Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:5710

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-07-2022
Datum publicatie
13-07-2022
Zaaknummer
C/10/618302 / HA ZA 21-414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak tussen 11 studenten (eisers) en een private onderwijsinstelling (gedaagde). In conventie vordering terugbetaling collegegelden, oneerlijke/misleidende handelspraktijken (ex art. 6:193b, 193c en 193dBW), dwaling, ontbreken ingebrekestelling. In reconventie vordering betaling collegegelden en annuleringsfee, annuleringsbeding onredelijk bezwarend, niet alsnog een (subsidiair) beroep op art. 7:411 BW (redelijk loon).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/618302 / HA ZA 21-414

Vonnis van 13 juli 2022

in de zaak van

1. [naam eiseres 1],

wonende te [woonplaats eiseres 1],

2. [naam eiseres 2],

wonende te [woonplaats eiseres 2],

3. [naam eiseres 3],

wonende te [woonplaats eiseres 3],

4. [naam eiseres 4],

wonende te [woonplaats eiseres 4],

5. [naam eiser 1],

wonende te [woonplaats eiser 1],

6. [naam eiseres 5],

wonende te [woonplaats eiseres 5],

7. [naam eiseres 6],

wonende te [woonplaats eiseres 6],

8 [naam eiseres 7],

wonende te [woonplaats eiseres 7],

9. [naam eiseres 8],

wonende te [woonplaats eiseres 8],

10. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2],

11. [naam eiseres 9],

wonende te [woonplaats eiseres 9],

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

advocaat mr. R.J.C. Bindels te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.J.F. Gonesh te 's-Gravenhage.

Eisers in conventie, verweerders in reconventie, zullen hierna gezamenlijk de ‘Studenten’ genoemd worden, en afzonderlijk met hun achternaam worden aangeduid. Gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, zal [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

­ de dagvaarding, met producties 1 tot en met 19,

­ de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 120,

­ de brief van de rechtbank van 27 augustus 2021 met de oproep voor de mondelinge behandeling en de brief van de rechtbank van 13 januari 2022 met de zittingsagenda,

­ de akte overlegging aanvullende producties, alsmede akte aanvulling rechtsgronden/ aanvulling bewijsaanbod en vermeerdering van eis aan de zijde van de Studenten, met producties 20 tot en met 29,

­ de conclusie van antwoord in reconventie,

­ de brief van 24 januari 2022 van [naam gedaagde] met aanvullende producties 121 tot en met 129 en productie 130 (producties 130a tot en met 130d),

­ de brief van 4 februari 2022 van de Studenten met aanvullende producties 30 en 31,

­ de akte vermeerdering van (grondslag van de) eis in reconventie, tevens akte overlegging aanvullende productie, met productie 131,

­ de tijdens de mondelinge behandeling door beide advocaten overgelegde

spreekaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam gedaagde] is een private onderwijsinstelling voor mbo en hbo die versnelde en begeleide opleidingen aanbiedt op het gebied van Evenementenmanagement, Hotelmanagement en International Business & Entrepreneurschap. [naam gedaagde] heeft vestigingen in [plaatsnaam 1], [plaatsnaam 2], [plaatsnaam 3] en [plaatsnaam 4]. Al deze vestigingen zijn aparte rechtspersonen.

2.2.

De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) is een kwaliteitsorganisatie die de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen borgt, bevordert en beoordeelt en in dat kader bestaande en nieuwe opleidingen accrediteert. Een onderwijsinstelling kan alleen ten aanzien van een geaccrediteerde opleiding een rechtsgeldig bachelor-diploma uitreiken aan haar afgestudeerden.

2.3.

Elke zes jaar worden alle opleidingen van [naam gedaagde] door de NVAO geaccrediteerd. De twee laatste heraccreditaties hebben in februari 2020 en in juni 2021 plaatsgevonden. Daarvoor zijn er visitatiebezoeken geweest van de NVAO in 2018 en 2019.

2.4.

Op de website en in brochures van [naam gedaagde] heeft het volgende gestaan:

“[naam gedaagde] BESTE VAN NEDERLAND?

[naam gedaagde] (hotelschool, eventmanagement en business school) is een kleinschalige Hbo-school met een duidelijke aanpak: No pain, no gain. Doelgericht werken de studenten, docenten en begeleiders hard en resultaatgericht. Dit levert een hoog slagingspercentage op. 80% van de studenten slaagt binnen 3 jaar! Daarbij komt dat de studenten afstuderen met een winnaarsmentaliteit. Geen hotelschool, hogeschool of HBO doet ons dat in Nederland na.

[naam gedaagde] Hogeschool verslaat Hogescholen en Hotelscholen als beste school van Nederland.

[naam gedaagde] scoort erg hoog. 80% van de studenten studeert binnen 3 jaar af. Een kleine 60% studeert inmiddels binnen 2 ½ jaar af. Met deze resultaten laten we alle overheidsscholen ver achter ons. Hoe hard zijn onze cijfers? Keihard. De NVAO - de

accrediterende instelling van Nederland - heeft dit zelf vastgesteld en vastgelegd in een goedkeurende verklaring.

Hoe kan [naam gedaagde] beter scoren dan andere scholen?

Heel simpel (…) no pain, no gain. Daarbij werken wij kleinschalig. Op iedere 7 studenten is 1 personeelslid actief. De praktijk is real life. Geen simulaties.

Kleine klassen, heldere structuur, veel contacturen.

De studenten volgen minimaal 24 uur per week onderwijs, studeren verplicht op school en volgen indien nodig steunlessen. Er is een vast lesrooster, iedere dag van 9.30 -17.00 uur, uitlopend tot 18.00 uur. Op school gelden duidelijke regels. Voor de klas staan docenten die actief zijn in het bedrijfsleven. Groepsgrootte varieert van 6-19 studenten.”

2.5.

Ook op open dagen wordt geïnteresseerden informatie verschaft over de opleidingen van [naam gedaagde]. Na inschrijving voor de opleiding vindt er een intakegesprek plaats met de toekomstige student.

2.6.

De Studenten zijn allen oud-studenten van [naam gedaagde] (locatie [plaatsnaam 2]). Twee van de Studenten, [naam eiseres 3] en [naam eiseres 4], zijn in september 2018 begonnen met een opleiding bij [naam gedaagde] (‘Cohort 2018’). De overige negen Studenten zijn in september 2019 begonnen (‘Cohort 2019’).

2.7.

De kosten voor de opleidingen voor Cohort 2018 bedragen € 14.650,- in het eerste jaar, € 14.650,- in het tweede jaar en € 12.500,- in het laatste jaar (totaal € 41.800,-).

De kosten voor de opleidingen voor Cohort 2019 bedragen € 15.650,- in het eerste jaar, € 15.650,- in het tweede jaar en € 13.500,- in het laatste jaar (totaal € 44.800,-).

2.8.

Op de tussen [naam gedaagde] en de met elke Student afzonderlijk afgesloten onderwijsovereenkomst zijn de door [naam gedaagde] gehanteerde ‘Algemene en inschrijfvoorwaarden’ (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In de algemene voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

“C. Beëindiging

1. september-instroom

(…)

c. Bij annulering na 1 augustus voor aanvang van de opleiding en tijdens de opleiding is men vanaf datum annulering naast de reeds vervallen maand termijnen tevens een annuleringsfee verschuldigd ter hoogte van 35% van de kosten van het desbetreffende studiejaar.

(…)”

2.9.

Tot 1 augustus 2019 was [naam 1] als vestigingsdirecteur bij [naam gedaagde] (locatie [plaatsnaam 2]) werkzaam. Het dienstverband van zijn opvolger, [naam 2], is in december 2019 geëindigd, waarna [naam 3] vestigingsdirecteur is geworden. [naam 3] heeft met ingang van 1 juni 2020 ontslag genomen. Sinds juni 2020 is [naam 4] de vestigingsdirecteur.

2.10.

Na de beëindiging van hun dienstverband bij [naam gedaagde] zijn [naam 1] en [naam 3] in dienst getreden bij de private onderwijsinstelling [naam school] ([naam school]).

2.11.

