Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:5494

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-07-2022
Datum publicatie
07-07-2022
Zaaknummer
8473881 CV EXPL 20-1742
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Behandeling zaak door één rechter. Aansprakelijkheid werkgever. Bewijslastverdeling. Geoordeeld wordt dat Du Pont aansprakelijk is voor eventuele schade die de werknemer heeft geleden als gevolg van blootstelling aan DMAc. Du Pont heeft onvoldoende heeft gedaan om blootstelling aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc tijdens het werk te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2022-0128
AR-Updates.nl 2022-0764
PS-Updates.nl 2022-0472
Jurisprudentie HSE 2022/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht

zaaknummer: 8473881 CV EXPL 20-1742

datum uitspraak: 7 juli 2022

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigden: mr. D. van Doorn, mr. W.A. van Veen en mr. G.J. Knotter,

tegen

Du Pont De Nemours (Nederland) B.V.,

vestigingsplaats: te Dordrecht,

gedaagde,

gemachtigden: mr. P.J. Huys en mr. C.S. Kehrer-Bot.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘Du Pont’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenvonnis waarin een mondelinge behandeling is bepaald en de daarin genoemde stukken;

  2. het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en de daarin genoemde stukken.

2. Deze zaak wordt behandeld door één rechter

2.1

Deze zaak wordt behandeld door één rechter. Mede vanwege de maatschappelijke impact en de complexe juridische vraagpunten in deze zaken zou behandeling door drie rechters wenselijk zijn, maar de wet staat behandeling door drie rechters niet toe. De wet schrijft namelijk voor dat arbeidszaken door de kantonrechter behandeld worden en biedt voor dit type zaak geen ruimte om te verwijzen naar een meervoudige kamer (van drie rechters).1Op die regel bestaat een aantal uitzonderingen, maar die doen zich hier niet voor.

2.2

De kantonrechter ziet geen mogelijkheid om af te wijken van de wettelijke regeling, omdat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om kantonzaken te laten behandelen door één rechter. In 2009 had de wetgever het voornemen om ook in kantonzaken behandeling door drie rechters mogelijk te maken2, maar in 2011 is hiervan afgezien. De wetgever beoogde om de behandeling van civiele zaken door meer dan één rechter te beperken en om ‘extra reliëf te geven aan het eigen karakter van de kantonrechtspraak’.3

2.3

Een uitspraak die is gedaan door niet het juiste aantal rechters is nietig.4

3. De kern van de zaak

3.1

Du Pont heeft tussen 1964 en 2004 in een fabriek in Dordrecht lycra geproduceerd. De lycravezel is door Du Pont zelf ontwikkeld en werd met name gebruikt bij het produceren van kleding. Bij het maken van lycra gebruikte Du Pont onder meer DMAc als oplosmiddel. Du Pont heeft de fabriek in 2004 verkocht. In 2006 is de fabriek gesloten.

3.2

[eiseres] heeft van 1 januari 1977 tot 21 april 1988 gewerkt bij Du Pont. Zij werkte als Lycra Inspectrice op de afdeling Inpak in de Lycrafabriek. [eiseres] vindt dat Du Pont onvoldoende maatregelen heeft getroffen om haar te beschermen bij het werken met DMAc. Zij stelt het volgende. Als gevolg van het werken eindigde haar zwangerschap na 30 weken in een vroeggeboorte waarbij haar zoon is overleden. Tijdens deze en de tweede zwangerschap heeft [eiseres] bovendien last gehad van bloedarmoede. De tweede zwangerschap leidde tot de geboorte van een meisje met laag geboortegewicht. Uit de derde zwangerschap volgt de geboorte van een gezonde zoon. [eiseres] heeft verder fertiliteits- en therapieresistente menstruatieproblemen gekregen. Daarom is op 35-jarige leeftijd haar baarmoeder verwijderd. Tijdens haar werk heeft [eiseres] last gehad van misselijkheid, duizeligheid, hoofd- en buikpijn, braken, eczeem en menstruatieklachten.

3.3

[eiseres] vordert dat Du Pont wordt veroordeeld om aan haar € 103.788,- te betalen aan vergoeding voor materiële en immateriële schade met wettelijke rente en proceskosten. Du Pont is het met de vordering niet eens.

4. De beoordeling

Samenvatting van de beslissing

4.1

Tijdens de procedure is gebleken dat Du Pont veel heeft gedaan om haar werknemers te beschermen. Dat geldt ook voor bescherming tegen blootstelling aan DMAc. Du Pont heeft onderkend dat DMAc schadelijk kan zijn voor de gezondheid en zij heeft van meet af aan de in Amerika vastgestelde grenswaarden gehanteerd, ook toen deze in Nederland nog niet golden. Du Pont heeft verder maatregelen getroffen om de blootstelling aan DMAc te beperken en zij heeft de blootstelling gemeten met luchtmeters en met urinetests. Toch komt de kantonrechter tot het oordeel dat Du Pont hier onvoldoende heeft gedaan om blootstelling van haar werknemers aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc te voorkomen.

