Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:5482

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-07-2022
Datum publicatie
07-07-2022
Zaaknummer
ROT 21/5955
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

handhavingsverzoek van eiseres over mogelijk mededingingsbeperkend gedrag van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) al dan niet in samenwerking met de vier grootste accountantskantoren (Big Four). De kern van het verwijt van eiseres is dat de Big Four binnen de NBA een dusdanige invloed hebben dat zij in staat zijn om (overbodige) regels aan hun concurrenten op te leggen waarbij zij zich vervolgens aan die regels kunnen onttrekken om zo de mededinging te verstoren. Bij haar verkennend onderzoek heeft de ACM geen aanwijzingen gevonden die dit verwijt bevestigen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de ACM heeft kunnen stellen onvoldoende aanknopingspunten te hebben voor nader onderzoek en het handhavingsverzoek heeft kunnen afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 21/5955

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2022 in de zaak tussen

[eiseres] ( [afkorting naam eiseres] ), te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. drs. C.B.A. Spil,

en

de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster,

gemachtigden: mr. L.S. van Vliet en mr. A.N. Vroege.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2021 (het primaire besluit) heeft de ACM het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen.

Bij besluit van 15 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft de ACM het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam persoon] . De ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

Handhavingsverzoek

1.1

Eiseres heeft de ACM verzocht handhavend op te treden tegen de [naam organisatie] ( [afkorting naam organisatie] ) en de vier grootste accountantskantoren in Nederland, [naam accountantskantoor 1] , [naam accountantskantoor 2] , [naam accountantskantoor 3] en [naam accountantskantoor 4] (de Big Four), omdat zij - individueel dan wel gezamenlijk - artikel 6 en/of artikel 24 van de Mededingingswet (Mw) zouden overtreden.

1.2

Volgens eiseres handelen de [naam organisatie] en de Big Four in strijd met de Mw door beroepsregels vast te stellen die hoge uitvoeringskosten met zich brengen voor accountants en de organisaties waarbij zij werkzaam zijn. Het gaat eiseres om de beroepscode Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (Vgba) en alle regels in de Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA). De Vgba is van toepassing op iedereen die een zogenaamde ‘assurance opdracht' of 'aan assurance verwante diensten' uitvoert en daaronder vallen ook door [naam organisatie] leden te verlenen diensten zoals bijvoorbeeld advisering over corporate finance, interim management en diverse fiscale, juridische en andere adviseringsdiensten voor MKB ondernemingen. De ruime definitie van deze termen zorgt er volgens eiseres voor dat deze regelgeving een groot toepassingsbereik heeft met hogere lasten voor alle [naam organisatie] -leden en alle ondernemingen met toevallig een [naam organisatie] -lid in dienst tot gevolg. Volgens eiseres zijn er voor deze regels, en de wijze waarop de Big Four hier vervolgens uitvoering aan geeft, geen rechtvaardigingsgronden. De Big Four is volgens eiseres ingevolge de netwerkdefinitie in de Vgba in staat zich aan alle [naam organisatie] -regelgeving te onttrekken door binnen zelfstandige afdelingen geen [naam organisatie] -leden op de loonlijst te zetten. Iets dat andere aanbieders van onder de [naam organisatie] -regels vallende diensten, waaronder accountantskantoren, dan de Big Four niet of niet makkelijk kunnen doen. Dit leidt tot concurrentievervalsing tussen deze andere aanbieders en de Big Four. Deze gedragingen kwalificeren volgens eiseres ook als een overtreding van artikel 24 van de Mw. Immers zowel de [naam organisatie] - omdat zij van rechtswege de bevoegdheid heeft om regels op te leggen aan de beroepsgroep - als de Big Four - omdat zij in de ledenvergadering veel stemmen kunnen inbrengen - beschikken over een economische machtspositie.

