Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:5935

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-07-2022
Datum publicatie
19-07-2022
Zaaknummer
10/960117-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega 26Vineland: kaping en gijzeling in Afrika.

Op de zitting stond ter discussie of Nederland rechtsmacht heeft ten aanzien van de gijzeling van de bemanningsleden van het Nederlandse schip FWN Rapide in Nigeria. Daarnaast was de belangrijkste vraag of de verdachte betrokken was bij de kaping van dit schip op open zee.

Veroordeling voor de gijzeling van de bemanningsleden van een schip onder Nederlandse vlag varend in Nigeria en kaping van datzelfde schip. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 8 jaar en 6 maanden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960117-18

Datum uitspraak: 15 juli 2022

Tegenspraak

Vonnis van meervoudige kamer in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , niet ingeschreven in de basisregistratie personen, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 5 juli 2022.

Raadsman van de verdachte: mr. G. Özveren, advocaat te Rotterdam.

Officieren van justitie: mrs. A.C. Kramer en W.J. Veldhuis (hierna: officier van justitie).

Kern van dit vonnis

Op de zitting stond ter discussie of Nederland rechtsmacht heeft ten aanzien van de gijzeling van de bemanningsleden van het Nederlandse schip [naam schip] in Nigeria. Daarnaast was de belangrijkste vraag of de verdachte betrokken was bij de kaping van dit schip op open zee.

Inhoudsopgave van dit vonnis

De verdachte wordt beschuldigd van de kaping van het schip [naam schip] door (bedreiging met) geweld, en vreesaanjaging en de gijzeling van de bemanningsleden van datzelfde schip in Nigeria. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1 van dit vonnis.

In hoofdstuk 2 wordt de ontvankelijkheid van de officier van justitie besproken.

De rechtbank vindt dat de beschuldigingen zijn bewezen. Het bewijsverweer op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), de bewezenverklaring en de bewijsmotivering worden in hoofdstuk 3 van dit vonnis besproken. Een overzicht van de bewijsmiddelen is in hoofdstuk 4 van dit vonnis uiteengezet.

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet verboden gedragingen. Welke dat zijn, is omschreven in hoofdstuk 5 van dit vonnis. In dat hoofdstuk worden ook de strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van de verdachte besproken.

Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en zes maanden opgelegd. Hoofdstuk 6 van dit vonnis vermeldt de overwegingen van de rechtbank die tot deze straf hebben geleid.

In hoofdstuk 7 wordt de beslissing over de in beslag goederen uiteengezet.

Hoofdstuk 8 sluit dit vonnis af met een korte weergave van alle beslissingen en de ondertekening door de rechters en de griffier.

1. De beschuldiging in de tenlastelegging

Feit 1

hij op of omstreeks 21 april 2018 op open zee (in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 91 kilometer uit de kust van Nigeria) en/of (vervolgens) aan boord van (een onder Nederlandse vlag varend) vaartuig (genaamd [naam schip] ) een/dat vaartuig (een schip genaamd [naam schip] ) door geweld en/of bedreiging met geweld en/of vreesaanjaging in zijn macht heeft gebracht en/of gehouden dan wel van zijn route heeft doen afwijken

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

  • -

    dat varende schip) geënterd terwijl hij/zij was/waren bewapend met een of meer (automatische) vuurwapen(s), en/of

  • -

    elf, in elk geval een of meer bemanningsleden van dat schip met dat/die (automatische) vuurwapen(s) bedreigd en/of onder schot gehouden, en/of

  • -

    die bemanningsleden, althans een of meer bemanningsleden, onder bedreiging van dat/die (automatische) vuurwapen(s) gedwongen het schip te verlaten en plaats te nemen op (een) bo(o)t(en) van verdachte en/of zijn mededader(s)

terwijl verdachte dit feit heeft gepleegd met twee of meer personen gezamenlijk,

en/of met het oogmerk die bemanningsleden (te weten [naam persoon 1] ( [geboortedatum persoon 1] ), en/of [naam persoon 2] ( [geboortedatum persoon 2] ), en/of [naam persoon 3] ( [geboortedatum persoon 3] ), en/of

