Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:5698

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-07-2022
Datum publicatie
25-07-2022
Zaaknummer
624867
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Whiplashklachten na verkeersongeval. Paar dagen voor het ongeval waren er acute nekklachten maar die waren op de dag van het ongeval niet meer aanwezig. Causaal verband, na ongeval geconstateerde a-symptomatische nekhernia geen alternatieve oorzaak. Medische expertise niet zinvol. Door ongeval tijdelijk dienstverband niet verlengd en in Ziektewet. Geen arbeidsdeskundige begeleiding. Begroting schade, waaronder tijdelijk verlies van verdienvermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0504
JA 2022/127 met annotatie van Oskam, V.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/624867 / HA ZA 21-789

Vonnis van 13 juli 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat mr. P. Meijer te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

ALLIANZ BENELUX N.V.,

mede handelend onder de naam Allianz Nederland Schadeverzekering,

gevestigd te Brussel (België), kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

hierna te noemen: Allianz,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de oproep voor de mondelinge behandeling bij brief van 18 november 2021,

- de aanvullende producties van [eiser] met begeleidende brief van 21 maart 2021,
- de mondelinge behandeling op 5 april 2022,

- de pleitnotitie van mr. Meijer namens [eiser] ,
- de akte van Allianz met productie,
- de akte van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 12 mei 2016 omstreeks 19:30 uur was [eiser] betrokken bij een verkeersongeval. Daarbij werd de door [eiser] bestuurde auto aangereden door een auto die uit een parkeerplek langs de weg wegreed op het moment dat [eiser] passeerde. Als gevolg van deze aanrijding reed [eiser] tegen een verderop geparkeerde auto. De uitparkerende auto was op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen verzekerd bij Allianz.

2.2.

Allianz heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.3.

Op 9 mei 2016, drie dagen vóór het ongeval, heeft [eiser] zich met nekklachten bij fysiotherapeut [persoon A] gemeld. Het door deze therapeut aan de huisarts toegezonden screeningsverslag van 9 mei 2016 vermeldt - voor zover hier van belang - :

“[…]

Ontstaan en beloop van de gezondheidsproblemen

Sinds gister acute nekklachten, kan hierdoor vandaag zijn nek totaal niet meer bewegen. Voorheen had hij alleen last rechts, maar dit is door onduidelijke reden verergerd [...]”

2.4.

Bij brief van 6 juni 2017 heeft fysiotherapeut [persoon A] over [eiser] medegedeeld:

“Bovengenoemde patiënt is onder behandeling geweest sinds 19 mei 2016 in verband met een auto-ongeluk. Meneer is ook op 9 en 12 mei 2016 [is] bij mij geweest in verband met acute nekklachten die was veroorzaakt door een verkeerde houding in slaap, na een keer behandeling zijn de klachten volledig verdwenen.”

2.5.

Direct na het ongeval is [eiser] per ambulance vervoerd naar de afdeling Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis en aldaar onderzocht. Hierover is op 20 mei 2016 op de patiëntenkaart van de huisarts van [eiser] - voor zover hier van belang - genoteerd:

“Chirurgie (antwoord)

[…] Niet buiten bewustzijn geweest, merkte direct pijn in de nek. Herkent pijn van klachten waar pt al maanden mee loopt, ging laatste tijd beter, vandaag laatste keer fysio gehad, traject afgesloten. Geen tintelingen in armen of benen, geen uitstralende pijnen in armen of benen [...]”

2.6.

Op 17 mei 2016 heeft [eiser] zijn huisarts bezocht. Op de patiëntenkaart van de huisarts van [eiser] is daarover genoteerd:

“17-05-16 S is donderdag aangereden, zat in de auto en is aan
de zijkant geraakt door andere auto, is met de
ambu naar zkh gebracht, daar foto's gemaakt en er
was niks gebroken, moest het doen met PCM maar
heeft daarvoor teveel pijn, last van nek en borst
lastig ademen

O houdt hoofd onbeweeglijk, alle hoofdbewegingen
beperkt en pijnlijk , naar links tegen weerstand
erg pijnlijk

E posttraumatische neksymptom […]”

De huisarts heeft [eiser] hierop verwezen naar een fysiotherapeut. Twee weken later heeft zij [eiser] op zijn verzoek ook verwezen naar een acupuncturist.

2.7.

Op 21 juni 2016 is [eiser] onderzocht door dr. [persoon B] , neuroloog, waarna een MRI-scan van de cervicale wervelkolom is gemaakt.

2.8.

Op 11 juli 2016 berichtte de radioloog aan de neuroloog over de MRI-scan als volgt:

“Vraagstelling/Indicatie:

Posttraumatische myogene pijn. Struct. afw?

Verrichting: MRI cwk

Eerste MRI cervicale wervelkolom alhier. Discopathic op niveau C5 C6 met een HNP aan de linkerzijde met enige beïnvloeding van het myelum ter plaatse. Geen myelopathiehaard. Geen pathologie anderszins.

Conclusie: HNP CS-C6 links.”

2.9.

Op 14 juli 2016 heeft de neuroloog aan de huisarts - voor zover hier van belang – bericht:

“[…]

Anamnese

Patient was op 12 mei 2017 betrokken bij een ongeval […]

Hij heeft sindsdien pijn in nek, schouders en rug. Patient kan de nek niet bewegen.

[…]

Voorgeschiedenis

Blanco

[…]

Conclusie

Posttraumatische myogene nek- en schouderpijn bij een asymptomatische nekhernia C5-6 op de MRI CWK.”

2.10.

[eiser] is door zijn huisarts tevens verwezen naar Rijndam Revalidatie. Bij brief aan de huisarts van [eiser] van 2 september 2016 heeft [persoon C] , revalidatiearts verbonden aan Rijndam Revalidatie - voor zover hier van belang - medegedeeld:

“Op 29 augustus jongstleden zag ik, op uw verzoek, bovengenoemde patiënt[e]voor het eerst […]

[…]

Lichamelijk onderzoek:

Algemene indruk: antaigisch houdings- en bewegingspatroon

Gedrag: bewegingsangst

[…]

Algemeen onderzoek: screenend orthopedisch en neurologisch onderzoek: geen duidelijke afwijkingen.

Samenvatting en conclusie

27-jarige man met whiplash associated disorder graad 2 na een auto-ongeluk d.d. 12-05-2016. […]. Tijdens het lichamelijk onderzoek valt vooral bewegingsangst op. [...] Patiënt is vanwege de klachten fors beperkt in activiteiten en participatie. [...]"

2.11.