Afwijzing handhavingsverzoek

2. De ACM stelt gelet op het handhavingsverzoek haar onderzoek en haar beoordeling te hebben toegespitst op de vraag of het handelen van de [naam organisatie] is aan te merken als (verboden) gedrag van een ondernemersvereniging zoals bedoeld is in artikel 6, eerste lid, van de Mw. Het is duidelijk dat eiseres niet eigenstandig commercieel gedrag van de Big Four centraal stelt, maar hun betrokkenheid bij het vaststellen van beroepsregels die op dat commerciële gedrag van invloed kunnen zijn. De kern van het verwijt van eiseres is immers dat de Big Four binnen de [naam organisatie] een dusdanige invloed hebben dat zij in staat zijn om (overbodige) regels aan hun concurrenten op te leggen waarbij zij zich vervolgens aan die regels kunnen onttrekken om zo de mededinging te verstoren. Bij haar verkennend onderzoek heeft de ACM geen aanwijzingen gevonden die dit verwijt bevestigen. De invloed van accountants van de Big Four binnen de [naam organisatie] , is niet dusdanig dat zij in staat zouden zijn om tegen de wil van de (zeer grote) meerderheid van accountants anders dan van de Big Four beroepsregels af te dwingen die de Big Four bevoordelen in hun concurrentiekracht ten opzichte van alle andere organisaties met [naam organisatie] -leden in dienst. Voor verder onderzoek bestaat daarom voor de ACM geen aanleiding en dat betekent dat het handhavingsverzoek wordt afgewezen.

Vooringenomenheid van de ACM

3. In beroep stelt eiseres dat de ACM c.q. de voorzitter van de hoorcommissie vooringenomen is en als gevolg daarvan de nieuwe juridische analyse van de ACM in het bestreden besluit is gebaseerd op feiten c.q. stellingen die nimmer door eiseres naar voren zijn gebracht en daarnaast heeft verzuimd in te gaan op andere naar voren gebrachte feiten en juridische argumenten. De vooringenomenheid van de ACM blijkt volgens eiseres allereerst uit de aanvliegroute om nog voor de bezwaarfase simpele gesprekjes bij de [naam organisatie] en het Ministerie van Financiën aan te gaan zonder in te gaan op of door te vragen naar de onderliggende geschilpunten die wijzen op concurrentievervalsing. Vervolgens blijkt de vooringenomenheid uit de conclusie van de voorzitter al tijdens de hoorzitting "dat het bestuur - in elk geval op dit moment - representatief is voor het lidmaatschap van de [naam organisatie] ”. Vooringenomenheid blijkt ook uit het niet doorvragen over de drie door eiseres uitgewerkte voorbeelden van concurrentievervalsing en de gevolgen van de netwerkdefinitie in samenhang met de begrippen 'assurance' en 'aan assurance verwant” en uit het zonder enige feitelijke basis niet willen onderzoeken van het eigenstandig commercieel gedrag van de Big Four. Tot slot blijkt vooringenomenheid uit het voorbijgaan aan de omgekeerde bewijslast voor ondernemersverenigingen van artikel 6, vierde lid, van de Mw.

4.1

Artikel 2:4, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. De rechtbank overweegt dat, als er sprake is van vooringenomenheid bij het nemen van het bestreden besluit, de eisen van een zorgvuldige voorbereiding en een behoorlijke belangenafweging in gevaar komen. Bepalend is dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Het gaat erom dat de overheid de nodige objectiviteit moet betrachten en zich niet door vooringenomenheid mag laten leiden (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 53-55 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van

2 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1).

4.2

Het betoog van eiseres slaagt niet. Uit de - zoals eiseres dat noemt - aanvliegroute van de ACM blijkt niet van een vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt niet dat er sprake is van vooringenomenheid van de voorzitter van de hoorcommissie nu hij - anders dan door eiseres is verwoord - heeft gezegd “(…). Dit suggereert dat het bestuur - in elk geval op dit moment - representatief is voor het lidmaatschap van de [naam organisatie] .” (onderstreping toegevoegd door rechtbank). De overige door eiseres aangevoerde voorbeelden hangen samen met het standpunt van de ACM over de reikwijdte van het handhavingsverzoek, de constatering van de ACM dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 6 van de Mw en het oordeel van de ACM dat artikel 6, vierde lid, van de Mw in zijn geheel niet aan de orde is als er geen sprake is van een overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mw. Dit betekent niet dat er sprake is van vooringenomenheid.