Bij brief van 17 juni 2020 heeft [naam eiseres 7], een van de Studenten, aan de vestigingsdirecteur van [naam gedaagde] meegedeeld dat zij haar betalingsverplichtingen jegens [naam gedaagde] opschort. In de brief staat onder meer het volgende:

“(…)

Het vertrouwen in de bachelor opleiding International Hotel & Hospitality Management is volledig verdwenen omdat het door u geboden onderwijs helaas niet aan mijn verwachtingen voldoet. Per direct schort ik daarom al mijn betaalverplichtingen jegens [naam gedaagde] op. Ik vind dat u de toezeggingen die u maakt op de website onvoldoende waarmaakt. Ook gezien het bedrag dat ik moet betalen voor de opleiding had ik meer mogen verwachten. Enerzijds wil ik restitutie van de studiegelden over de voorliggende maanden omdat niet datgene wordt aangeboden wat is beloofd aangaande het fysiek volgen van de lessen, anderzijds wil ik per omgaande geïnformeerd worden betreft een plan van aanpak over

 de lesinhoud voor het komende studiejaar

 invulling over de bachelor opleiding, nu deze door de pandemie internationaal deels wegvalt

 inhoudelijk alternatieven opleiding gerelateerde stageplaatsen

U suggereert kwalitatief onderwijs met persoonlijke aandacht voor studenten, vaste docenten, coaching, teamspirit en kleinschalig klassikaal onderwijs, begeleiding, mentaliteit, met intensieve coaching, duidelijke regels en structuur.

(…) Ondanks herhaalde verzoeken vanaf laatste kwartaal 2019 mijnerzijds inzake persoonlijke begeleiding en ondersteuning qua lesstof, echter zelden tot nooit gekregen, wel herhaalde lesuitval van vakken of structureel te laat beginnen door afwezigheid docenten, en nu tijdens en begin van de pandemie geen innovatie input lesaanbod en alternatieve HBO gerelateerde stages met gevolg al weken totale lockdown vanuit uw organisatie;

(…)

Ik zit al weken afwachtend thuis, geen lessen, geen (functionele) alternatieven, geen innovatieve oplossingen, volgen van een opleiding gerelateerde stageplaats enz.

Wel kondigt u per mail aan het vertrek van een aantal stafleden om vervolgens wederom over te gaan in een totale radiostilte;

(…)

Ik volg bij u de bachelor opleiding International Hotel & Hospitality Management.

Ik verwacht van u als hogeschool dat u handelt zoals van een redelijk bekwaam en redelijk onderwijsinstelling verwacht mag worden. Uw zorgplicht bijvoorbeeld, dat wil zeggen dat u in deze actief contact zoekt met de student om de studievoortgang te bespreken en naar alle redelijk- en billijkheid over een goed passend opleiding gerelateerd aanbod naar aanleiding van deze pandemie mag verwachten.

(…)”

2.12.

Naar aanleiding van deze brief heeft er op 3 juli 2020 een gesprek plaatsgevonden tussen [naam eiseres 7] en [naam gedaagde]. Vervolgens hebben [naam eiseres 7] en [naam gedaagde] contact gehad over de door [naam eiseres 7] te volgen zomerstage en is een stageplan opgesteld.

2.13.

Namens [naam eiseres 7] is bij brief van 2 november 2020 aan [naam gedaagde] de ontbinding van de studieovereenkomst ingeroepen en is aanspraak gemaakt op restitutie van betaalde collegegelden. In de brief staat onder meer:

“(…) Helaas moet ik u berichten dat cliënte onverminderd belemmering ervaart in het geboden onderwijs. Niet valt te verwachten dat een gesprek een oplossing zal bieden voor het ondermaatse onderwijs. [naam gedaagde] kiest ervoor om haar studenten nog immer niet afdoende bij te staan en te begeleiden. Dit maakt dat cliënte andermaal niet onbelemmerd haar studie kan voortzetten en [naam gedaagde] wederom haar toezeggingen niet nakomt. (…)

Voornoemde gang van zaken bevestigt nog maar eens het vermoeden van cliënte, dat [naam gedaagde] haar niet het geboden onderwijs kan bieden waar zij op grond van de gesloten overeenkomst, vanuit mocht gaan. Cliënte heeft [naam gedaagde] voldoende in de gelegenheid gesteld de tekortkoming te herstellen en haar zorgplicht na te komen. [naam gedaagde] is niet binnen de gestelde termijn tot herstel overgegaan. Hoewel het verzuim strikt gezien al geruime tijd geleden is ingetreden, laat ik u hierbij formeel weten dat [naam gedaagde] in verzuim verkeert.

Onder de omstandigheid waarbij cliënte ervaart dat [naam gedaagde] belemmeringen blijft opwerpen, ziet zij zichzelf genoodzaakt om haar opleiding te beëindigen.”

2.14.

Op dezelfde dag, 2 november 2020, hebben ook de overige Studenten per afzonderlijke - maar gelijkluidende - brief aan [naam gedaagde] meegedeeld dat aan de zijde van [naam gedaagde] sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de onderwijsovereenkomst en een onrechtmatige daad en dat om die reden de onderwijsovereenkomst wordt ontbonden. Verder wordt aanspraak gemaakt op restitutie van de betaalde collegegelden. In de brieven staat onder meer:

“(…) Mijn klachten zijn (onder meer doch niet beperkt): nauwelijks studiebegeleiding, constant wisselende docenten, begeleiders en directies, onnavolgbare feedback op de door mij ingeleverde opdrachten. Van de vestiging Amsterdam zijn dit jaar slechts enkele studenten binnen de voorgehouden twee jaar en acht maanden afgestudeerd. Dit maakt, onder de dreiging van een ‘boete' van € 5.500 per kwartaal, dat ik geen vertrouwen meer heb. (…)

Daarnaast zijn nu fysieke lessen komen te vervallen. De invulling van de online lessen is onvoldoende. Tijdens de eerste lockdown periode heb ik weken afwachtend thuis gezeten, werden geen lessen en geen (functionele) alternatieven aangeboden. Nu wij ons in de tweede intelligente lockdown bevinden verzuimt [naam gedaagde] wederom om innovatieve oplossingen te bieden. (…)

Naast voornoemde punten vind ik dat het [naam gedaagde] sneller en beter had kunnen en moeten inspelen op het geven van digitale lessen. Tot op heden is daar - met name op het gebied van begeleiding - onvoldoende invulling aan gegeven. Voorts had van [naam gedaagde] verwacht mogen worden dat zij mij en de overige studenten actiever zou informeren over de invulling van het onderwijs. Dat heeft [naam gedaagde] eveneens nagelaten. Nog immer is het voor mij onzeker hoe de invulling (met name op internationaal gebied) zal worden vormgegeven. (…)

Alhoewel [naam gedaagde] reeds op de hoogte is gebracht van de verscheidende gebreken en tekortkomingen in het onderwijs en ik - en andere - bovendien mondeling al eens hebben

verzocht om hier een oplossing voor te vinden, heeft [naam gedaagde] tot op heden niet aan de

redelijke verzoeken voldaan. (…)”

2.15.

Na het inroepen van de ontbinding van de studieovereenkomst met [naam gedaagde] zijn alle Studenten overgestapt naar [naam school] en zij volgen daar thans een soortgelijke hbo-opleiding.

3. Het geschil

in conventie:

3.1.

De Studenten vorderen - na eisvermeerdering - om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

i. € 43.031,63 aan [naam eiseres 1],

ii. € 53.591,63 aan [naam eiseres 2],

iii. € 73.647,30 aan [naam eiseres 3],

iv. € 83.525,- aan [naam eiseres 4],

v. € 47.591,63 aan [naam eiser 1],

vi. € 47.591,63 aan [naam eiseres 5],

vii. € 47.591,63 aan [naam eiseres 6],

viii. € 41.511,63 aan [naam eiseres 7],

ix. € 47.591,67 aan [naam eiseres 8],

x. € 49.374,96 aan [naam eiser 2],

xi. € 51.158,33 aan [naam eiseres 9],

II. Voorwaardelijk, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat verrekening niet mogelijk is en de vordering in reconventie (gedeeltelijk) wordt toegewezen:

[naam gedaagde] te veroordelen tot betaling van bedragen gelijk aan de bedragen die [naam gedaagde] in reconventie aan collegegelden en annuleringsfees vordert,

III. [naam gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De Studenten hebben aan hun vorderingen het volgende ten grondslag gelegd:

3.2.1.