4.2

Du Pont heeft op drie punten onvoldoende gedaan. Du Pont heeft namelijk niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de blootstelling aan DMAc via de lucht altijd onder de vastgestelde grenswaarden heeft gehouden. Du Pont had bovendien moeten voorkomen dat haar werknemers door aanraking in direct contact kwamen met DMAc. Op deze gronden is Du Pont aansprakelijk voor de schade die werknemers hebben geleden als gevolg van blootstelling aan DMAc tijdens het werk. De kantonrechter stelt ten overvloede vast dat Du Pont haar werknemers onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de mogelijke schadelijke effecten van DMAc. Deze beslissingen zullen hierna worden toegelicht.

Het is aannemelijk dat de grenswaarden in de fabriek zijn overschreden

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat voor blootstelling via de lucht al sinds 1963 een grenswaarde geldt van 10 ppm over 8 uur. Deze grenswaarde is eerst in Amerika vastgesteld en later internationaal overgenomen. De grenswaarde van 10 ppm over 8 uur houdt in dat iemand over een periode van 8 uur gemiddeld niet mag worden blootgesteld aan meer dan 10 deeltjes DMAc per miljoen deeltjes in de lucht. Het betreft een zogenaamd tijdgewogen gemiddelde.

4.4

Sinds 1976 geldt ook een grenswaarde voor korte blootstelling van 15 ppm over een periode van 15 minuten. Ook dit betreft een tijdgewogen gemiddelde. Daarbij is ook vastgesteld dat het niet meer dan vier keer binnen 8 uur mag voorkomen dat binnen een periode van 15 minuten de grenswaarde van 10 ppm wordt overschreden.

4.5

Het is aan Du Pont om aan te tonen dat deze grenswaarden niet zijn overschreden. Zij heeft op dit punt namelijk de bewijslast. Dat volgt uit artikel 7:658 BW. Daarin heeft de wetgever een bijzondere regel van bewijslastverdeling opgenomen die inhoudt dat niet de werknemer, maar de werkgever moet bewijzen dat zij voldoende heeft gedaan om de werknemer tegen schade of letsel te beschermen. Deze regel is overigens pas ingevoerd in 1997 maar de Hoge Raad heeft beslist dat de regel onmiddellijke werking heeft en dus ook moet worden toegepast bij situaties die voor invoering van de regel hebben plaatsgevonden.5 De werknemer moet wel bewijzen dat de schade die hij heeft geleden is veroorzaakt bij het uitvoeren van zijn werk.

4.6

Du Pont heeft het standpunt ingenomen dat het aan de werknemers is om te bewijzen dat zij aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc zijn blootgesteld. De kantonrechter begrijpt dat Du Pont daarmee bedoelt dat de werknemers dus ook moeten bewijzen dat Du Pont onvoldoende heeft gedaan om blootstelling boven de grenswaarden te voorkomen. Alleen als de grenswaarden zijn overschreden, zijn de werknemers immers blootgesteld aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc. De kantonrechter volgt het standpunt van Du Pont niet.

4.7

In deze zaak staat niet ter discussie dat de werknemers zijn blootgesteld aan DMAc. De wetenschappelijke kennis over de effecten van DMAc en de grenswaarden voor blootstelling zijn in de loop van de tijd niet wezenlijk veranderd. Het antwoord op de vraag of de werknemers zijn blootgesteld aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc is in deze zaak alleen afhankelijk van de vraag of Du Pont voldoende heeft gedaan om de hoeveelheid DMAc in de lucht te beperken. Dit zou tot een tegenstrijdige bewijslastverdeling leiden omdat bij de eerste vraag de bewijslast rust op de werknemers en bij de tweede vraag op de werkgever. De Hoge Raad heeft de vraag op wie in zo’n geval de bewijslast rust nog niet duidelijk beantwoord. Hij heeft geoordeeld dat onder omstandigheden het causaal verband tussen het werk en de schade wordt vermoed aanwezig te zijn als de werkgever niet aantoont dat hij voldoende heeft gedaan om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werk schade lijdt.6 De Hoge Raad heeft echter ook geoordeeld dat het aan de werknemer is om te bewijzen dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid.7

4.8

De kantonrechter oordeelt dat het aan de werknemer is om te bewijzen dat hij is blootgesteld aan stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, behalve voor zover het antwoord op die vraag afhankelijk is van de vraag of de werkgever voldoende heeft gedaan om gevaarlijke blootstelling aan de stof te voorkomen. Dit laatste zal de werkgever - zo nodig - moeten bewijzen. Deze bewijslastverdeling sluit naar het oordeel van de kantonrechter het best aan bij de bedoeling van de wetgever om de bewijslast ten aanzien van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan bij de werkgever te leggen.

