Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:5867

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
18-07-2022
Zaaknummer
10/997376-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor gewoontewitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997376-19

Datum uitspraak: 5 juli 2022

Tegenspraak (artikel 279 Sv)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte]

gemachtigd raadsman mr. W. Römelingh, advocaat te ’s-Gravenhage.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2022, dat is gesloten op de terechtzitting van 5 juli 2022.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. F.B.W. Groendijk en L.H.H. Roebroek (hierna verder te noemen: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het plegen van gewoontewitwassen in de vorm van het voorhanden hebben, omzetten en gebruiken van het ten laste gelegde geldbedrag;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Geldigheid dagvaarding

4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat, indien de dagvaarding een andere strekking dan het verhullen van de herkomst van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen zou hebben, er sprake is van een nietige tenlastelegging, omdat de tenlastelegging in dat geval voor de verdachte en de raadsman niet begrijpelijk is.

4.2.

Beoordeling

Een tenlastelegging is (partieel) nietig als het daarin opgenomen verwijt onvoldoende bepaald is, zodat de verdachte niet kan weten tegen welke beschuldigingen hij zich te verweren heeft en het de rechtbank onduidelijk is welk onderzoek zij moet verrichten. Bij het antwoord op de vraag of de in een tenlastelegging opgenomen beschuldiging voldoende duidelijk is, wordt de tenlastelegging in samenhang met het strafdossier bezien.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging geen vragen oproept ten aanzien van de beschuldiging die daarin wordt verwoord. Gelet op de inhoud van het procesdossier en de tenlastelegging, in onderlinge samenhang bezien, is voldoende duidelijk wat de verdenking tegen de verdachte inhoudt.

Dat betekent dat de tenlastelegging voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld en het beroep op nietigheid wordt verworpen. Overigens kan het slagen van een dergelijk beroep niet enkel afhangen van een ontkennend antwoord op de vraag of de samenvatting van de tenlastelegging door de verdediging de juiste strekking heeft, zoals de verdediging lijkt voor te staan.

4.3.

Conclusie

De dagvaarding is geldig.

5. Ontvankelijkheid officier van justitie

De rechtbank onderscheidt in het betoog van verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid, de volgende onderdelen.

Beroep op niet-ontvankelijkheid wegens miskenning taak door de rechter-commissaris.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de rechter-commissaris te Rotterdam haar taak in de aanloop naar en tijdens de doorzoeking zodanig heeft miskend, dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Deze rechter-commissaris heeft namelijk niet opgetreden als onafhankelijke en onpartijdige functionaris door de noodzaak van de doorzoeking niet op te nemen in de machtiging en geen grenzen te stellen aan het doel van de doorzoeking. De verdachte is ook niet aan het begin van de doorzoeking aangehouden, maar pas vijf uur later, aan het einde van de doorzoeking. Dat is een aanwijzing voor de omstandigheid dat er voorafgaand aan de doorzoeking geen concrete verdenking tegen de verdachte bestond en de rechter-commissaris zich hier ook geen rekenschap van heeft gegeven. Dit alles dient op het conto van het openbaar ministerie te komen en dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Beoordeling