Er is sprake van oneerlijke handelspraktijken in de zin van art. 6:193b BW. Dit brengt mee dat de studenten jegens [naam gedaagde] een beroep toekomt op vernietiging van de overeenkomst, onverminderd het recht op schadevergoeding. Daarnaast is er sprake van dwaling als bedoeld in art. 6:228 BW.

3.2.2.

Er is aan de zijde van [naam gedaagde] sprake van een tekortkoming in de nakoming van de onderwijsovereenkomst. Daarom is de onderwijsovereenkomst van iedere Student op 2 november 2020 op de voet van art. 6:265 lid 1 BW ontbonden en is er een ongedaanmakingsverbintenis als bedoeld in art. 6:271 BW ontstaan op grond waarvan de reeds betaalde collegegelden dienen te worden terugbetaald. Als de ontbinding geen stand houdt dan dienen de reeds betaalde collegegelden te worden aangemerkt als schade die op grond van art. 6:74 BW voor vergoeding in aanmerking komt. Daarnaast bestaat er recht op schadevergoeding vanwege opgelopen studievertraging op grond van art. 6:74 BW, of de ontbinding nu standhoudt of niet. De schade van de Studenten bestaat uit misgelopen inkomsten, waarbij voor de schatting van de schade (op de voet van art. 6:97 BW) kan worden aangesloten bij de Richtlijn Studievertraging van de Letselschaderaad.

3.2.3.

Er is sprake van onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW, omdat [naam gedaagde] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Er bestaat recht op schadevergoeding ter hoogte van de reeds betaalde collegegelden en op vergoeding van schade als gevolg van studievertraging.

3.3.

[naam gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot niet ontvankelijkverklaring van de Studenten in hun (respectieve) vorderingen, althans deze vorderingen geheel of gedeeltelijk af te wijzen met veroordeling van de Studenten in de proceskosten, onder de bepaling dat indien deze kosten niet binnen acht dagen na de dag waarop de rechtbank vonnis heeft gewezen, aan [naam gedaagde] zijn voldaan de wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak over de proceskosten door de Studenten verschuldigd is. [naam gedaagde] heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:

ten aanzien van eventuele vorderingen van de Studenten uit hoofde van een ongedaanmakingsverbintenis geldt dat deze vorderingen moeten worden verrekend met de vorderingen van [naam gedaagde] op de Studenten tot vergoeding van de werkelijke waarde van de geleverde prestaties (namelijk het gegeven onderwijs) als bedoeld in art. 6:273 BW;

voor zover er sprake zou zijn van schade aan de zijde van de Studenten is er sprake van eigen schuld.

in reconventie:

3.4.

[eiseres] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. veroordeling tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van

  1. € 10.944,00 door [naam verweerder 1],

  2. € 3.226,66 door [naam verweerder 2],

  3. € 22.928,80 door [naam verweerder 3],

  4. € 8.160,80 door [naam verweerder 4],

  5. € 11.664,00 door [naam verweerder 5],

  6. € 10.114,00 door [naam verweerder 6],

  7. € 7.904,00 door [naam verweerder 7],

  8. € 13.984,00 door [naam verweerder 8],

  9. € 7.904,00 door [naam verweerder 9],

  10. € 9.424,00 door [naam verweerder 10],

  11. € 7.904,00 door [naam verweerder 11],

alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente,

II. Voorwaardelijk, voor zover in conventie wordt geoordeeld dat de onderwijsovereenkomsten tussen de Studenten en [eiseres] ontbonden zijn en de vordering van [eiseres] tot vergoeding van de waarde van de door haar geleverde prestatie in conventie niet verrekend kan worden met hetgeen zij dient terug te betalen aan de Studenten:

veroordeling van de Studenten tot betaling van een bedrag (bedragen) aan [eiseres] ter vergoeding van de waarde van de door [eiseres] verrichte prestaties bij de uitvoering van de gesloten onderwijsovereenkomsten, gelijk aan het bedrag dat door ieder van de Studenten aan [eiseres] als collegegeld is verschuldigd, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

III. veroordeling van de Studenten in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.5.

[eiseres] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag:

Omdat er geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [eiseres], bestond er voor de Studenten geen grond om tot ontbinding van de onderwijsovereenkomsten over te gaan. De door de Studenten ingeroepen ontbinding van de onderwijsovereenkomsten is daarmee zonder rechtsgevolg gebleven, reden waarom de ontbindingsbrieven door [eiseres] zijn opgevat als een verzoek tot uitschrijving. De Studenten dienen de met hen gesloten onderwijsovereenkomsten na te komen tot aan de datum van de uitschrijvingsdatum (de beoogde ontbindingsdatum). Een en ander betekent dat de studenten de vervallen maandtermijnen aan collegegeld dienen te betalen tot de uitschrijvingsdatum. Daarnaast zijn de Studenten op grond van art. C.1.C. van de algemene voorwaarden een annuleringsfee van 35% verschuldigd.

3.6.

De Studenten hebben de vorderingen gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres], althans tot afwijzing van het gevorderde als zijnde ongegrond en/of onbewezen, met voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling in de kosten van de onderhavige procedure, alsmede de nakosten.

De Studenten hebben, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:

-ten aanzien van de door [eiseres] gevorderde collegegelden geldt dat deze vorderingen moeten worden verrekend met de ongedaanmakingsverbintenis ex art. 6:271 BW dan wel de schadevergoedingsverplichting op grond van art. 6:74 en 6:162 BW,

-de op grond van het annuleringsbeding gevorderde annuleringsfee kan niet worden toegewezen, omdat het annuleringsbeding op grond van art. 6:233a BW moet worden vernietigd omdat het onredelijk bezwarend en oneerlijk is.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van art. 22 van de studieovereenkomst en art. I.3 van de algemene voorwaarden de rechtbank Rotterdam bevoegd is om van onderhavige vorderingen kennis te nemen.

In conventie

4.2.

In de dagvaarding heeft de advocaat van de Studenten in het kader van het beroep op dwaling een beroep gedaan op art. 6:230 lid 2 BW (wijziging gevolgen overeenkomst ter opheffing nadeel). Ter zitting heeft de advocaat van de Studenten dit beroep laten varen, zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

4.3.

De vorderingen waarop nu (nog) een beslissing moet worden genomen zijn primair gebaseerd op de vernietiging van de overeenkomst wegens oneerlijke handelspraktijken (op grond van - naar de rechtbank begrijpt – art. 6:193j lid 3 BW) en wegens dwaling (op grond van art. 6:228 BW); alternatief zijn zij gebaseerd op ontbinding van de overeenkomst met verplichting tot schadevergoeding wegens wanprestatie (art. 6:74 BW) dan wel onrechtmatige daad. Indien er geen sprake is van rechtsgeldige ontbinding, dan is volgens de advocaat sprake van opzegging van de overeenkomst.

Is er sprake van oneerlijke handelspraktijken en/of dwaling?

4.4.

De Studenten stellen dat [naam gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan misleidende handelspraktijken in de zin van art. 6:193b BW. [naam gedaagde] heeft met de in 2.4 geciteerde tekst het aan potentiële studenten - in strijd met de waarheid - doen voorkomen dat door de NVAO zou zijn vastgesteld dat [naam gedaagde] de best presterende school van Nederland is en dat door de NVAO zou zijn vastgesteld en vastgelegd dat 80% van de studenten van [naam gedaagde] binnen drie jaar een hbo-diploma behaalt. Bij de tekst was ook een keurmerk van de NVAO geplaatst. Dit levert strijd op met art. 6:193b lid 2 BW. Daarnaast is er ook sprake van een situatie als bedoeld in art. 6:193b lid 3 BW. Op grond van art 6:193c lid 1 sub b, sub d en sub f BW, art. 6:193d lid 1 en lid 2 BW en art. 6:193g sub b en d BW is namelijk sprake van een misleidende handelspraktijk. De Studenten en hun ouders gingen af op de bevindingen van de NVAO, eenvoudigweg omdat de NVAO een onafhankelijke accrediterende instelling is van onderwijsinstellingen. Zonder deze, door [naam gedaagde] gedane, aanprijzing zou geen onderwijsovereenkomst met [naam gedaagde] zijn gesloten, althans niet onder dezelfde voorwaarden, aldus de Studenten.