4.9

Zowel Du Pont als de werknemers hebben ter zitting verklaard dat zij ten aanzien van wat nu ter beoordeling voorligt geen bewijs meer willen leveren. Dat betekent dat de kantonrechter direct tot een waardering van het al ingediende bewijs kan overgaan. De maatstaf die daarbij geldt is of de feiten die bewezen moeten worden voldoende aannemelijk zijn geworden. Niet noodzakelijk is dat de feiten buiten redelijke twijfel komen vast te staan.8

4.10

Gelet op wat hierna zal worden overwogen, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de grenswaarden niet gedurende langere periodes substantieel zijn overschreden. Het is wel aannemelijk dat gedurende langere periodes geringe overschrijdingen hebben plaatsgevonden en korte substantiële overschrijdingen. Du Pont heeft dus niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoende heeft gedaan om te voorkomen dat de werknemers via de lucht zijn blootgesteld aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden.

a. er zijn weinig meetgegevens meer beschikbaar

4.11

Du Pont beschikt niet (meer) over de resultaten van de luchtmetingen. Daarom kan niet meer worden vastgesteld welke waarden over de jaren heen op welke plekken zijn gemeten. Du Pont beschikt nog wel over indirecte gegevens zoals jaarverslagen en het rapport van [naam onderzoeksbureau] uit 1992. Hij heeft in 1992 op verzoek van Du Pont onderzoek verricht naar blootstelling aan DMAc in de fabriek in Dordrecht. Uit zijn verslag volgt onder meer dat de door DMAc-waarden die Du Pont in de lucht heeft gemeten ver onder 10 ppm zijn gebleven. Gelet op de hierna te noemen omstandigheden bestaat er echter aanleiding om aan de juistheid van deze uitslagen te twijfelen.

4.12

De werknemers hebben er verder terecht op gewezen dat een aantal luchtmeters (de Miran-analyzers) niet registreerden met hoeveel ppm de grenswaarde werd overschreden, maar alleen een alarm gaven bij overschrijding van eerst 5 ppm en vervolgens 8 ppm. Dat betekent dat de grenswaarde van 10 ppm kon worden overschreden zonder dat dit apart werd geregistreerd en zonder dat bekend was hoe hoog de overschrijding van de norm was. Dit maakt - in combinatie met de overige omstandigheden - aannemelijker dat de grenswaarden overschreden zijn. Dit geldt nog meer omdat Du Pont niet duidelijk heeft kunnen toelichten welke actie werd ondernomen nadat een alarm werd gegeven. Het feit dat [naam onderzoeksbureau] na zijn onderzoek in 1992 heeft geschreven dat niemand zich eigenaar van de Miran-analyzers voelde vormt een sterke aanwijzing dat te weinig actie werd ondernomen. Van Du Pont mocht worden verwacht dat bij een alarm van 8 ppm direct maatregelen zouden worden genomen. De grenswaarde van 10 ppm komt bij 8 ppm immers in zicht. Daar komt bij dat – zoals hierna zal worden toegelicht – er reden is om aan de juistheid van de metingen te twijfelen.

b. de luchtmetingen waren niet voldoende betrouwbaar

4.13

Uit het rapport van [naam onderzoeksbureau] blijkt dat een aantal luchtmeters vóór 1992 te dicht bij de ventilatie waren geplaatst waardoor de gemeten waarden niet betrouwbaar zijn. Dit maakt dat aannemelijk is dat de waarden in werkelijkheid aanzienlijk hoger waren dan gemeten en dat daardoor mogelijk de grenswaarden zijn overschreden. Het verschil tussen de gemeten en de daadwerkelijke waarden blijft gokken, omdat Du Pont niet heeft kunnen toelichten of en zo ja in hoeverre de gemeten waarden veranderden nadat de meters op een andere plek waren gehangen.

4.14

[naam onderzoeksbureau] heeft ook vastgesteld dat de meters op de spinningafdeling op 2 meter hoogte waren aangebracht. De meters hingen daarmee niet op de juiste hoogte. De luchtmeters dienden immers de blootstelling via de lucht te meten. Zoals deskundige [naam deskundige 1] ter zitting heeft toegelicht gaat het daarbij in de praktijk alleen om blootstelling via inademing, want blootstelling via de lucht door de huid is vanwege het beperkte oppervlakte van de huid vergeleken met de longen te verwaarlozen. De andere aanwezige deskundigen hebben dit niet tegengesproken. De meters hadden daarom op ademhoogte gehangen moeten worden.

4.15

In de stukken staan geen aanwijzingen zijn dat de luchtmeters op de andere afdelingen op een andere hoogte waren geplaatst. Uit het verslag van het onderzoek van Du Pont zelf uit 1995 volgt bovendien dat de meters om veiligheidsredenen op 2 meter hoogte zijn gehangen. Niet valt in te zien waarom dat voor de andere afdelingen anders zou zijn geweest. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat alle meters op 2 meter hoogte hebben gehangen.

4.16

Uit de verklaringen van de deskundigen ter zitting blijkt dat niet bekend is wat het verschil tussen de hoeveelheid DMAc op twee meter hoogte en op ademhoogte moet zijn geweest. Ook Du Pont kan op deze vraag geen antwoord geven. De deskundigen zijn het er niet over eens waarom er een verschil is tussen de concentratie DMAc op verschillende hoogtes, maar wel dat een verschil aannemelijk is. De kantonrechter volgt op dit punt deskundige [naam deskundige 1] , omdat zijn uitleg haar het meest overtuigend voorkomt. Dat betekent dat met name van belang is waar de bron van de DMAc zich bevond. Aangezien de garens met name op werkhoogte lagen om uit te dampen, is aannemelijk dat de concentratie DMAc op ademhoogte in werkelijkheid hoger was dan door de luchtmeters is vastgesteld. De deskundigen zijn ervan uitgegaan dat de concentratie DMAc maximaal 2 maal zo hoog zal zijn geweest. Hoewel het daadwerkelijke verschil niet kan worden vastgesteld, is het hierdoor aannemelijker dat de grenswaarden zijn overschreden.

