendien heeft [eiser] onbetwist gesteld dat het zicht op het bord werd ontnomen door de vlak voor de kruising geparkeerde auto’s. Daar komt bij dat ook bij de Gemeente niet duidelijk was wat nu precies het gevolg was van de plaatsing van het bord. Dit blijkt uit het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Gemeente te kennen gegeven dat, anders dan uiteengezet is in de brief van de Gemeente van 25 oktober 2017, het bord J8 een waarschuwingsbord is en de plaatsing daarvan niet leidt tot wijziging van de voorrangssituatie omdat een dergelijke wijziging plaatsvindt door middel van een verkeersbesluit en door plaatsing van B-borden.

4.7.4.

Van andere door de Gemeente genomen veiligheidsmaatregelen ten aanzien van de kruising is de rechtbank niet gebleken terwijl dat, nu de Gemeente in aanmerking had te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zouden betrachten, wel van de Gemeente verwacht had mogen worden.

4.8.

Op grond van wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de kruising niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld en dus gebrekkig was.

4.9.

Ter zake het causaal verband tussen de gebrekkige kruising en het ongeval dat [eiser] is overkomen heeft de Gemeente nog aangevoerd dat zij niet op grond van artikel 6:174 BW kan worden aangesproken voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval omdat [eiser] het bord J8 niet heeft gezien en het ongeval dus niet veroorzaakt kon zijn doordat [eiser] in verwarring raakte van het bord. Dit verweer kan geen stand houden en wordt verworpen. [eiser] heeft immers niet enkel de plaatsing van het bord J8 ten grondslag gelegd aan zijn vordering. Onbestreden is voorts dat de hele feitelijke verkeerssituatie ter hoogte van de kruising tot het ongeval heeft kunnen leiden. De gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW zal dan ook worden toegewezen.

4.10.

[eiser] vordert tevens betaling van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 11.439,26 inclusief btw. Bij de beoordeling of deze kosten toewijsbaar zijn, stelt de rechtbank het bepaalde in artikel 6:96 BW voorop. Ter onderbouwing van zijn vordering ter zake buitengerechtelijke kosten heeft [eiser] als productie 19 een factuur en een urenspecificatie van zijn advocaat overgelegd. Uit deze specificatie blijkt dat de advocaat van [eiser] hem een bedrag van € 7.909,69 aan kosten in rekening brengt. Omdat de onderbouwing van een hoger bedrag ontbreekt, acht de rechtbank het redelijk om voornoemd bedrag toe te wijzen. Nu de Gemeente de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten niet heeft betwist, worden de buitengerechtelijke kosten op na te melden wijze toegewezen.

4.11.

De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 100,89

- griffierecht 937,00

- salaris advocaat 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 2.163,89

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW en derhalve de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt de Gemeente tot betaling van een bedrag van € 7.909,69 inclusief btw ter zake buitengerechtelijke kosten,

5.3.

veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.163,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag indien en voor zover betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee weken na aanschrijving van dit vonnis heeft plaatsgevonden,

5.4.

veroordeelt de Gemeente in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Gemeente niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2022.

3078/2054