4.5.

[naam gedaagde] betwist dat er op haar website een keurmerk van de NVAO heeft gestaan. Verder betwist [naam gedaagde] dat uit de tekst blijkt dat de NVAO heeft vastgesteld dat [naam gedaagde] de best presterende school van Nederland is of alle overheidsscholen ver achter zich laat. Er staat terecht wel vermeld dat de NVAO heeft vastgesteld dat de cijfers zoals gepresenteerd door [naam gedaagde] juist zijn. De NVAO heeft alle opleidingen van [naam gedaagde] als voldoende beoordeeld en goedgekeurd. Bij de beoordeling is ook gekeken naar de cijfers en daar ziet de opmerking over de goedkeurende verklaring op. Op het internet zijn ook de accreditaties te vinden van andere jaren waarin de NVAO zich positief heeft uitgelaten over de opleidingen van [naam gedaagde].

Ter zitting heeft [naam gedaagde] daar nog aan toegevoegd dat de cijfers zoals slagingspercentages en de duur van de opleiding jaarlijks kunnen veranderen en dat op de website steeds de actuele cijfers staan vermeld. Op de website staat op dit moment bijvoorbeeld vermeld dat de opleiding drie tot drieënhalf jaar duurt, waarbij de opleiding zoals die in 2017 is gestart (cohort 2017) als uitgangspunt is genomen. De duur van de opleiding is op dit moment iets langer omdat de studenten als gevolg van de coronacrisis pas laat op stage konden en hen daarom wat meer tijd en ruimte moesten worden gegeven. Maar dat kan volgend jaar weer veranderen, aldus [naam gedaagde].

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt.

Heeft er een keurmerk op de website en in de brochure van [naam gedaagde] gestaan?

4.7.

Eén van de Studenten, [naam eiseres 3], heeft ter zitting verklaard dat er onder de op de website van [naam gedaagde] vermelde aanprijzing dat [naam gedaagde] de beste school van Nederland was, ook een keurmerk stond dat de indruk wekte van de NVAO afkomstig te zijn. [naam gedaagde] heeft er echter op gewezen dat de NVAO helemaal geen keurmerk heeft (gehad) en ook de advocaat van de Studenten heeft zich eerder in die zin uitgelaten (akte aanvulling rechtsgronden, bladzijde 5, 2e alinea). Daarmee staat dus tussen partijen vast dat de NVAO geen keurmerken gebruikt. Van een label als bedoeld in art. 6:193g sub b BW is dus geen sprake, reden waarom sub b van art. 6:193g BW toepassing mist.

4.8.

Het voorgaande betekent dat als hetgeen [naam eiseres 3] heeft verklaard juist is, er dus een vals keurmerklogo van de NVAO op de website van [naam gedaagde] moet hebben gestaan. Daarmee zou dan feitelijke onjuiste informatie zijn verstrekt (het plaatsen van een keurmerk dat niet bestaat), hetgeen op grond van art. 6:193c lid 1 BW als een misleidende handelspraktijk moet worden aangemerkt. [naam gedaagde] heeft ter zitting echter expliciet betwist dat er een keurmerk van welke organisatie dan ook op haar website heeft gestaan. De advocaat van de Studenten heeft hierop bewijs aangeboden van de stelling dat in 2017 en 2018 op de website en in de brochure van [naam gedaagde] een keurmerk heeft gestaan. Met keurmerk wordt dan kennelijk, gelet op de uitlatingen ter zitting, gedoeld op een logo of vergelijkbaar teken. De Studenten hebben echter niet geconcretiseerd hoe dat logo er precies uit zag, wat er op dat logo stond vermeld, waarom dat logo de indruk wekte van de NVAO afkomstig te zijn en waarom dat logo in combinatie met de op de website en in de brochure vermelde tekst misleidend zou zijn geweest. In dat verband is van belang dat een enkele aanduiding dat de opleidingen van [naam gedaagde] door de NVAO geaccrediteerd zijn in dat verband niet van belang kan zijn, nu die accreditatie een feit was. De omstandigheid dat de aanduiding NVAO voorkwam op de site volstaat dus niet.

4.9.

De stelling dat [naam gedaagde] zich heeft bediend van een vals keurmerklogo van de NVAO is daarmee onvoldoende geconcretiseerd onderbouwd, reden waarom de rechtbank geen aanleiding ziet om de Studenten in het door hen aangeboden bewijs toe te laten. Dit geldt te meer nu het in de stukken gedane algemene bewijsaanbod zo weinig concreet is dat dat onvoldoende houvast biedt voor een bewijsopdracht op dit punt. Ter zitting is het bewijsaanbod weliswaar enigszins aangevuld door aan te bieden brochures van 2017 en 2018 in het geding te brengen, maar ook dit bewijsaanbod is te vaag en te weinig concreet om de Studenten tot bewijs toe te laten, te meer ook nu dit aanbod afwijkt van de stelling dat [naam gedaagde] zich op haar website van een logo van de NVAO heeft bediend. Daarbij komt nog dat de Studenten schriftelijk bewijs waarover zij reeds beschikten uit eigen beweging in het geding hadden kunnen en moeten brengen.

4.10.

Op dit punt is daarmee in deze procedure niet komen vast te staan dat er sprake is geweest van een misleidende/oneerlijke handelspraktijk in de zin van de art. 6:193b lid 2 en 6:193b lid 3 juncto art. 6:193c BW.

Is ten aanzien van de aanprijzing sprake van een oneerlijke/misleidende handelspraktijk?

4.11.

Daarmee resteert thans de vraag of de (in 2.4. geciteerde) tekst zelf als een oneerlijke/misleidende handelspraktijk van [naam gedaagde] moet worden aangemerkt.

4.12.

De Studenten stellen dat in de tekst ten onrechte wordt beweerd dat de NVAO [naam gedaagde] aanbeveelt, erkent als beste school van Nederland of goedkeurt als beste school van Nederland, althans de door [naam gedaagde] gepresenteerde slagingspercentages heeft goedgekeurd. Zij doen in dit verband een beroep op art. 6:193g sub d BW.

4.13.

Uit de in 2.4. geciteerde tekst kan echter niet de conclusie worden getrokken dat daarin gezegd wordt dat [naam gedaagde] door de NVAO als de best presterende school van Nederland is aangemerkt. De zinsnede met betrekking tot de goedkeurende verklaring van de NVAO is ondergebracht onder de kop ‘[naam gedaagde] verslaat Hogescholen en Hotelscholen als beste school van Nederland.’ In die kop wordt NVAO niet genoemd. Nauwkeurige lezing van de tekst zelf leidt verder tot de conclusie dat daarin staat vermeld dat de NVAO alleen een goedkeurende verklaring heeft afgegeven voor de aanprijzing dat 80% van de studenten van [naam gedaagde] binnen drie jaar afstudeert (en 60% binnen 2 ½ jaar).

4.14.

Gelet op het voorgaande is er, anders dan de Studenten beweren, geen sprake van dat [naam gedaagde] op haar website en in haar brochure zou hebben beweerd dat zij is aanbevolen, erkend of goedgekeurd als beste school van Nederland door NVAO. Bij een gemiddelde consument die met normale oplettendheid leest, wordt die indruk ook niet gewekt. Dit betekent dat art. 6:193g sub d BW toepassing mist. Op dit punt is dus geen sprake van een oneerlijke/misleidende handelspraktijk in de zin van art. 6:193b BW.

4.15.

Dan resteert nog wel de vraag of de aanprijzingen aangaande [naam gedaagde] en de door haar aangeboden opleidingen op grond van art. 6:193c BW als misleidend kunnen worden aangemerkt.

4.16.

Aanprijzingen in algemene bewoordingen, zoals bijvoorbeeld in dit geval ‘de best presterende school van Nederland’, kunnen op zichzelf niet als misleidend bestempeld worden. Ook aanprijzingen aangaande slagingspercentages kunnen niet zonder meer als misleidend bestempeld worden. Een en ander is afhankelijk van de feitelijke bewoordingen en de overige omstandigheden van het geval.

4.17.