[naam persoon 4] ( [geboortedatum persoon 4] ), en/of [naam persoon 5] ( [geboortedatum persoon 5] ) en/of [naam persoon 6] ( [geboortedatum persoon 6] ), en/of [naam persoon 7] ( [geboortedatum persoon 7] ), en/of [naam persoon 8] ( [geboortedatum persoon 8] ), en/of [naam persoon 9] ( [geboortedatum persoon 9] ), en/of [naam persoon 10] ( [geboortedatum persoon 10] ), en/of [naam persoon 11] ( [geboortedatum persoon 11] )), in elk geval een of meer perso(o)n(en), wederrechtelijk van hun/zijn vrijheid te beroven en/of beroofd te houden.

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 21 april 2018 tot en met 19 mei 2018 aan boord van een (onder Nederlandse vlag varend) vaartuig (genaamd [naam schip] ) en/of op open zee (in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 91 kilometer uit de kust van Nigeria) en/of voor de kust van Nigeria en/of voor de kust van Kameroen en/of in Nigeria en/of in Kameroen en/of in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk elf, in elk geval een of meer bemanningsleden (te weten [naam persoon 1] ( [geboortedatum persoon 1] ), en/of [naam persoon 2] ( [geboortedatum persoon 2] ), en/of [naam persoon 3] ( [geboortedatum persoon 3] ), en/of [naam persoon 4] ( [geboortedatum persoon 4] ), en/of [naam persoon 5] ( [geboortedatum persoon 5] ) en/of [naam persoon 6] ( [geboortedatum persoon 6] ), en/of [naam persoon 7] ( [geboortedatum persoon 7] ), en/of [naam persoon 8] ( [geboortedatum persoon 8] ), en/of [naam persoon 9] ( [geboortedatum persoon 9] ), en/of [naam persoon 10] ( [geboortedatum persoon 10] ), en/of [naam persoon 11] ( [geboortedatum persoon 11] )), in elk geval één of meer perso(o)n(en),

van hun/zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden met het oogmerk [naam bedrijf] , althans een ander, te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het betalen van een hoeveelheid (los)geld immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

  • -

    dat varende schip geënterd terwijl hij/zij bewapend was/waren met een of meer (automatische) vuurwapen(s), en/of

  • -

    bovengenoemde personen, in elk geval een of meer perso(o)n(en), met dat/die (automatische) vuurwapen(s) bedreigd en/of onder schot gehouden, en/of

  • -

    bovengenoemde personen, in elk geval een of meer perso(o)n(en), onder bedreiging van dat/die (automatische) vuurwapen(s) gedwongen het schip te verlaten en/of plaats te nemen op (een) bo(o)t(en) van verdachte en/of zijn mededaders en/of

  • -

    bovengenoemde personen, in elk geval een of meer van bovengenoemde perso(o)n(en) (meerdere keren) onder bedreiging van dat/die (automatische) vuurwapen(s) en/of (aldus) gedwongen (per boord) vervoerd naar een/diverse locatie(s) in Nigeria en/of Kameroen alwaar bovengenoemde personen, in elk geval een of meer van bovengenoemde perso(o)n(en) werd(en) gedwongen te wachten en/of te verblijven tot er losgeld betaald was, en/of

  • -

    meerdere malen telefonisch contact opgenomen met het bedrijf [naam bedrijf] en/of (aldus) onderhandeld over het te betalen losgeld en/of de vrijlating van bovengenoemde personen, in elk geval een of meer van bovengenoemde perso(o)n(en), en/of

  • -

    een overeenkomst gesloten met het bedrijf [naam bedrijf] om tegen betaling van losgeld bovengenoemde personen in vrijheid te stellen.