De rechtbank kan zich, mede gelet op de ter zitting geschetste omstandigheden waaronder de doorzoeking van de woning van de verdachte heeft plaatsgevonden, voorstellen dat die doorzoeking voor de verdachte en zijn dochter, tevens medeverdachte, [naam medeverdachte 1] , die op dat moment in de woning aanwezig waren, een zeer nare ervaring is geweest. De keuze voor de wijze waarop wordt binnengetreden ten behoeve van de aanhouding en/of doorzoeking, wordt echter gemaakt op basis van de op dat moment beschikbare informatie. Daarbij zal de melding van onder meer het bedreigen van medewerkers van de verdachte en zijn broer, tevens medeverdachte [naam medeverdachte 2] , met vuurwapens en van vuurwapenbezit door de broer van de verdachte mogelijk een rol hebben gespeeld. Dat de verdachte en zijn gezin de doorzoeking als een grove inbreuk op hun privacy hebben ervaren, is feitelijk inherent aan deze interventie. Van onbevoegd of disproportioneel handelen is niet gebleken. Noch de beslissing tot het laten verrichten van de doorzoeking noch de wijze waarop deze is uitgevoerd, geven echter blijk van enige vooringenomenheid van de betrokken rechter-commissaris(sen). Dat de motieven voor de beslissing van de rechter-commissaris te Rotterdam niet op papier zijn gezet, maakt dat niet anders. De wet voorziet niet in een verplichting tot een dergelijke verslaglegging en daarnaast brengt het enkele ontbreken daarvan nog niet met zich mee dat de rechter-commissaris vooringenomen was. Ook de omstandigheid dat de verdachte pas aan het einde van de doorzoeking is aangehouden vormt, mede gezien de overige informatie over de verdachte die toen beschikbaar was, geen reden om tot de conclusie te komen dat sprake was van enige vooringenomenheid bij deze rechter-commissaris.

Conclusie

Het verweer wordt reeds hierom verworpen.

Beroep op niet-ontvankelijkheid wegens strijdigheid witwassen zonder gronddelict met het EVRM en het IVBPR.

Standpunt verdediging

Een beschuldiging van witwassen zonder gronddelict is in strijd met het EVRM en IVBPR,

door op enig moment een wilsafhankelijke verklaring van de verdachte te verlangen. Hierdoor wordt inbreuk gemaakt op het recht op privéleven, het gezinsleven dan wel het eigendomsrecht van de verdachte, zonder wettelijke grondslag, althans in strijd met het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit.

Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Beoordeling

Voor zover de verdediging beoogt te betogen dat artikel 6 van het EVRM wordt geschonden doordat bij witwassen zonder gronddelict van een verdachte verlangd wordt dat hij informatie verstrekt over (de toedracht van) hetgeen door hem aan gelden is verkregen, dan wel is afgedragen en de herkomst daarvan, en hij zichzelf hiermee blootstelt aan strafrechtelijke vervolging, overweegt de rechtbank als volgt.

In het arrest van 8 februari 1996 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Murray tegen het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:1996:0208JUD001873191) benadrukt dat het zwijgrecht en het recht tegen gedwongen zelf-incriminatie (het beginsel van nemo-tenetur) geen absolute rechten zijn. Een veroordeling mag volgens het EHRM niet enkel worden gebaseerd op het zwijgen van verdachte, maar er kunnen zich situaties voordoen die vragen om een uitleg en waarbij het zwijgen meegenomen kan worden bij de beoordeling van het bewijs. Dit laatste dient vervolgens door de rechter te worden gemotiveerd.

In het arrest van 2 mei 2017 heeft het EHRM in de zaak van Zschüschen tegen België (ECLI:CE:ECHR:2017:0502DEC002357207) geoordeeld dat het weigeren van een verdachte om een nadere verklaring te geven over de herkomst van het geld ten aanzien waarvan de verdenking bestaat dat het van misdrijf afkomstig is, in samenhang met ander bewijs, kan leiden tot de conclusie dat het redelijkerwijs wel moet gaan om geld dat van misdrijf afkomstig is. Deze bewijsconstructie levert volgens het EHRM op zichzelf geen schending van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het EVRM op.

Deze uitspraak kan worden toegepast op soortgelijke zaken in Nederland. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad.

Het uitblijven van een (nadere) verklaring te geven door de verdachte over de herkomst van de aan hem tenlastegelegde geldbedragen, kan – wanneer zich feiten en omstandigheden voordoen die sterk tegen de verdachte pleitten en de verdachte dit vermoeden zou moeten kunnen ontzenuwen indien de bedragen een legale herkomst hadden – zonder het beginsel van nemo tenetur en daarmee artikel 6, eerste lid, van het EVRM te schenden, worden gebruikt als rechtvaardiging dat het vermoeden van witwassen juist is. De enkele mogelijkheid dat verdachte zich hiermee zou blootstellen aan strafrechtelijke vervolging ter zake van een ander strafbaar feit, doet aan het vorengaande niet af.