Op 31 augustus 2016 heeft [eiser] het spreekuur van de bedrijfsarts van het UWV bezocht. In een Medische Rapportage Ziektewet van die datum vermeldt de bedrijfsarts - voor zover hier van belang -:

“[…]

2.1

Anamnese, sociaal-medisch

Medische voorgeschiedenis : geen

Huidige klachten en ervaren belemmeringen :

Nekbeperking waardoor ongeschikt voor laatste functie

Anamnese

[…] kan maar 30 minuten wandelen of zitten na het ongeval van 12-5-16, waarbij hij een nekhernia, c5 c6 volgens de neuroloog van het franciscus gh heeft opgelopen en waarvoor verwezen naar de nekfysio van rev centrum Rijndam […] Hij heeft moeite met bukken en kan 2 kg tillen en maar 10 minuten staan. Er zijn ook uitstralende tintelende pijnen meer in de linker arm dan in de rechterarm.

Tractus anamnese

[…], prikkelbaar

[…]

2.2

Lichamelijk onderzoek:

Zeer beperkte beweeglijkheid van de nek dwanghouding

2.3

Onderzoek psyche:

Bij oriënterend onderzoek een normale modulerende stemming, goede concentratie en aandacht, goed oogcontact en directe blik, goed geheugen, geen lusteloosheid, in waarnemen en denken geen afwijkingen en een normaal zelfbeeld, verder normaal genieten en interesse, geen slaapstoornissen of moeheid.

[…]

3. Diagnose

[…] Discopathie cervicaal/HNP

[…] Whiplash trauma

3.1

Medische overwegingen

Betrokkene is een verzorgde man […], die zich heeft ziek gemeld vanwege fysieke klachten. Betrokkene geeft hierdoor belemmeringen aan t.a.v. statische houdingen en dynamische handelingen […] Bij lichamelijk onderzoek worden die klachten wel geobjectiveerd.

[…]

Conclusie : tijdelijk niet belastbaar voor het laatste werk

[…]”

2.12.

In een door de bedrijfsarts van het UWV opgestelde Medische Vervolgrapportage Ziektewet van 30 november 2016 vermeldt deze – voor zover hier van belang –:

“[…]

1.1.

Onderzoeksactiviteiten

Cliënt werd gezien op het spreekuur […]

[…]

3. Vervolg onderzoek

Vervolg anamnese:

Kan nu even zijn baby van 4 kg tillen en met onderbrekingen 4 km wandelen krijgt revalidatie nog 3 wk wachttijd heeft nu meer tintelingen in zijn li arm dan voorheen […]

[…]

3.1

Aanvullende onderzoeksbevindingen (fysiek/psyche/info)

Sterk beperkte rotatie van het hoofd hypertone m. trapezius vnl. re

[…]

4.1.

Medische overwegingen

Cliënt […] heeft zich ziek gemeld, vanwege fysieke klachten. Cliënt heeft hierdoor belemmeringen t.a.v. statische houdingen en dynamische handelingen, tevens zijn er energetische belemmeringen. De diagnose nekhernia is gesteld. […] Bij onderzoek worden de klachten geobjectiveerd.

[…]

Conclusie

Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW.

[…]

6. Re-integratie aanbeveling en planning

Herbeoordelen na 3 maanden

[…]”

2.13.

In het kader van een bij Rijndam Revalidatie ingesteld multidisciplinair traject heeft [eiser] van 31 januari 2017 tot en met 27 februari 2017 diverse therapieën bij die instelling gevolgd. De revalidatie is voortijdig door [eiser] afgebroken met als opgave van reden dat hij de vervoerskosten niet kon betalen.

2.14.

Bij brief aan de advocaat van [eiser] , mr. Meijer, van 12 april 2017 heeft de revalidatiearts van Rijndam Revalidatie medegedeeld:

“Over de definitieve prognose kan ik geen uitspraak doen, mede doordat de revalidatie voortijdig is afgebroken. Gezien de duur van de klachten is een vlot herstel niet te verwachten. Wel is de verwachting dat patiënt met de tijd beter zal kunnen functioneren op activiteiten- en participatieniveau.”

2.15.

Ten tijde van het ongeval was [eiser] 27 jaar oud en in loondienst bij [naam bedrijf] . Dit dienstverband was voor de duur van drie maanden aangegaan met ingang van 3 maart 2016. Na het ongeval heeft [eiser] zich ziek gemeld en heeft hij niet meer voor [naam bedrijf] . gewerkt. Zijn loon werd doorbetaald tot 6 juni 2016, maar het tijdelijk dienstverband werd niet verlengd.

2.16.

Bij op 6 augustus 2018 gewezen beschikking in een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv tussen partijen heeft de rechtbank – voor zover hier van belang –overwogen:

“[…]

Causaal verband

[…]

4.6 […]

Over dat causaal verband kan op basis van de thans overgelegde medische informatie geen definitieve beslissing worden genomen. Vooralsnog volgt uit de beperkte informatie over de medische voorgeschiedenis dat niet alleen sprake was van acute ernstige nekklachten drie dagen voor het ongeval, maar ook van minder ernstige nekklachten over een langere periode voor het ongeval. Redenen om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de fysiotherapeut bij brief van 6 juni 2017 zijn niet aangevoerd, zodat het er voor dient te worden gehouden dat vorenbedoelde acute ernstige nekklachten op de dag van het ongeval waren verholpen. Dat neemt niet weg dat bij voormelde stand van zaken niet kan worden vastgesteld of de na het ongeval geconstateerde nekhernia door het ongeval is veroorzaakt of pre-existent was en in hoeverre de nekhernia - indien die pre-existent was - een alternatieve verklaring biedt voor de sinds het ongeval door [eiser] ervaren klachten en beperkingen. Verder wordt daarbij in aanmerking genomen dat het oordeel van een

behandelend arts soms grotendeels is gebaseerd op de anamnese, dus op door [eiser] zelf verstrekte gegevens, waarbij de grondhouding van de behandelend arts zal zijn dat er in beginsel geen reden bestaat om kritisch te onderzoeken of de verstrekte gegevens juist en volledig zijn. Het komt de rechtbank voor dat daartoe door [eiser] door middel van een ongefilterde patiëntenkaart over een aanzienlijke periode van voor het ongeval - conform de medische paragraaf van de GBL - nader inzicht in zijn medische voorgeschiedenis dient te worden verschaft en dat een medische expertise nodig zal zijn indien die informatie tussen partijen geen duidelijkheid schept.

[…]”

Verder heeft de rechtbank bij deze beschikking – voor zover hier van belang – :

 Allianz veroordeeld tot betaling van:

  • -

    een aanvullend voorschot op de letselschade van [eiser] van € 5.000,00 ;

  • -

    een voorschot op de buitengerechtelijke kosten van € 4.643,71;

 het verzoek van Alllianz om te bepalen dat [eiser] zijn volledige en ongefilterde patiëntenkaart vanaf 5 jaar vóór het ongeval tot en met 30 mei 2018 dient te verstrekken aan (de medisch adviseur van) Allianz toegewezen.