4.17

Du Pont heeft ook de blootstelling per functie vastgesteld met het zogenaamd PERS-systeem. Omdat echter onduidelijk is gebleven op welke metingen dit systeem precies was gebaseerd, kan niet worden vastgesteld dat deze metingen betrouwbaarder waren. De enige aanwijzing daarvoor is te vinden in het veiligheidshandboek van Du Pont waarin bij de definitie van meting persoonsgebonden staat dat het monsterpunt zo dicht mogelijk bij de ademzone van de werknemer wordt geplaatst. Dit is echter slechts een algemene definitie die niet specifiek ziet op het meten van de blootstelling aan DMAc. Dit is daarom onvoldoende om aan te nemen dat dergelijke metingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Er bestaat daarom geen aanleiding om aan te nemen dat voor het PERS-systeem wel voldoende betrouwbare metingen zijn uitgevoerd.

c. in de fabriek was de lucht van DMAc te ruiken

4.18

De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat op verschillende momenten de lucht van DMAc in de fabriek te ruiken was. Verschillende werknemers hebben dit tijdens deze procedure verklaard en ook in het rapport van [naam onderzoeksbureau] staat dat 15% van de werknemers van de inpakafdeling last had van de visachtige lucht van DMAc. Daaruit volgt dat op dat moment op die plek minimaal 20 ppm DMAc in de lucht aanwezig moet zijn geweest. De deskundigen zijn het er immers over eens dat DMAc pas bij deze grens kan worden geroken. DMAc zal bij die waarde alleen worden geroken door degenen met een zeer goed reukvermogen. Aangezien meerdere werknemers zeggen DMAc te hebben geroken, is aannemelijk dat de waarde op die momenten meer dan 20 ppm moet zijn geweest. Dat de werknemers met name hebben aangegeven dat zij bij het begin van hun dienst DMAc roken kan erdoor worden verklaard dat zij daarna aan de geur gewend zijn geraakt. Aangezien de grenswaardes tijdgewogen gemiddelden inhouden, betekent dit niet zonder meer dat de grenswaarden zijn overschreden, maar het maakt wel aannemelijk dat overschrijdingen hebben plaatsgehad. Dit geldt met name voor de piekwaarde van 15 ppm per 15 minuten.

d. in Kerkrade zijn DMAc-waarden gemeten boven de grenswaarden

4.19

Tussen partijen is niet in geschil dat de lycragarens vanuit Dordrecht werden vervoerd naar de fabriek in Kerkrade waar de lycragarens werden afgewikkeld en opnieuw op nieuwe spoelen gewikkeld werden. Uit het onderzoek van Radboud Universiteit dat in 1988 in de fabriek in Kerkrade heeft plaatsgevonden volgt dat daar vrijwel constant de grenswaarde van 10 ppm per 8 uur werd overschreden. Aangezien in Kerkrade niet met DMAc werd gewerkt, moet de gemeten DMAc afkomstig zijn uit de lycragarens die vanuit Dordrecht waren aangeleverd en in Kerkrade verder zijn uitgedampt. Du Pont heeft ter zitting toegelicht dat dit kan worden verklaard doordat in Kerkrade de garens sneller en op grotere schaal werden gewikkeld. Deze toelichting acht de kantonrechter niet voldoende overtuigend. Du Pont heeft niet toegelicht waarop zij baseert dat dit de reden moet zijn dat de grenswaarden in Kerkrade (wel) werden overschreden. Een enkel vermoeden acht de kantonrechter niet voldoende. Daarvoor zijn op zijn minste betrouwbare metingen nodig. Het verschil in gemeten waarden kan worden verklaard door het feit dat het onderzoek van de Radboud Universiteit is uitgevoerd met persoonlijke luchtmeters (bevestigd op de kleding op ademhoogte).

4.20

Daarnaast is van belang dat - zoals een werknemer heeft verklaard – de dozen die vanuit Kerkrade werden teruggestuurd na opening eerst een tijd met rust werden gelaten om uit te wasemen vanwege de DMAc-lucht die er dan vanaf kwam. Aangezien dit garens waren die niet in Kerkrade zijn omgespoeld kan dit sowieso niet worden verklaard door het proces daar. Op basis hiervan moet worden vastgesteld dat ook na meerdere uren uitdampen in de garens nog een zodanige hoeveelheid DMAc aanwezig was dat daardoor de grenswaarden kunnen worden overschreden.

Du Pont had meer moeten doen om de hoeveelheid DMAc in de lucht te beperken

4.21

Deskundige [naam deskundige 1] heeft er terecht op gewezen dat van Du Pont als werkgever verwacht mag worden dat zij bij het maken van een risicoanalyse met betrekking tot DMAc zou kijken naar de bronnen van blootstelling. Du Pont diende dus te kijken naar de momenten en plekken waarbij DMAc in de lucht kon komen. Van Du Pont mocht worden verwacht dat zij redelijke maatregelen zou treffen om de hoeveelheid DMAc die in de lucht kwam te beperken. Dat heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan.