2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie

De Nederlandse strafwet biedt rechtsmacht om over de ten laste gelegde feiten te oordelen. Op feit 1 (artikel 385a Sr, kaping) is ten eerste via artikel 3 Sr de Nederlandse strafwet van toepassing: het betreft een strafbaar feit begaan aan boord van een Nederlands vaartuig. De tweede weg is artikel 4 sub e Sr, dat universele rechtsmacht biedt voor piraterijmisdrijven zoals artikel 385a Sr. Voor feit 2 (artikel 282a Sr, gijzeling) biedt ook artikel 3 Sr een grondslag, omdat de gijzeling is begonnen aan boord van [naam schip] , een Nederlands vaartuig, en het oogmerk op het verkrijgen van losgeld al vanaf dat moment aanwezig was. Ten tweede is de Nederlandse strafwet van toepassing op grond van artikel 5 Sr, omdat het een misdrijf betreft tegen een Nederlander ([naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ), een Nederlandse rechtspersoon) en dit misdrijf ook in Nigeria strafbaar is gesteld. Tot slot is er rechtsmacht voor feit 2 gelet op artikel 6 Sr, omdat artikel 2 lid 1 onder c van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht tot het vestigen van rechtsmacht voor dat feit verplicht.

Het standpunt van de verdediging

Er bestaat geen rechtsmacht ten aanzien van al hetgeen dat zich niet op het schip [naam schip] heeft afgespeeld. De rechtbank dient zich voor dat gedeelte van de tenlastelegging onbevoegd te verklaren. De vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden in de jungle van Nigeria en daarom is Nigeria het aangewezen land om de verdachte te vervolgen.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet beantwoord moet worden bij de vraag naar de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De bevoegdheidsvraag als bedoeld in artikel 348 Sv ziet in feite op de ‘nationale rechtsmachtsverdeling’ en niet op internationale rechtsmacht. De rechtbank is bevoegd om van de feiten kennis te nemen, zowel absoluut (artikel 45 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie) als relatief (artikel 2 lid 1 sub 7 Sv).

De aanwezigheid van rechtsmacht van de Nederlandse strafwet moet in beginsel worden beoordeeld op grond van de tenlastelegging.

Feit 1

Onder feit 1 wordt de verdachte verweten het overtreden van artikel 385a Sr. De rechtbank is van oordeel dat zowel artikel 3 als artikel 4 sub e Sr de Nederlandse strafwet rechtsmacht bieden. Dit is door de verdediging ook niet betwist.

Feit 2

Voor feit 2 is dat anders, de verdediging heeft bepleit dat alles wat niet op [naam schip] is gebeurd buiten de Nederlandse strafwet valt. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten artikel 282a Sr te hebben overtreden. In de tenlastelegging is een aantal pleegplaatsen opgenomen: aan boord van een (onder Nederlandse vlag varend) vaartuig en/of op open zee (in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 91 km uit de kust van Nigeria) en/of voor de kust van Nigeria en/of voor de kust van Kameroen en/of in Nigeria en/of in Kameroen en/of in Nederland.

Nu ook Nederland als pleegplaats in de tenlastelegging is opgenomen, heeft de rechtbank allereerst onderzocht of artikel 2 Sr (territorialiteitsbeginsel) rechtsmacht kan bieden. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Onderdeel van de delictsomschrijving van artikel 282a Sr is dat de dader ‘een ander dwingt iets te doen of niet te doen’. Die ‘ander’ is in dit geval [naam bedrijf] , gevestigd in Groningen, Nederland. De verdachte heeft volgens de tenlastelegging contact gehad met vertegenwoordigers van [naam bedrijf] in Nederland, onderhandelingen over het losgeld met hen gevoerd en een overeenkomst gesloten met dat bedrijf bedoeld om tegen betaling van losgeld de gegijzelde bemanningsleden in vrijheid te stellen. Het feit heeft daarmee zijn uitwerking in Nederland en de verdachte was daarmee ook op Nederlands grondgebied actief.

Nu een deel van de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen in Nederland heeft plaatsgevonden, is er ook rechtsmacht voor de andere deelhandelingen van dit strafbare feit (vgl. HR 27-10-1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1413).

Om dezelfde reden biedt overigens ook artikel 3 Sr (vlaggenbeginsel) rechtsmacht. De gijzeling is namelijk al begonnen aan boord van [naam schip] door het schip te enteren, de bemanning onder schot te houden en hen te dwingen het schip te verlaten en in de boten van de gijzelnemers plaats te nemen. Voor deze feitelijke handelingen is het vlaggenbeginsel van toepassing en dit biedt dan ook rechtsmacht voor de andere deelhandelingen van dit feit.