De rechtbank zal hierna oordelen over de reikwijdte van het handhavingsverzoek, of er sprake is van overtreding van artikel 6 van de Mw en of artikel 6, vierde lid, van de Mw hier van toepassing is.

Reikwijdte handhavingsverzoek

5. Eiseres betwist dat zij het eigenstandig commercieel gedrag van de Big Four niet centraal stelt. Dit gedrag van de Big Four kantoren is volgens eiseres juist de eigenlijke oorzaak van het voorliggende concurrentieprobleem. Zij stelt daarvoor uiteraard geen afdoend schriftelijk bewijs te vinden, maar wel aanwijzingen te hebben zoals het opkopen van kabinetsleden, de feiten (die blijken) uit de lobby bij politieke partijen, het stemgedrag op bestuursvergaderingen en het sturen van medewerkers naar ledenvergaderingen door de Big Four kantoren.

6.1

Volgens de rechtbank heeft de ACM terecht gesteld dat de kern van het verwijt van eiseres betreffende de verstoring van de mededinging door de Big Four, gelegen is in hun feitelijke invloed binnen de [naam organisatie] . De ACM heeft haar onderzoek dan ook kunnen toespitsen op de manier waarop beroepsregels binnen de [naam organisatie] worden vastgesteld en de invloed die de Big Four hierop kunnen uitoefenen. De door eiseres opgesomde aanwijzingen - wat daar verder ook van zij - zien immers ook op dan wel hangen samen met het beïnvloeden van besluitvormingsprocessen bij de [naam organisatie] .

6.2

De rechtbank is van oordeel dat de ACM in dit verband ook terecht stelt dat artikel 24 van de Mw, op grond waarvan het ondernemingen verboden is misbruik te maken van een economische machtspositie, buiten beeld blijft. Voor overtreding van artikel 24 van de Mw is allereerst vereist dat de [naam organisatie] kwalificeert als een onderneming. Nu de handelingen waar eiseres over klaagt - het vaststellen van de [naam organisatie] -regels - geen economische activiteit betreffen of zijn, kwalificeert de [naam organisatie] echter niet als een onderneming en kan van een overtreding van artikel 24 van de Mw door de [naam organisatie] dan ook geen sprake zijn. De - volgens eiseres juiste - vaststelling dat de [naam organisatie] niet als onderneming kwalificeert, is - anders dan eiseres stelt - dan ook niet volstrekt irrelevant. Verder zijn er geen aanwijzingen - en eiseres heeft (met de door haar opgesomde aanwijzingen) ook niet aannemelijk kunnen maken - dat de [naam organisatie] en de Big Four zich bij deze handelingen als één dominant geheel presenteren en een collectieve machtspositie hebben.

6.3

Gelet op het voorgaande heeft de ACM naar het oordeel van de rechtbank haar onderzoek en haar beoordeling kunnen toespitsen op de vraag of het handelen van de [naam organisatie] is aan te merken als (verboden) gedrag van een ondernemersvereniging zoals bedoeld is in artikel 6, eerste lid, van de Mw. De ACM heeft zich daarbij, gelet op de strekking van het handhavingsverzoek, kunnen concentreren op de manier waarop beroepsregels binnen de [naam organisatie] worden vastgesteld en de invloed die de Big Four hierop kunnen uitoefenen.

Artikel 6 van de Mw

7. Dit artikel luidt als volgt:

1. Verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

2. De krachtens het eerste lid verboden overeenkomsten en besluiten zijn van rechtswege nietig.

3. Het eerste lid geldt niet voor overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de distributie of tot bevordering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen

a. beperkingen op te leggen die voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn, of

b.de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken goederen en diensten de mededinging uit te schakelen.