Zoals reeds overwogen brengt een strikte lezing van de in 2.4. geciteerde tekst mee dat de daarin vermelde goedkeurende verklaring van de NVAO alleen ziet op de aanprijzing dat 80% van de studenten binnen drie jaar afstudeert (en 60% binnen 2 ½ jaar). De rechtbank begrijpt het verweer van [naam gedaagde] aldus dat - onder verwijzing naar de accreditatierapporten van de NVAO - die cijfers juist waren op het moment dat de tekst op de website en de brochure van [naam gedaagde] stond vermeld. Op grond van art. 6:193j BW rust op [naam gedaagde] de bewijslast ter zake van de materiele juistheid en volledigheid van de informatie die zij heeft verstrekt. De rechtbank begrijpt dat de Studenten die betwisten.

4.18.

De rechtbank zal [naam gedaagde] echter niet toelaten tot bewijslevering bij gebrek aan belang. Ook indien de materiele juistheid en volledigheid van de in de tekst gepresenteerde slagingspercentages niet zou komen vast te staan, is voor een geslaagd beroep op art. 6:193c BW ook vereist dat de gemiddelde consument door die misleidende handelspraktijk een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. Dat is in dit geval onvoldoende onderbouwd. De gemiddelde consument zou zich realiseren dat dergelijke percentages gezien moeten worden in het geheel van de tekst en geen garantie inhouden voor de eigen kans van slagen. Ook de Studenten hebben de tekst zo opgevat. De Studenten stellen weliswaar dat zij zonder de door [naam gedaagde] gepresenteerde slagingspercentages de onderwijsovereenkomst niet hadden gesloten, maar uit hun eigen stellingen kan worden afgeleid dat de Studenten met name voor [naam gedaagde] hebben gekozen vanwege de intensieve en persoonlijke begeleiding, een aspect waarmee [naam gedaagde] zich nadrukkelijk onderscheidt van (reguliere) onderwijsinstellingen. Dit vindt ook steun in de verklaring van enkele Studenten ter zitting dat zij hadden verwacht meer te hebben geleerd - en in die zin dus meer ‘bagage’ zouden hebben meegekregen - wanneer [naam gedaagde] hen de beloofde intensieve begeleiding zou hebben gegeven. Gelet hierop hebben de Studenten onvoldoende onderbouwd dat ook de gemiddelde consument van het sluiten van een onderwijsovereenkomst met [naam gedaagde] zou hebben afgezien indien de door [naam gedaagde] gepresenteerde slagingspercentages (namelijk dat 80% van de studenten binnen drie jaar afstudeert) niet op haar website en in haar brochure zouden hebben gestaan.

4.19.

Reeds op grond van hetgeen in 4.18. is overwogen, is daarmee in deze procedure niet komen vast te staan dat sprake is van een misleidende handelspraktijk in de zin van art. 6:193c BW en evenmin dat sprake is van een misleidende omissie in de zin van art. 6:193d lid 1 en 2 BW. Bij deze stand van zaken kan beoordeling van de materiele juistheid en volledigheid van de door [naam gedaagde] op de website en/of in de brochure gepresenteerde slagingspercentages achterwege blijven.

4.20.

Het voorgaande brengt mee dat er geen grond bestaat voor de door de Studenten ingeroepen vernietiging van de onderwijsovereenkomst op de voet van - naar de rechtbank begrijpt - art. 6:193j lid 3 BW.

Dwaling

4.21.

Hetgeen in 4.18. is overwogen, maakt ook dat het door de Studenten op de uitlatingen gedane algemene beroep op dwaling als bedoeld in art. 6:228 BW niet slaagt. Ten aanzien van de door de Studenten gestelde onjuiste slagingspercentages geldt immers ook hier dat niet is komen vast te staan dat, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat de cijfers niet (geheel) juist en volledig zijn, bij een juiste voorstelling van zaken de onderwijsovereenkomst met [naam gedaagde] niet zou zijn gesloten.

4.22.

Los van de door [naam gedaagde] gepresenteerde slagingscijfers hebben [naam eiseres 3] en [naam eiseres 9], twee van de Studenten, ter zitting nog verklaard dat zij vanwege de beloofde kleine klassen en intensieve persoonlijke begeleiding bewust voor [naam gedaagde], en niet voor een reguliere hbo-school, hebben gekozen. [naam gedaagde] heeft de stelling dat zij die belofte niet is nagekomen gemotiveerd betwist (zie ook 4.26.en 4.31.). Mede gelet op deze betwisting hebben [naam eiseres 3] en [naam eiseres 9] onvoldoende onderbouwd dat hun studieovereenkomsten met [naam gedaagde] onder invloed van dwaling tot stand zouden zijn gekomen en bij een juiste voorstelling van zaken niet zouden zijn gesloten en dat deze dwaling te wijten is aan de beloftes van [naam gedaagde] over kleine klassen en intensieve persoonlijke begeleiding (art. 6:228 lid 1 en onder a BW).

In dat verband merkt de rechtbank nog op dat voor zover de begeleiding tijdelijk ondermaats zou zijn geweest omdat fysieke lessen en stages niet door konden gaan vanwege de COVID-19 pandemie en de daarmee samenhangende maatregelen dit in het kader van een beroep op dwaling belang mist. Dit aspect is immers het gevolg van een door geen van partijen voorzienbare later opgekomen overmachtsituatie.

4.23.

Verder heeft [naam eiseres 3] nog verklaard dat zij, naast het keurmerk dat volgens haar op de website van [naam gedaagde] heeft gestaan (zie 4.7. en 4.8.), ook vanwege de mogelijkheid van afgifte van een propedeusecertificaat en/of een deelcertificaat (als de opleiding niet voltooid werd) voor een opleiding bij [naam gedaagde] heeft gekozen. [naam eiseres 3] heeft echter niet onderbouwd gesteld in hoeverre het aspect van de propedeuse- en deelcertificaten aan de orde is geweest vóór en tijdens het sluiten van de studieovereenkomst. Zonder die onderbouwing valt niet in te zien waarom de studieovereenkomst ten aanzien van dit aspect onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten.

4.24.

Het voorgaande brengt mee dat er evenmin grond bestaat voor de door de Studenten ingeroepen vernietiging van de onderwijsovereenkomst op de voet van art. 6:228 BW.

Ontbinding van de overeenkomst, tekortkoming en verzuim

4.25.

Volgens de Studenten is er sprake van een tekortkoming in de nakoming van de studieovereenkomst aan de zijde van [naam gedaagde] als bedoeld in art. 6:74 BW en is de studieovereenkomst van iedere Student op 2 november 2020 op de voet van art. 6:265 lid 1 BW ontbonden. Op grond van art. 6:271 BW (ongedaanmakingsverbintenis), en subsidiair op grond van art. 6:74 lid 1 BW, dienen de reeds betaalde collegegelden door [naam gedaagde] te worden terugbetaald. De Studenten hebben ter onderbouwing van hun vordering onder meer het volgende naar voren gebracht.

Op grond van onder meer de beloftes die zijn gedaan voorafgaand aan het sluiten van de onderwijsovereenkomst, de bepalingen uit de onderwijsovereenkomst en de bijbehorende algemene voorwaarden dient [naam gedaagde] hoogstaand en geïndividualiseerd onderwijs aan te bieden, onder meer door veel contacturen, kleine klassen, kleinschalige, individuele en persoonlijke begeleiding, (direct contact met) vakbekwame docenten die actief zijn in het relevante bedrijfsleven en voldoende en tijdige tentamenkansen. [naam gedaagde] onderscheidt zich daarmee van het (veel goedkopere) reguliere onderwijs, maar [naam gedaagde] is haar verplichtingen niet nagekomen. Zo is er van de beloofde intensieve en persoonlijke begeleiding van studenten in de praktijk niets terecht gekomen, hebben de Studenten nauwelijks (fysiek) onderwijs en studiebegeleiding gekregen, waren er geen kleine klassen, zijn er geen vakbekwame docenten ingezet, wisselden docenten en staf voortdurend en was er veel lesuitval. Slechts een handjevol studenten weet de eindstreep daadwerkelijk binnen de beloofde twee jaar en acht maanden te halen en studenten die langer over hun studie doen moeten een ‘boete’ betalen van € 5.500,- per kwartaal. Daarnaast is er bij [naam gedaagde] sprake van minachting voor vrouwen en bestaat een vrouwonveilige omgeving die afbreuk doet aan de kwaliteit van het onderwijs, aldus de Studenten.