Het is daarom niet nodig om de overige door de officieren van justitie genoemde grondslagen die mogelijk rechtsmacht zouden kunnen bieden nog te bespreken.

Conclusie

Op grond van de artikelen 2 (feit 2), 3 (feiten 1 en 2) en 4 sub e (feit 1) Sr is de Nederlandse strafwet van toepassing op de ten laste gelegde feiten. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. De verweren van de verdediging worden verworpen.

3. De beslissingen over het bewijs

Bewijsverweer vormverzuim

De verdediging heeft aangevoerd dat de inzet van de pseudokoop/dienstverlening onrechtmatig was. Hiertoe is aangevoerd dat er misbruik is gemaakt van dit opsporingsmiddel vanwege het doel, namelijk het contact leggen en onderhouden met ‘ [naam 1] ’ en het tot een fysieke ontmoeting te laten komen. Met behulp van dit opsporingsmiddel is de verdachte gelokt naar Zuid-Afrika, wat niet onder de opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 126i Sv valt. Hierdoor is er sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en dient al hetgeen is verkregen ten aanzien van de vaststelling van de identiteit van de verdachte (de simkaarten, de telefoon, de in beslag genomen goederen bij de aanhouding alsmede de gesprekken die zijn gevoerd) te worden uitgesloten van het bewijs.

Beoordeling vormverzuim

Op grond van artikel 359a Sv kan de rechtbank - voorzover van belang - indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde feiten.

De vraag die dus voorligt, is of sprake is van zo een vormverzuim. De rechtbank vindt van niet. In het kader van het bewijsverweer heeft de rechtbank op de zitting aan de officier van justitie gevraagd wat het doel van de inzet van de pseudokoop en -dienstverlening was. Volgens de officier van justitie kon met de inzet van het opsporingsmiddel, tezamen met de eveneens ingezette bevoegdheid tot inwinnen van stelselmatige informatie op grond van artikel 126j Sv, bewijs worden verzameld voor de identificatie van de verdachte. Uiteindelijk is voor een fysieke ontmoeting een afspraak op Mauritius gemaakt om uitsluitsel over de identificatie te krijgen. Deze gang van zaken is door de verdediging niet weersproken en een ander doel van de ontmoeting is niet met feiten en omstandigheden onderbouwd.

Gelet op het voorgaande heeft de inzet van de pseudokoop en -dienstverlening ertoe geleid dat de verdachte kon worden geïdentificeerd. Hiermee is gehandeld binnen de grenzen van artikel 126i Sv en is dus geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het verweer tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank vindt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan op de volgende manier:

Feit 1

hij op 21 april 2018 op open zee in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 91 kilometer uit de kust van Nigeria en aan boord van een onder Nederlandse vlag varend vaartuig, [naam schip] , dat vaartuig door bedreiging met geweld en vreesaanjaging in zijn macht heeft gebracht en gehouden immers hebben verdachte en zijn mededaders

  • -

    dat varende schip geënterd terwijl zij waren bewapend met automatische vuurwapens, en

  • -

    bemanningsleden van dat schip met die automatische vuurwapens bedreigd en onder schot gehouden, en

  • -

    die bemanningsleden onder bedreiging van die automatische vuurwapens gedwongen het schip te verlaten en plaats te nemen op boten van verdachte en zijn mededaders

terwijl verdachte dit feit heeft gepleegd met meer personen gezamenlijk en met het oogmerk die bemanningsleden wederrechtelijk van hun vrijheid te beroven en beroofd te houden.

Feit 2

hij in de periode van 21 april 2018 tot en met 19 mei 2018 aan boord van een onder Nederlandse vlag varend vaartuig [naam schip] op open zee in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 91 kilometer uit de kust van Nigeria en in Nigeria en in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk bemanningsleden van hun vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden met het oogmerk [naam bedrijf] te dwingen iets te doen, te weten het betalen van een hoeveelheid losgeld, immers hebben verdachte en zijn mededaders

  • -

    dat varende schip geënterd terwijl zij bewapend waren met automatische vuurwapens en

  • -

    die bemanningsleden met die automatische vuurwapens bedreigd en onder schot gehouden en

  • -

    die bemanningsleden onder bedreiging van die automatische vuurwapens gedwongen het schip te verlaten en plaats te nemen op boten van verdachte en zijn mededaders en