4. Een onderneming of ondernemersvereniging die zich op het derde lid beroept, bewijst dat aan dat lid is voldaan.

8. Anders dan eiseres meent, heeft de ACM in het bestreden besluit geen argumenten naar voren gebracht waarom de [naam organisatie] niet kwalificeert als een ondernemersvereniging. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat de ACM - kort gezegd - vindt dat er een sterke aanwijzing is dat de [naam organisatie] een ondernemingsvereniging is maar dat, om met zekerheid vast te kunnen stellen of de [naam organisatie] dat is, zij ook zou moeten onderzoeken of de regelgeving van de [naam organisatie] neerkomt op de uitoefening van overheidsprerogatieven. De ACM vindt zo’n onderzoek niet nodig, omdat zelfs als ervan uit wordt gegaan dat de [naam organisatie] een ondernemersvereniging is, er geen aanwijzingen zijn voor de door de eiseres gestelde inbreuk op de mededingingsregels.

9.1

De essentie van het verwijt van eiseres is dat de [naam organisatie] -regels de Big Four zouden bevoordelen in hun concurrentiekracht ten opzichte van alle andere organisaties met [naam organisatie] -leden in dienst. Volgens eiseres is dat het gevolg van de invloed die de Big Four binnen de [naam organisatie] hebben bij het vaststellen van de betreffende regels. Deze stellingen - dat de Big Four in staat zouden zijn de [naam organisatie] -regels te dicteren ten nadele van andere accountants, en dat zij dit in de praktijk ook zouden doen - vinden volgens de ACM geen bevestiging in het door haar verrichte onderzoek.

9.2

De ACM stelt dat - hoewel er discussie bestaat over de invloed van accountants van de Big Four binnen de [naam organisatie] - die invloed niet dusdanig is dat zij in staat zouden zijn om tegen de wil van de (zeer grote) meerderheid van niet-Big Four-accountants beroepsregels af te dwingen die de Big Four bevoordelen in hun concurrentiekracht ten opzichte van alle andere organisaties met [naam organisatie] -leden in dienst. De algemene ledenvergadering (ALV), het belangrijkste orgaan binnen de [naam organisatie] , stelt de verordeningen met betrekking tot gedrags- en beroepsregels ten behoeve van de goede uitoefening van de werkzaamheden van accountants vast (artikel 19, tweede lid, van de Wet op het accountantsberoep (Wab). De ledenvergadering neemt beslissingen bij gewone meerderheid van stemmen (artikel 8, eerste lid, van de Wab) en ieder lid kan één stem uitbrengen (artikel 10, eerste lid, van de Wab). Binnen de ledenvergadering vertegenwoordigen de accountants die werkzaam zijn bij de Big Four volgens eiseres zelf 5,2% van de stemmen. Dit betekent dat niet-Big-Four-accountants goed in staat kunnen worden geacht om bij de ledenvergadering tegenwicht te bieden aan de invloed van de accountants die wél bij de Big Four behoren. De ACM wijst in dit verband op - door de [naam organisatie] overgelegde - stukken van een ALV van december 2020. Uit deze stukken blijkt dat accountants die werkzaam zijn bij kleinere kantoren duidelijk oververtegenwoordigd waren bij die ALV, gelet op de verhoudingen tussen de verschillende accountantsgroepen in het register van de [naam organisatie] . Dat laat zien dat ook andere (groepen van) accountants binnen de [naam organisatie] in staat zijn om zichzelf te organiseren ter borging van hun belangen. Ook de verhoudingen binnen het bestuur van de [naam organisatie] wijzen er volgens de ACM niet op dat de Big Four de gang van zaken daarbinnen zouden kunnen dicteren. In overeenstemming met artikel 12 van de Wab wordt de meerderheid van de [naam organisatie] -bestuursleden benoemd door de ledenvergadering waarbinnen de Big Four geen doorslaggevende invloed hebben. Dat Big Four-accountants op enig moment een meerderheid vormden binnen het bestuur - zoals eiseres heeft gesteld - maakt dit niet anders. In het huidige bestuur van de [naam organisatie] zijn slechts twee van de zeven bestuursleden van de Big Four afkomstig, zoals eiseres zelf erkent. Ook de huidige, feitelijke bestuursverhoudingen wijzen dus niet op een doorslaggevende invloed van de Big Four binnen de [naam organisatie] . Bovendien is de samenstelling van het bestuur van de [naam organisatie] hoe dan ook van minder belang, nu het de ledenvergadering is die de relevante beroepsregels vaststelt.