4.26.

[naam gedaagde] betwist dat er sprake is van een tekortkoming. [naam gedaagde] biedt kwalitatief goed onderwijs overeenkomstig de tussen partijen bestaande afspraken. Dit blijkt uit de accreditatierapporten van drie verschillende visitatiecommissies van de NVAO, die over drie verschillende opleidingen in drie verschillende jaren elk onafhankelijk van elkaar steeds tot positieve bevindingen en conclusies zijn gekomen. Daarnaast komt ook uit de in 2018 gehouden Nationale Studenten Enquête naar voren dat studenten van verschillende opleidingen over het algemeen tevreden tot zeer tevreden zijn over [naam gedaagde]. Van vrouwonvriendelijkheid is geen sprake. De Studenten behaalden vrijwel allemaal ook goede resultaten en lagen op schema om de studie te kunnen afronden binnen de twee jaar en acht maanden. Van studievertraging was dus geen sprake. De Studenten hadden dus geen enkele reden om de onderwijsovereenkomst te ontbinden althans feitelijk te beëindigen. De Studenten hebben niet eerder dan bij de ‘ontbindings-/opzeggingsbrief’ van 2 november 2020 klachten geuit. Alleen [naam eiseres 7] had eerder klachten geuit, maar die klachten waren onterecht. De Studenten hebben [naam gedaagde] niet in de gelegenheid gesteld eventuele klachten te onderzoeken en te herstellen. [naam gedaagde] vermoedt dat [naam 3] de drijvende factor is achter de beslissing van de Studenten om de studie bij [naam gedaagde] te beëindigen en zich vervolgens in te schrijven bij concurrent [naam school], de school waar [naam 3] nu werkzaam is.

Verder betwist [naam gedaagde] dat de Studenten schade hebben geleden. Vrijwel alle Studenten hadden immers goede resultaten behaald en lagen op schema om de studie te kunnen afronden binnen de twee jaar en acht maanden. Van studievertraging was dus geen sprake en deze viel ook niet te verwachten. De enigen die naar verwachting (enige) studievertraging zouden oplopen, waren [naam eiseres 4] en [naam eiseres 3]. Zij zijn echter beiden zwanger geweest tijdens de opleiding, waarbij [naam gedaagde] ten aanzien van hen een ‘hersteltraject’ in gang heeft gezet en waarbij [naam gedaagde] de te verwachten studievertraging dus niet kan worden verweten.

4.27.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.28.

Op grond van art. 6:74 BW is een schuldenaar verplicht de schade te vergoeden die een schuldeiser lijdt doordat de schuldenaar toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van een verbintenis en de schuldenaar in verzuim isen nakoming niet blijvend onmogelijk is. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat op grond van art. 6:265 lid 2 BW de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is. In de in art. 6:83 BW opgesomde situaties treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in, doch daarop is geen beroep gedaan.

4.29.1.

Indien ervan wordt uitgegaan dat [naam gedaagde] op enig moment tijdens de opleiding jegens elk van de Studenten inderdaad tekort zou zijn geschoten in de nakoming van de studieovereenkomst (wat door [naam gedaagde] uitgebreid gemotiveerd is betwist), dan volgt daaruit nog niet dat nakoming van de studieovereenkomst blijvend onmogelijk was op het moment dat de Studenten hun klachten jegens [naam gedaagde] zouden hebben geuit. Dat nakoming van de studieovereenkomst op enig moment gedurende de opleiding blijvend onmogelijk zou zijn geworden, is door de Studenten überhaupt niet gesteld. De gevolgen van de pandemie zijn door de Studenten in zoverre niet aan hun vordering tot ontbinding ten grondslag gelegd.

Dit betekent dat het (voor rechtsgeldige ontbinding van de studieovereenkomst en schadevergoeding vereiste) verzuim aan de zijde van [naam gedaagde] alleen kan zijn ingetreden indien zij door elk van de Studenten in gebreke is gesteld in de zin van art. 6:82 lid 1 BW.

4.29.2.

Echter, voor het merendeel van de Studenten is de ‘ontbindingsbrief’ van 2 november 2020 de eerste keer geweest dat zij hun klachten (in ieder geval schriftelijk) aan [naam gedaagde] kenbaar hebben gemaakt. Uit het procesdossier komt wel naar voren dat [naam eiseres 7] eerder expliciet per e-mail heeft geklaagd over de gang van zaken bij [naam gedaagde] en in dat kader haar betalingsverplichting heeft opgeschort (zie 2.11.). Ook [naam eiseres 3] heeft, zij het in mindere mate, in een ongedateerde e-mail (zie productie 11 dagvaarding) haar onvrede laten blijken, maar uit het procesdossier is niet gebleken dat zij verdere, meer concrete klachten heeft geuit. Ten aanzien van alle overige Studenten is überhaupt niet gebleken dat zij eerder dan op 2 november 2020 bij [naam gedaagde] hebben geklaagd over de kwaliteit van de door hen gevolgde opleidingen. De advocaat van de Studenten heeft ter zitting weliswaar verwezen naar door hem overgelegde (printscreens van) e-mails van ouders van studenten, maar geen van die e-mails heeft betrekking op de Studenten die onderhavige procedure zijn gestart. Ook heeft de advocaat verklaard dat de Studenten veelal mondeling hebben geklaagd omdat e-mailadressen en telefoonnummers van de vakdocenten niet werden afgegeven, maar in het algemeen zou men in een dergelijk geval dan toch verwachten dat wanneer mondelinge geuite klachten niet tot de gewenste verbetering van de situatie hebben geleid, de Studenten (dan wel hun ouders) zich alsnog schriftelijk tot de vestigingsdirecteur dan wel het bestuur van [naam gedaagde] zouden hebben gewend om hun klachten en gewenste vervolgstappen kenbaar te maken teneinde hun onvrede weg te nemen. Dit alles is niet gebeurd. Daarbij komt, dat in een situatie als de onderhavige, waarin geen sprake is van een korte termijn voor nakoming of andere bijzondere omstandigheden, een klacht slechts als ingebrekestelling in de zin van de wettelijke regeling is aan te merken als deze op schrift is gesteld, al is het maar in een e-mail, een whatsapp bericht of iets dergelijks.

4.29.3.

Hieruit volgt dat, afgezien van [naam eiseres 7], ten aanzien van alle overige 10 Studenten gesteld noch gebleken is dat zij [naam gedaagde] in gebreke hebben gesteld in de zin van art. 6:82 lid 1 BW. Dit betekent dat, indien er aan de zijde van [naam gedaagde] sprake is geweest van een tekortkoming, [naam gedaagde] jegens hen niet in verzuim is komen te verkeren in de zin van art. 6:81 BW.

4.29.4.

Ten aanzien van [naam eiseres 7] ligt dit iets anders. De onder 2.11 geciteerde e-mail van [naam eiseres 7] heeft met name betrekking op de trage reactie van [naam gedaagde] op de maatregelen in verband met de Covid-19 pandemie en naar aanleiding daarvan zijn kennelijk tussen partijen begin juli 2020 ook goede afspraken gemaakt. Het in juni 2020 ingetreden verzuim is toen dus gezuiverd. [naam gedaagde] heeft zelf echter aangevoerd dat zij door [naam eiseres 7] op 31 augustus 2020 in gebreke is gesteld (punt 150 conclusie van antwoord). De stelplicht (en bewijslast) ten aanzien van het verzuim rust op [naam eiseres 7]. Door haar is in het geheel niets gesteld over deze ingebrekestelling en de daaraan te verbinden conclusies voor wat het betreft het tijdstip van het (eventuele) intreden van het verzuim. De ingebrekestelling is ook niet in het geding gebracht. Tegen deze achtergrond, en gelet op het verweer van [naam gedaagde], kan niet worden aangenomen dat het hier een relevante, deugdelijk ingebrekestelling betreft. Hierdoor is in deze procedure ook ten aanzien van [naam eiseres 7] niet komen vast te staan dat [naam gedaagde] jegens haar in verzuim is komen te verkeren in de zin van art. 6:81 BW.

4.30.