  • -

    die bemanningsleden onder bedreiging van die automatische vuurwapens en gedwongen vervoerd naar diverse locaties in Nigeria alwaar die bemanningsleden werd gedwongen te wachten en te verblijven tot er losgeld betaald was en

  • -

    telefonisch contact opgenomen met het bedrijf [naam bedrijf] onderhandeld over het te betalen losgeld en de vrijlating van die bemanningsleden en

  • -

    een overeenkomst gesloten met het bedrijf [naam bedrijf] om tegenbetaling van losgeld die bemanningsleden in vrijheid te stellen.

Bewijsverweer

Standpunt van de verdediging

De verdachte is niet betrokken geweest bij de kaping van het schip. Hij is nooit op [naam schip] geweest en hij is ook niet ‘ [naam 1] ’ die in het dossier veelvuldig wordt genoemd.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen die aan de bewezenverklaring ten grondslag zijn gelegd kan worden afgeleid dat de verdachte de bij de kaping en gijzeling betrokken ‘ [naam 1] ’ is. Die vaststelling of gevolgtrekking wordt in haar betrouwbaarheid ondersteund door de navolgende feiten en omstandigheden:

- De verdachte heeft verklaard dat hij de naam [naam 1] gebruikte en dat hij deze naam bij de onderhandelingen met de rederij aannam.1

- De verdachte heeft erkend dat hij de onderhandelingen met de rederij voerde.2 De onderhandelaar van de rederij heeft bij de onderhandelingen de stem van de onderhandelaar van de piraten herkend als de stem van [naam 1] .3

- De piraten hebben contact gehad met de rederij via het nummer [telefoonnummer] .4 Dat nummer staat ook op het briefje dat een van de gegijzelden bij de vrijlating van [naam 1] heeft gekregen. [naam 1] heeft met die nummers contact opgenomen met de rederij na de vrijlating van de gegijzelden.5

- In een WhatsAppgesprek met ‘ [naam 2] ’, begeleider van het WOD-traject, die onderhandelingen voerde met [naam 1] na de vrijlating van de gegijzelden, zegt [naam 1] dat hij ‘ [naam 1] is van de Niger Delta’ is. Daarbij worden door [naam 1] foto’s van de verdachte, een kopie van zijn paspoort en twee foto’s van de bemanning van [naam schip] meegestuurd. Uiteindelijk leiden de gesprekken tot een afspraak met [naam 1] waarbij de verdachte wordt aangehouden. 6

- Het onder de verdachte in beslag genomen Blackviewtoestel is afkomstig van [naam schip] .7 Op het Blackviewtoestel staat communicatie met [naam 1] , foto’s van de bemanning van de [naam schip] en foto’s van de verdachte.8

- De vrouw van de verdachte heeft berichten verstuurd aan ‘ [naam 2] ’ en noemde de verdachte daarin [naam 1] .9

4. Bewijsmiddelen

Feiten 1 en 2

1. De verklaring van de verdachte10

Ik ben betrokken geweest bij het vervoeren van de gegijzelde bemanning van [naam schip] naar het oerwoud in Nigeria en ik heb meerdere keren de onderhandelingen gevoerd met [naam bedrijf] om losgeld te verkrijgen. De gegijzelden en de kapers spraken mij aan als [naam 1] . U toont mij de foto onderaan pagina 633 van het dossier. Ik ben de persoon in het groene shirt en de camouflagebroek.

2. De verklaring van aangever [naam aangever] namens [naam bedrijf]11

Op 15 mei 2018 werd door [naam bedrijf] en de woordvoerder van de gijzelnemers genaamd [naam 1] een overeenkomst gesloten waarna de bemanning tussen 18 mei 2018 en 19 mei 2018 is vrijgelaten in Nigeria.