2.17.

Het aanvullend voorschot van € 5.000,00 heeft Allianz in september 2018 voldaan. Tezamen met de eerder uitgekeerde voorschotten (€ 1.000,00 in juli 2016 en € 2.500,00 in september 2016), komt het totaal van door Allianz betaalde voorschotten op de letselschade daarmee op € 8.500,00.

2.18.

Het voorschot op de buitengerechtelijke kosten van € 4.643,71 heeft Allianz op 10 november 2021 voldaan.

2.19.

Een door de huisarts verstrekte patiëntenkaart gedateerd op 6 november 2018 is op 12 november 2018 aan de medisch adviseur van Allianz toegezonden. Deze patiëntenkaart bevat een chronologisch overzicht van 29 september 2010 tot en met 12 oktober 2018. Naast hetgeen hiervoor is weergegeven staan daarin de volgende relevante notities:

“[…]

15-07-16 S gaat iets beter, gaat binnenkort naar revalidatie

O alle nekbewegingen pijnlijk wel iets minder rigide

[…]

23-06-16 S Rijndam revalidatie belde over de verwijsbrief,
zij kunnen pas iets doen als de pijnklachten
chronisch zijn en dat is pas na 3-6 maanden. […]

[…]

31-05-16 S fysiotherapie helpt mondjesmaat

O nog erg stijve houding, moeilijk te bewegen

[…]

10-03-16 S Lage rugpijn, staat de hele dag op de markt, re
been is soms minder krachtig, bang voor hernia […]”

2.20.

[eiser] is vanaf 1 maart 2019 weer gaan werken in loondienst.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat:

  1. Allianz aansprakelijk is voor de schade van [eiser] en gehouden is te betalen een bedrag van € 36.346,21, onder aftrek van de reeds verstrekte voorschotten van € 8.500,00, derhalve € 27.846,21, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  2. Allianz daarnaast gehouden is de buitengerechtelijke kosten te voldoen ten bedrag van € 9.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, en

Allianz zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Allianz voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De kernvraag in dit geschil is of Allianz aan [eiser] nog betalingen dient te doen ter zake van de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden letselschade en gemaakte buitengerechtelijke kosten en zo ja, tot welk bedrag.

4.2.

Bij de letselschade gaat het allereerst om de vraag of er causaal verband bestaat tussen het ongeval en de door [eiser] gestelde klachten en beperkingen en daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid. Daarnaast zijn partijen verdeeld over de vraag of [eiser] heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht en over de omvang van de schade. Het geschil over de buitengerechtelijke kosten betreft de vraag of en in hoeverre die in redelijkheid zijn gemaakt en redelijk zijn.

Het causaal verband

4.3.

[eiser] stelt dat hij door het ongeval nekklachten, met ernstige bewegingsbeperkingen van de nek, en rug- en schouderklachten, alsmede in een later stadium ook cognitieve klachten heeft gekregen, als gevolg waarvan hij jarenlang arbeidsongeschikt is geweest. Hij baseert dit op de medische informatie die zich in het procesdossier bevindt. Andere medische informatie is er naar zijn zeggen niet en zijn klachten en beperkingen zijn zodanig verminderd dat hij in dit stadium van een onafhankelijke medische expertise geen toegevoegde waarde verwacht.

4.4.

Allianz bestrijdt dat tussen het ongeval en de door [eiser] gestelde klachten en beperkingen causaal verband bestaat. Daartoe voert zij het volgende aan. De klachten van [eiser] zijn niet terug te voeren op objectieve medische afwijkingen. De nekklachten die [eiser] voor het ongeval had en de rugklachten waarvoor hij twee maanden voor het ongeval zijn huisarts consulteerde zijn relevante pre-existente klachten. De bij [eiser] geconstateerde nekhernia is geen gevolg van het ongeval en een mogelijke alternatieve oorzaak voor de klachten die hij na het ongeval ondervond. Deze pre-existente klachten en mogelijke alternatieve oorzaak staan in de weg aan het aannemen van het causaal verband. Daarbij komt dat [eiser] zowel voor als na het ongeval betrokken is geweest bij meerdere aanrijdingen waarover hij echter geen informatie heeft overgelegd en dat de door hem overgelegde patiëntenkaart niet volledig is. Verder is er onvoldoende bewijs dat [eiser] door de gestelde klachten en beperkingen enige tijd arbeidsongeschikt was. De bedrijfsarts van het UWV heeft gerapporteerd op basis van onjuiste en onvolledige informatie en heeft enkel op basis van de anamnese van [eiser] geconcludeerd dat er sprake is van een whiplash trauma.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.6.

Tussen partijen staat vast dat bij [eiser] na het ongeval een nekhernia is geconstateerd (zie hieromtrent de berichten van de radioloog en de neuroloog die zijn weergegeven onder de feiten onder rov. 2.7-2.9). Dat de nekhernia van [eiser] het gevolg is van het ongeval kan echter niet worden vastgesteld. [eiser] heeft daarvoor onvoldoende aangevoerd. Enig aanknopingspunt voor die stelling ontbreekt ook in het overgelegde medisch dossier. De bij [eiser] vastgestelde nekhernia was “asymptomatisch”, zoals de neuroloog aan de huisarts van [eiser] heeft geschreven. Dit houdt in dat de nekhernia niet gepaard ging met de daarvoor kenmerkende klachten. Hieruit leidt de rechtbank af dat [eiser] in elk geval na het ongeval geen klachten heeft geuit die normaal gesproken voortvloeien uit een nekhernia, maar dat deze klachten een andere oorzaak hadden.

4.7.

Uit de onder de feiten weergegeven medische informatie van de afdeling Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis, de huisarts, de neuroloog, de bedrijfsarts en de revalidatiearts van Rijndam Revalidatie volgt dat [eiser] in de periode na het ongeval consequent en stelselmatig over pijn aan nek, rug en schouder heeft geklaagd en dat deze klachten door deze ook aanwezig werden geoordeeld. Uit de medische gegevens kan worden afgeleid dat [eiser] de genoemde pijnklachten sinds het ongeval in ieder geval tot en met februari 2017 onafgebroken heeft ondervonden. Immers, de behandeling bij Rijndam Revalidatie werd eind februari 2017 voortijdig afgebroken zonder dat sprake was van een volledig herstel.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde medische informatie genoegzaam blijkt van het bestaan van consistente en samenhangende nek-, rug- en schouderklachten bij [eiser] na het ongeval. Voor het oordeel dat die klachten niet reëel waren of waren ingebeeld, voorgewend of overdreven bestaan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten.