Voor zover het beroep anders moet worden begrepen heeft het te gelden als onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

Beroep op niet-ontvankelijkheid wegens de afwezigheid van een redelijk vermoeden van witwassen en het onderbelichten van de stortingen en opnamen via de Nationale Stichting tot Exploitatie van Casino Spelen (NSC)

Standpunt verdediging

Er is geen sprake van een redelijk vermoeden van witwassen. De verdachte, zijn gezin en zijn ondernemingen zijn (financieel) volledig doorgelicht zonder dat van enig misdrijf is gebleken. Tegenover de stortingen op de rekening [rekeningnummer] staan ook opnames, gedaan via de NSC in Nederland. Daarnaast is chartaal geld wettig, evenals het storten en opnemen daarvan. Voorts is het niet verboden Holland Casino te bezoeken.

Door de wijze waarop het openbaar ministerie de zaak heeft gepresenteerd aan de rechtbank, waarbij de gang van zaken met betrekking tot de NSC opnamen en stortingen onderbelicht zijn gebleven, zijn de belangen van de verdachte op een eerlijk proces veronachtzaamd (Zwolsmancriterium). Deze veronachtzaming raakt tevens de kern van het strafrechtelijke systeem (Karmancriterium). Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De beoordeling

Uit het proces-verbaal van verdenking volgt genoegzaam dat en waarom tegen de verdachte de verdenking is gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht1. Zijn inkomsten afgezet tegen zijn uitgaven, zijn functies binnen [naam bedrijf 1] dan wel [naam bedrijf 2] , de geldopnamen binnen laatstgenoemde vennootschap, de verwevenheid van de vennootschappen en de kennelijke bezoeken aan het casino konden deze verdenking dragen.

Het door de verdediging gestelde handelen van het openbaar ministerie in strijd met het Zwolsmanscriterium door misleiding van de rechtbank is niet aannemelijk geworden. Van het door de verdediging gestelde handelen in strijd met het Karmancritrium dat een inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert die zodanig fundamenteel is dat deze tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie dient te leiden, is de rechtbank niet gebleken.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

Beroep op niet-ontvankelijkheid omdat de rechter-commissaris dan wel het openbaar ministerie niet bereid was om nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte

Standpunt verdediging

Bij brief van 5 oktober 2020 heeft de verdediging onderzoekswensen ingediend bij de rechter-commissaris welke wensen onder meer zagen op de relatie tussen de opnames en de stortingen, de winstkansen bij Holland Casino en de uitbetaling door Holland Casino. In die brief is opgenomen dat dat uit dit nadere onderzoek naar verwachting zal blijken dat er een relatie bestaat tussen de opnamen en de stortingen. Nu dit niet is verricht dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De beoordeling

De verdachte heeft in zijn verhoren op het gros van de vragen als antwoord gegeven “Geen antwoord” respectievelijk “Zwijg” of “Ik zwijg”. Dit recht komt hem toe. Hierdoor is evenwel – anders dan door de verdediging is gesteld – geen sprake van een dóór de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van het geld die tegenwicht kan bieden aan de tegen hem gerezen verdenking waardoor het op de weg van het openbaar ministerie is komen te liggen om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaring van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld.

Tegen de afwijzing van de onderzoekswensen door de rechter-commissaris heeft de verdachte geen afzonderlijk rechtsmiddel aangewend.

Conclusie

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie op deze grond faalt.

Het verweer wordt verworpen.