3. Onderzoek van de politie12

Met behulp van de aanwezige navigatie- en traceerapparatuur kon door de Nederlandse Kustwacht de positie van [naam schip] worden bepaald. Op 21 april 2018 omstreeks 05:25 uur vindt er een koerswijziging van [naam schip] plaats en tegelijkertijd is te zien dat de snelheid van het schip wordt verminderd naar 9,8 knopen. Het schip bevond zich toen in de positie 03° 33, 21’ Noorderbreedte en 007° 04, 54’ Oosterlengte. Dit werd vastgesteld door middel van een AIS-plot. Deze positie is gelegen in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 56 zeemijlen oftewel 91 kilometer uit de kust van Bonny Nigeria. Deze positie is niet gelegen binnen de territoriale wateren van enige gemeente dan wel enig land.

4. Onderzoek van de politie13

[naam schip] vaart onder Nederlandse vlag in opdracht van het bedrijf genaamd [naam bedrijf] , gevestigd te Groningen. Voor [naam schip] is een Nederlandse Zeebrief afgegeven onder nummer: 5111/2017, hieruit bleek mij dat [naam schip] geregistreerd staat als Nederlands schip.

5. Onderzoek van de politie, verklaring van getuige [naam getuige 1]14

De kaping vond plaats op 21 april 2018 rond 05:45 uur. Ik was aanwezig in de machinekamer toen ik werd gebeld door de Chief. Hij vroeg mij om samen met de 3e mechanicus naar boven te komen. Toen wij boven kwamen zag ik vijf gewapende mensen. We moesten op onze knieën gaan zitten. Ik zag dat er boten om ons schip heen cirkelden. Ik moest daarna samen met een kaper naar beneden om speciale handelingen te verrichten zodat het schip niet zou vergaan. Deze kaper was de ‘majoor’. Tijdens deze handelingen werd ik onder schot gehouden. Ook vroeg de majoor mij steeds naar de security. Als ik hierover zou liegen dan zou hij mij doodschieten. Toen ik ook in de boot zat en we wegvoeren zag ik dat er 11 bemanningsleden verdeeld waren over twee boten.

De piraten waren zwaar bewapend met automatische geweren. We kwamen toen bij een klein dorpje op het water. Op deze plek hebben wij ongeveer 3 weken verbleven. De majoor en [naam 3] van de rederij hebben over de vrijlating onderhandeld. We werden naar een eiland gebracht. Op het eiland kwam een andere man met een tas in zijn hand. De majoor en de man gingen toen naar een hutje. De majoor kwam daarna naar buiten met een pak geld. Daarna gingen we met iedereen, ook de piraten, op de foto.

6. Onderzoek van de politie, verklaring van getuige [naam getuige 2]15

De volgende morgen zag hij de leider die zichzelf ‘ [naam 1] ’ noemde. [naam 1] was ook bij de kaping aanwezig geweest. [naam 1] zei dat hij de baas was en met de rederij zou spreken om te onderhandelen.

7. Onderzoek van de politie, verklaring van getuige [naam getuige 3]16

Wij moesten naar de rechter brugvleugel en daar geknield gaan zitten. Een piraat in het groen gekleed hield ons met een geweer onder schot. Toen ik naar de bootjes moest gaan werd ik door de piraten geduwd en werd er een geweer op mij gericht. Tijdens de kaping werd er op de brug tegen mij gezegd dat ik zou worden doodgeschoten als ik niet zou luisteren.

8. Onderzoek van de rechter-commissaris, verklaring van [naam getuige 1]17

Bij het kapen van het schip was [naam 1] , wat mij betreft, de baas. Ik kon natuurlijk niet zien wie er hoger in de piramide stond, maar bij het gijzelen had ik de indruk dat hij de leider was. Meestal kwam hij alleen als er telefonisch contact moest worden gelegd. Als we vroegen wanneer we zouden worden vrijgelaten wist alleen [naam 1] daar antwoord op. Hij was zeker gewapend.

5. De verboden gedragingen en de strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1

het in zijn macht brengen en het in zijn macht houden van een vaartuig door bedreiging met geweld en vreesaanjaging door twee of meer personen gezamenlijk gepleegd met het oogmerk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden.

Feit 2

Medeplegen van gijzeling.

Strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is strafbaar.