4.22

Hierna worden de omstandigheden van de verschillende afdelingen besproken. Deze afdelingen zijn hierna weergegeven op een plattegrond. De plattegrond geeft de situatie weer na de verbouwing die in 1985 heeft plaatsgevonden. Voorafgaand aan de verbouwing waren de inpakafdeling en de lag-area niet met een muur van elkaar gescheiden.

4.23

Tussen partijen is niet in geschil dat de lycragarens na het spinproces 24 uur moesten uitdampen. Dit was goed voor de kwaliteit van de lycra maar ook nodig om de hoeveelheid DMAc in de garens te verkleinen. Tijdens dit proces kwam er (relatief) veel DMAc in de lucht. Du Pont heeft er echter pas in 1984 voor gekozen om voor het uitdampen een aparte ruimte te maken (de lag-area). Du Pont had de blootstelling van de medewerkers van de inpakafdeling kunnen aanzienlijk beperken door hiervoor eerder een aparte ruimte te maken. Vóór de verbouwing moesten de medewerkers van de inpakafdeling hun werkzaamheden verrichten tussen de uitdampende garen. Dit was alleen veilig mogelijk bij voldoende ventilatie en betrouwbare metingen. Daarvan was onvoldoende sprake.

4.24

Ook na de verbouwing had Du Pont ervoor kunnen en moeten kiezen om de koffie- en theeautomaat en de kamer waar medewerkers pauze hielden niet in de lag-area te plaatsen waar de lycrarollen lagen uit te dampen. Hierdoor moesten de werknemers immers veelvuldig en onnodig in de lag-area komen. Du Pont heeft verder niet weersproken dat de medewerkers van het QC-lab geregeld gedurende langere tijd op de lag-area moesten zijn als zij de overige rollen van een afgekeurde lading lycra moesten zoeken. Om onnodige blootstelling van deze medewerkers te voorkomen had Du Pont ervoor kunnen kiezen om deze medewerkers geschikte mondmaskers te laten dragen.

4.25

Een tweede bron is de emmers met solutie en de emmers waarin afval en afgekeurde lycra in werden bewaard die op verschillende afdelingen stonden. Op de bovenverdieping van de spinningafdeling heeft [naam onderzoeksbureau] open vaten met solutie waargenomen. De emmers met afval stonden op de spinningafdeling maar dergelijke emmers stonden ook op de inpakafdeling en het QC-lab. [naam onderzoeksbureau] heeft er in zijn onderzoek op gewezen dat vanuit deze emmers onnodig veel DMAc in de lucht kwam aangezien de emmers geen deksel hadden. Van Du Pont had verwacht mogen worden dat zij deze blootstellingsbron zou wegnemen door de emmers van een deksel te voorzien. [naam onderzoeksbureau] heeft er ook op gewezen dat sprake was van een aanzienlijke blootstelling wanneer de celdeur van de spinningmachine was geopend. De medewerker stond dan direct in de opening terwijl vanuit de machine DMAc naar buiten kon komen. Ter zitting heeft Du Pont toegelicht dat het om één van de twee celdeuren ging, omdat de andere deur niet geopend kon worden zolang het proces in gang was. Wat daar ook van zij, deze bron van blootstelling had weggenomen kunnen worden door tijdens het uitvoeren van deze specifieke werkzaamheden mondmaskers verplicht te stellen.

4.26

[naam onderzoeksbureau] heeft er tot slot nog op gewezen dat de ventilatie en afzuiging binnen de fabriek verre van optimaal waren. Ook deskundige [naam deskundige 1] heeft hiernaar verwezen. Du Pont heeft niet toegelicht dat of waarom de conclusie van [naam onderzoeksbureau] onjuist was. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat vóór 1992 door een betere ventilatie en betere afzuiging de hoeveelheid DMAc in de lucht verminderd had kunnen worden.

Du Pont had direct contact tussen de huid en de garens moeten voorkomen

4.27

Tussen partijen is niet in geschil dat sinds 1963 ook een zogenaamde huidnotatie voor DMAc is opgenomen. De kantonrechter stelt vast dat de deskundigen het er uiteindelijk over eens zijn dat een huidnotatie betekent dat er rekening mee moet worden gehouden dat DMAc in substantiële mate door de huid kan worden opgenomen. De kantonrechter begrijpt dat ook [naam deskundige 2] het met deze betekenis eens is, maar dat zijn opvatting is dat een werkgever op grond van de huidnotatie bij DMAc ervoor moet zorgen dat met name bij jonge vrouwen ieder huidcontact moet worden vermeden.

4.28

De deskundigen zijn het er ook over eens dat een huidnotatie is bedoeld als waarschuwing dat de daadwerkelijk blootstelling wordt onderschat als alleen wordt gekeken naar blootstelling via de lucht wanneer ook blootstelling via de huid plaatsvindt. Zoals hiervoor overwogen gaat het bij blootstelling via de huid met name om blootstelling door aanraking, omdat opneming via de lucht door de huid een verwaarloosbare rol speelt.