4.9.

Staan deze klachten van [eiser] in causaal verband met het verkeersongeval dat hem is overkomen? Anders dan Allianz heeft aangevoerd, is voor een ontkennende beantwoording van die vraag niet voldoende dat de klachten niet kunnen worden teruggevoerd op een medisch objectiveerbare afwijking. Voor het aannemen van causaal verband (in juridische zin) tussen ongeval en klachten is voldoende als de klachten vóór het ongeval niet aanwezig waren, zij op zich door dat ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt. Is aan deze voorwaarden voldaan? De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

4.10.

De nek-, rug- en schouderklachten die [eiser] heeft ondervonden kunnen, naar Allianz onvoldoende heeft bestreden, op zich door het ongeval zijn veroorzaakt. Uit de overgelegde medische informatie blijkt dat [eiser] vrijwel direct na het ongeval nekklachten heeft gemeld en dat hij enige tijd later ook daarmee samenhangende rug- en schouderklachten meldde. Dergelijke klachten, die ook worden aangeduid als whiplashklachten, doen zich met name voor na (auto) ongevallen waarbij sprake is van een acceleratie-deceleratie traumamechanisme dat optreedt bij aanrijdingen van achteren of van de zijkant. Het ongeval dat [eiser] is overkomen past in dat beeld. De door [eiser] bestuurde auto werd immers van de zijkant aangereden en [eiser] is als gevolg daarvan vervolgens tegen een andere, geparkeerde auto aangereden. Het betoog van Allianz dat het slechts om een low impact aanrijding zou gaan, waardoor het ontstaan van whiplashklachten niet voor de hand ligt, is onvoldoende onderbouwd en wordt daarom niet door de rechtbank gevolgd.

4.11.

De rechtbank is verder op grond van het volgende van oordeel dat [eiser] vóór het ongeval geen klachten had die vergelijkbaar zijn met de nek-, rug- en schouderklachten die [eiser] vanaf het ongeval ondervond.

4.12.

Weliswaar heeft [eiser] zich op 9 mei 2016, enkele dagen voor het ongeval, tot een fysiotherapeut gewend wegens acute nekklachten, deze klachten waren echter, zoals de rechtbank in de beschikking in het deelgeschil (r.o. 4.6) al heeft geoordeeld, op de dag van het ongeval verholpen, zoals door de desbetreffende therapeut is verklaard. De rechtbank blijft bij het oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat die klachten ten tijde van het verkeersongeval niet meer bestonden. Allianz heeft niets aangevoerd dat tot een andere conclusie zou moeten leiden.

4.13.

Voor zover door Allianz erop is gewezen dat [eiser] ook al vóór 9 mei 2016 heeft geklaagd over nekklachten, dient te worden opgemerkt dat die klachten in elk geval niet zodanig waren dat [eiser] zich daarvoor tot zijn huisarts heeft gewend of zich onder behandeling van een fysiotherapeut heeft gesteld. Die gestelde nekklachten zijn daarom in elk geval niet vergelijkbaar met de nekklachten die [eiser] vanaf het ongeval ondervond.

4.14.

Uit de medische voorgeschiedenis van [eiser] blijkt wel dat hij ongeveer twee maanden voor het ongeval de huisarts heeft bezocht in verband met rugklachten. Uit de patiëntenkaart blijkt echter dat het toen om lage rugpijn ging waarvoor de huisarts geen behandeling nodig achtte. De rugklachten van [eiser] na het ongeval worden daarentegen steeds in samenhang met nek- en schouderklachten vermeld en werden tezamen met die klachten behandeld. Die klachten zijn dus van een andere aard en betreffen een ander deel van de rug dan de door [eiser] ongeveer twee maanden voor het ongeval geuite rugklachten. Ook die klachten zijn daarom niet vergelijkbaar met de klachten die [eiser] na het ongeval heeft geuit.

4.15.

Dat uit de medische voorgeschiedenis van [eiser] zou kunnen worden afgeleid dat zijn nek en rug een zwakke plek in zijn lichaam vormen, betekent nog niet dat de klachten die [eiser] na het ongeval aan nek, schouder en rug heeft ondervonden, niet als een gevolg van het verkeersongeval, dat [eiser] is overkomen, kunnen worden aangemerkt.

4.16.

Ook de mogelijke preexistentie van de nekhernia leidt niet tot die conclusie. De nekhernia van [eiser] is, zoals hiervoor al is overwogen, door de neuroloog beschouwd als ‘asymptomatisch’. De hernia heeft dus niet tot de specifieke pijnklachten geleid die [eiser] na het ongeval heeft ondervonden. Onvoldoende is door Allianz aangevoerd om ervan uit te kunnen gaan dat de hernia als een alternatieve verklaring daarvoor kan worden aangemerkt. Er zijn ook onvoldoende aanknopingspunten voor de aanname dat [eiser] zonder ongeval op dezelfde wijze en vanaf hetzelfde moment klachten aan nek, schouder en rug zou hebben ondervonden.

4.17.

Allianz heeft er nog op gewezen dat [eiser] bij andere verkeersongevallen betrokken is geweest. Ook deze leveren echter geen alternatieve verklaring op voor de nek-, rug- en schouderklachten die [eiser] vanaf de datum van het ongeval op 12 mei 2016 heeft ondervonden. [eiser] heeft Allianz op 14 juni 2016 geïnformeerd over de twee aanrijdingen waarbij hij vóór het verkeersongeval van 12 mei 2016 betrokken was geweest. De door [eiser] overgelegde patiëntenkaart bevat geen enkele aanwijzing dat hij als gevolg daarvan klachten heeft ondervonden.

4.18.

Het betoog van Allianz dat die patiëntenkaart niet volledig en/of samengesteld is, volgt de rechtbank niet. [eiser] diende, zoals bij de beschikking in het deelgeschil overeenkomstig het daartoe strekkende verzoek van Allianz is bepaald, de patiëntenkaart vanaf 5 jaar vóór het ongeval te verstrekken. In de patiëntenkaart die [eiser] daarop heeft verstrekt ontbreekt weliswaar een pagina maar dat betreft een periode van méér dan 5 jaar vóór het ongeval (tussen 20 september 2010 en 1 januari 2000). Het doet er daarom niet aan af dat de verlangde patiëntenkaart vanaf 5 jaar vóór het ongeval door [eiser] is verstrekt. Over die periode vermeldt de patiëntenkaart, naast de eerder al aan Allianz bekende contacten met de huisarts van 10 maart 2016 en 9 mei 2016, slechts naar hun aard niet relevante contacten op 27 juni 2012 en 8 en 15 september 2011. Enige aanknopingspunt dat de verstrekte informatie over de periode van 5 jaar vóór het ongeval onvolledig of samengesteld is kan daaraan niet worden ontleend.