Samenvattende conclusie ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid

Nu geen van de aangevoerde gronden de stelling van niet-ontvankelijkheid kan dragen, moet de officier van justitie in de strafvervolging worden ontvangen.

Voor zover de verdediging naast de niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd dat de verdachte op grond van de hiervoor ingenomen standpunten dient te worden vrijgesproken, zal dat hierna bij de bespreking van de waardering van het bewijs door de rechtbank nader worden betrokken.

6. Rechtmatigheid van de inverzekeringstelling

Standpunt verdediging

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig is geweest om de redenen die hij voorafgaand aan de inverzekeringstelling heeft gedicteerd aan de hulpofficier van justitie [naam persoon 1] , in aanwezigheid van opsporingsambtenaar [naam persoon 2]2. Om de reden dat de verdachte niet is voorgeleid aan de rechter-commissaris wordt hierover een oordeel van de rechtbank verlangd.

Beoordeling

De door de verdediging toentertijd gedicteerde argumenten – te weten dat door de verdediging niet is gehoord dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, dat de inverzekeringstelling een doel moet dienen en dat de verdediging is opgevallen dat de verdachte wordt gevraagd “naar de bekende weg” en dat de vragen wat de verdediging betreft zodanig worden geformuleerd dat daarop geen goed antwoord mogelijk is – maken niet dat de verdachte niet in verzekering kon worden gesteld. Aan de verdachte is bij zijn aanhouding kenbaar gemaakt waarvan hij werd verdacht. De verdediging is – door tussenkomst van de piketcentrale – hiervan kennis gegeven. De verdediging is bij de verhoren van de verdachte geweest en in het eerste verhoor is aangegeven waarvan de verdachte werd verdacht. De inverzekeringstelling diende daarnaast een doel. Het onderzoek was nog niet voltooid, nader verhoor van de verdachte was nog noodzakelijk en hij diende in het belang van het onderzoek nog ter beschikking van justitie te blijven. De omstandigheid dat de verdediging dit anders ziet kan daaraan niet afdoen. Hetgeen gedicteerd is over het type vragen en de kwaliteit daarvan laat de rechtbank voor rekening van de verdediging en kan niet afdoen aan de hierna volgende conclusie.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de inverzekeringstelling rechtmatig is (geweest).

7. Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat er geen feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er sprake was van een redelijk vermoeden van witwassen. Mocht anders geoordeeld worden, dan geldt dat de verdachte een afdoende verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld.

De raadsman heeft ter zitting verklaard dat de verdachte in de ten laste gelegde periode namelijk met regelmaat Holland Casino heeft bezocht. De verdachte nam daartoe geld op bij een betaalautomaat van NSC en kreeg daarvoor een waardebon om in het casino te besteden. De waardebonnen in het kader van de uitkeringen door het casino ruilde de verdachte in tegen contant geld, dat voor een deel weer op zijn rekening werd gestort of werd besteed aan dagelijkse uitgaven. Dat patroon is terug te zien op de rekening van de verdachte en op die van zijn echtgenote, tevens medeverdachte [naam medeverdachte 3] en zijn dochter voornoemd.

De raadsman heeft ter illustratie van hetgeen door hem verklaard is namens de verdachte een uitgewerkt overzicht van de opnames en stortingen overgelegd (pagina 3 tot en met 8 van de pleitnota).

Beoordeling

Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, dient naar vaste rechtspraak als uitgangspunt te worden genomen dat, indien het onderzoek geen bewijs heeft opgeleverd dat de ten laste gelegde geldbedragen van een bepaald misdrijf afkomstig zijn, toch bewezen kan worden verklaard dat deze voorwerpen ‘uit enig misdrijf’ afkomstig zijn, als op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden geconcludeerd moet worden dat een legale herkomst van die voorwerpen is uitgesloten.