4.29

De deskundigen lijken het er niet over eens hoe aannemelijk het is dat de werknemers door aanraking van de garens zijn blootgesteld aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc. Deskundige [naam deskundige 2] lijkt dit aannemelijker te vinden dan deskundige [naam deskundige 3] . Zelfs als de redenering van [naam deskundige 3] wordt gevolgd komt de kantonrechter echter tot het oordeel dat Du Pont had moeten voorkomen dat haar werknemers in direct contact kwamen met DMAc. De huidnotatie is er namelijk juist voor bedoeld te waarschuwen dat de daadwerkelijke blootstelling niet wordt onderschat omdat de blootstelling door contact met de huid verborgen blijft. Ook [naam deskundige 3] heeft ter zitting verklaard dat naar zijn oordeel bij het aanraken van de garens sprake is van een bepaalde mate van blootstelling omdat een kleine hoeveelheid DMAc in de lycra is achtergebleven terwijl niet duidelijk is in welke mate dit tot opname van DMAc in het lichaam zal leiden. Het is juist vanwege deze onzekerheid gecombineerd met het feit dat de werknemers ook via inademing werden blootgesteld aan DMAc dat elk direct contact met de huid vermeden had moeten worden. Dit oordeel ligt bovendien in lijn met de conclusies van de Radboud Universiteit naar aanleiding van het onderzoek in Kerkrade in 1988.

4.30

Aangezien uiteindelijk alle deskundigen het erover eens zijn dat bij aanraking van de garens sprake was van direct huidcontact met DMAc kan in het midden blijven in hoeverre de DMAc die nog in de garens zit moet worden aangemerkt als vloeibaar. Het antwoord op die vraag is alleen van belang als daarmee kon worden uitgesloten dat de DMAc in de garens door de huid zou kunnen worden opgenomen. Op grond van wat [naam deskundige 2] , [naam deskundige 1] en [naam deskundige 3] ter zitting hebben verklaard stelt de kantonrechter vast dat dit niet zo is. Du Pont lijkt zich wel op het standpunt te stellen dat de huidnotatie alleen betrekking heeft op vloeibare DMAc maar onduidelijk is waar zij dat standpunt op baseert. In de wetenschappelijke literatuur wordt weliswaar een aantal maal over vloeibare DMAc geschreven maar dat is te verklaren doordat het onderzoek naar blootstelling door de huid is uitgevoerd met vloeibare DMAc. Dit ligt weer voor de hand omdat DMAc in normale toestand vloeibaar is. Op basis daarvan mag niet de conclusie worden getrokken dat niet-vloeibare DMAc niet door de huid wordt opgenomen en dus veilig is om aan te raken. Het ligt eerder voor de hand om aan te nemen dat - omdat is aangetoond dat vloeibare DMAc door de huid wordt opgenomen - ook aanraking van lycra garens met daarin nog een restant DMAc tot extra blootstelling zal leiden. Dit geldt temeer omdat Du Pont ervan op de hoogte was dat het restant DMAc - zelfs na 24 uur - nog uit de lycra kon vrijkomen.

4.31

Du Pont heeft niet betwist dat de werknemers over het algemeen geen handschoenen of andere persoonlijke beschermingsmiddelen droegen en Du Pont heeft ook niet betwist dat zij hun werk vaak uitvoerden met korte mouwen of zelfs zonder mouwen. Door dit toe te staan heeft Pont onvoldoende gedaan om de werknemers tegen blootstelling te beschermen. Dit geldt zowel voor de werknemers van de spinningafdeling als de inpakafdeling en het QC-lab. Op al deze afdelingen kwamen de werknemers immers in direct contact met de garens. Du Pont lijkt haar beleid erop te hebben gebaseerd dat alleen aanraking van vloeibare DMAc tot gevaarlijke blootstelling kan leiden, maar zoals hiervoor overwogen was die conclusie niet gerechtvaardigd.

4.32

De medewerkers van de spinningafdeling kwamen in contact met de garens bij het onderhoud van de machines en bij storingen. Ook kwamen zij in contact met de lycragarens omdat zij de emmers met afgekeurde garens met de hand aanduwden. De garens bevatten op dat moment in het productieproces nog relatief veel DMAc omdat de garens nog niet waren uitgedampt. Voor de werknemers van de spinningafdeling was weliswaar voorgeschreven dat zij lange mouwen moesten dragen, maar die regel werd vaak niet nageleefd en Du Pont controleerde daarop niet. Van een werkgever mag worden verwacht dat zij ervoor zorgt dat een dergelijke regel daadwerkelijk wordt nageleefd.

4.33

De medewerkers van de inpakafdeling haalden de rollen met garens op uit de lag-area. De klossen deden zij om hun arm. Daarbij raakte zij de lycra niet met hun arm aan maar zij raakten de lycra wel met hun handen aan om de klossen op te pakken. De lycragarens werden met blote handen gecontroleerd, gestript en ingepakt. De werknemers voelden met hun handen wat de kwaliteit van de lycra was en legden een knoop in het draad. Ook daarbij raakten de werknemers de garens dus veelvuldig aan. Tot slot werden ook op de inpakafdeling de afgekeurde garens in een emmer gedaan die door de medewerkers met de hand werd aangeduwd.

4.34

Ook de medewerkers van de QC-afdeling pakten de rollen met blote handen op om deze naar hun werkplaats te brengen. Zij raakten de garens verder aan om deze van de rollen te halen. Tijdens de laatste stap van het proces in het QC-lab droegen de medewerkers wel handschoenen, maar dat neemt niet weg dat zij de garens ook met blote handen aanraakten.