4.19.

Daarnaast beroept Allianz zich op twee aanrijdingen die na het ongeval op 27 juni 2016 en 12 september 2019 zouden hebben plaatsgevonden. Van betrokkenheid van [eiser] bij het ongeval op 27 juni 2016 kan echter niet worden uitgegaan omdat [eiser] dat ontkent en Allianz geen enkel gegeven heeft verstrekt waaruit valt af te leiden dat de beweerdelijke aanrijding heeft plaatsgevonden. Over de gestelde aanrijding op 12 september 2019 heeft [eiser] naar voren gebracht dat toen geen (fysieke) aanrijding met de door hem bestuurde auto heeft plaatsgevonden, maar dat een scooterrijder die zijn auto te laat zag, remde en onderuit gleed. Aldus heeft [eiser] feitelijk onderbouwd dat hij door die “aanrijding” geen letsel heeft opgelopen. [eiser] heeft dat weliswaar niet met bescheiden onderbouwd, maar dat kan hem niet worden tegengeworpen omdat Allianz eerst bij de na de mondelinge behandeling genomen akte heeft opgegeven dat het om een aanrijding op 12 september 2019 zou gaan waarbij de door [eiser] verzekerde auto was betrokken.

4.20.

De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat tussen het verkeersongeval van 12 mei 2016 dat [eiser] is overkomen en de door hem na dit ongeval geuite pijnklachten aan nek, schouder en rug causaal verband bestaat.

4.21.

De rechtbank is wel van oordeel dat op basis van de beschikbare medische informatie alleen kan worden vastgesteld dat de door [eiser] geuite nek-, rug- en schouderklachten slechts tijdelijk, namelijk tot maart 2017, hebben bestaan. De rechtbank baseert dit op het volgende.

4.22.

[eiser] heeft verklaard dat hij na februari 2017 voor zijn klachten geen behandelingen meer heeft ondergaan en hij geen artsen meer heeft geraadpleegd. Ter zitting is door hem verklaard dat hij alle beschikbare informatie uit de behandelende sector heeft overgelegd en dat hij het niet nodig vindt dat nadere medische expertise wordt ingewonnen. Uit de door [eiser] overgelegde informatie kan niet worden afgeleid dat [eiser] vanaf maart 2017 ook daadwerkelijk nog nek-, rug- of schouderklachten heeft gehad. Ieder informatie hieromtrent ontbreekt in het dossier. Ook over de door [eiser] gestelde cognitieve klachten valt in de beschikbare medische informatie nauwelijks iets terug te vinden, zodat het bestaan daarvan evenmin kan worden vastgesteld. Bij die stand van zaken dient ervan te worden uitgegaan dat [eiser] vanaf maart 2017 feitelijk geen nadelige gevolgen van het verkeersongeval meer heeft ondervonden.

4.23.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is welke beperkingen uit de aan het ongeval te relateren klachten zijn voortgevloeid en of [eiser] daardoor arbeidsongeschikt is geraakt.

4.24.

De rechtbank stelt vast [eiser] als gevolg van zijn gezondheidsklachten, waarvan hiervoor is vastgesteld dat deze in causaal verband staan tot het ongeval (in ieder geval) ernstige bewegingsbeperkingen van de nek heeft ondervonden. Dat blijkt uit de medische informatie uit de behandelend sector (huisarts, neuroloog, bedrijfsarts en revalidatiearts) en is door Allianz niet afzonderlijk bestreden.

4.25.

Op zichzelf voert Allianz terecht aan dat uit het feit dat [eiser] arbeidsongeschikt in de zin van de Ziektewet is verklaard niet zonder meer kan worden afgeleid dat [eiser] ook schade heeft geleden (in de door hem gestelde omvang) in de vorm van verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval. De regels die gelden voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Ziektewet komen namelijk niet overeen met de normen waaraan een vordering vanwege verlies aan verdienvermogen in een onrechtmatige daad actie dient te worden getoetst. Het is echter niet zinvol om op dit moment, nu [eiser] inmiddels al weer drie jaar aan het werk is en zijn klachten zoals hij zelf stelt nagenoeg verdwenen zijn, een volledige onafhankelijke herbeoordeling van de voormalige beperkingen en arbeidsongeschiktheid van [eiser] te laten plaatsvinden. Daarbij komt dat Allianz het causaal verband tussen het ongeval en het niet verlengen van het tijdelijk dienstverband van [eiser] bij [naam bedrijf] . alleen bestrijdt omdat het causaal verband tussen het ongeval en zijn gezondheidsklachten zou ontbreken, welk causaal verband hiervoor evenwel wel aanwezig is geoordeeld. Daarmee staat ook vast dat het tijdelijk dienstverband van [eiser] niet is verlengd als gevolg van het ongeval.

4.26.

In combinatie met het vaststaande feit dat [eiser] na het eindigen van zijn tijdelijke dienstverband door het UWV arbeidsongeschikt is verklaard en in de Ziektewet is geraakt en de omstandigheid dat hij – ondanks daartoe strekkende verzoeken aan Allianz – geen arbeidsdeskundige begeleiding kreeg, acht de rechtbank een en ander voldoende om het feit dat [eiser] een ziektewetuitkering ontving en niet werkte, tot juni 2017 als een gevolg van het ongeval aan Allianz als aansprakelijke partij toe te rekenen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat er geen aanwijzingen zijn dat bij [eiser] in die periode de wil ontbrak om te werken, alsmede dat het redelijk is om rekening te houden met een periode van drie maanden voor het vinden van een nieuwe baan.

Schending schadebeperkingsplicht?

4.27.

Allianz stelt dat [eiser] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door (1) het advies van zijn huisarts om zich direct bij revalidatiecentrum Rijndam te melden, niet op te volgen, (2) geen gehoor te geven aan het advies van zijn neuroloog om zich onder behandeling te stellen van fysiotherapie bij Netwerk Chronische Pijn en (3) de behandelingen bij revalidatiecentrum Rijndam voortijdig af te breken.

4.28.

[eiser] betwist dat en voert aan dat hij de nodige medische behandelingen heeft gevolgd, maar de behandelingen bij Rijndam Revalidatie vanwege financiële problemen moest staken.

4.29.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.30.

In geval van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is de benadeelde gehouden om de schade te beperken voor zover dit redelijkerwijze van hem kan worden verlangd. Schending van deze verplichting is een vorm van eigen schuld die kan leiden tot vermindering van de vergoedingsplicht van de aangesprokene partij op de voet van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW).