6. Motivering van de straf

Standpunten

Officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de verdachte een leidende rol heeft gehad bij zeer ernstige feiten en dat er aanwijzingen zijn van seriematige betrokkenheid van de verdachte bij soortgelijke feiten. Er is sprake van een hoge organisatiegraad, een hoog geweldsgehalte, een hoge gevaarzetting en een enorme impact op zowel de gegijzelde bemanning als de rederij. Piraterij brengt grote schade toe aan het scheepvaartverkeer, met wereldwijde economische gevolgen. De weinige persoonlijke omstandigheden die de verdachte heeft gemeld, kunnen niet afdoen aan de strafmaat, gelet op de ernst van de feiten. Dit leidt tot een strafeis van tien jaar gevangenisstraf.

Verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is een rustige en erg beschaafde jongen en had vanwege geldproblemen geen andere keuze. Hij heeft alleen ondersteunende taken verricht zoals het voeren van de onderhandelingen, omdat hij als enige goed Engels sprak. Daarnaast verzoekt de verdediging rekening te houden met het onherstelbaar vormverzuim van het onjuist inzetten van de pseudokoop/dienstverlening.

Beoordeling

Algemeen

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de kaping van het schip [naam schip] en de gijzeling van elf bemanningsleden van dat schip. De verdachte en zijn medeverdachten zijn met automatische vuurwapens naar het schip gevaren en hebben het schip geënterd. Terwijl zij de aangetroffen bemanningsleden onder schot hielden, hebben ze het schip doorzocht op geld en andere goederen. Vervolgens hebben ze de bemanningsleden gedwongen het schip te verlaten en hen vervoerd naar diverse locaties in de jungle en bij een moeras. Daar werden ze gedurende in totaal drieënhalve week vastgehouden terwijl de verdachte met [naam bedrijf] , hun werkgever/opdrachtgever, onderhandelde over het te betalen losgeld. Uiteindelijk heeft dat erin geresulteerd dat [naam bedrijf] een bedrag van € 340.000 heeft betaald, waarna de bemanningsleden werden vrijgelaten.

Omstandigheden rond de feiten

De gebeurtenissen moeten een beangstigende ervaring zijn geweest, in de eerste plaats voor de ontvoerde bemanningsleden. Gedurende de gijzeling liep een van de bemanningsleden schotwonden op, een ander werd zo ziek als gevolg van malaria dat hij een nierdialyse nodig had en blijvende schade opliep aan zijn nieren. Hun familieleden moeten ook al die tijd hebben gevreesd voor het lot van hun dierbaren. Ook de op het schip achtergebleven bemanningsleden die zich - soms dagenlang - verstopt hadden, moeten doodsangsten hebben uitgestaan. Zij wisten niet of er nog piraten op het schip waren, noch wat ze moesten doen met het stuurloze schip. In de laatste plaats moet het ook een stressvolle periode zijn geweest voor de medewerkers van [naam bedrijf] die betrokken waren bij de onderhandelingen.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte in ieder geval operationeel leiding gaf aan deze operatie. Hij voerde de onderhandelingen met [naam bedrijf] en de gegijzelden beschouwden hem als de leider, zowel op het schip als op het land. Hij gaf de opdrachten aan de andere gijzelnemers en ze sprongen in het gelid als hij eraan kwam.

De door de verdachte gepleegde feiten staan niet op zichzelf: piraterijfeiten als deze komen de afgelopen jaren in en rond Afrika veelvuldig voor. Het is een ernstige bedreiging voor het internationaal erkende recht op vrije doorgang op internationale wateren en vormt een daarmee een bedreiging voor de handel. Bovenal gaat piraterij gepaard met veel geweld en bedreiging met geweld. Dat lijkt ook hier het geval: de piraten hadden beschikking over meerdere automatische wapens, waaronder een FN MAG, een machinegeweer dat afstanden tot 1800 meter kan overbruggen.

Dat de verdachte zich ‘op seriematige wijze’ heeft ingelaten met kapingen, zoals de officieren van justitie hebben betoogd, staat op basis van het dossier onvoldoende vast. De rechtbank gaat daar in de strafmaat dan ook niet van uit.

Het bovenstaande brengt met zich mee dat een forse gevangenisstraf het uitgangspunt is. Bij het bepalen van die duur is voorts het volgende in aanmerking genomen.