4.35

Aangezien de werknemers op alle hiervoor genoemde afdelingen in direct contact kwamen met de garens, had van Du Pont verwacht mogen worden dat zij voor de medewerkers van deze afdelingen lange mouwen en handschoenen zou voorschrijven om blootstelling door aanraking te voorkomen of ten minste aanzienlijk te beperken. Daarbij was het ook aan Du Pont om erop toe te zien dat deze maatregelen daadwerkelijk zouden worden nageleefd. Dit geldt nog meer omdat aan het instellen van deze eenvoudige veiligheidsmaatregelen geen hoge kosten verbonden zijn.

De urinetests waren onvoldoende betrouwbaar om de blootstelling vast te stellen

4.36

Niet in geschil is dat Du Pont over de jaren heen de blootstelling aan DMAc heeft gemeten door het testen van urine van de werknemers. Uit de resultaten van deze onderzoeken mocht Du Pont echter niet afleiden dat geen sprake was van gevaarlijke blootstelling. De deskundigen zijn het er over eens dat uit het feit dat MMAc in de urine van iemand aanwezig is, kan worden afgeleid dat die persoon is blootgesteld aan DMAc. Een deel van de DMAc die door het lichaam wordt opgenomen wordt door het lichaam namelijk omgezet in MMAc. Internationaal zijn er ook grenswaarden vastgesteld voor MMAc. Deze grenswaarde lag aanvankelijk op 40 MMAc en is daarna verlaagd tot 30 MMAc.

4.37

De deskundigen zijn het er echter ook over eens dat op grond van de MMAc-waarde niet kan worden vastgesteld in welke mate een persoon daadwerkelijk aan DMAc is blootgesteld. De kantonrechter begrijpt dat de reden hiervoor is dat het mogelijk verschil maakt op welke wijze en onder welke omstandigheden die persoon is blootgesteld en dat de verschillen per persoon bij de omzetting naar MMAc groot zijn. De kantonrechter stelt daarom vast dat Du Pont uit het feit dat de MMAc-waarde van iemand onder de grenswaarde is gebleven niet mocht afleiden dat die persoon dus niet is blootgesteld aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc. Bij de stand van kennis van destijds, maar ook nog naar de stand van de kennis op dit moment, is daarvoor te weinig bekend over de mate waarin DMAc wordt omgezet tot MMAc.

4.38

De gegevens over de gemeten MMAc-waarden zijn nog beperkt beschikbaar. Op grond van de nog wel beschikbare gegevens kan worden vastgesteld dat van 1988 tot 1992 slechts in een klein aantal gevallen overschrijdingen van de MMAc-waarde is vastgesteld. Het gaat in totaal om 107 overschrijdingen op 13.631 uitgevoerde tests. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit over de andere jaren significant anders is geweest. Hoewel hieruit volgt dat geen sprake was van structurele overschrijdingen, kwamen overschrijdingen dus wel voor. De kantonrechter begrijpt dat bij overschrijding van de MMAc-waarde van 40 ppm (later 30 ppm) in de urine als actie volgde dat de medewerker aan het eind van de dienst opnieuw werd getest en dat pas bij overschrijding van 100 ppm MMAc-in de urine of bij structurele te hoge waarden de medewerker tijdelijk van het werk werd vrijgesteld. Onduidelijk is waarop Du Pont baseerde dat een medewerker met een te hoge MMAc-waarde niet direct uit het productieproces moest worden gehaald. Een te hoge MMAc-waarde is immers een aanwijzing voor een te hoge blootstelling.

4.39

Het is bovendien aannemelijk dat Du Pont de MMAc-waarde niet steeds op een juiste wijze heeft vastgesteld. In het rapport van [naam onderzoeksbureau] staat dat medewerkers hebben verklaard dat de urine niet altijd volgens de geldende procedures wordt ingenomen. Uit interne verslagen9 van Du Pont volgt verder dat de aanvankelijke vastgestelde tijdstippen waarop de urine moest worden ingeleverd zijn losgelaten omdat deze niet werd nageleefd. Dit maakt de uitslagen minder betrouwbaar.

4.40

De kantonrechter volgt deskundige [naam deskundige 3] niet voor zover hij zich op het standpunt heeft gesteld dat op grond van de gemeten MMAc-waarden kan worden geconcludeerd dat geen sprake kan zijn geweest van gevaarlijke blootstelling. De MMAc-waarden hebben - zelfs als deze niet geheel betrouwbaar zijn - wel bijgedragen aan het oordeel dat geen sprake is geweest van structureel substantiële overschrijdingen, maar zijn onvoldoende om de omstandigheden die erop wijzen dat wel sprake is geweest van gevaarlijke blootstelling opzij te zetten. Daar komt bij dat [naam deskundige 3] zich met name lijkt te baseren op het onderzoek van de Radboud Universiteit naar de medewerkers van de fabriek in Kerkrade. Daar werd geconstateerd dat bij overschrijding van de grenswaarden bij een substantieel aantal werknemers ook sprake was van een te hoge MMAc-waarde. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de kantonrechter echter niet de conclusie worden getrokken dat een te hoge blootstelling aan DMAc altijd zal leiden tot te hoge MMAc-waarden. Uit het onderzoek van de Radboud Universiteit volgt dat de verhouding tussen blootstelling en de MMAc-waarde erg onzeker is en dat daarnaar meer onderzoek nodig is. Daar komt bij dat het onderzoek kleinschalig was. Er zijn slechts 8 werknemers onderzocht.