Nu is vastgesteld dat [naam gedaagde] jegens geen van de Studenten in verzuim is komen te verkeren, waren de Studenten op grond van art. 6:265 lid 2 BW niet bevoegd om de studieovereenkomst die zij elk met [naam gedaagde] hadden gesloten, te ontbinden. Dit betekent dat hun brieven van 2 november 2020 in die zin geen rechtsgevolg hebben gehad en dat de studieovereenkomsten van de Studenten met deze brieven dus niet rechtsgeldig zijn ontbonden. Van een ongedaanmakingsverbintenis op grond van art. 6:271 BW is daarmee geen sprake. Ook van een schadevergoedingsplicht op grond van art. 6:74 lid 1 BW is geen sprake, nu ook daarvoor verzuim is vereist (lid 2).

4.31.

Ten overvloede wordt nog overwogen dat, indien [naam gedaagde] wel op een deugdelijke wijze in gebreke zou zijn gesteld, het vervolgens op de weg van de Studenten had gelegen om per individueel geval onderbouwd te stellen waarom [naam gedaagde] in dat specifieke geval jegens die individuele student - ook na de bij ingebrekestelling gegunde termijn - tekort is geschoten in de nakoming van de onderwijsovereenkomst, welke concrete gevolgen dat heeft gehad voor de voortgang van de opleiding van die student en welke concrete schade de individuele student als gevolg daarvan heeft geleden. De Studenten hebben hun stellingen noch in de dagvaarding en noch ter zitting van een dergelijke concrete onderbouwing voorzien. Ook de stellingen over vrouwonvriendelijkheid zijn niet geconcretiseerd of onderbouwd. Bovendien is het nog de vraag in hoeverre de Studenten daadwerkelijk schade hebben geleden als gevolg van de gestelde tekortkomingen aan de zijde van [naam gedaagde], nu uit de door [naam gedaagde] per Student overgelegde studieresultatenoverzichten immers blijkt dat negen van de elf Studenten voldoende en/of goede resultaten hebben geboekt en er in ieder geval voor deze Studenten geen aanleiding leek te zijn om studievertraging te verwachten.

Opzegging/beëindiging van de studieovereenkomsten

4.32.

Voor zover de Studenten bedoeld hebben om - uiterst subsidiair - ook opzegging van de studieovereenkomsten aan hun vorderingen ten grondslag te leggen, behoeft die grondslag geen inhoudelijke behandeling. Tussen partijen staat immers vast dat alle 11 studieovereenkomsten tot een einde zijn gekomen en door beide partijen wordt geen nakoming van die studieovereenkomsten (meer) gevorderd. Opzegging heeft overigens geen voor de vorderingen in conventie relevante gevolgen.

Is er sprake van onrechtmatig handelen aan de zijde van [naam gedaagde]?

4.33.

Volgens de Studenten heeft [naam gedaagde] tevens onrechtmatig gehandeld (art. 6:162 BW), omdat [naam gedaagde] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Er is geen sprake van behoorlijk onderwijs en bovendien heeft [naam gedaagde] niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende onderwijsinstelling mag worden verwacht.

De door de Studenten geleden schade (betaalde collegegelden en opgelopen studievertraging) komt volgens hen ook op die grondslag voor vergoeding in aanmerking.

[naam gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd betwist.

4.34.

De Studenten hebben niet meer feiten aan hun vordering op grond van onrechtmatige daad ten grondslag gelegd dan aan hun vordering op grond van wanprestatie. Gesteld noch onderbouwd is waarom het gestelde gedrag en nalaten van [naam gedaagde], los van het contractuele kader, onrechtmatig jegens de Studenten zou zijn. Er wordt geen aanleiding gezien om, zoals door de Studenten respectievelijk in de dagvaarding en ter zitting bepleit, een verzwaarde stelplicht aan de zijde van [naam gedaagde] aan te nemen dan wel de stellingen van de Studenten voorshands bewezen te achten. Daarvoor is immers op zijn minst vereist dat de Studenten aan hun stelplicht ten aanzien van het door hen gestelde gedrag en nalaten van [naam gedaagde] hebben voldaan, hetgeen niet het geval is, terwijl zij wel in staat waren om voldoende feiten te stellen. Van een situatie waarin [naam gedaagde] over informatie beschikt waartoe de Studenten geen toegang hebben, is geen sprake. Dit betekent dat de vordering op grond van onrechtmatige daad en de daaraan verbonden schadevergoedingsvorderingen, om materieel dezelfde redenen als hiervoor uiteengezet in 4.31. evenmin voor toewijzing in aanmerking komen.

De vorderingen van de Studenten

4.35.

Nu is geoordeeld dat er van een ongedaanmakingsverbintenis, schadevergoedingsverplichting dan wel van enige andere vorm van betalingsverplichting aan de zijde van [naam gedaagde] jegens de (afzonderlijke) Studenten geen sprake is, zullen de vorderingen van de Studenten worden afgewezen.

Proceskosten

4.36.

Als de in het ongelijke gestelde partij zullen de Studenten in de proceskosten veroordeeld worden. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde] worden begroot op € 4.200,00 aan griffierecht en € 6.428,00 (2 punten × tarief VII van € 3.214,00) aan salaris advocaat, in totaal € 10.628,00.

In reconventie:

4.37.

De door [eiseres] gevorderde bedragen zijn als volgt opgebouwd:

[naam verweerder 1]: € 4.560,00 collegegeld + € 6.384,00 annuleringsfee = € 10.944,00

[naam verweerder 2]: € 6.160,00 annuleringsfee - € 2.933,34 te veel collegegeld = € 3.226,66

[naam verweerder 3]: € 18.929,00 collegegeld + € 3.999,80 annuleringsfee = € 22.928,80

[naam verweerder 4]: € 4.161,00 collegegeld + € 3.999,80 annuleringsfee = € 8.160,80

[naam verweerder 5]: € 5.280,00 collegegeld + € 6.384,00 annuleringsfee = € 11.664,00

[naam verweerder 6]: € 3.730,00 collegegeld + € 6.384,00 annuleringsfee = € 10.114,00

[naam verweerder 7]: € 1.520,00 collegegeld + € 6.384,00 annuleringsfee = € 7.904,00

[naam verweerder 8]: € 7.600,00 collegegeld + € 6.384,00 annuleringsfee = € 13.984,00

[naam verweerder 9]: € 1.520,00 collegegeld + € 6.384,00 annuleringsfee = € 7.904,00

[naam verweerder 10]: € 3.040,00 collegegeld + € 6.384,00 annuleringsfee = € 9.424,00

[naam verweerder 11]: € 1.520,00 collegegeld + € 6.384,00 annuleringsfee = € 7.904,00

Het collegegeld

4.38.

Dat de Studenten in beginsel collegegeld aan het [eiseres] verschuldigd zijn tot het moment waarop de onderwijsovereenkomst is geëindigd, is tussen partijen op zichzelf niet in geschil. De Studenten doen in dit verband een beroep op verrekening (art. 6:127 BW) van de collegegelden met een ongedaanmakingsverbintenis ex art. 6:271 BW dan wel een schadevergoeding op grond van art. 6:74 BW. In conventie is echter reeds geoordeeld dat er van een ongedaanmakingsverbintenis, schadevergoedingsverplichting dan wel van enige andere vorm van betalingsverplichting aan de zijde van [eiseres] geen sprake is (zie 4.35.). Het beroep op verrekening slaagt daarom niet.

4.39.

Nu de Studenten de juistheid van de ter zake door [eiseres] gevorderde bedragen aan achterstallige collegegelden (zoals opgesomd in 4.37.) niet hebben betwist, zullen de vorderingen van [eiseres] op dit punt worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de (niet betwiste) gevorderde rente.

De annuleringsfee van 35%

4.40.

Op grond van het annuleringsbeding is, bij annulering na 1 augustus tijdens de opleiding (waarvan in het onderhavige geval sprake is), een annuleringsfee verschuldigd van 35% van de kosten van het desbetreffende studiejaar. De Studenten hebben op grond van art. 6:233 BW de vernietiging van het annuleringsbeding ingeroepen omdat dit volgens hen onredelijk bezwarend en oneerlijk is, hetgeen door [eiseres] wordt betwist.

4.41.