Persoonlijke omstandigheden

De verdachte is afkomstig uit Nigeria en aannemelijk is dat de verdachte daar een moeizaam bestaan had. De verdachte heeft zelf ook te maken gehad met geweld: op de zitting heeft hij verklaard dat zijn broer gekidnapt is en vervolgens vermoord. Dat heeft hem veel gedaan. Deze omstandigheden kunnen geen rechtvaardiging vormen voor het plegen van strafbare feiten en zeker niet dergelijke ernstige feiten. Toch kan er niet geheel aan voorbijgegaan worden dat de bestraffing in deze zaak plaatsvindt tegen die achtergrond.

Verder neemt de rechtbank mee dat detentie in Nederland een zware belasting voor de verdachte moet zijn, aangezien hij zich zorgen maakt over zijn familie en hij in detentie een zeer geïsoleerd bestaan leidt. De verdachte is immers ver van huis en zijn familie, ontvangt geen bezoek in het huis van bewaring en het onderhouden van contact met zijn familie in Nigeria is beperkt vanwege de hoge kosten. In zoverre zijn zijn detentieomstandigheden zwaarder dan die voor een willekeurig ander iemand die in Nederland is aangehouden. Ook hiermee kan bij de strafoplegging slechts in zeer marginale zin worden rekening gehouden, gelet op het gegeven dat het de verdachte zelf is geweest die in de kern deze situatie voor zichzelf in het leven heeft geroepen.

Gelet op hetgeen in hoofdstuk 3 van dit vonnis is overwogen over het door de verdediging gevoerde verweer in de zin van 359a Sv behoeft het daarop gebaseerde strafmaatverweer geen bespreking meer.

Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die door deze rechtbank en het gerechtshof Den Haag in het (recente) verleden zijn opgelegd in min of meer vergelijkbare piraterijzaken. Strafverzwarend zijn de lange duur en omvang van de gijzeling - elf bemanningsleden, ruim drie weken en diep in de jungle - alsmede de leidende rol van de verdachte. Deze factoren maken dat de rechtbank tot een hogere straf komt dan die in eerdere piraterijzaken zijn opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 8 jaar en 6 maanden passend en geboden.

Wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen van 47, 57, 282a en 385a van het Wetboek van Strafrecht.

7. De beslissing over de in beslag genomen goederen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen goederen aan de rechthebbende [naam bedrijf] worden teruggeven. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen goederen.

Beoordeling

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen, te weten 6 enveloppen en 3 dozen, zal een last worden gegeven tot teruggave aan de degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, zijnde [naam bedrijf] .

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht in Nederland en de uitleveringsdetentie in Zuid-Afrika, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan de rechthebbende [naam bedrijf] van:

1. STK Enveloppe (886369);

1. STK Enveloppe (886372);

1. DS Doos (886375);

1. STK Enveloppe (886376)

1. STK Enveloppe (886377);

1. STK Enveloppe (886381);

1. STK Doos (886388);

1. DS Doos(886391);

1. STK Enveloppe (886396).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. J.C. Tijink en T.M. Riemens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Ouarssani griffier,

en uitgesproken op de zitting van deze rechtbank op 15 juli 2022.

De oudste en jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verhoor van verdachte 20 mei 2020 ( [proces-verbaalnummer 1] ), p. 848 en verhoor van verdachte 2 maart 2020 ( [proces-verbaalnummer 2] ), p. 827.

2 Verhoor van verdachte 20 mei 2020 ( [proces-verbaalnummer 1] ), p. 848.

3 Verhoor van aangever [naam aangever] 5 juni 2018 ( [proces-verbaalnummer 3] ), p. 234.

4 Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 4] , p. 163 en 164.

5 Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 5] , p. 222 t/m 232.

6 Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 6] , p. 484 t/m 504.

7 Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 7] , p. 549 en 622.

8 Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 8] , p. 631 t/m 644.

9 Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 9] , p. 517 t/m 522.

10 Afgelegd op de terechtzitting van 5 juli 2022.

11 Pagina 234.

12 Pagina 59.

13 Pagina 67 e.v.

14 Pagina 248 e.v.

15 Pagina 359.

16 Pagina 237.

17 Verhoor getuige bij de rechter-commissaris op 27 mei 2021, RC-nummer 18/1129, pagina’s 2 t/m 4.