4.31.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt het door Allianz gestelde om de volgende redenen niet tot een vermindering van haar vergoedingsplicht en slaagt haar verweer dus niet.

4.32.

[eiser] is vrij in de keuze van zijn therapeuten en is een multidisciplinair traject bij revalidatiecentrum Rijndam gaan volgen. Hij is daar ook tijdig mee begonnen. Immers, uit de patiëntenkaart blijkt dat Rijndam Revalidatie de huisarts van [eiser] heeft gemeld pas iets te kunnen doen als de pijnklachten van [eiser] chronisch zijn en dat dit pas na 3 - 6 maanden het geval is. Het eerste onderzoek bij Rijndam Revalidatie vond binnen die termijn plaats op 2 september 2016. [eiser] deed daarom wat redelijkerwijze van hem kan worden verlangd.

4.33.

Partijen twisten over de vraag of financiële problemen de werkelijke reden was waarom [eiser] na 27 februari 2017 met het multidisciplinaire traject bij Rijndam Revalidatie afbrak. Die vraag behoeft bij gebrek aan relevantie niet te worden beantwoord. Immers, het voortijdig afbreken van dat traject heeft geen invloed op het verloop van de te vergoeden schade omdat, zoals hiervoor is overwogen, niet vastgesteld kan worden dat de klachten waarvoor [eiser] werd behandeld vanaf maart 2017 nog bestonden.

De schade (vordering sub 1)

4.34.

[eiser] vordert schade ten bedrage van € 36.346,21, onder aftrek van de reeds verstrekte voorschotten van € 8.500,00, derhalve € 27.846,21. Deze schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten:

- verlies aan verdienvermogen over de jaren 2016 tot en met 2020

23.053,00

- behoefte aan huishoudelijke hulp

2.565,10

- economische kwetsbaarheid

3.000,00

- medische kosten

449,83

- verlies aan zelfwerkzaamheid

100,00

- reis- en parkeerkosten

78,28

- telefoon- en portokosten

100,00

- overig/onvoorzien

1.000,00

- smartengeld

6.000,00

totaal

36.346,21

4.35.

Allianz bestrijdt het bestaan en de omvang van die schade.

4.36.

Hierna zal op deze schadeposten worden ingegaan.

Verlies aan verdienvermogen

4.37.

[eiser] stelt dat hij door het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt en dat daardoor zijn tijdelijk dienstverband bij [naam bedrijf] . is beëindigd en dat hij aldaar een dienstverband voor onbepaalde tijd zou hebben gekregen indien het ongeval hem niet zou zijn overkomen. Weliswaar is op 1 maart 2019 weer gaan werken maar tot 1 januari 2021 ontving hij een lager salaris dan dat hij – rekening houdend met een salarisverhoging van 1,5 % per jaar – van [naam bedrijf] . zou hebben gekregen als hij zijn baan daar had behouden.

4.38.

Allianz betwist primair dat [eiser] door het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt. Subsidiair bestrijdt zij de door [eiser] gestelde omvang van het verlies aan verdienvermogen en voert zij daartoe het volgende aan. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij zonder het ongeval zijn baan bij [naam bedrijf] . had behouden, omdat onduidelijk is of de namens [naam bedrijf] . overgelegde verklaring is ondertekend door een daartoe bevoegd persoon. De gestelde salarisverhoging die [eiser] bij [naam bedrijf] . zou hebben ontvangen is niet onderbouwd. Het is op basis van de door [eiser] overgelegde gegevens niet mogelijk om een deugdelijke berekening van het verlies aan verdienvermogen te maken. Uitgaande van het gemiddeld netto maandloon dat [eiser] bij [naam bedrijf] . ontving is de netto inkomensachteruitgang in de jaren 2016 tot en met 2020 maximaal € 6.975,75.

4.39.

De rechtbank begroot het verlies aan verdienvermogen dat [eiser] door het ongeval heeft geleden op € 8.767,67 en baseert dit op het volgende.

4.40.

De schade wordt begroot door de situatie zoals die zich na het ongeval heeft gerealiseerd te vergelijken met de hypothetische situatie, zoals die – het ongeval weggedacht – zich naar verwachting in redelijkheid ontwikkeld zou hebben.

4.41.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is uitgangspunt dat [eiser] als gevolg van het ongeval vanaf 6 juni 2017 tot juni 2017 geen inkomen uit arbeid heeft verworven maar een Ziektewet-uitkering ontving (zie rov. 4.26).

4.42.

Een redelijke verwachting is dat [eiser] in de situatie waarin het ongeval hem niet zou zijn overkomen tot juni 2017 een salaris zou hebben ontvangen dat gelijk is aan het salaris dat hij ten tijde van het ongeval verdiende. Als [eiser] arbeidsgeschikt zou zijn gebleven mag immers ervan worden uitgegaan dat hij bij een eventuele afloop van zijn dienstverband bij [naam bedrijf] . een ander dienstverband tegen een vergelijkbaar salaris zou hebben kunnen verwerven. Gelet hierop behoeft, bij gebrek aan belang, niet te worden ingegaan op de door Allianz opgeworpen vraag of de persoon die de door [eiser] overgelegde verklaring van [naam bedrijf] . heeft ingevuld en ondertekend daartoe bevoegd was. Ook kan ervan worden uitgegaan dat het loon van [eiser] in de situatie zonder ongeval jaarlijks met 1,5% zou zijn geïndexeerd. [eiser] heeft immers onweersproken gesteld dat dit een zeer beperkte indexatie is, die lager is dan de stijging van de uitkering in de situatie met ongeval.

4.43.

Voor de begroting van het inkomensverlies vanaf het ongeval tot juni 2017 kan de door [eiser] overgelegde berekening over 2016 en 2017 (productie 6 van [eiser] ) worden gehanteerd. Immers, [eiser] heeft onbestreden gesteld dat die berekening een bruto/netto berekening is die volgens de regels van de kunst uitgevoerd. Bijlage E van die berekening bevat ook de nodige specificaties waaruit de in de berekening gehanteerde bedragen kunnen worden herleid. De door Allianz gemaakte berekening kan niet als basis voor de begroting van het inkomensverlies dienen omdat daarin is uitgegaan van een te laag nettosalaris. Allianz heeft niet weersproken dat in de voor haar berekening gebruikte loonstroken over maart en april 2016 ten onrechte geen loonheffingskorting is toegepast, waardoor het netto loon te laag uitkomt.

4.44.

Het door [eiser] berekende inkomensverlies over 2016 bedraagt € 6.621,00. Over het gehele jaar 2017 bedraagt dit € 5.152. Over de maanden januari tot en met mei 2017 wordt het inkomensverlies begroot op (5/12 x € 5.152 =) € 2.146,67. Het inkomensverlies vanaf het ongeval tot mei 2017 komt daarmee op € 8.767,67.