Het in de algemene voorwaarden opgenomen annuleringsbeding valt onder de werkingssfeer van ‘Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten’ (hierna: de Richtlijn), nu [eiseres] bij het sluiten van de onderwijsovereenkomsten bedrijfsmatig handelde, de Studenten als consument kunnen worden aangemerkt en er niet over het annuleringsbeding is onderhandeld. Een kernbeding is het niet. Op grond hiervan dient - zo nodig ambtshalve - getoetst te worden of het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is (in de zin van art. 6:233 BW) en oneerlijk (in de zin van de Richtlijn) is. Daarbij dient beoordeeld te worden of een beding ten nadele van een consument een “aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit een overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen veroorzaakt, waarbij vooral rekening moet worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Bij de beoordeling of eventueel sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht, dienen alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst alsook alle andere bedingen daarvan in aanmerking te worden genomen, en dient rekening te worden gehouden met de aard van het goed of dienst waarop die overeenkomst betrekking heeft (zie HvJ EU 16 januari 2014, ECLI:EU:C:2014:10).

4.42.

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad heeft de in dit verband tussen partijen gevoerde discussie zich toegespitst op de vraag of de op grond van het annuleringsbeding verschuldigde vergoeding (de ‘annuleringsfee’) al dan niet kan worden aangemerkt als een redelijk loon in de zin van art. 7:411 BW.

De overeenkomst zoals die tussen [eiseres] en elk van de Studenten is gesloten, kan worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in art. 7:400 BW (HR 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2775). Ingevolge art. 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst opzeggen. Voor de gevolgen van die opzegging kan aansluiting worden gezocht bij art. 7:411 BW (redelijk loon), waarin is bepaald op welk loon de opdrachtnemer recht heeft in gevallen waarin de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken. Dat geldt ook nu in de onderwijsovereenkomst niet expliciet is bepaald dat de verschuldigdheid van het collegegeld afhankelijk is van de volbrenging van de opdracht of van het verstrijken van de tijd waarvoor de opdracht is verleend. Bij de bepaling van het loon wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtnemer daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd.

4.43.

[eiseres] heeft erop gewezen dat zij het onderwijs met alle ondersteuning voor een heel schooljaar moet organiseren en dat het daarbij behorende budget voor het gehele jaar moet worden vastgesteld. Afhankelijk van het aantal studenten worden docenten en studiebegeleiders ingehuurd. De kosten daarvoor lopen door, aangezien zowel [eiseres] als de student verwacht dat het gehele jaar onderwijs gevolgd kan worden en wordt. Ook bij de tussentijdse opzegging dient een redelijk loon voldaan te worden. Immers, vanwege haar zorgplicht en in de verwachting dat het gehele schooljaar door een student wordt afgemaakt, had [eiseres] het aanbieden van onderwijs ook voor de periode na de opzegging reeds georganiseerd, geregeld en betaald (onder meer: loon docenten, studiebegeleiders en kosten huisvesting). Die kosten kan zij niet terugvorderen, dus een besparing is niet mogelijk. De op grond van het annuleringsbeding verschuldigde annuleringsfee is dan ook te beschouwen als redelijk loon, aldus [eiseres].

4.44.

Onder de door [eiseres] gestelde omstandigheden acht de rechtbank het op zichzelf niet onredelijk dat een onderwijsinstelling een vergoeding bedingt voor werkzaamheden die zij reeds op voorhand heeft verricht ten behoeve van de volledige duur van het schooljaar. De kosten die daarvoor worden gemaakt kunnen ten aanzien van de student die tussentijds opzegt immers niet (volledig) worden terugverdiend. Dat op grond van het annuleringsbeding bij de opzeggende student een annuleringsfee in rekening kan worden gebracht van 35% van het jaarlijkse schoolgeld, is onder de omstandigheden in deze zaak – waarin de onderwijsovereenkomst door de Studenten in een vroegtijdig stadium van het schooljaar is opgezegd - een passende vergoeding voor reeds door [eiseres] verrichte werkzaamheden. Er kan naar oordeel van de rechtbank aldus van een redelijk loon in de zin van art. 7:411 BW worden gesproken.

4.45.

Echter, de Studenten hebben er terecht op gewezen dat in het annuleringsbeding voor wat betreft de hoogte van de annuleringsfee geen enkel onderscheid wordt gemaakt in het moment waarop de onderwijsovereenkomst wordt opgezegd. Dit betekent dus dat onder álle omstandigheden een annuleringsfee ter hoogte van 35% is verschuldigd, ongeacht of de onderwijsovereenkomst in de beginfase, de middenfase of juist in de eindfase van het schooljaar is opgezegd. Dit zou concreet kunnen betekenen dat ook in het geval de onderwijsovereenkomst bijvoorbeeld een maand voor het einde van het schooljaar wordt opgezegd, de student een annuleringsfee van 35% (dat veelal neerkomt op een bedrag van rond de € 6.300,-) is verschuldigd, terwijl [eiseres] dan ruimschoots de gelegenheid moet hebben gehad om het grootste deel van de door haar ten behoeve van het schooljaar gemaakte kosten terug te verdienen. Tot de beëindigingsdatum van de studieovereenkomst blijft de opzeggende student immers de maandelijkse termijnen aan collegegeld aan [eiseres] verschuldigd. In een dergelijk concreet geval kan de annuleringsfee van 35% dan niet als een redelijk loon in de zin van art. 7:411 BW worden beschouwd. Toepassing van het annuleringsbeding kan daarmee tot onredelijke situaties leiden die op voorhand voorzienbaar zijn. Dit maakt dat het annuleringsbeding naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onredelijk bezwarend (en oneerlijk in de zin van de Richtlijn) is. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt dan mee dat de rechtbank gehouden is om het annuleringsbeding op grond van art. 6:233 BW te vernietigen (Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691 en Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773). Dit betekent concreet dat [eiseres] in deze procedure geen beroep kan doen op het annuleringsbeding.

4.46.

Met betrekking tot de op grond van het annuleringsbeding gevorderde bedragen heeft [eiseres] bij wijze van subsidiaire grondslag een rechtstreeks beroep gedaan op art. 7:411 BW. Het Hof van Justitie van de EU (ECLI:EU:C:2021:68, zie ook ECLI:NL:RBROT:2021:13415) heeft echter geoordeeld dat Richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de nationale rechter een beding oneerlijk heeft verklaard en om die reden heeft vernietigd, de gebruiker van het oneerlijke beding (in dit geval [eiseres]) geen aanspraak kan maken op een in een bepaling van nationaal recht vastgestelde schadevergoeding (in dit geval: een redelijk loon ex art. 7:411 BW) indien die bepaling zonder het oneerlijke beding van toepassing zou zijn geweest. De gedachte daar achter is onder meer dat de afschrikkende werking die uitgaat van een vernietiging van een oneerlijk beding teniet wordt gedaan wanneer via een omweg alsnog een vergoeding gelijk aan die van het oneerlijke beding kan worden verkregen. In dat geval neemt de gebruiker van het oneerlijke beding immers in feite geen enkel risico. Nu in het onderhavige geval sprake is van een dergelijke situatie (het annuleringsbeding wordt immers vernietigd), stuit het subsidiaire beroep van [eiseres] hierop af en komt haar dus geen rechtstreeks beroep op art. 7:411 BW toe.

4.47.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen tot betaling van de in 4.37. als annuleringsfee betitelde bedragen worden afgewezen.

Proceskosten

4.48.

Nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de Studenten in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [naam gedaagde] begroot op € 10.628,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten met ingang van veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,

in reconventie:

5.3.

veroordeelt de Studenten ieder voor zich tot betaling van de volgende bedragen:

- [naam verweerder 1] : een bedrag van € 4.560,00,

- [naam verweerder 3] : een bedrag van € 18.929,00,

- [naam verweerder 4] : een bedrag van € 4.161,00,

- [naam verweerder 5] : een bedrag van € 5.280,00,

- [naam verweerder 6] : een bedrag van € 3.730,00,

- [naam verweerder 7] : een bedrag van € 1.520,00,

- [naam verweerder 8] : een bedrag van € 7.600,00,

- [naam verweerder 9] : een bedrag van € 1.520,00,

- [naam verweerder 10] : een bedrag van € 3.040,00,

- [naam verweerder 11] : een bedrag van € 1.520,00,

een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2021 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

In conventie en in reconventie:

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J. Mendlik en mr. D.H. Dongelmans en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2022.

2438/106/3577/3262