Als de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag – zoals hiervoor reeds aan de orde kwam – van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte met zo’n verklaring komt, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om naar aanleiding daarvan nader onderzoek te doen. Bij het ontbreken van een dergelijke verklaring zal over het algemeen geen andere conclusie kunnen worden getrokken dan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Vooropgesteld dient te worden dat het onderzoek in deze zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de ten laste gelegde bedragen van een bepaald misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat eerst moet worden vastgesteld of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden zodanig zijn dat er zonder meer van een vermoeden van witwassen sprake is. In dat verband wordt het volgende overwogen.

De feiten en omstandigheden die een vermoeden van witwassen dragen

Naar aanleiding van anonieme meldingen aangaande mensenhandel heeft er op 7 februari 2019 een doorzoeking plaatsgevonden in het kantoorpand van het bedrijf [naam bedrijf 3] , een bedrijf waarvan de verdachte bestuurder was. Uit verder onderzoek volgt dat in de periode 2016 tot en met begin juli 2019 voor een totaalbedrag aan € 30.000 aan contante opnamen zijn gedaan van de rekening van [naam bedrijf 3]3 Bij [naam bedrijf 2] , een andere vennootschap waarvan de verdachte tot 3 november 2017 bestuurder en enig aandeelhouder is geweest, is in totaal voor een bedrag van € 678.860,- aan contante geldbedragen opgenomen.4 Bij [naam bedrijf 4] , een vennootschap waarvan de broer van de verdachte, [naam medeverdachte 2] tevens medeverdachte, bestuurder en enig aandeelhouder was, is voor een totaalbedrag van € 430.890 contant opgenomen.5

Uit de van de Belastingdienst verkregen gegevens met betrekking tot het inkomen van de verdachte blijkt dat over 2017 het bruto-inkomen van de verdachte € 25.412 bedroeg. Over 2018 is gebleken van een bruto-inkomen van de verdachte van € 26.276.

Verder onderzoek naar de rekening op naam van voornoemde vennootschap waar de verdachte een bestuursfunctie heeft vervuld, heeft niet meer plaatsgevonden, maar wel heeft een analyse plaatsgevonden van de persoonlijke rekening van de verdachte. Uit die analyse is informatie verkregen over de geldstromen op deze rekening. Op en van deze rekening zijn in de jaren 2016 tot het begin van 2019 met regelmaat geldbedragen gestort en ook weer opgenomen. In totaal is in die periode een bedrag van € 174.298,35 contant gestort.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het voorgaande een vermoeden van witwassen rechtvaardigt. De herkomst van de gestorte bedragen is niet bekend en zij staan niet in verhouding tot de inkomsten van de verdachte. Daar komt bij dat het voorhanden hebben van relatief grote contante geldbedragen ongebruikelijk is vanwege de veiligheidsrisico’s die daarmee gepaard gaan, reden waarom dit als een zogenoemde witwastypologie gezien wordt. Hetzelfde geldt voor het omzetten van contante geldbedragen. Dit wordt vaak gedaan om de herleidbaarheid van geldbedragen te voorkomen. Opvallend is ook dat op de bankrekeningen van de drie voornoemde medeverdachten eveneens grote contante geldstortingen worden gedaan. Aan de verdediging kan worden toegegeven dat het hanteren van typologieën met voorzichtigheid en aandacht voor de mogelijkheid van afwijking in het individuele geval moet gebeuren. Dat is hier gebeurd: in dit geval zijn de aanwijzingen zodanig dat ze ten aanzien van de verdachte in onderlinge samenhang gezien een redelijk vermoeden van witwassen hebben opgeleverd.

Nu is voldaan aan het vereiste dat sprake is van een gerechtvaardigd redelijk vermoeden van witwassen, mag van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld worden verwacht. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

De gestelde opbrengsten uit het Holland Casino

Een verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld dat door hem contant is gestort is uitgebleven. Nu de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen, was het openbaar ministerie niet gehouden verder onderzoek te verrichten. De suggesties van de verdediging omtrent casinobezoek door de verdachte vormden daartoe evenmin aanleiding, omdat dit bezoek nog geen verklaring biedt voor de herkomst van de kennelijk daar bestede gelden.