Huishoudelijke hulp

4.45.

[eiser] stelt dat de normale taakverdeling tussen hem en zijn echtgenote er op neer kwam dat hij 30% van het huishouden deed, maar dat hij in verband met de zwangerschap van zijn echtgenote en een eerdere miskraam ten tijde van het ongeval 90% van de huishouding deed. In de weken na het ongeval kon hij geen enkele bijdrage leveren en had hij ook begeleiding voor persoonlijke verzorging nodig. De eerste zes weken was hij zwaar beperkt, de zeven weken nadien was hij matig beperkt en daarna was er tot januari 2019 een behoefte van één uur huishoudelijke hulp per week. Voor de waardering van de schade heeft [eiser] aansluiting te worden gezocht bij de richtlijn van de Letselschade Raad.

4.46.

Allianz betwist de behoefte aan huishoudelijke hulp en de hoogte van de kosten voor huishoudelijke hulp. Er is geen onderbouwing voor de gestelde taakverdeling, onduidelijk is welke taken in het huishouden [eiser] normaliter verrichtte en door het ongeval niet kon uitvoeren en voor welke werkzaamheden hulp nodig was.

4.47.

De rechtbank begroot de schade aan kosten voor huishoudelijke hulp op € 1.650,60. Dit baseert zij op het volgende.

4.48.

Niet in geschil is dat de echtgenote van [eiser] ten tijde van het ongeval zwanger was, na een eerdere miskraam, en dat de bevalling in november 2016 heeft plaatsgevonden. Voldoende aannemelijk is dat [eiser] , in de hypothetische situatie waarin het ongeval hem niet zou zijn overkomen, die periode het grootste deel van de huishoudelijke taken op zich zou hebben genomen. Gelet op de hiervoor vermelde beperkingen die [eiser] door het ongeval ondervond is voldoende aannemelijk dat hij als gevolg van het ongeval dat niet heeft kunnen doen en tot het einde van 2016 behoefte had aan de door hem gestelde huishoudelijke hulp.

4.49.

De schade kan worden begroot op basis van de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp die [eiser] aan zijn schade begroting ten grondslag heeft gelegd. Immers, dat er huishoudelijke hulp is geweest is als zodanig niet door Allianz bestreden.

4.50.

De berekening van [eiser] volgend (productie 6 van [eiser] ) bedraagt de schade aan kosten voor huishoudelijke hulp tot eind 2016 (€ 928,80 + € 541,80 + (20 x € 9,00 =)

€ 180,00 =) € 1.650,60.

Economische kwetsbaarheid

4.51.

[eiser] stelt dat er sprake is van economische kwetsbaarheid zoals gedefinieerd door de Letselschade Raad en vordert op die grond € 3.000,00 aan schadevergoeding. Allianz betwist de gegrondheid van deze vordering.

4.52.

De rechtbank verwerpt het beroep van [eiser] op economische kwetsbaarheid en wijst het op grond daarvan gevorderde bedrag af. Volgens de definitie van de Letselschade Raad is sprake van economische kwetsbaarheid indien “in de toekomst door een economisch feit […] een periode van werkloosheid kan intreden die langer duurt dan “normaal” door de door het ongeval ontstane beperkte mogelijkheden”. Dat de mogelijkheden van [eiser] door het ongeval nog beperkt zijn, is niet komen vast te staan.

Medische kosten

4.53.

De door [eiser] gevorderde medische kosten bestaan uit het eigen risico voor de zorgverzekering ad € 385,00, eigen bijdrage medicatie € 14,82 en eigen bijdrage behandelingen acupuncturist € 50,01.

4.54.

Allianz betwist dat deze kosten zijn gemaakt en voert daartoe aan dat een onderbouwing voor deze kosten ontbreekt.

4.55.

De rechtbank wijst de gevorderde schade aan medische kosten van € 449,83 toe. Dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt blijkt afdoende uit de door [eiser] overgelegde rekeningen (bijlagen A, B en C bij productie 6 van [eiser] ).

Reis- en parkeerkosten

4.56.

De gevorderde reis- en parkeerkosten bestaan uit € 13,28 voor bezoeken aan de acupuncturist, € 50,00 voor bezoeken aan het ziekenhuis en € 15,00 voor een bezoek aan de belangenbehartiger.

4.57.

Allianz bestrijdt deze kosten omdat deze onvoldoende onderbouwd, althans niet concreet bepaald zijn.

4.58.

De rechtbank volgt Allianz hierin voor wat betreft de gestelde kosten voor bezoeken aan het ziekenhuis. Immers, [eiser] stelt dat hij en zijn echtgenote door derden naar het ziekenhuis zijn gebracht respectievelijk daar zijn opgehaald en houdt rekening met een bedankje voor de bestede tijd. Hieruit volgt niet dat [eiser] daadwerkelijk reiskosten voor bezoek aan het ziekenhuis heeft gemaakt.

4.59.

De overige reis- en parkeerkosten van in totaal € 28,28 zullen worden toegewezen. Deze kunnen voldoende worden geconcretiseerd omdat het adres van de belangenbehartiger van [eiser] aan Allianz bekend is en het adres van de acupuncturist blijkt uit de door [eiser] overgelegde rekening van de acupuncturist.

Overige materiële schadeposten

4.60.

De rechtbank wijst de overige gestelde en door Allianz bestreden materiële schadeposten (overig/onvoorzien, zelfredzaamheid en telefoon- en portokosten) bij gebrek aan voldoende onderbouwing af. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij als gevolg van het ongeval mogelijk in de toekomst nog medische behandelingen moet ondergaan en dat hij daadwerkelijk kosten in verband met solliciteren heeft gemaakt. Evenmin heeft hij gesteld dat en in welk verband hij telefoon- en portokosten heeft gemaakt en dat hij vóór het ongeval schilderwerkzaamheden en in elkaar zetten van meubels normaliter zelf deed.

Smartengeld

4.61.

Smartengeld is een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij begroting van deze vergoeding dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden, waaronder enerzijds de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds de aard van het letsel, de pijn, de duur en de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor de benadeelde het gevolg is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde. Tevens dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding en de (gewijzigde) maatschappelijke opvattingen over de compensatie van leed. Het smartengeld pleegt te worden begroot per datum ongeval.

4.62.

[eiser] vordert € 6.000,00 aan smartengeld. Hij stelt dat dit bedrag billijk is en verwijst daarbij naar de in de ANWB Smartengeldgids gepubliceerde uitspraken onder nummers 422 en 425.

4.63.