10. Eiseres wijst - nu de ACM niet beschikt over voldoende aanwijzingen voor een overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mw - op de omkering van de bewijslast voor ondernemersverenigingen die naar haar mening volgt uit artikel 6, vierde lid, van de Mw. Daardoor is het niet aan de ACM maar aan de [naam organisatie] om aan te tonen dat er geen aanwijzingen zijn voor de door eiseres gestelde inbreuk op de mededingingsregels. Volgens eiseres is het onterecht dat de ACM concludeert dat de regel van de omgekeerde bewijslast pas aan de orde kan komen wanneer vaststaat dat artikel 6, eerste lid, van de Mw is overtreden. Eiseres acht het onbegrijpelijk dat de ACM hier “de omgekeerde bewijslast omkeert” waardoor eiseres zou moeten bewijzen dat artikel 6, eerste lid, van de Mw is overtreden. Eiseres wijst in dit verband naar de Engelstalige passage uit het arrest van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services, C-501/06 P, ECLI:EU:2009:610, die in het Nederlands als volgt luidt: “83. De bewijslast rust dus op de onderneming die een ontheffing krachtens artikel 81, lid 3, EG vraagt. De door die onderneming aangevoerde feiten kunnen echter van dien aard zijn dat de andere partij verplicht wordt een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij ontbreken waarvan mag worden geconcludeerd dat aan de bewijsplicht is voldaan (zie in die zin arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 279).” Eiseres stelt - kort gezegd - dat zij een “verklaring of rechtvaardiging” heeft gegeven als door het HvJ in dit arrest is bedoeld.

11.1

De rechtbank is van oordeel dat dit betoog van eiseres berust op een onjuiste lezing van artikel 6 van de Mw en de jurisprudentie. Als sprake is van een handhavingsverzoek zal de ACM onderzoeken of er voldoende aanwijzingen zijn voor de door de verzoek(st)er gestelde inbreuk op de mededingingsregels en als de ACM voor die schending een sanctie op wil leggen aan een onderneming of ondernemersvereniging, is het aan de ACM om nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aan te voeren die het bestaan van de overtreding aantonen. Artikel 6, derde en vierde lid, van de Mw ziet op de situatie dat sprake is van een verboden gedraging als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Mw maar dat de betrokken onderneming of ondernemersvereniging zich op de uitzondering van artikel 6, derde lid, van de Mw beroept. In dat geval dient, zoals is bepaald in artikel 6, vierde lid, van de Mw die onderneming of die ondernemersvereniging te bewijzen dat aan alle voorwaarden van lid 3 is voldaan. Punt 83 uit het door eiseres aangehaalde arrest ziet ook op die situatie en niet op de situatie die hier aan de orde is waarbij er volgens ACM geen aanwijzingen zijn dat artikel 6, eerste lid, van de Mw is geschonden.