Wat betreft de zogenoemde ‘middellijke verklaring’ van de raadsman ter zitting met betrekking tot de bestedingen van zijn cliënt in Holland Casino, die de – legale – herkomst daarvan zou moeten verklaren, overweegt de rechtbank ten overvloede het volgende. De officier van justitie heeft deze verklaring ter zitting bestreden; de verklaring roept vragen op die met de verdachte niet ter zitting kunnen worden besproken. Casinowinst kun je voorts contant afstorten in het casino, het is niet logisch om deze mee naar huis te nemen en het is ook niet meer mogelijk om geld contant op te nemen in het casino, aldus de officier van justitie.

Het door de verdediging ter zitting overlegde overzicht van stortingen en in Holland Casino is een aanwijzing dat de verdachte veelvuldig casino’s frequenteerde, maar het biedt – ook als naar de stortings- of opnametijdstippen wordt gekeken - geen verklaring voor de herkomst van het geld dat de verdachte in het casino heeft besteed (€ 330.025) tegenover het bedrag dat door casino’s aan hem is overgeboekt (€ 64.1726) en daarmee evenmin voor de discrepantie tussen zijn (legale) inkomsten en de contante stortingen op de bankrekening met nr [rekeningnummer] . Een (vermoeden van een) mogelijk legale herkomst valt hieruit dus niet af te leiden.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld ontbreekt.

Conclusie

De rechtbank komt tot het oordeel dat, gelet op het ontbreken van een verklaring van de verdachte over de herkomst van de geldbedragen, het niet anders kan zijn dan dat de door de verdachte gedane contante stortingen geld betrof dat van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan witwassen.

7.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 10

juni 2016 tot en met 31 januari 2019, in Den Haag en Rijswijk

(van) een voorwerp, te weten :

- een totaal bedrag van EUR 174.298,35 contant gestort op bankrekening

[rekeningnummer] in de periode van 10 juni 2016 tot en met 31 januari 2019,

heeft voorhanden gehad, omgezet en/of gebruik

heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte wist dat dat dat

voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was uit enig misdrijf,

en hij, verdachte van het plegen van dit

feit een gewoonte heeft gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

9. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

10. Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Door uit criminele activiteiten verkregen geld in de reguliere economie om te zetten, wordt de integriteit van het economische verkeer aangetast en dat is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer. De verdachte heeft hierover geen enkele verklaring willen afleggen en is niet ter zitting verschenen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 mei 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

11 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

12 .Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 196 (honderdzesennegentig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 98 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. D. van der Sluis en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juli 2022.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 10

juni 2016 tot en met 31 januari 2019,

in Den Haag en/of Rijswijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens)

a)

van één of meerdere voorwerp(en), te weten (onder meer):

- een (totaal) bedrag van EUR 174.298,35 contant gestort op bankrekening

[rekeningnummer] in de periode van 10 juni 2016 tot en met 31 januari 2019

(AMB-023 en bijlage 1 bij AMB-044-01),

-althans enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e)

voorwerp(en) was,

en/of

b)

(van) één of meerdere voorwerp(en), te weten (onder meer):

- een (totaal) bedrag van EUR 174.298,35 contant gestort op bankrekening

[rekeningnummer] in de periode van 10 juni 2016 tot en met 31 januari 2019

(AMB-023 en bijlage 1 bij AMB-044-01),

-althans enig(e) geldbedrag(en),

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of gebruik

heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en) dat dat dat/die

voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

en hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) van het plegen van dit

feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

1 Pagina 55 en verder van het dossier

2 Pagina 68 e.v. van het dossier

3 AMB-025, p. 365.

4 AMB-025, p. 366.

5 AMB-025, p. 366.

6 Pagina 351 van het dossier.