Allianz betwist dat het gevorderde bedrag aan smartengeld billijk is en dat de uitspraken waarnaar [eiser] verwijst gevallen betreffen die vergelijkbaar zijn met zijn situatie. Zij vindt een smartengeld van maximaal € 1.000,00 redelijk en verwijst daarbij naar de in de ANWB Smartengeldgids onder nummers 384 en 386 gepubliceerde uitspraken.

4.64.

De rechtbank zal een vergoeding van € 1.000,00 toewijzen. Dit is gebaseerd op het volgende.

4.65.

De aard van de aansprakelijkheid in deze zaak betreft de aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen door de verzekerde van Allianz. Op 12 mei 2016 maakte deze laatste een verkeersfout en reed zij met de door haar bestuurde auto tegen de door [eiser] bestuurde auto.

4.66.

Door die verkeersfout kreeg [eiser] langdurig (ruim 10 maanden) nek-, rug- en schouderklachten. Hierdoor raakte hij in die periode arbeidsongeschikt en had hij gedurende ruim zeven maanden huishoudelijke hulp nodig. Door zijn arbeidsongeschiktheid werd zijn tijdelijk dienstverband niet verlengd, zodat hij opnieuw werk moest zoeken toen hij weer in staat was om te werken. In die periode werd hij door Allianz onvoldoende op zijn schade bevoorschot, waardoor hij financiële problemen met de daarbij behorende stress ondervond. Dit alles terwijl in die periode zijn eerste kind werd geboren.

4.67.

Rekening houdende met de hiervoor genoemde omstandigheden en gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zoals dit blijkt uit de bij partijen bekende Smartengeldgids, meest recente editie, is een vergoeding voor de immateriële schade van € 1.000,00 per datum ongeval billijk.

Slotsom t.a.v. de schade

4.68.

De schade die [eiser] – met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten – door het ongeval heeft geleden wordt op grond van het vorenstaande begroot op (€ 8.767,67 + € 1.650,60 + € 449,83 + € 28,28 + € 1.000,00 =) € 11.896,38. Na aftrek van de reeds door haar uitgekeerde voorschotten van in totaal € 8.500,00 dient Allianz nog € 3.396,38 aan [eiser] te voldoen. Vordering sub 1 zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen.

4.69.

[eiser] stelt dat Allianz over het smartengeld vanaf 12 mei 2016 en over de materiële schade vanaf 12 maart 2020 wettelijke rente verschuldigd is. Dat is niet door Allianz bestreden en vindt voldoende steun in de vaststaande feiten en de wet. Echter, [eiser] vordert de wettelijke rente over de resterende hoofdsom en omdat iets anders niet is gesteld zullen de betaalde voorschotten (analoog aan artikel 6:43 lid 2 BW) worden toegerekend aan de meest bezwarende schadepost. De gevorderde wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf 12 maart 2020.

Buitengerechtelijke kosten (vordering sub 2)

4.70.

[eiser] vordert € 9.000,00 aan buitengerechtelijke kosten maar dit bedrag dient – zoals hij stelt – te worden bijgesteld met de betaling van € 4.634,71 op 10 november 2021. Per saldo vordert hij dus nog € 4.365,29. [eiser] stelt dat mr. Meijer tot en met juli 2020 in totaal 44 uur aan de zaak heeft besteed en verwijst daartoe naar het door hem overgelegde urenoverzicht (productie 9). De 13 uren die aan het deelgeschil zijn besteed, worden hierop in mindering gebracht zodat 31 uren resteren. Het door mr. Meijer gehanteerde uurtarief bedraagt € 210,00 exclusief 4 % kantooropslag en BTW (€ 264,67 alles inclusief).

4.71.

Allianz betwist dat de gestelde buitengerechtelijke kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets en voert daartoe het volgende aan. In het urenoverzicht zijn ook uren opgenomen die in het kader van de deelgeschilprocedure zijn gemaakt. De reeds betaalde buitengerechtelijke kosten zagen op de periode tot en met maart 2017. Nog openstaande kosten betreffen daarom de periode tussen maart 2017 en het deelgeschil en vanaf juli 2017 (de rechtbank leest juli 2018, omdat het deelgeschil op 25 juni 2018 werd behandeld). Het aantal uren in deze periode is onverklaarbaar hoog. De na de beschikking in het deelgeschil van 6 augustus 2018 inhoudelijke correspondentie tussen partijen was immers beperkt. Het in rekening brengen van kantoorkosten is achterhaald en onredelijk. Diverse rechtbanken hebben een uurtarief van € 230,00 redelijk geacht.

4.72.

De rechtbank wijst het restant van de gevorderde buitengerechtelijke kosten toe en overweegt daartoe het volgende.

4.73.

Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking

komen, wordt uiteindelijk bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de

dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dit vereist dat, in de

gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de

verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te

verkrijgen.

4.74.

Indien Allianz vindt dat in het overgelegde urenoverzicht van mr. Meijer meer uren voor het deelgeschil zijn geregistreerd dan de 13 uren die daarvoor in de beschikking in het deelgeschil zijn begroot, lag het op haar weg om dat inzichtelijk te maken. Allianz heeft dat niet gedaan en bij gebrek daaraan staat als onvoldoende gemotiveerd bestreden vast dat de uren die mr. Meijer aan het deelgeschil heeft besteed correct in mindering zijn gebracht op het totaal van de door hem aan deze zaak bestede tijd.

4.75.

De in het urenoverzicht geregistreerde tijd vanaf april 2017 tot het deelgeschil en vanaf juli 2018 is afgezet tegen het in de dagvaarding onder randnummer 3 weergegeven verloop van de zaak is naar het oordeel van de rechtbank redelijk en niet bovenmatig.

4.76.

Het door mr. Meijer gehanteerde uurtarief van € 264,67 inclusief 4% kantooropslag en btw is redelijk. Dit past bij zijn expertise. De rechterlijke uitspraken waarnaar Allianz bij haar beroep op een redelijk uurtarief van € 230,00 heeft verwezen leiden niet tot een ander oordeel omdat die dateren uit de jaren 2012, 2013 en 2015 en de tarieven sedertdien zijn geïndexeerd.

4.77.

De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is niet afzonderlijk door Allianz bestreden en vindt voldoende steun in de wet en de vaststaande feiten. Omdat niet gesteld is dat deze kosten bij [eiser] zijn gedeclareerd, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf zeven dagen na het wijzen van dit vonnis.

Proceskosten

4.78.

Omdat partijen over en weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de kosten van de procedure tussen hen te compenseren, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt Allianz tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 3.396,36, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 maart 2020 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Allianz tot betaling aan [eiser] van € 4.365,29 voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 7 dagen na de datum van de uitspraak van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is ondertekend door de rolrechter en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2022.

2515/3152