11.2

De rechtbank ziet, gelet op de organisatorische kenmerken van de ledenvergadering en het bestuur van de [naam organisatie] , en de feitelijke mogelijkheden voor de verschillende accountants en accountantskantoren om binnen die gremia invloed uit te oefenen, niet in op welke wijze de grote meerderheid van [naam organisatie] -leden die niet bij de Big Four werkzaam zijn (bij de ledenvergadering vertegenwoordigen de accountants die werkzaam zijn bij de Big Four slechts 5,2% van de stemmen) ervan zou kunnen worden weerhouden om regelgeving tegen te houden of in te trekken als zij van mening zouden zijn dat hun concurrentiepositie daardoor wordt aangetast. Eiseres heeft niet aannemelijk weten te maken dat de andere leden dan de leden die bij de Big Four werkzaam zijn hier in de praktijk niet toe in staat zouden zijn. Mogelijke invloed van Big Four-leden binnen andere gremia en organisaties zoals de Raad voor Toezicht van de [naam organisatie] en de Accountantskamer kan hier in ieder geval ook geen verklaring voor vormen, nu [naam organisatie] -regelgeving door de ledenvergadering wordt bepaald. Eiseres stelt dat “de Big Four altijd de macht en het geld hebben om voldoende medewerkers naar een ledenvergadering te kunnen sturen”. Als voorbeeld wijst zij op de ALV van 2006. Na een eerste stemming waarin bleek dat de bestuursvoorstellen geen meerderheid zou krijgen, werd de vergadering volgens eiseres uren geschorst en werden in die uren grote aantallen medewerkers van Big Four kantoren met witte busjes aangevoerd om de bestuursvoorstellen te ondersteunen, waarop die voorstellen inderdaad zijn aangenomen). Volgens eiseres zouden als gevolg daarvan de twintigduizend andere leden menen dat het geen zin heeft om naar een ledenvergadering te gaan, want “dit winnen we nooit”. Deze stelling van eiseres overtuigt niet gelet op het lage percentage [naam organisatie] -leden van de Big Four kantoren. Ook het feit dat het verzet tegen de [naam organisatie] -regels binnen de sector beperkt is, zoals eiseres ter hoorzitting heeft aangegeven, wijst niet op het bestaan van een situatie waarin een (kleine) groep Big Four-accountants tegen de wil van een (veel grotere) groep andere accountants regels heeft laten vaststellen ter versterking van de relatieve concurrentiepositie van de Big Four. De rechtbank ziet het beperkte verzet eerder als een aanwijzing dat een groot deel van de accountants - anders dan eiseres - hier geen (mededingingsrechtelijk) probleem in ziet, anders zouden zij zich wel bij de ALV melden. Verder is voor het stemmen in de ALV fysieke aanwezigheid niet vereist en kan dat ook met machtigingen, wat de drempel om te stemmen vermindert. De stelling van eiseres dat in het verleden machtigingen ongeldig zijn bevonden is niet onderbouwd en doet daar dus niet aan af.

12. De rechtbank komt tot de conclusie dat de ACM heeft kunnen stellen onvoldoende aanknopingspunten te hebben voor nader onderzoek en het handhavingsverzoek heeft kunnen afwijzen. Gelet daarop heeft de ACM ook niet in hoeven te gaan op de drie door eiseres aangevoerde voorbeelden van concurrentievervalsing en ontbreekt de relevantie van de arresten van 22 oktober 2015, Treuhand, C‑194/14 P, ECLI:EU:C:2015:717 en 10 november 2017, Icap e.a., T‑180/15, ECLI:EU:T:2017:795, op basis waarvan eiseres meent dat aansprakelijkheid voor de [naam organisatie] kan worden aangenomen omdat deze actief participeerde in de concurrentievervalsing.

Staatsteun

13. In beroep betoogt eiseres ook dat de Staat der Nederlanden de mededinging vervalst door het geven van (verboden) staatssteun aan de Big Four als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Deze staatssteun zou bestaan uit het financiële voordeel dat de Big Four kunnen behalen via de OOB-controles die zij verrichten. Er zijn namelijk nog maar zes accountantsorganisaties die deze werkzaamheden mogen uitvoeren, waaronder de Big Four.

14. De rechtbank wijst eiseres erop dat de bevoegdheid om handhavend op te treden tegen mogelijke overtredingen van de EU staatssteunregels exclusief bij de Europese Commissie ligt, zodat de ACM daarover dan ook niet mag oordelen.

Conclusie

15. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Het beroep is dan ook ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzitter, en mr. S.A. de Vries en mr. D.J.M. de Grave, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 7 juli 2022.

De voorzitter is verhinderd te tekenen

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.