Du Pont had haar werknemers beter moeten informeren over DMAc

4.41

De kantonrechter zal ten overvloede ingaan op het verwijt van de werknemers dat Du Pont hen onvoldoende heeft geïnformeerd over de mogelijke gevaren van werken met DMAc. Dit oordeel is ten overvloede omdat op de hiervoor genoemde gronden al vaststaat dat Du Pont aansprakelijk is voor schade die de werknemers hebben geleden vanwege te hoge blootstelling tijdens het werk. Het feit dat de werknemers niet voldoende zijn geïnformeerd betekent niet zonder meer dat de schade die de werknemers hebben geleden daarmee in een oorzakelijk verband staat.

4.42

Uit de jaarverslagen en interne stukken die Du Pont heeft bijgevoegd volgt dat er op zich aandacht is geweest voor de gevaren van DMAc. De kantonrechter acht op basis van het rapport van [naam onderzoeksbureau] toch voldoende aannemelijk dat werknemers niet voldoende zijn geïnformeerd. Uit zijn rapport blijkt immers dat de kennis van de werknemers over DMAc onvoldoende was. Du Pont had de werknemers in ieder geval moeten informeren dat bij een te hoge blootstelling DMAc schadelijk kan zijn voor de vruchtbaarheid en voor ongeboren kinderen. Du Pont had de werknemers ook moeten informeren over de verschillende wijzen waarop zij aan DMAc konden worden blootgesteld. Uit het rapport van [naam onderzoeksbureau] volgt ook dat de vragen van de werknemers over hun MMAc-uitslagen niet voldoende werden beantwoord. Du Pont had op dit punt op zijn minst moeten uitleggen welke grenswaarden golden, waarop deze waren gebaseerd en welke actie Du Pont ondernam bij te hoge MMAc-waarden. Du Pont had werknemers daarnaast moeten informeren over eventuele te hoge uitslagen. Werknemers hadden er dan voor kunnen kiezen om het werken met DMAc (tijdelijk) te staken.

Conclusie en vervolg procedure

4.43

In dit vonnis is vastgesteld dat Du Pont onvoldoende maatregelen heeft getroffen om blootstelling aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc te voorkomen en dat zij daarom aansprakelijk is voor de schade die de werknemers hebben geleden vanwege het werken met DMAc. Du Pont heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat in verband met de beoordeling van de schade nog moet worden vastgesteld dat de ziektes en ander letsel van de werknemers zijn veroorzaakt doordat zij tijdens het werk aan DMAc zijn blootgesteld. Het klopt dat de bewijslast op dit punt bij de werknemers ligt. In dit vonnis is wel al vastgesteld dat de werknemers op alle drie de afdelingen waar het in deze procedure om gaat zijn blootgesteld aan een gevaarlijke hoeveelheid DMAc, in die zin dat geen sprake is geweest van structureel substantiële overschrijding van de grenswaarden maar wel van incidenteel substantiële overschrijdingen en structureel geringe overschrijdingen.

4.44

De kantonrechter kan zich voorstellen dat (een van) partijen van dit vonnis in hoger beroep willen gaan. Omdat de beoordeling van de schade een complexe beoordeling zal zijn, is het praktisch als de mogelijkheid bestaat eerst duidelijkheid te verkrijgen over de aansprakelijkheid van Du Pont. In afwijking van de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv zal tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis mogelijk zijn. Als hoger beroep is ingesteld wordt deze procedure geschorst. Als geen hoger beroep is ingesteld volgt een tweede zitting. Partijen wordt verzocht in dit geval verhinderdata over de komende vijf maanden op te geven. De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen hierover met elkaar in overleg zullen gaan en de zaak eerder zullen opbrengen als zij afspreken dat zij geen gebruik maken van de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan. Net als bij de eerste zitting zal voorafgaand met partijen een zittingsagenda worden opgesteld. De zitting zal in beginsel een hele dag duren en er zal een reservedatum worden ingepland.

5. De beslissing

De kantonrechter:

bepaalt dat partijen van dit tussenvonnis in hoger beroep kunnen komen;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 oktober 2022 waar partijen zich mogen uitlaten over het vervolg van de procedure (zie 4.43);

verstaat dat partijen de zaak eerder op de rol kunnen plaatsen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk, kantonrechter, in samenwerking met mr. J. Boonstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

371

1 Zie artikel 93 onder c Rv en artikel 47 Wet RO

2 Kamerstukken 32 021, nr. 3 (Memorie van toelichting) paragraaf 5.5

3 Kamerstukken 32 891, nr. 3 (Memorie van toelichting) paragraaf 5.5

4 Zie artikel 5 lid 2 van de Wet RO

5 Hoge Raad 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837

6 Hoge Raad 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369

7 Hoge Raad 23 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6166

8 Hoge Raad 16 februari 2018 ECLI:NL:HR:2018:182

9 Productie 68 van Du Pont